+Apollion, als de verderver optredend (vgl. vs. 18-24), is eigenlijk een schakeering van Lucifer of Lucifer onder den naam van Apollion, vgl. Dl. V, bl. 616.
1koning van den nacht: helsche vorst, vgl. Openb. IX, 11 en Ad. in Ball. vs. 545.
2's aerdtrijx navel: naar de door Vondel vastgehouden middeleeuwsche voorstelling was de Hel in het middelpunt van den aardbol, vgl. Ad. in Ball., vs. 386 Joan. de Boetgez. IV, vs. 9, 21 en Faeton: vs. 1394-95; in arbeit gaende: hetzelfde als baerende van vs. 3.
4is alree den hemel tegen: slaat al tegen den hemel, de hooge lucht, aan.
13het vlotgevaerte: het groote drijvende schip, de ark; vgl. vlotbalk, vs. 28; 't geweldigh drijftuigh in Joan de B. II, 140.
14Na hondert jaeren tijts volbout: Marius geeft in zijn Pentateuch de op Gen. V, 31 en VI, 14 steunende meening der Kerkvaders weer, dat Noê 100 jaar aan de ark gebouwd heeft, bl. 91; elders voegt hij erbij, dat er 120 jaar verliepen sedert Gods opdracht en de voltooiing der ark, bl. 98. 't bederf: den ondergang.
16Rechtschape: geschikte; onze almogentheit: onze almacht, zegt Apollion met de noodige overdrijving.
18zeegewelt: geweldig zeeschip, vgl. vlotgevaerte van vs. 13.
20voor den wint: zoodat de wind er onder of erachter zit; vgl. vs. 32.
21't cedren balkwerk: Marius haalt eenige getuigenissen aan, die ‘de lignis laevigatis’ van de Vulgaat, Gen. VI, 14 als van onbederflijk cederhout verstonden, bl. 87; is de worm enz.: versta: als het dan niet door houtworm vergaat.
23werk: volgens Kiliaen is werk stupa, of gepluisd touw waar de naden van schepen mee gestopt worden; vgl. vs. 24; gedreven: gestopt, vgl. vs. 1313-14.
30Maer deze hoop is wint: evenals Lucifer in Ad. in Ball., vs. 72, 689 valt Apollion zijn eigen grootspraak in de rede; een wacht van geesten: een engelewacht, ook als in Ad. in Ball., vs. 57 rond het eerste menschenpaar.
31stookebrant: brandstichter; dat anders enz.: Versta: anders zou de omhoogstijgende vlam de rest van de verkoolde ark met den wind mee tot de sterren hebben opgejaagd. Maar het is ook mogelijk, dat Vondel d'Opgaende vlam als 4en nvl. heeft bedoeld; verbarrent: verbrand.
34het cederbosch: waar Noë het hout voor zijn ark heeft gekapt, vgl. vs. 21; tot onzen dienst: voor ons gemak, sarcastisch.
35't verschiet: de verte; 't gevaert: het gevaarte, de kolossale ark, vgl. vs. 13, waarbij de gedachte aan varen niet geheel is uitgesloten.
36zooveel velts: zooveel grond; in vs. 223-24 worden de maten aangegeven.
39Dat leerde u Adams hof: nl. in Ad. in Ball. vs. 13, 104, 111, 594-97; draek: de slang, Belial, Ad. in Ball. vs. 628; spooken: geesten, duivels, vgl. vs. 33.
40grijnzen: verschrikkingen; zich legerden, en dooken: zich verstopten en wegscholen.
42die den aerdtboom noch beroert: waarvan de droeve gevolgen op aarde nog gevoeld worden, nl. in de erfzonde.
43Versta: 1656 jaar sedert den val van Adam of sedert het begin der historie; deze jaartelling, gebaseerd op de geslachtenreeks van Gen. V, gold in Vondels tijd algemeen en was opnieuw berekend o.a. door Athanasius Kircher, op wien Vondel zich ook in Besp. III, 242 en V, 30 verlaat.
44niet onvruchtbaer: nl. met veel winst voor de Hel, door de steeds grooter wordende boosheid der menschen, die dan ook de oorzaak van den zondvloed was, vgl. Gen. VI, 5.
51boschgalm: echo in 't bosch, zoo elders bij Vondel: kerkgalm, berggalm, putgalm.
55Ook dit schijnt op Ad. in Ball. terug te slaan, waar Adam door Eva's bedriegelijke voorstellingen (vs. 1242-vlg.) tot ongehoorzaamheid werd misleid; eerst: het eerst.
56-58Dit slaat wel op Gen. VI, 2-4, maar vgl. noot op Inhoudt, r. 2-5; gezicht: oogen.
66-67bleef enz.: hebben de duivelen (uitgebraekte vloeken) niet veel onheil aangericht, d.w.z. niet veel materieele schade, zooals nu door den zondvloed zal gebeuren.
73bruiloften: ww. bruiloft vieren, vgl. Opdracht, r. 19.
75Enoch: Henoch, een heilig voorvader van Noê, Gen. V, 18-24 en vgl. noot op Inhoudt, r. 5-6.
77Een reuzenafkomst: de nakomelingschap der reuzen; trotst: trotseert, daagt uit.
79wapenrecht: recht van den sterkste, wapengeweld.
80met geen gewelt te keeren: onoverwinnelijk. Achiman, Enaks zoon: vgl. Tooneelisten, bl. 398.
82't jaergetijdigh feest: de verjaardag. In vs. 701 is spraak van een feestgetyde en in vs. 590, 879, 938, 1044, 1058, 1094, 1561 van een bruiloft; blijkbaar is de verjaardag van Urania's huwelijk met Achiman bedoeld.
86Vondel bedoelt, dat de grootvorst van het oost (vs. 80) over heel Zuid-Azië heerscht; de Ganges en Indusstroom liggen in het tegenw. Britsch-Indië; de Tiger en Eufraet zijn de bekende Paradijsrivieren (Gen. II, 14) in Aziatisch Turkije.
88De vogel feniks: de feniksvogel, de legendarische vogel, meermalen door Vondel beschreven, o.a. in Joseph in Dothan, vs. 1113. Vondel bedoelt dat Achimans kroon versierd is met de veeren van den zeldzamen feniks.
89Oostenrijk: het Oostersch Rijk; geheilight: toegeheiligd, hoort bij kroon.
156De maan, die voor ons gezicht voortdurend van gestalte wisselt, was van oudsher het beeld van de veranderingen der wereldsche dingen.
157Versta: gij, die van uw oorsprong, van het goede begin zijt afgeweken; vgl. Eeuwgety d.H. Stede, vs. 7; 's levens struick van vs. 634 heeft een andere beteekenis;
159In eenen: in éen mensch, nl. in Noë (met de zijnen); dit goet: nl. 's levens recht gebruik, door de ware Godskennis.
162En 't heiligh voorbeelt: en van het heilig voorbeeld, in Noë.
164-66Ofschoon Eva zich kan troosten met het brave nageslacht van haar (derden) zoon Seth (vgl. Gen. IV, 26), kreeg de booze nakomelingschap van haar (eerste) kind Kaïn de overhand; in 't ooste: evenals in Lucifer, vs. 50 laat Vondel zijn engelen zich van ons Westersch spraakgebruik bedienen.
167Henoch was de achterkleinzoon van Seth's kleinzoon, en de overgrootvader van Noë; hij wandelde met God (Gen V, 24), maar zijn kinderen werden slecht.
174uw beelt: dit zegt Henoch tot God, hij bedoelt den mensch.
176van de rede afwijkt; besteden: goed besteden, gebruiken.