1480Flus: straks nog; vijftien groote landen: de vijftien uitgestrekte gewesten van het toenmalige Sjina.
1482de rijxvorstin: de eigenlike hofdames, die de onmiddellike omgeving van de keizerlike famielie vormden, waren dochters uit de hoogste vorstelike geslachten van het rijk.
1487de dootverf: de doodskleur; dodelike bleekheid (doodverf eigenlik van de grondverf der schilderingen; dikwels gebruikt eenvoudig als: doodskleur).
1489-vlg.De prinses is niet door haar vader gedood, maar ontsnapt, en door de vader van de keizerin opgenomen.
1505waert .... gestreelt: waard gestreeld te worden.
1521Ik ondervangze: ik vang haar op onder d'armen; ik steun haar onder d'armen.
1526Bij grote rampen, die de Sjinezen overkwamen, doden, zij zich zelf met heel hun gezin. Bij de val van de laatste Ming-keizer zijn duizende burgers vrijwillig de dood ingegaan. Vandaar de aansporing van het gevolg aan het keizerlik gezin, opdat zij niet levend in de handen van de vijand zouden vallen.
1531erfnazaetschap niet in letterlike zin als erfgenaam van den bloede; maar het erfrecht als veroveraar. De Sjinezen erkenden op zichzelf dat recht; de gevallen keizer werd in hun ogen niet meer door de hemel als zoon erkend; de nieuwe heerser was de nieuwe zoon van de hemel.
1532-vlg.Lykungzus, zo verhalen de berichten uit die tijd, dorst de troon niet bestijgen; en zou toen hij die eens bestegen had, weer terstond zijn afgedaald; 't steigeren: het opstijgen.
1559op den hals: op verbeurte van het leven; zich in koom' stellen: zich komt melden.
1571de hantvest: de erkenning, de u geschonken waarborg. Lykungzus heeft inderdaad de paters goed behandeld (vooral om Schall) en toegestaan dat zij hun huis en kerk behielden. Velen van de hoge ambtenaren werden gefolterd en ter dood gebracht.
1583Altaergenooten als priesters; mijn gebroeders als Xaverius' medebroeders in de Sociëteit van Jezus.
1586Uzangueius d.i. Woe San-kwei is werkelik de bondgenoot der Mandsjoe's geworden tegen Lykungzus d.i. Li Tse-tsjheng, die al diens bloedverwanten had uitgemoord. De grote muur heeft hij niet ontsloten voor de Mandjoe's, zij waren al diep in Sjina doorgedrongen (zie Inhoudt op r. 26-27).
1593-vlg.Ook dit is niet zo geschied; wel is de oudste zoon van de keizer later door de Mandjoe's ter dood gebracht met andere bloedverwanten en beambten; hij weigerde van de Mandsjoe's enig vorstenambt te aanvaarden, en toonde hun zijn verachting.
TEKSTKRITIEK: 1606 geleden: de oude uitg. leest getreden.
1597wil: zal; de groote Cham: de keizer der Mandsjoe's.
1598Kathay: Kathay (Cathay), was in de middeleeuwen bekend; in de 17e eeuw dacht men zich dit als een groot Mongools rijk, dat ten Noorden van Sjina gelegen was. Het is echter gebleken, dat de Middeleeuwse reizigers en missionarissen met Kathay niets anders dan Sjina bedoeld hebben.
1603De nazaet is Khang-hsi, de opvolger van Sjoen-tsjih (zie blz. 330 noot op r. 33); opgeroit: (opgeruid) opgezet.