terug  begin  verder
[p. 320]

Op d'afbeeldinge van Uitrecht.
Getekent door Herman Zachtleven.aant.*

 
Noch leeft Zachtleven in zyn tekenkunst t'ontvouwen
 
En aen den ouden Ryn de bisschopsstadt te bouwen,1-2
 
Hoedanigh zy hier ryst uit haeren ouden gront,
 
Die door merktekens tuight hoe UITRECHT eertyts stont4
5
Den Roomschen keizeren ten dienst, en uit Britanje5
 
Den adelaer, geplant op 't uiterst' van Germanje,6
 
Voorzagh van voorraet, hem van Katwyk tegens stroom7
 
Te water toegevoert, 's rijx vyanden ten schroom.8
 
De burgers van den Ryn treên dus, als bontgenooten9
10
Des Tibers en zyn stadt, gesterkt met zeven sloten.10
 
Maer hooger draeft hunne eer, als Willebrort uitheemsch11
 
Door last van Rome, hen noch Heidensch, van den Teems
 
Komt wasschen in de vont, en met den myter kroonen.11-1313
 
De wilde Heidens, die spelonk en bosch bewoonen,
15
De Vranken, Saxens, Deen, en Friesch, en noortsch gespuis
 
Bespringen Christus bruit, getekent met zyn kruis.16
[p. 321]
 
Wat heeftze, reis op reis, by wisseling van tyden
 
En heerschappyen, wreet gemartelt, niet te lyden!
 
Noch scheptze t'elkens aêm, van hooger hant beschermt:19
20
En als het spreekwoort luit dat zelden brant verarmt,20
 
Verrystze na den brant veel schooner uit haer assen,
 
Recht als de fenix weêr geteelt en opgewassen:22
 
Gelyk de domskroon noch ten hemel innedringt,
 
En uit het axront van den steenen wal, omringt24
25
Met kerken, kloosteren, en heerelyke hoven,25
 
Den Dichtren stof geeft zulk een wonderwerk te loven.
 
De Koning Willem, groot van naem door 't Roomsch gezagh,27
 
Is moedigh dat hy zich haer burger noemen magh.28
 
Men zoude een lange ry doorluchte stammen noemen,29
30
Die op het burgerrecht der stede zich beroemen,
 
En rekenen een eer dat zy, ten dienst gereet,
 
Van outs verbonden staen met een gestaefden eedt.32
 
Het heiligh ryk, zoo hoogh gevoert op arentspennen,33
 
Plagh in den breeden raet de bisschoppen te kennen34
35
Voor zyne medeleên, en vorsten van het ryk.
 
't Gewijde bisschopsrecht verstrekte een wisse wyk36
 
Van onderdrukten, waer de boosheên t'zamenspanden,37
 
Beheerschte ook Eems en Schelt, noch zeven Nederlanden,38
 
En hun gebeuren, met den herderlyken staf,
40
Tot dat de tyt een krak aen 't heiligh voorrecht gaf.40
 
Het huis van Adriaen den zesten, uitgekoren
 
Tot hooft der kerke, tuigh van zulk een' ingeboren,41-42
 
Die, om zyn deeghlykheit, zoo wyt alom befaemt,
 
Sint Peters stoel geensins ontluistert noch beschaemt.
45
Dees stadt, de hooftstadt van het Sticht, in top gestegen
[p. 322]
 
Leght in een vruchtbren schoot van klaygront, ryk van zegen.46
 
Hier zwelt de korenaer, daer d'uier vol met room
 
Hier rust de herder in de schaduw van den boom.
 
Hier vloeien Vecht en Mare door boomgaert en prieelen,49
50
En heerenslooten heen. hier trecken boschtooneelen50
 
De tortels en het vee. daer zuight de honighby.
 
Daer zingt de nachtegael en leeurik even bly
 
Een liefelyk gezang, dat noit het oor verveelde.
 
Hoe noemt men Uitrecht dan? een Paradys vol weelde.
*Van ± 1667. - Volgens de tekst van het handschrift, dat berust op het Vondel-Museum te Amsterdam.
Opschrift: Van de schilder-etser Herman Zachtleven of Saftleven (zie deel 9, blz. 300) zijn twee getekende stadszichten van Utrecht bekend, door hem in 1648 en 1669 in ets gebracht. Op grond van de spelling is Vondel's gedicht niet vroeger dan 1665 te dateren. Daar het opschrift de tekening, en niet de ets van 1669 noemt, is het gedicht mogelik tussen 1665 en 1669 ontstaan. Vondel gebruikte als bron bij zijn gedicht de beschrijving der stad Utrecht door Dr. C. Booth, die onder de ets van 1648 werd afgedrukt en onder die van 1669 geplakt. Deze beschrijving werd ook in 1651 of 1652 in boekvorm uitgegeven door Paulus van Vianen (zie deel 8, blz. 595) bij de koperplaat van Utrecht, in 1598 door zijn grootvader Adam van Vianen gesneden, welke prent mogelik ook aan Vondel bekend is geweest blijkens een bizonderheid in zijn gedicht die niet op de voorstelling van Zachtleven en wel op die van Vianen teruggaat (vs. 24). Zie Molkenboer, Utrecht, Vondel, Zachtleven en Booth in Het Vondel-Museum, 13de verslag (1926-'27), blz. 16-27.
1-2De bedoeling zal zijn: om in zijn tekening de ligging aan te geven en als het ware Utrecht voor het oog op te bouwen.
4merktekens: Booth noemt hier het Romeinse aardewerk en de Romeinse munten, bij de uitgraving van oude fondamenten aangetroffen.
5Roomschen: Romeinse; uit Britanje: door uit Engeland langs de Rijn, tegens stroom, via Katwijk aangevoerde voorraden.
6De Romeinse legioenen, gelegerd aan de uiterste rand van Germanië.
7Katwijk wordt door Booth hier niet genoemd, overigens stemt zijn tekst met die van Vondel overeen.
8ten schroom: tot schrik van de vijanden (Ned. Wdb. XIV, 1114).
9De burgers van den Ryn: de Bataven, Caninefaten en Friezen (wier gebied zich tot 689 ook ten Zuiden van de Rijn uitstrekte) behoorden tot de zogenaamde ‘socii’ (bontgenooten), onderworpen aan Rome's macht, zie Blok, Gesch. v.h. Ned. Volk 1923, I, blz. 23.
10gesterkt: behoort bij burgers van den Rijn, Booth: ‘onder schut van boven-verhaelde Castra ofte Block-huysen’; sloten: kastelen die dienden als legerplaats der legioenen die Germanië in toom moesten houden. Het getal zeven komt bij Booth niet voor, Blok t.a.p. spreekt van ‘kastelen, weldra acht in getal’.
11draeft: verheft zich; uitheemsch: als vreemdeling.
11-13Willebrord, de apostel der Friezen, die in 690 uit Northumberland op de Friese kust landde en in 695 tot eerste bisschop van Utrecht werd gewijd.
13wasschen in de vont: dopen (door onderdompeling).
16Christus bruit, getekent met zyn kruis: de Kerk.
19van hooger hant: door God.
20Booth: ‘gelijck men gemeenlick segt, brand selden verergerd’.
22de fenix, zie deel 4, blz. 126.
24het axront: dit raadselachtige woord, in geen woordenboek vermeld, moet gelijk staan met ront: kring, cirkel. Van Lennep zag in het eerste deel ax = axis = middelpunt; den steenen wal: deze is niet te zien op de prent van Zachtleven, maar wèl op die van Adam van Vianen (zie de aantekening bij het Opschrift).
25heerelyke hoven: grondbezit en woningen van adellike heren.
27Graaf Willem II als Rooms koning.
28moedigh: trots.
29Men zoude kunnen noemen; stammen: geslachten.
32met een gestaefden eedt: met een plechtige eed. Een gestaafde eed is oorspronkelik: een aan iemand voorgezegde en door hem woordelik nagezegde eed (Ned. Wdb. XV, 893).
33Het heilige Roomsche rijk: Duitsland, dat de arend in zijn wapen voerde.
34Plagh: placht; in den breeden raet: in de volledige vergadering n.l. van de keurvorsten, waartoe de aartsbisschoppen van Mainz, Keulen en Trier behoorden; te kennen voor: te erkennen als.
36verstrekte een wisse wyk: verleende een veilig toevluchtoord.
37Van: voor. Booth zegt hier dat de Bisschopsmijter zeer geambieerd werd door de wereldlike vorsten die ‘somtijds meer gesorgdt hebben voor hare naburige vrunden en aenverwanten, dan voor haer getroude Bruyd en toevertroude Bisschops-stoel.’
38Vondel vat hier samen wat Booth mededeelt: ‘Streckende haer Dioecesis ende Geestelycke jurisdictie over alle de jegenwoordigh Geunieerde Provincien, van Embderland, tot aen Vlaenderen toe.’; noch: nog.
40Booth vermeldt uitvoeriger hoe de bisschoppen van Utrecht werden beroofd van hun wereldlik gebied.
41-42Booth zegt hier dat Paus Adriaan VI, als men hem zijn eenvoudige afkomst verweet, zich met trots geboren Burger van Utrecht noemde. Diens huis noemt Booth op een andere plaats een der schoonste gebouwen van Utrecht.
46Legt: ligt. Booth: ‘Het omleggende Land is seer vruchtbaar en plaisant, alwaer allerley Koren-landen, vette Weyden, en oock goede Venen ende Plantagie, meest van Vrucht-rijcke bomen’ ....
49Mare: tak van de Oude Rijn, zie F.A.R.A. Baron van Ittersum, Het ‘Heycop’, genaamd de Lange Vliet, Utrecht z.j. [1900], blz. 5; prieelen: lusthoven.
50heerenslooten: voorname huizen van de adel.
terug  begin  verder