terug  begin  verder
[p. 209]

Zegezang Over den zeestrijt der doorluchtighste Heeren Staeten,
Door den weledelen en gestrengen Heer Michaël Ruiter,
Lieut. Amirael der Vrye Nederlanden.aant.*

ARMA VIRUMQUE CANO.

I. Zang.
 
Laet d'oude dichters hun papieren1
 
Met droomen kluchten en verzieren2
 
Stoffeeren, en het eerste schip,3
 
Dat uit Tessalie dorst vaeren,
5
Naer Kolchos stuuren op de baren,
 
Door 't zeegevaer der logenklip,6
 
Om eene schaepevacht te haelen:
 
Het lustme in d'oorloghsvloot te praelen,8
 
Die, trots op Ruiter, uit Goeree
10
En Tessel, zulk een' slagh durf waegen,9-10
 
Om 't schuim der Brittenlantsche plaegen
 
Te veegen uit de vrye zee.
 
Het lustme met triomftrompetten
 
Een' onverzierden toon te zetten14
15
  Op zulk een heerlijk watervier,15
 
Ontsteeken, daer de beide stranden16
 
Den zeeschrik Karel zagen branden,17
 
Ten prijs van Hollants zeebanier.
 
Laet Londen 't volk met logens paeien:
20
Het hoort ons roode haenen kraeien.20
[p. 210]
I. Tegenzang.
 
Dat 's recht. van 's weerelts aenvang troffen
 
Noit heldendichters rijker stoffen
 
Om hoogh te streven, en in ly
 
Te leggen out Athene en Rome.23-24
25
Schoon Perseus eenen zeedraek toome,
 
In enklen schijn en schildery;26
 
Wy vliegen hier, zoo d'ouden razen,27
 
Op geene vliegende Pegazen.28
 
De waerheit hoeft geen logendicht,
30
Noch valsche verwen, schoon in 't blaeken.30
 
Zy tekent 's lants geschiede zaeken,31
 
Zoo klaer gebleeken als het licht.
 
Men magh dees zege aen 't licht vertrouwen.
 
Men zalze in raethuismarmer houwen,34
35
  Ter eere van den vryen staet,
 
Doch eerst ten prijs van 't hooft der heeren,
 
Door welx gena wy triomfeeren,
 
Als zy Britanje nederslaet,
 
En dwingt de koningsvlagh te strijken.
40
Een maght betoomt alle aerdtsche rijken.40
II. Zang.
 
De Turksche keizers schepten hoope
 
De zon van 't aengestreên Europe42
 
Te dooven met hun halve maen,
 
Toen Stuart uit zijn ballingschappen44
45
Verwaent den rijxtroon op quam stappen,45
 
Ten dootschrik van den oceaen.
 
't Is droef dat een besneên zich kittel'47
 
Met een', die trots in zijnen tittel48
 
Zich noemt beschermheer van 't geloof,
50
Op 's rijx triomfboogh, stout in 't roemen,
[p. 211]
 
Zich durf den Britschen zeegodt noemen,50-51
 
Verhit op Christenlantschen roof.52
 
't Is droef, het droefst dat menschen hoorden,
 
Hoe hy in 't wreet gevangensmoorden54
55
  Falaer en Neroos overtreft.55
 
Maer 't hoogste hof blijft niemant schuldigh,56
 
Al hoort het eene wijl geduldigh
 
Des volx geschrey, dat zich verheft
 
In top naer 's hemels hooge stoelen.59
60
Noch wil hyze al de voeten spoelen.60
II. Tegenzang.
 
Wort Godts gezalfde een zeevrybuiter?61
 
Zie toe, zie toe: een eenigh Ruiter,
 
Die Afrika van wederzy63
 
Van Britten Turk en Moor, op steelen
65
En stroopen heet, uit strantkasteelen65
 
Kon dondren, komt u weder by.66
 
De hemel heeft hem uitgezondert,67
 
Terwijlge uw bontgenooten plondert,
 
En, in gevloekten roof verarmt,69
70
Op uwen hals haelt duizent vloeken.70
 
Hy komt u op den Teemsstroom zoeken,
 
Die averechts 't geloof beschermt.72
 
Gedenk hoe gy den Staet der landen,
 
Die u herstelde, en op zijn handen,
75
  U t'scheep geleide uit 's Gravenhaegh,74-75
 
In uwe hoope hebt verslonden,76
 
Ter schennisse der vreverbonden.77
 
Verdiende ons noothulp zulk een plaegh?78
[p. 212]
 
Gy zult uw straf rechtvaerdigh draegen.79
80
Zy staen niet stil, die andren jaegen.80
III. Zang.
 
De stam van Stuart moet zich schaemen.
 
Dees wist noit middelmaet te raemen.82
 
Hy lijdt onnozel, zonder schult,83
 
Op Puriteinsche hofschavotten,
85
Van bittere Engelschen en Schotten,85
 
Of leert onschuldigen gedult.86
 
Gy spiegelt traegh u aen een' ander,
 
Misbruikende den oorloghsstander,
 
Geheel Europe tot verdriet,
90
En eerst uwe eigene onderdaenen,90
 
Gedompelt in een zee van traenen
 
En Christensch bloet, dat gy vergiet;
 
Daer Monk, uw heilant, en Berklaien93
 
Uit zee uw krijtstrant overschreien;94
95
  Daer Monk, gewenkt van Askué95
 
Om noothulp door 't besproken teken,96
 
Uit noot hem in den noot laet steeken,
 
Eer 't zeekasteel verzinkt in zee,
 
Met hondert dubble zeekortouwen.
100
Wat kan de hooghmoedt schootvry bouwen!100
III. Tegenzang.
 
Waer voerde oit Ruiter zoo rechtschapen
 
In zijnen schilt het eêlste wapen,
 
Voorzichtigheit en krijghsbeleit,103
 
Het oogh in eene hant van boven,
105
In 't midden van dien gloênden oven,
 
Gesterkt van Godts almogenheit.104-106
[p. 213]
 
Dees zeehelt gaf de maet en wetten
 
Aen zoo veel stemmen van trompetten,
 
Kortouwe en donderbusse, in een,109
110
Als naer de zangkunst, hecht geslooten,110
 
En rolde, op korte en lange nooten,
 
Den oorloghsgalm op 't water heen.112
 
Meerminnen meermans Tritons hooren
 
Den bas en bovenzang der kooren
115
  Van Mars, gesteegen in de mars,115
 
Die met de koningsvlagh quam daelen
 
Al juichende, op de zeekooraelen117
 
In 't houte en ysre krijghsgekners,
 
En twijfelen der oorloghskanssen.119
120
Nu zwijgen d'oude harnasdanssen.120
Toezang.
 
Geluk en heil, doorluchtste Staeten,
 
Met zulk een zege, zonder ga,122
 
Behaelt, tot heil der onderzaeten
 
En 't Christendom, door Godts gena.
125
Zoo moetze uw vlooten vry geleiden125
 
Aen alle kusten oost en west,
 
Zoo lang de dagh den nacht zal scheiden.
 
Zoo dempe uw vier dees waterpest,
 
Dees helsche poelslang van de Britten,129
130
Terwijlwe in uwe schaduw zitten.130
 
 
 
J.v. Vondel.

Voor de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament. 1666.

*Van 1666. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 687).
Het motto, de aanhef van de Aeneïs, betekent: Ik bezing de held en zijn wapenen. Het gedicht heeft eveneens betrekking op de vierdaagse zeeslag.
1d'oude: uit de Oudheid.
2verzieren: bedenksels.
3Stoffeeren: vullen, opsieren; de Argo, het schip dat uit Thessalië naar Kolchos zeilde om het gulden vlies (eene schaepevacht, vs. 7) te bemachtigen.
6't zeegevaer der logenklip: de leugenachtig bedachte, gevaarlike Cyranese rotsen.
8te praelen in: de roem te verkondigen van.
9-10De vloot van De Ruyter voer 11 April 1666 van Goeree naar Tessel en zeilde 1-5 Juni uit Tessel naar Engeland; durf: durft.
14een onverzierden toon: een niet (voor de gelegenheid) bedacht, maar welgemeend loflied.
15watervier: brand op zee.
16Ontsteeken: ontstoken; beide: van Engeland en Holland.
17Den zeeschrik Karel: het ontzagwekkende Engelse schip Royal Prince, de 13de Juni veroverd en verbrand.
20ons: onze; roode haenen kraeien: spreekwoordelik bij brandstichting (Ned. Wdb. V, 1387)
23-24in ly te leggen: te overtroeven.
26In enklen schijn en schildery: slechts in de verbeelding van schrijvers en schilders.
27zoo d'ouden razen: gelijk de klassieke schrijvers, in hun dwaasheid, het verbeelden.
28Op geene: niet op; Pegazen: meerv. van Pegasus, het bekende gevleugelde paard. Zie hiervóór Op het gezegent voorspel, vs. 6.
30schoon in 't blaeken: schitterend schoon.
31tekent: schildert; geschiede zaeken: geschiedenis.
34in raethuismarmer: Vondel verlangt dus een overwinningsteken in het nieuwe Stadhuis.
40Accent op Eén.
42aengestreên: aangevallen.
44Stuart: Karel II.
45Verwaent: overmoedig.
47een besneên: een heiden; zich kittel met: zich innerlik verheugt over (Ned. Wdb. VII, 3187), nl. over het feit dat een Christen niet anders handelt als hij zou doen.
48tittel: hoge waardigheid.
50-51Zou hier een werkelike triomfboog bedoeld zijn? Deze komt niet voor de penningen met de opschriften: ‘nos penes imperium’ (aan ons de wereldheerschappij) en ‘quatuor maria vindico’ (ik ma ak aanspraak op vier zeeën), die Karel II na de slag bij Lowestof liet slaan; zie afb. bij Scheurleer, Onze mannen ter zee (1913), blz. 72 en 74.
52Christenlantschen roof: het beroven van mede-Christenen.
54't wreet gevangensmoorden: zie over de slechte behandeling van onze gevangenen te Londen: Wagenaar: Vaderl. Hist. (1755) XIII, blz. 170.
55Falaer: Phalaris (± 560 v. Chr.), een wreed tiran van Agrigentum op Sicilië.
56't hoogste lof: het hemelse gerecht.
59stoelen: tronen.
60de voeten spoelen: zeemans eufemisme voor verdrinken.
61Godts gezalfde: de Engelse koning.
63van wederzy: nl. aan de Noord- en aan de Westkust.
65heet op: vurig begerig naar; strantkasteelen: versterkingen aan de kust.
66dondren: met geweld verdrijven (in 17de-eeuwse taal nog niet plat); vgl. opdonderen; komt u by: valt u op 't lijf.
67uitgezondert: uitverkoren.
69in gevloekten roof: bij (ondanks) uw vervloekte roofzucht.
70vloeken: vervloekingen (van de beroofden).
72te verbinden met u (71).
74-75Karel II vertoefde vóór zijn herstelling hier te lande. Men deed hem uitgeleide naar het schip dat hem in Scheveningen wachtte.
76In uwe hoope hebt verslonden: in uw gedachten, in uw verwachtingen reeds hebt vernietigd.
77Ter schennisse: daarmede schendend.
78noothulp: hulp in nood; plaegh: ramp, straffe vergelding.
79rechtvaerdigh: naar recht en billikheid.
80Zy staen niet stil: zij worden, op hun beurt, opgejaagd.
82middelmaet te raemen: de middenweg te vinden.
83Hy: de stam, in de personen van Maria Stuart en van Karel I; onnozel: onschuldig.
85bittere: wrede.
86Of leert onschuldigen gedult: of leert onschuldigen, dat ze lijdzaam te dulden hebben. Dit slaat op de andere vertegenwoordiger van de stam, Karel II, die dan met Gy aangesproken wordt.
90eerst: in de eerste plaats.
93uw heilant: uw redder. George Monck, hertog van Albemarle, had de terugkeer van Karel II krachtig bevorderd; Berklaien: de vice-admiraal Berkeley.
94uw krijtstrant overschreien: noodkreten doen klinken over de Engelse kust.
95van: door.
96noothulp: hulp in de nood; besproken: afgesproken.
100schootvry: zonder zich aan vergelding bloot te stellen; bouwen: tot stand brengen.
103Voorzichtigheit: voorzichtig beleid.
104-106Slaat dit wellicht op een afbeelding? Het slaat niet op het wapenschild dat De Ruyter ontving toen hij door Frederik III van Denemarken in de adelstand werd verheven.
109donderbusse: kanon van zeer licht kaliber (Ned. Wdb. III, 2808); in een: bij elkaar.
110hecht geslooten: als een goed gecomponeerd muziekstuk. De vergelijking wordt in het volgende vers (noten), in vs. 114 en vs. 117 voortgezet.
112heen: voort.
115Mars: vgl. hiervóór, Zeetriomf, vs. 30, waar Mars ook boven in de masten zweeft.
117zeekooraelen: de samenklinkende stemmen van de bovenbedoelde krijgsmuziek.
119twijfelen: weifelen, op en neer gaan.
120d'oude harnasdansen: krijgsdansen (Ned. Wdb. V, 2247; vgl. ook Tooneelschilt, deel 9, blz. 386).
122zonder ga: weergaloos.
125moet: moge.
129poelslang: in het moeras huizend monster.
130in uwe schaduw: onder uw bescherming.
terug  begin  verder