Ter lykstaetsie der weledele mevrouwe Anna van Horen,
gemalinne van den weledelen heere Kornelis van Vlooswyk, Heere van Vlooswyk, Papekop &c.
Burgermeester en raet t'Amsterdam.aant.*
*Van 1666. - Volgens de tekst in Vondels Poëzy 1682 II, blz. 67. Opschrift: Zie over Anna van Horen deel 8, blz. 771, en deel 9, blz. 243. Zij werd 12 April 1666 bij avond in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven. Zie Elias, De Vroedschap I, blz. 484, die de begrafenisdatum van 30 Oct. 1668 in Bontemantel, uitg. Kernkamp II, blz. 493, foutief noemt. Anna was regentes van het Gasthuis.
21Volgens Bontemantel (zie Elias, De Vroedschap I, blz. 484) was Anna van Horen ‘een gauwe en wel doorleese dame, meer geneegen met de grootste van het lant en ambassadeurs der vreemde potentaten, dan met haers gelijck te spreecken en om te gaan’.
28hanthaeft d'inkomste: zorgt dat steeds nieuwe patienten opgenomen kunnen worden (?); besnyen: besnoeien, afsnijden, d.w.z. zij zorgde dat leeglopers en dronkaards geweerd werden.
32hantreikingen: steun, hulpvaardigheid, als 't ware vleugels waarop zij naar de hemelse zaligheid omhoog zweefde. Het beeld wordt herhaald in vs. 34-36: haar werken van barmhartigheid zijn eveneens vleugels (pennen).
39burgerhelt: haar echtgenoot, de burgemeester. Van die voorspraak had Vondel zelf de voordelen ondervonden bij zijn benoeming aan de Bank van Lening.