terug  begin  verder

Zeegevier der Vrye Nederlanden op den Teems.aant.*

EST MOLLIS FLAMMA MEDULLAS

 
Wie in Maroos zee wil vissen,1
 
Volgh der Staeten schrandren vont,
 
Zette 't vischnet op den gront,3
 
Leere staetgeheimenissen,4
5
  Noit voorheene klaer verstaen.
 
Nu kan elk dit raetsel raên.
 
Amsterdam en Britsch Karthage7
 
Worstlen onderling om strijt:
 
Want de Brit elx vaert benijt,
10
Alle kusten tot een plaege.10
 
d'Opgeworpe zeegodt Jork11
 
Eigent zich Neptunus vork.+12
 
Hy verbiet de zee te roeren,
[p. 311]
 
En gebiet dat elk de vlagh
15
  Strijke voor zijn zeegezagh.
 
Hy heeft recht de vlagh te voeren,
 
En te rooven wat hem lust,
 
Van den Teems tot Indus kust.
 
Onder schijn van trek tot vrede
20
  Speelt de schalk, tot 's nabuers scha,
 
Zijne paisrol in Breda:20-21
 
Maer men kent Leicesters zede,22
 
Die meineedigh en veraert,23
 
Elk naer 't hart steekt met zijn' staert.24
25
Hierom vont 's lants raet geraeden
 
Op te waeken, en uitheemsch26
 
Met een zeemaght op den Teems
 
Alle gronden door te waeden,28
 
t'Onderzoeken door een' helt29
30
  Hoe die rijxpols was gestelt.30
 
Nieu Karthago, bang voor tasten31
 
Woelt hier tegens aen met kracht,32
 
Stopt de stroomen, sterkt de wacht,
 
Spant de ketens, ketent masten,
35
  Zinkt de Schepen, damt de kil,35
 
Ziet niet aen wat helpen wil.36
 
Batavieren uitgelaeten
 
Bruizen dat het yzer knarst,38
 
En de keten breekt en barst
40
Van dit Turkse Damiaten40
 
Op den Teemstroom, naer den stijl41
 
Van het Sparen aen den Nijl.
 
Stuardts ruiteryen woelen.
 
Jork en Monk, gevlught op strant,44
45
  Zien hun vloot en slot in brant
 
Van een zeekoorts, niet te koelen,46
 
Voelen hoe, als Maro leert,
[p. 312]
 
Zachte vlam het mergh verteert.+
 
Londen voelt zijn krachten smelten,
50
  Staet noch eens in vier en gloet,
 
Die de koorts in d'adren voedt.+
 
Nieu Karthago rijdt op stelten.52
 
Withal, Hof en Parlement53
 
Vloeken Ruiter, Wit, en Gent.+54
55
Stil te swijgen kan niet baeten:
 
Want de vierpijl, die hen prangt,56
 
*Dootlijk in de zijde hangt.
 
Stoffers, terght nu Zeven Staeten.58
 
Schent verbonden, eer en trou.
60
  Groeit in Schellings brant en rou.60
 
Al de scheepsbou blijft nu steeken,
 
En wat trots ten hemel steegh.
 
Alle havens leggen leêgh.63
 
Hun gekorve masten spreeken,
65
  En de brantschat, fix betaelt,65
 
Op dien Ruitertoght gehaelt.66
 
Tot een eeuwigh zeegeteken
 
Zal het zeeslot, groot van faem,68
 
Dat, gevreest om Karels naem,
70
Alle havens aen wou steeken
 
Met een zeepest en bederf,71
 
Pronken voor 't Oostindisch werf.
 
Zeeraet, spaer geen gout, noch parel,73
 
Noch doorluchtigh diamant74
75
  Aen een scheepskroon, om parmant75
 
Dien veroveraer van Karel
 
Rijk te kroonen, dat de nijt
 
Brakel 't hart toebraeke uit spijt.78
 
Eer den zeehelt met een wapen.
80
  Hang zijn slaghzwaert in 't gestarnt,
 
Dat den Brit in d'oogen barnt,81
[p. 313]
 
Die de zee wil overgaepen,
 
En verslinden al wat zeilt.
 
Hollant heeft zijn' gront gepeilt.84
 
 
 
J.v. Vondel.

t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Vygendam. 1667.

*Van 1667. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 696). Het motto, ontleend aan Aeneïs IV, 66, betekent: ‘De zachte vlam verteert het merg.’
Opschrift: Gedicht op de tocht naar Sheerness, waar onze vloot de 6de Juni onder De Ruyter en Cornelis de Witt heenzeilde de tot bespoediging van de vrede. De vloot verbrak de 22ste Juni de over de Theems gespannen ketting, veroverde de Royal Charles, verbrandde de hoger liggende schepen, en maakte twee schepen buit.
1in Maroos zee: in de onuitputtelike werken van Vergilius Maro, waarin Vondel telkens zijn motto's zocht. Het raetsel (vs. 6) lost de dichter zelf op in vs. 47-48: het ligt al besloten in zijn motto. Evenals Dido verteerd werd door het minnevuur, zijn de Engelsen het slachtoffer geworden van hun verterende afgunst. Dat zij inderdaad zwakker waren dan zij schenen, bleek door der Staeten schrandren vont (vondst) (vs. 2), nl. hen op hun eigen gebied hun kracht te gaan beproeven of (zie vs. 25-vlg.), hun de pols te voelen (vs. 30).
3op den gront: op de bodem van het viswater.
4staetgeheimenissen: de geheim gehouden innerlike toestand van de staat.
7Britisch Karthage: het concurrerende Engeland, gelijk eertijds Carthago tegenover Rome stond.
10plaege: ramp.
11d'Opgeworpen zeegodt Jork: de randnoot Neptunus Brittannicus, evenals bij Jammerklaght, vs. 43, verklaart ons dat Karel II bedoeld is, die zich zelf opwierp als zeegod.
+[Randschrift:] Neptunus Britannicus.
12Neptunus vork: de drietand. Zie Jammerklaght: vs. 71.
20-21schalk: schurk; speelt zijne paisrol: hij doet alsof de vredesonderhandelingen te Breda ernstig bedoeld zijn.
22Leicesters zede: de bedrieglike streken van Leicester.
23veraert: ontaard.
24met zijn staert: als wapen van de zeedraak.
26Op te waeken: wakker te worden; uitheemsch (bijwoord): buitenslands (vgl. Vrepytaer, vs. 56 op blz. 317).
28Alle gronden door te waeden: alles grondig te onderzoeken.
29t'Onderzoeken: te doen onderzoeken.
30rijxpols: zie bij het Opschrift.
31Nieu Karthago: vgl. vs. 7 en vs. 52; tasten: de pols voelen.
32Woelt hier tegens: verzet zich krachtig daartegen.
35Zinkt: doet zinken; kil: bedding.
36Ontziet geen middelen, als ze maar kunnen baten.
38Bruizen: komen opzetten.
40Turkse Damiaten: ook op de bekende kruistocht werd een over de Nijl gespannen keten, bij Damiate, verbroken, volgens de overlevering door de Haarlemmers (vgl. het Sparen in vs. 42).
41naer den stijl: op dezelfde wijze.
44Jork: hier de Hertog van York, broeder van Karel II; Monk: zie blz. 206 en 212.
46zeekoorts: Vondel vereenzelvigt hier de verterende gloed van hun afgunst met de gestichte brand.
+[Randschrift:] Est mollis flamma medullas.
+[Randschrift:] Vulnus alit venis, & caeco carpitur igni.
52rijdt op stelten: geraakt in opschudding. In een kanttekening haalt Vondel als parallel aan Aeneïs IV, 635-vlg.
53Withal: Whitehall, het koninklijk paleis.
+[Randschrift:] It clamor ad alta atria: concussam Bachatur fama per urbem. Lamentis, gemituque & foemineo ululatu tecta fremunt, resonat magnis plangoribus aether. non aliter quam si immissis hostibus omnis Carthago, aut antiqua Tyrus, flammaeque furentes culmina perque hominum volvantur perque deorum.
54Wit: Witte de With; Gent: Van Ghent had zich met een smaldeel bij de vloot gevoegd.
56prangt: knelt, kwelt.
*[Randschrift:] Haeret lateri letalis arundo.
58Stofffers: bluffers; Zeven Staeten: de zeven Verenigde Nederlanden.
60Groeit in: verheugt u over; Schellings brant en rou: zie Jammerklaght op blz. 216.
[Randschrift:] Non coeptae assurgunt turres:nonarma juventus exercet, portusve aut propugnacula bello tuta parant: pendent opera interrupta, minaeque murorum ingentes, aequataque machinacaelo.
63leggen leêgh: liggen verlaten.
65brantschat: oorlogsschatting; fix: prompt (Ned. Wdb. III, 4480).
66Ruitertoght: woordspeling met het oude ruiter: rover?; gehaelt: verkregen.
68het zeeslot: de ‘Royal Charles’.
71bederf: verderf.
73Zeeraet: de Admiraliteit van Amsterdam.
74doorluchtigh: doorschijnend.
75scheepskroon: zie deel 5, blz. 568; parmant: statig, plechtig (Ned. Wdb. XII, 511).
78Brakel: Van Brakel vermeesterde het fregat dat vóór de keten lag; 't hart toebraeke: bij zijn aanblik de laatste adem uitblaze (vgl. het hart braken in Ned. Wdb. III, 1008); spijt: verdriet.
81barnt: brandt, pijnlik treft.
84zijn' gront: zijn eigenlike betekenis en kracht.
terug  begin  verder