terug  begin  verder

De Zeeleeu op den Teems.aant.*

JACULATUS PUPPIBUS IGNEIS.

 
Ik, de koning van de Britten,
 
Ben door openbaere blijk2
 
Gode zelf alleen gelijk,
 
Dat 's gerust en stil te zitten,4
5
  Aen te zien, in top gevoert,
 
Hoe 't zich al rondom my roert:
 
Want van Kalis tot aen Doever7
 
Hangt ons waterketen vast,8
 
Dat 'er niet een enkle mast
10
Doorsluipt tusschen elken oever,
 
En ons dondrende metael
 
Brant al 's aerdtrijx kusten kael.
 
Thetis offert ons haer' vollen13
 
Schoot, van schatten overlaên,
15
  En de vader Oceaen
 
Moet zijn wateren vertollen,16
 
Zwichten voor ons zeegewelt,
 
Dat den zeegoôn wetten stelt.
 
Zoo sprak Karel, trots gezeten
20
  Op den troon, daer onlangs prat20
 
Zijn onthalsden vader zat:
[p. 314]
 
Doch die treurrol scheen gesleeten,22
 
Schoon de stam van Stuard leert
 
Hoe het weereltsdom verkeert.24
25
d'Allerhooghste, die met wenken25
 
In een' oogenblik het al
 
Wat zich opblaest brengt ten val,26-27
 
En verwaentheit in kan schenken28
 
Wat zy anderen bereit,
30
  Hoorde dees vermeetenheit.30
 
Hierop bruist de vloot der Staeten
 
Naer den Teems, daer Brittenlant
 
Trots zijne ysre keten spant:
 
Maer wat kan een keten baeten,
35
  Als de Leeu van Hollant brult,
 
En de zee met dootschrik vult?
 
Hy rukt stael, als ragh aen flarden,
 
Sloopt kasteelen langs het strant,
 
Steekt met zijn gezicht den brant39
40
In de schepen. wie kan 't harden!40
 
Voor het vier van 't leeuwenoogh
 
Vlieght het magazijn om hoogh.42
 
Karel, die de trotse schepen
 
Zaeght verbranden in uw nest,
45
  En uw zeeslot, 's nabuurs pest,45
 
Met een' klaeu naer Tessel sleepen,
 
Zeghme, ô scherpe waterroe,
 
Hoe was toen uw hart te moe?
 
Toen de Zeeleeu uwen standert
50
  Streek, en zonder schrik en schroom50
 
U braveerde op uwen stroom,51
 
En Breda, van toon verandert,52
 
Leerde zwichten voor dees kans,
 
Van onsterfelijken glans?
55
Riddert vry met koussebanden:55
 
Ruiter, Gent, en Ruwaert Wit56
[p. 315]
 
Toonen u het rechte pit
 
Van 's lants adel, die de tanden57-58
 
Die verwaenden hooghmoet biet,
60
  Die noch Godt noch mensch ontziet.
 
 
 
J.v. VONDEL.

t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, in 't Nieuwe Testament. 1667.

*Van 1667. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 697).
Tweede gedicht op dezelfde tocht. Het motto, ontleend aan Aeneïs II, 275, betekent: ‘Het vuur op de stevens (= de schepen) geworpen hebbende.’
2door openbaere blijk: door duidelike kentekenen.
4Dat's: namelik, dat kenteken bestaat in; gerust: veilig.
7Kalis (met accent op Ka): Calais; Doever (met oe, rijmende op oever): Dover.
8ons waterketen (figuurlik): de afsluiting door onze schepen; vast: stevig.
13Thetis: een zeenimf.
16vertollen: schatplichtig verklaren.
20prat: trots.
22die treurrol scheen gesleeten: de rol van Karel I in dat treurspel scheen uit het geheugen gewist.
24hoe het weereltsdom verkeert: hoe wisselvallig de aardse zaken zijn.
25met wenken: door een enkele wenk.
26-27het al wat zich opblaest: alles wat zich trots verheft.
28verwaentheit: overmoed; inschenken: vergelden, betaald zetten (Ned. Wdb. VI, 1877).
30vermeetenheit: vermetelheid.
39gezicht: blik.
40harden: uithouden.
42magazijn: waarsch. van krijgsbenodigdheden.
45zeeslot: de ‘Royal Charles’ (vgl. Zegevier vs. 68).
50streek: neerhaalde.
51braveerde: trotseerde.
52Breda: de vredesonderhandelingen kregen, door deze krijgsdaden, een voor de Republiek gunstige wending.
55Deelt vrij uw orde van de Kouseband uit.
56Ruwaert Wit: Cornelis de Wit, die als commissaris van de Staten de vloot begeleidde.
57-58het rechte pit Van 's lants adel: het ware wezen van de geestesadel die onze republikeinen eigen is.
terug  begin  verder