terug  begin  verder

Gebedt Aen Jesus Christus.aant.*

 
Aertsrechter, in 't gerecht, daer allerhande volcken1
 
Verschijnen moeten, als de jongste dagh verschijnt,
 
En gy ter vierschaer zit, op eenen troon van wolcken,
 
Waer voor de duistre nacht der weerelt snel verdwijnt;
5
Zie neder, en bestrael ons met genadige oogen:
 
Want wy misdaedigen geensins in 't zuiver licht,
 
Het welck geen smet gedooght van ver genaecken mogen,7
 
Noch duuren konnen voor uw heilrijck aengezicht.8
 
Gy schiept den mensch eerst na uw beelt oprecht, eenvuldigh,9
10
  Volkomen, onbesmet, en heiligh, u ten prijs:
 
Maer Adam, om zijn schult gebannen, en strafschuldigh,
 
Verloor de hantvest, hem verleent in 't paradijs,12
 
En alle menschen, in hem schuldenaers gerekent,
 
Verdienden ongena, met eenen door de schult
15
By elck voor zich begaen, en boven aengetekent.15
[p. 198]
 
Wat raet, ô schultheer? neem in 't uiterste gedult16
 
Met uwen schuldenaer, en straf hem niet rechtvaerdigh,17
 
Gelijck de schult verdient, maer maetigh het gerecht.18
 
Beslecht het ongelijck door middel, en gewaerdigh19
20
  Den schuldigen gena, van outs hem toegezeght.
 
Gy, 't zaet der vrouwe, hebt de slang het hooft vertreden,21
 
De maght des doots verplet, en, als een middelaer,
 
Den mensch met Godt verzoent, den bittren doot geleden,
 
En streckte een offerhande op 't bloedigh Kruisaltaer.24
25
Getrouwe voorspraeck, hou ons woort by uwen vader.25
 
Op dat hy ons aenschouwe uit zijne majesteit
 
In u, den liefsten zoon gekent, en niemant nader.27
 
Beklee ons met een kleet van uw rechtvaerdigheit.
 
Dat d'invloet der genade alle ongetoomtheit teugel,29
30
  En wy, u dienende naer 's hemels nieuwe wet,30
 
Gerust gehanthaeft, en beschaduwt van uw' vleugel,31
 
Ter heilpoorte intreên, vry en rein en onbesmet,
 
Daer u van Engelen en allerhande tongen33
 
Het Alleluja wort met blyschap toegezongen.
 
 
 
J.v. Vondel.

t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament, Anno 1665.

*Van 1665. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 684). Leendertz (Het Leven van Vondel, blz. 363) beschouwt dit gedicht als een waardig antwoord van Vondel op de aanvallen naar aanleiding van zijn Adam in Ballingschap.
1Aertsrechter: opperrechter.
7mogen: kunnen.
8duuren: stand houden, bestand zijn tegen.
9na: naar; oprecht: rechtschapen.
12de hantvest: privilege, voorrecht.
15By: door; boven: in de hemel.
16schultheer: rechter over onze schuld; in 't uiterste: op het sterfbed.
17niet rechtvaardigh: niet volgens het strenge recht.
18maetigh het gerecht: temper het vonnis.
19het ongelijck door middel: het begane onrecht door bemiddeling; gewaerdigh: verleen.
21Zie Genesis 3, 14-19 en Openb. v. Joh. Hst. 12.
24streckte: waart.
25hou ons woort: doe het woord voor ons, wees onze voorspraak.
27den liefsten zoon gekent: erkend als zijn liefste zoon.
29ongetoomtheit teugel: losbandigheid beteugele.
30nieuwe wet: de wet van Christus, in tegenstelling met die van het O.T.
31Gerust gehanthaeft: veilig gesteund; van: door.
33Daer: waar.
terug  begin  verder