terug  begin  verder
[p. 206]

De zeetriomf der Vrye Nederlandenaant.*

Scena ut versis discedat frontibus, utque
Purpurea intexti tollant aulaea Britanni.

 
Nu den hemel lof geschonken.2
 
Nu eens rustigh omgedronken,
 
En met 's lants triomftrompet
 
Eenen hoogen toon gezet4
5
Op de neêrlaegh van dees plaege,5
 
Gansch Europe, uit nieu Karthage,6
 
Toegezworen, in 't bestaen7
 
Van den ganschen oceaen,
 
Waer zijn zeekasteelen drijven,
10
Trots een zeewet voor te schrijven,10
 
Als een zeegodt, wiens gezagh
 
Alle volken overmagh.12
 
Noit beschaduwt Xerxes 't water,13
 
Noch Antoon en Kleopater14
15
  Met zoo stout een' overmoedt,
 
Dronken van geluk en spoet,16
 
Als 't gewelt van Groot Britanje
 
Elk braveerde op 's rijx kampanje,18
 
Toen helt Monk, en Askuë19
20
  Quamen bruizen over zee,20
 
Daer de vloot der Vrye Landen
[p. 207]
 
Ankerde op de Vlaemsche stranden:
 
Maer zy hadden op dat spoor23
 
Geenen dronken Bacchus voor,
25
Licht gewapent voor dien schreier25
 
Met den grooten berkemeier,26
 
En Silenus, die noch nat27
 
Avrechts op den ezel zat:
 
Neen bylo, zy vonden gasten,29
30
Mars, die, vliegende op de masten,30
 
Met de witte koningsvlagh,
 
Tot een' schrik van 't Britsch gezagh,
 
Neêr quam stijgen, toen hun rompen33
 
't Hooft met stoppen en met pompen34
35
  Bovenhielden, en half doot
 
d'Amiraelen van de vloot
 
Zagen by den hals gegreepen.
 
Robbrechts hulp met nieuwe schepen38
 
Stuite geen verbaesde vlught,39
40
  Na vier etmael, daer de lucht
 
Zwart hing van salpeterwolken,
 
Als of d'afgront, uit zijn kolken42
 
Opgedondert, dol van spijt,43
 
Wekte een' nieuwen reuzestrijt.
45
Tromp schijnt scheutvry, en verandert,45
 
Moedigh op den leeuwestandert,46
 
Zevenmael van kiel op kiel.
 
Toen de noot hem overviel
 
Quam helt Ruiter aengeschooten,
50
Streven door de donderklooten,
 
Als een salamander, fier51
 
Ongezengt in 't oorlogsvier,
 
Onder blixems van kortouwen,53
 
Met een ongeschokt betrouwen.
55
  Drywerf dondrenze op het meer
 
Door Britanje heene en weer,
 
Met grofzwangre schutgevaerten,57
[p. 208]
 
Tot met ingekrompe staerten
 
Alle waterhonden vlugh,
60
  Na de vierde mael, den rugh
 
Biedende, zich zeewaert deilen,61
 
En met uitgezette zeilen
 
Heenedruipen, zonder moedt,
 
Door een zee van Engelsch bloet.
65
Askuë, nu lang verlaeten,
 
Brengt op 't hof der Vrye Staeten
 
Zelf de tijding uit den slagh:65-67
 
En de witte koningsvlagh
 
Wort in 't hofgewelf gehangen.69
70
Tromp, met volle vreught ontfangen,
 
Tuight hoe Stuarts Waterroos71
 
Zonk in 't water voor altoos.
 
 
 
J.v. Vondel.

Vour de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament. 1666.

*Van 1666. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 686). Het motto, ontleend aan Georg. III, 24-25, betekent, volgens Vondels eigen vertaling (zie deel 6, blz. 267):
‘hoe het feesttooneel
Verandert van gedaente, en hoe de Britten eêl
En kunstigh voor elx oogh gewrocht staen, en geweven.’
Opschrift: Lofzang op de vierdaagse zeeslag (11-14 Juni 1666), waarin de Nederlandse vloot onder De Ruyter de Engelse onder Monk bij Noord Voorland versloeg.
2Laat nu eens flink de beker rondgaan.
4Eenen hoogen toon gezet, krachtig geblazen.
5de neêrlaegh van dees plaege: de mislukking van de ramp.
6nieu Karthage: Engeland. Vondel vergelijkt het vaderland met het door Carthago bedreigde Rome.
7't bestaen: de onderneming, de poging.
10een zeewet: een wet voor hun beheersing der zeeën.
12overmagh: de baas is.
13beschaduwt 't water: de dichter denkt aan de zeilen van een machtige vloot; Xerxes: heerser der Perzen.
14Antoon: Antonius, de Romeinse veldheer; Kleopater: Cleopatra, koningin van Egypte (zie dl. 9, blz. 654).
16spoet: voorspoed.
18braveerde: trotseerde.
19helt Monk: zie bij het Opschrift; Askuë: Ayscue, de Engelse vice-admiraal.
20bruizen: snel opdagen.
23op dat spoor: op die vaart.
25schreier: schreeuwer.
26berkemeier: beker.
27nat: dronken.
29gasten: (flinke) kerels.
30vliegende: zich vliegend neerzettend.
33Neêr quam stijgen: afdaalde (uit de masten).
34stoppen: nl. van het lek.
38Robbrechts: van Prins Robert, die op 13 Juni de Engelse vloot met twintig schepen kwam versterken.
39Stuite: stuitte; verbaesde: ontstelde.
42d'afgront: de hel.
43Opgedondert: geweldig te voorschijn gekomen; spijt: verdriet.
45scheutvry: veilig voor de kogels.
46Moedigh op: trots op.
51salamander: volgens het volkgeloof was dit dier tegen het vuur bestand.
53kortouwen: scheepsgeschut.
57schutgevaerten: kanonnen.
61zich deilen: zich verspreiden.
65-67Ayscue werd nl. als gevangene meegevoerd naar Holland.
69't hofgewelf: in de Statenzaal, als zegeteken.
71Stuarts Waterroos: het koninklijke wapen, in de vlag gevoerd, als zinnebeeld van de macht ter zee.
terug  begin  verder