terug  begin  verder
[p. 204]

Ter lykstaetsie der weledele mevrouwe Anna van Horen,
gemalinne van den weledelen heere Kornelis van Vlooswyk, Heere van Vlooswyk, Papekop &c. Burgermeester en raet t'Amsterdam.aant.*

 
Het troostloos gasthuis volge in rouwe1
 
De droeve lijktorts van mevrouwe,2
 
Zyn trouwe moeder, nu een lijk,
 
De bloem van Vlooswyk, zoo vermeeten4
5
Van d'oude slangh des doots verbeeten,5
 
Ten aenwas van het dootsche rijk.6
 
De schoonheit noch vernuft, noch oordeel,7
 
Noch adel geven iemant voordeel
 
Te mijden 't onvermybre lot,8-9
10
Het menschdom vroegh te beurt gevallen.10
 
De wreede doot spaert geen van allen.
 
Ter werrelt staet niet vast dan Godt.12
 
De godtheit is alleen onsterflijk,
 
Onwankelbaer, en onbederflijk.14
15
  De hantvest van onsterflijkheit15
 
Behoutze voor zich zelf, daer boven16
 
Haer alle cherubijnen loven,
 
In vollen glans en majesteit.
 
Dees wijze Pallas plagh in boeken19
20
De nutte kunsten t'onderzoeken.
 
Zy sprak uitheemschen in hun spraek,21
[p. 205]
 
Zoogh honigh uit gebloemde reuken,22
 
Herkaeude 't pit van goude spreuken,23
 
En letterooft, gezont van smaek.24
25
Haer yver schepte lust de kranken
 
Te stutten, en ontzagh geen stanken,
 
Noch beddesmet, noch arremoe.27
 
Zy hanthaeft d'inkomste, in 't besnyen28
 
Van ledigheit, en slemperyen,
30
  En sloot haer hart voor niemant toe.
 
Nu zweeft de ziel van Anne op wieken
 
Van haer hantreikingen, den zieken32
 
Gegunt, in 't alleruiterste endt.
 
Barmhertigheden strekken pennen,
35
Om door Godts renbaen heen te rennen
 
Naer prijs, heldinnen toegekent.
 
De burgery zal met dit sterven
 
Voortaen de milde voorspraek derven,
 
By haeren eedlen burgerhelt,39
40
Die, eerze 't leven quam t'ontglippen,
 
De doot zagh drijven op de lippen,41
 
Waerop zijn wellust was gestelt.42
 
Gy hemelreien, koomt ons helpen
 
De zerk, die 't lichaem moet bestelpen,44
45
  Te kroonen met dit grafgedicht:
 
Beklaegh hier Anna, Gasthuismoeder.
 
De heilant zy haer troost en hoeder.
 
De heilant schenkze 't eeuwigh licht.
*Van 1666. - Volgens de tekst in Vondels Poëzy 1682 II, blz. 67.
Opschrift: Zie over Anna van Horen deel 8, blz. 771, en deel 9, blz. 243. Zij werd 12 April 1666 bij avond in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven. Zie Elias, De Vroedschap I, blz. 484, die de begrafenisdatum van 30 Oct. 1668 in Bontemantel, uitg. Kernkamp II, blz. 493, foutief noemt. Anna was regentes van het Gasthuis.
1gasthuis: ziekenhuis (vgl. vs. 25-vlg.).
2lijktorts: de begrafenis had plaats bij fakkellicht.
4vermeeten: vermetel, meedogenloos.
5Van: door; verbeeten: doodgebeten.
6Om het rijk des doods te vermeerderen. Bij deze uitdrukking denkt de dichter aan de onderwereld uit de klassieke mythologie.
7vernuft: verstand.
8-9voordeel Te mijden: een voorsprong om te ontkomen aan.
10vroegh: sedert het Paradijs.
12niet: niets.
14onbederflijk: onvergankelik.
15De hantvest: het privilege, het voorrecht.
16daer boven: waar omhoog.
19Pallas: Athene, de godin der wijsheid.
21Volgens Bontemantel (zie Elias, De Vroedschap I, blz. 484) was Anna van Horen ‘een gauwe en wel doorleese dame, meer geneegen met de grootste van het lant en ambassadeurs der vreemde potentaten, dan met haers gelijck te spreecken en om te gaan’.
22gebloemde reuken: geurige bloemen.
23Herkaeude: overdenckt herhaaldelik; 't pit van goude spreuken: kernachtige uitspraken, vol levenswijsheid.
24letterkundige geschriften, gezond van inhoud, waarop zij zich vergastte.
27beddesmet: besmetting van het ziekbed.
28hanthaeft d'inkomste: zorgt dat steeds nieuwe patienten opgenomen kunnen worden (?); besnyen: besnoeien, afsnijden, d.w.z. zij zorgde dat leeglopers en dronkaards geweerd werden.
32hantreikingen: steun, hulpvaardigheid, als 't ware vleugels waarop zij naar de hemelse zaligheid omhoog zweefde. Het beeld wordt herhaald in vs. 34-36: haar werken van barmhartigheid zijn eveneens vleugels (pennen).
39burgerhelt: haar echtgenoot, de burgemeester. Van die voorspraak had Vondel zelf de voordelen ondervonden bij zijn benoeming aan de Bank van Lening.
41de lippen door de dood zag verbleken.
42Waaraan hij zoveel genot te danken had (was gestelt op: berustte op).
44bestelpen: overdekken.
terug  begin  verder