terug  begin  verder
[p. 216]

Jammerklaght Over de gruwsame verwoestinge van Londen.aant.*

Inclementia Divûm
Hos evertit opes, sternitque à culmine Troiam.

 
De helsche stookebrant der Britten1
 
Stak juichende den Vliestroom aen,
 
En Schelling, daer de visschers zitten
 
In armoede, om den kost belaên.4
5
Zy zaten bang, den moort ontvloden,5
 
Met vrouwe, en kinderen, en vee,
 
In duin, half levenden, half dooden,
 
En klaeghden droef dit hartewee
 
Aen Godt, en hun bekretene oogen.9
10
  Zy schreiden: Heer, ontferm, ontferm:
 
Terwijl de vlammen opwaert vloogen,
 
De stommen onder dat gekerm12
 
Zich mengden met een deerlijk loeien:13
 
Gedooght de hemel dat gewelt,
15
Die maghtigh is de hel te boeien,15
 
Het eilant, dat in traenen smelt,
 
Vermagh te troosten uit genade?
 
Maer onder 's volx gejammer zit
 
De Godtheit zelf om hoogh te raede.19
20
  Genade, aen d'eene zy, verbidt.20
 
Rechtvaerdigheit, aen d'andre zijde,
 
Bepleit de zaek voor 't hoogh gericht.
[p. 217]
 
d'Aertsrechter velt, eer droef dan blijde,
 
Het vonnis. uit zijn aengezicht24
25
En oogen sprengkelen de vonken
 
Van 's hemels wraek, te lang geterght,26
 
Als zwavelvier, uit rots geklonken,27
 
Door wrevel, haer te trots geverght.28
 
Die vonken vatten in het tonder,29
30
  Der zee- en kerkermoordery.30
 
Hier stookt een storm van 't noorden onder,
 
En voedt de vlam, die los en vry
 
Gaet weiden over 's konings huizen,33
 
En weit gebou en kerken af.34
35
Men hoort de vlammen vreeslijk bruizen.
 
Zoo wort, als in een gruwelgraf,
 
d'Aeloude stadt in asch gedolven,37
 
En rook en smook. de viergloet raest,
 
Gelijk een roode zee vol golven,
40
  Daer Godts orkaen in brult en blaest.
 
Waer is nu 's rijx triomfgeschater
 
Om Schelling, en het brandend Vlie?
 
Nu kan Neptuin,* met al zijn water43
 
Van zee en Teems, noch schelm, noch spie,44
45
En aertsverraeder, 't vier niet blusschen.
 
Daer zinkt de koningsmoorders stoel,46
 
Als onlangs out Byzanssen, tusschen
 
Vier elementen, in een' poel.47-48
 
De val van Londen, 's konings zetel,
50
  Verheffe niemant. 's nabuurs plaegh50
 
Geef' niemant stof, om ook vermetel
 
Te groeien in de nederlaegh52
 
Van zulk een weerelt op zich zelven,53
 
En afgescheiden door den vloet.
55
Pallaizen, winkels, en gewelven,
 
Van pest besmet, en omgewroet,56
[p. 218]
 
Beweegen Turk en Barberyen
 
Tot mededoogen, daer men Job,58
 
Als op een' mesthoop, hoort in lyen
60
  Zijn leedt met eenen vollen krop
 
Uitschudden in veel duizend zielen,60-61
 
Die plotzeling, en slagh op slagh,
 
Op 't pestigh kerkhof nedervielen.63
 
Europe zal dien nacht en dagh,
65
Vier etmael lang, veele eeuwen smarten,65
 
Door alle koopsteên. Heilant, troost
 
En spijst de hongerige harten,
 
Die naekt ontvloôn, en half geroost,
 
Op 't velt verstroit, om noodruft zuchten.69
70
  Braveerder, die den Oceaen70
 
De vork ontweldight, kuntge vlughten,71
 
Ontvlught Godts wraekvier, zwart gebraên.
 
Uw Teemsstroom, op den gront gedoken,
 
Beklaeght, in 't diepste van zijn kil,74
75
Dat, zijne horens afgebroken,75
 
Het water hem ontzinken wil.
 
Hy scheurt 't gezengde haer aen flarden,
 
En schreit om lessing in dien brant.78
 
Dat leert verstokt in quaet volharden,79
80
  Schoffeeren havens, kust, en strant!80
 
Fortuin noit schooner tafels dekte81
 
Met winkelstoffen op een ry.
 
De gloênde tong der vlamme lekte,
 
Verslingert op dees lekkerny,84
85
De daken, rijk van zijde waren,85
 
Gesteente, gout, en zilvren schat,
 
By een gesleept, veel hondert jaeren.
 
O koopbeurs van de rijkste stadt!
 
Gy hebt naer uw bederf gedongen,89
90
  Uit dertlen trots, en bleek van nijt,90
[p. 219]
 
Dien zeevloek KAREL afgedrongen,91
 
Daer al de weerelt last by lijdt.92
 
Daer leght de stapel, uw vertrouwen,93
 
Zoo vlak als Tyrus aen het meer,94
95
In eenen puinhoop van gebouwen
 
Bestulpt. zoo helpt geen tegenweer.96
 
Gy zwoert te water elk te stroopen:97
 
Nu leght uw kroon in 't vier verzoopen.98
 
 
 
J.v. Vondel.

t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament. 1666.

*Van 1666. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 691). Het motto, ontleend aan Aeneïs II, 601-602, betekent: ‘De ongenade der goden heeft die praal verwoest, en Troje van de top der grootheid neergeworpen.’
Opschrift: Toen de Noordelike Nederlandse zeegaten na de slag bij Schooneveld (4-5 Aug. 1666) onverdedigd waren, landden de Engelsen op Vlieland en Terschelling, verbrandden daar op 19 Aug. onze koopvaardijvloot van 140 schepen en staken op 20 Aug. het dorp West-Terschelling in brand. In de pest en de brand van 12 Sept. die daarop Londen teisterden, zag men een straf des hemels en een vergelding voor deze wandaden.
1stookebrant: brandstichter.
4om den kost belaên: bezorgd hoe ze aan de kost moeten komen.
5bang: in benarde omstandigheden.
9en (aen) hun bekretene oogen: te verbinden met klaeghden (zie voor deze uitdr. Ned. Wdb. X, 2261).
12De stommen: het stomme vee.
13deerlijk: deerniswekkend.
15te verbinden met hemel; de hel te boeien: de duivels aan banden te leggen.
19te raede: om recht te spreken.
20verbidt: pleit, door voorbede, voor de zondaar.
24Het vonnis: zie bij het Opschrift.
26geterght: geprikkeld.
27geklonken: geslagen.
28wrevel: schanddaad (Mnl. Wdb. IX, 1308), te verbinden met geterght; haer (de wraek?) te trots geverght: met fierheid van haar verlangd(?).
29tonder: licht ontvlambare stof.
30kerkermoordery: vgl. hiervóór Havenschendery, vs. 23 en Zegezang, vs. 54.
33Gaet weiden: zich gaat verspreiden.
34weit af: brandt geheel uit (Ned. Wdb. I, 1822).
37Vondel stelt het, overdrijvend, voor, alsof geheel Londen verbrand was.
*[Randschrift:] Neptunus Britannicus.
43Neptuin: blijkens de kanttekening (Neptunus Britannicus) spottend voor de Engelse koning; zie hiervóór Zegezang, vs. 51.
44spie: spion.
46stoel: troon.
47-48Als onlangs out Byzanssen: zetel van de Turk, vgl. deel 8, blz. 642. Een zinspeling op diens grote nederlaag in 1664? Zie hiervóór blz. 174; tusschen vier elementen: de ‘hoofdstoffen’: vuur, lucht, water en aarde. De bedoeling zal zijn, de algehele vernietiging aan te duiden.
50Verheffe niemant: geve niemand aanleiding tot zelfverheffing; plaegh: ramp.
52groeien in: zich te verheugen over.
53een weerelt op zich zelven: een eilandenrijk.
56Van: door; pest: zie bij het Opschrift.
58Job: als personificatie van het lijdende volk, te verbinden met in duizend zielen (mensen).
60-61met eenen vollen krop uitschudden: met overkropt gemoed uiten.
63pestigh: door pest besmette.
65Vier etmael lang: de duur van de brand.
69noodruft: nooddruft, de noodzakelikste levensbehoeften.
70Braveerder: trotsaard.
71De vork: de drietand van Neptunus, teken van de beheersing der zeeën (vgl. Zegezang, vs. 50-51).
74kil: bedding.
75zijne horens afgebroken: absolute constructie: nu zijn horens afgebroken zijn. In navolging van Latijnse dichters verbeeldt Vondel de verpersoonlikte rivieren met horens (oorspr. arm of tak van de rivier) (Ned. Wdb. VI, 1094).
78lessing: blussing.
79Ironisch: zo moet men maar te werk gaan!
80Schoffeeren: schenden (vgl. hiervóór: Havenschendery).
81tafels: nl. voor uitstallingen. Geen koopstad vertoonde, door de Fortuin begunstigd, schoner uitstalling van waren dan Londen.
84Verslingerd: verzot.
85daken: pakhuizen en magazijnen.
89naer uw bederf gedongen: naar uw ondergang gestreefd.
90nijt: afgunst.
91zeevloek: misdaad ter zee; afgedrongen: afgedwongen, afgeperst. Vondel stelt het dus voor, alsof Karel II meegesleept is, door een verblind volk.
92Daer ... by: waardoor.
93leght: ligt; stapel: stapelplaats voor koopwaren.
94Zo met de grond gelijkgemaakt als eertijds het verwoeste Tyrus.
96Bestulpt: bedolven.
97stroopen: plunderen, beroven.
98leght verzoopen: ligt ondergedompeld.
terug  begin  verder