223-24dertigh ellen wijt (breed) En vijftigh hoogh: hier is een onnauwkeurigheid ingeslopen, daar volgens Gen. VI, 15 de ark 50 el breed en 30 hoog was.
226gerijf: gerief, het benoodigde; vinnen: vinden.
279ophangen in de lucht: in de lucht hangen of zweven, zooals heiligen, die onder hun gebed van de aarde werden opgeheven; Vondels beschrijving van Noë's ontheffing herinnert aan de schilderkunst.
306Volgens Gen. VII, 6 telde de strenge Noë (vgl. vs. 333) 600 jaar, toen de zondvloed uitbrak.
311in 't waschbadt noit gestooft: Waarsch. met gedachte aan de warme en lauwe baden (tepidaria en caldaria) van de Romeinsche badstoven; Noë hield zich verre van alle wuftheid.
321gebogen: onderworpen, vgl. zich buigen in vs. 326.
326Cham:: dezen tweeden zoon van Noë stelt Vondel als een weerbarstig en moeilijk karakter voor (vgl. het Vierde Bedrijf), omdat hij ook bij de bijbelverklaarders, vooral op grond van zijn gedrag in Gen. IX, 22, een slechten naam had; Marius o.a. haalt S. Augustinus aan, die Cham sluw, ongeduldig en twistziek noemde, Pentateuch, l.c. bl. 77.
366Volgens Vondels voorstelling steunt de oude Noë op een soort draagbare leuning, die hem meteen tot preekstoel dient: twee boomtakken verbonden door een spar; evenals Joannes de Dooper doet, in Joan. d. Boetg. I, 485-87; misschien heeft Vondel dit zoo op prenten gezien.
453-57Vondel doelt op den uitleg der vroegste christelijke schrijvers van Gen. VI, 2, die de vermenging van geesten met menschen (vrouwen) voor mogelijk hielden en den dichter van Lucifer rechtvaardigen, waar hij Apollion op Eva verliefd laat worden; zie mijn art. in De Katholiek van 1907, bl. 27: ‘Apollion en Eva in Vondels Lucifer’.
473-75geen mensch enz.: waarschijnlijk is de bedoeling, dat een mensch zich alleen zijn voortkomst uit een vrouw bewust is; van God als oorsprong en doel van het leven weet hij niets.
478kan den adem, na dien dootsnik, niet herhalen: kan, eenmaal gestorven, niet opnieuw adem halen, niet herleven.
470-79Achiman spreekt de taal der goddeloozen, zooals die in Wijsheid II, 1 vv. is weergegeven, vgl. Prediker, V, 19-21; Job, XIV, 1, 12, 14 en zie vs. 498-500.
489-91Versta dezen eenigszins ingewikkelden zinsbouw aldus: Beraad u, voor dat - terwijl de laatste dag u ontschoten is - het straffen (plaegen, w.w. als subst. gebruikt) van den hemel het hedendaagsch geslacht (Deze eeu), dat geen rechtvaardigen wil voortbrengen (verzweerende: verzakende), in zijn geheel of ineens (al teffens) in de grootste ellende dompelt.
493tijdigh en voorhanden: aanwezig en in onze macht.
496bezigen: gebruiken, ervan genieten; geprangt door naeu verbont: door al te enge banden gekweld.
499zet op elke knie een bruit: even denken wij hier aan het overmoedig zelfportret van Rembrandt met de wijnfluit in de hand en Saskia op zijn knie (1635, Dresden).
498-500Vgl. Wijsheid, II, 7-8, waar de onweldenkenden hun epicuristische theorieën verkondigen.
501vader: sarcastisch van Noë gezegd; speelen: honend noemt Achiman Noë's preeken de muziek waarop hij en de zijnen dansen, vgl. Matth. XI, 17.
504afkomst: nakomelingschap; moeder: dikwijls verklaard als Eva, maar wellicht alleen in 't algemeen bedoeld.
505bloetschand: vermenging van man en vrouw, die bloedverwant zijn; in den Bijbel wordt deze zonde van Noë's tijd niet met name aangeduid; zal 't zich belgen: zal er wraak over nemen.
507joffrentimmer: de vrouwenstoet, vgl. vs. 59, 704.
520Door de zonde is Gods beeld in den mensch geschonden; zijn verstand verduisterde, zijn wil verzwakte, het lichaam was niet langer aan de rede onderworpen.
525-28bestaet enz.: waagt (waagde) het niet, zich even buiten de vastgestelde maat te begeven; maar weet (wist) zich te onderwerpen.
531dees vooghdes: de rede; 't hoogh almogendom: het hoogste gezag, God.
517-34Evenals in Adam in Ballingschap (vs. 505-vlg.) bezingen de Wachtengelen hier den toestand van den mensch in den staat der oorspronkelijke rechtvaardigheid, toen het onbenevelde verstand nog volle heerschappij over het lichaam uitoefende.
533-34vgl. Ad. in Ball., vs. 529-20; Daer: terwijl.
535't Vernuft van Jubal: het genie van Jubal; deze was de uitvinder (vader, vs. 539) der muziekinstrumenten, vgl. Gen. IV, 21.
538vol geest: met geest, vernuftig; ontvoude: ontplooide.