terug  begin  verder
[p. 455]



illustratie

Beurtgezang, Op de komste van den doorluchtighsten vorst en heere Kosmo de Medices, Prince van Tuskanen.aant.*

A MAGNO DEMISSUM NOMEN.

Amsterdam. Italiaen.
 
A. Wat glori komt mijn hooft beschijnen,
 
In 't hartje van den wintertijt?
 
I. De morgenstar der Florentijnen,3
 
Een eeuwige eer, uw kroon benijt.4
[p. 456]
5
A. Wat telgh is 't? uit wiens stam gesproten?
 
Spreek duitlijk Duitsch. hoe luit de naem?6
 
I. De jonge Kosmo van den grooten,7
 
De weerelt kenbaer door zijn faem.8
 
A. Een godtheit daelt, als uit de wolken,9
10
  Om laegh in 't vrye Nederlant:
 
I. Onthaelt van zeven vrye volken,11
 
Daer gy alleen de zeekroon spant.12
 
A. Zoo zagh voorheen de groote moeder
 
Der koningen mijn groote stadt;13-14
15
I. De moeder van der Franschen hoeder,
 
Geheilight door het lelibladt.16
 
A. Zy gaf Gaston, zijn' broeder, 't leven,
 
Nu schoonvaêr der Tuskaensche spruit;17-18
 
I. En eert u noch in haere neven.19
20
  Gy zeilt hun havens in en uit.
 
A. Fernandus zagh mijn bloetvlagh praelen,
 
Toen 't Britsch kasteel ten hemel voer;21-22
 
I. Dat uwen waterleeu van Galen23
 
Den doot in 's hertoghs haven zwoer.24
25
A. De zoon kan hier het graf aenschouwen,25
 
't Welk 's helts gebeente en naem bewaert;
 
I. En daeden, op den zerk gehouwen.
 
Zoo blijft de deught alom vermaert.
 
A. Dees Prins ziet hier mijn schiltkroon pronken,29
30
  Ten prys van zijn voorvaders stam:30
 
I. Een keizers gifte, uw trou geschonken.31
 
Zoo blinkt Florence t'Amsterdam.
 
A. Mijn Kapitool, by zijn gebouwen33
 
Geleeken, zal te doover staen.34
[p. 457]
35
I. Ik zweer 't gezicht wil hem noit rouwen.35
 
Het wykt Sint Mark, noch Vatikaen.36
 
A. Maer d'Arno schenkt gezonder luchten
 
En ooft dan d'Aemstel hem kan biên.
 
I. Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,39
40
  Een bosch, van Princen waert bezien.40
 
A. Prins Kosmo dreight den Turkschen roover
 
Te ketenen op Tunis strant.
 
I. Scheept Putten met uw krijghsvloot over,41-43
 
Zoo wort die zeepest uitgebrant.44
45
A. Dan keerenze met Christe-slaven,
 
En Smyrne ziet den handel vry;
 
I. En d'Aemstelheer onthaelt zijn braven47
 
Met zeekortouwen langs het Y.48
 
A. Dan brult de zeeleeu van Venedigh,49
50
  En Kandie schept verschen moedt:50
 
I. Hy wet zijn klaeuwen eens zoo sneedigh,51
 
En Villa dempt al 't helsch gebroet.52
 
A. Dan krijght Europe een nieu gestalte,
 
En 't kruis braveert de Turksche maen.54
55
I. Gansch Barbarye schrikt voor Malte,55
 
Dat Asie en haer maght houdt staen.56
 
A. Geene afgunst groey' noch rijze tusschen
 
Den Hertogh, en 's lants vryen staet.
 
I. De Batavier omhels' Hetrusschen,59
60
  Zoo lang de zon te water gaet.60
 
 
 
J.v. Vondel.

t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Vygendam, in 't Nieuwe Testament. 1667.

*Van 1667. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 699).
Opschrift: Prins Cosmo de Medicis (1642-1723), als Groothertog van Toskane Cosmo III, was een man van geringe bekwaamheid, ook door zijn verwaarloosde opvoeding. Zijn vader, Ferdinand II van Toskane, had gemeend dat een huwelik met de begaafde, maar lichtzinnige, Margareta Louise van Orleans, dochter van Gaston van Orleans, deze leemten zou aanvullen. Maar dit, in 1661 gesloten, ongelukkig huwelik verwekte zoveel opspraak, dat Ferdinand besloot Cosmo voor enige tijd van het hof te verwijderen. Deze bezocht van 1667-1670 Duitsland, Holland, Spanje, Portugal, Engeland en Frankrijk. Te Amsterdam vertoefde hij van 19 Dec. 1667-7 Jan. 1668 en werd er luisterrijk ontvangen. Te zijner eer had op 30 Dec. 1667 een gala-voorstelling van de Medea van Jan Vos in de Schouwburg plaats. Daarna zal op het toneel deze beurtzang zijn uitgesproken tussen ‘Italiaen’, in een verlicht vliegwerk van wolken neergelaten, en ‘Amsterdam’, voorgesteld als de Stedemaagd, met het gekroonde wapen der stad op haar schild. Zie W.M.A. van de Wijnpersse, Vondel's hulde aan Cosimo de' Medici in Vondelkroniek IV (1933), blz. 163-65. En voor nadere bizonderheden van deze voorstelling het Maandblad Amstelodamum VI (1919), blz. 67.
Het motto, ontleend aan Aeneïs I, 288, betekent: Een naam, van een groot man afkomstig.
3morgenstar der Florentijnen: de erfprins van Florence, zo genoemd wegens zijn jeugd en schoonheid (Ned. Wdb. IX, 1142).
4uw kroon benijt: die aan uw kroon benijd mag worden.
6duitlijk Duitsch: verstaanbaar Nederlands (woordspeling).
7De jonge (telg) van de grote (stam), nl. Cosmo de Grote (1519-1574), de eerste hertog van Toskane en grondlegger van Florence's bloei.
8De weerelt kenbaer: aan de gehele wereld bekend.
9Zie de aant. bij het opschrift.
11Onthaelt van: ontvangen door; zeven vrye volken: de zeven Verenigde Nederlanden.
12Waaronder gij, Amsterdam, de machtigste ter zee zijt.
13-14Zie deel 3, blz. 618-vlg. over de komst van Maria de Medicis te Amsterdam.
16het lelibladt: nl. in het Franse wapen.
17-18Zie de aant. bij het opschrift.
19neven: nakomelingen.
21-22De zeeslag bij Livorno (zie deel 5. blz. 569) was vlak bij het strand onder de ogen van duizenden toeschouwers geleverd. Zie Knuttel, Catal. van de Pamflettenverzameling in de Kon. Bibl. II1, nr. 7386, en Scheurleer, Onze Mannen ter Zee I, blz. 169. Het Engelse schip Buonaventura, door een gelukkig schot van Jan van Galen getroffen, vloog hierbij in de lucht (zie Knuttel, t.a.p.); Fernandus: Ferdinand II van Toskane.
23waterleeu: zeeheld.
24's Hertoghs haven: Livorno, op Toskaans gebied.
25hier: in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.
29Zie de aant. bij het opschrift, en deel 5, blz. 909.
30Cosmo II, de grootvader van deze Prins, was gehuwd met Maria Magdalena van Oostenrijk.
31Een keizers gifte: zie deel 3, blz. 182.
33Mijn Kapitool: het nieuwe Stadhuis.
34Geleeken: vergeleken; te doover staen: achterstaan, eig.: minder glans hebben (doof: dof).
35wil: zal.
36Het doet niet onder, nòch voor de Sint Marcus van Venetië, nòch voor het Roomse Vaticaan.
39Uw mastbosch: uw grote handelsvloot; goude vruchten: een rijke opbrengst (woordspeling met het Toskaanse ooft van vs. 38.
40waert bezien van: waardig om bezichtigd te worden door.
41-43Keizer Leopold, na zijn overwinning aan de Raab (zie De gezegende adelaer) nog aanhoudend door de Turken bedreigd, zocht steun bij de Republiek, die weinig tot hulp genegen bleek (zie Blok: Gesch. van het Ned. Volk III, 1925, blz. 116). Mogelik had de Keizer Cosmo bij diens bezoek gevraagd hier op deze hulp aan te dringen. Met Putten is bedoeld: Kornelis de Witt, ruwaard van Putten, die de vloot zou begeleiden.
44zeepest: nest van zeerovers.
47onthaelt zijn braven: ontvangt zijn dapperen.
48zeekortouwen: welkomstschoten uit scheepskanonnen.
49de zeeleeu van Venedigh: zie deel 5, blz. 911.
50Kandie: Kandië, de hoofdstad van Kreta, sinds 1665 door de Turken belegerd en in 1668 ingenomen.
51sneedigh: snijdend, scherp.
52Villa: welke Venetiaanse veldheer bedoeld wordt, is ons niet bekend; dempt: onderwerpt (Ned. Wdb. III, 2398).
54braveert: trotseert.
55Malte: Malta, na 1525, toen de Johannieterorde zich hier vestigde, een bolwerk tegen de Turken.
56houdt staen: weerstaat, tegenhoudt.
59Hetrusschen: Etrurië, de oude naam voor het grondgebied van Toskane.
60te water gaet: in het Westen neerdaalt (volgens de mythologiese voorstelling in de Oceaan. Bij deze laatste verzen zal Italiaen uit de wolken te voorschijn getreden, en door Amsterdam omhelsd zijn.
terug  begin  verder