Onder dit hoofd worden, naar het voorbeeld van Poezy 1682, II, blz. 586, de vierregelige bijschriften samengevat, die Vondel dichtte bij de drie gravures, waarin Jan de Visscher het ongeval, aan Prins Joan Maurits overkomen te Franeker op 6 Januari 1665, in beeld heeft gebracht. (Unger no. 681).
Vondels bijschriften, naast de Latijnse van P. Francius, zijn opgenomen in barokke omslingeringen van bloem-, ooft- en diermotieven, opzettelik door P. Nolpe daarvoor gestoken en tezamen afgedrukt op een afzonderlik blad.
Vondels verzen schijnen een zeer vrije, verkorte weergave van Francius' 6-regelige gedichtjes, die rechts naast de zijne staan met de cijfers I, II en III erboven, terwijl de Latijnse titel terecht is gekomen boven de Nederlandse verzen.
De 20-jarige dichter Francius, een vriend van Antonides, zal later de Amsterdamse leerstoel van Barlaeus bekleden. Ter vergelijking met Vondel, schrijven we hier het laatste gedichtje van Francius over:
Men zie in de Aantekeningen achterin de brief, waarin Joan Maurits het ongeval meedeelt aan zijn zuster; hij schrijft haar o.a.: ‘Soo haest ick op het Landt quam, viel ick op mijn knien ende danckte mijnen Godt voor de genadige bewaringe’ en verder: ‘De hoogste genade dewelcke my van Godt wedervaren is, was dat ick onder 't water mijn volkomen verstandt behouden heb ende sonder ophouden in mijne gedachten Godt om uergevinge mijner sonden aengeroepen ende dat hij om de verdiensten Christi my arme sondaer wilde genadig sijn.’