terug  begin  verder
[p. 463]

Den weledelen en grootachtbaeren heeren, Mr. Lambert Reinst, Cornelis van Vlooswyk, heere van Vlooswijk &c. Cornelis de Vlaming van Outshoren, heere van Outshooren &c. Mr. Gilles Valkonier,

Regeerende Burgermeesteren en Raeden van Amsterdam.

1 Indien men menschen by planten magh gelijken, zoo slachten1 2 staetzuchtigen het klimop, dat, naer zijnen aert genoemt, geduurigh2 3 by de muuren opklimt. Zoodaenigen openbaeren zich de magh-3 4 tigen, die, noit met hunnen staet vernoeght, altijt poogen hooger4 5 in top van mogentheit te steigeren, en op glimpige titels hunne5 6 nagebuuren en anderen onrechtvaerdigh beoorlogen. Hierom 7 wort de gansche weerelt zonder ophouden omgeroert, gelijk een7 8 ongestuimige zee, waerin ontelbaere vorstendommen, en volken 9 schipbreuk aen goet en bloet en have lijden, en jammerlijk ver- 10 gaen. Alexander de Groote, Persien en ten deele Indien over-10-13 11 winnende, bedroefde zich, toen hy hoorde dat'er meer weerelden 12 waren dan deze, met onze voeten betreden, en blaekte van oor- 13 loghsyver om hooger op te trekken, ten waere zijne Macedoniers13

[p. 464]

14 en Grieken hem bezweeken. Keizer Vespaziaen, wreeker van14 15 Godts doot, bekommerde zich noch, op zijn dootbedde zieltoo- 16 gende, om de paelen des Roomschen rijx wijder uit te zetten. Deze16 17 onverzaetzaeme heerschzucht past op recht nochte onrecht, ook17 18 op geene eeden verbonden en bloetverwanschappen, en voert 19 den zoon tegens den vader, broeder tegens broeder aen. Zoo wer-19 20 den de muuren van Rome, namaels het hooft der heerschappyen,20 21 geleght in bloet der gebroederen Romulus en Remus.21

 
Fraterno primi maduerunt sanguine muri:22

23 Montagne, ridder van Sint Michiel, wil den gebroedertwist eenigh-23 24 zins, als niet vreemt verschoonen: dewijl gebroeders, gelijk in24 25 een zelve spoor hun avontuur en geluk zoekende, de wagens25 26 slachten, welker assen elkandere te na komende, lichtelijk onder- 27 ling schokken en verwarren. Het treurspel der Thebaensche 28 gebroederen hier van den wijzen Euripides ten tooneele gevoert,28 29 bekrachtight dit mede, en nietemin taisteren d'oude Grieken, zoo29 30 Plutarchus getuight, het bloedigh lijfgevecht der gebroederen, en30 31 oorlogh voor Thebe, gelijk een schendigh lasterstuk, met den3131-32 32 toenaem van eene Kadmische overwinninge.

 
Nulla fides regni sociis, omnisque potestas
 
Impatiens consortis erit.33-34

35 De doorluchtige heer Hugo de Groot, namaels gezant der kroone 36 en koninginne van Sweden, op Loevestein ter eeuwige gevange-36 37 nisse gedoemt, om zijne stantvastigheit in 't verdaedigen van 38 's lants vrydom en hantvesten, koos in den kerker, onder andere 39 oefeningen, de vertaelinge uit van dit treurspel, de kroon van alle39-vlg.39 40 Euripides werken, het welk hy, sedert door Godts genade verlost,

[p. 465]

41 te Parijs voltrok, van waer de koninglijke gezant my gewaerdighde41 42 eenen afdruk toe te zenden, met eene lofreede zoo heerlijk ver-42 43 ciert, dat'er niet kan toegevoeght worden zonder het werk te ver- 44 ongelijken.44

45 Nu neeme ik de vrymoedigheit my zelven d'eer te geven deze45 46 vertaelinge den heeren Burgemeesteren op te draegen, naerdien 47 de schriften van dien onsterflijken man, overal De Groot en eerlijk47 48 en heerlijk, u ten hooghste behaegen, en in 't byzonder het boek48 49 van het recht van oorloge en vrede, waermede de geleertste be- 50 dienaers van staet, als by Themis onfaelbaer orakel, in tijt van50 51 bekommeringen zorghvuldigh te rade gaen, om hunne heeren 52 meesteren ten beste te dienen. Ontfang dan, weledelen heeren52 53 dit verduitschte tooneelwerk naer uwe heuschheit, en guntme altijt53 54 te blijven

Uwe weledele onderdaenige dienaer

 

J.v. Vondel.

[p. 466]

Inhoudt der gebroederen van Thebe.*

1 Eteokles, in het rijk van Thebe gezeten, weigert den broeder Polynices zijn erfdeel. Dees,1 2 nu balling, t'Argos gekomen, troude Adrastus dochter, en blaekende van begeerte om weder2 3 zijn vaderlant te bezoeken, vergaderde door schoonvaders raet een leger, tot dien optoght3 4 noodigh, en rukte voor Thebe. De moeder Jokaste, hier van verkuntschapt, verwerft hem4 5 vrygeleide om in de stadt te komen, en met zijnen broeder te handelen van de voorwaerden,5 6 ter heerschappye dienstigh. Maer toen Eteokles stijf op het bezit des rijx staen bleef, kon6 7 Jokaste de zoons niet bevredigen, waerom Polynices ter stede uitging, en zich ten oorlogh7 8 toeruste. Toen spelde waerzegger Tiresias den Thebaenen d'overwinninge met dit beding,8 9 indien Meneceus, Kreons zoon, zich zelven aen Mars opofferde. Maer Kreon weigerde9 10 zijnen zoon der stede ten beste te geven. De zoon kante zich hiertegen, en toen de vader 11 hem reisgelt gaf om te vlughten, voerde hy dit opzet uit, en nam zich zelven het leven. Aldus11 12 geraekten d'oversten der Argiven door de Thebaenen om hals. Maer Polynices en zijn broeder 13 behouden gebleven, traden in een dootlijk lijfgevecht. De moeder, hen ziende zieltoogen, be-13 14 nam zich zelve met haer eige hant het leven. Haer broeder Kreon aenvaerde het rijk, en14 15 ondertusschen braeken d'Argiven hun leger voor de vesten op. Kreon verbittert op de vyanden,15 16 van Kadmus burgerye verslagen, versteektze van het graf. Hy laet Polynices onbegraven16 17 leggen, en drijft Edipus in ballingschap, ten deele volgens het menschelijk recht, ten deele17 18 uit wraeke, en zet het medelijden over een anders elende aen d'eene zijde.18

19 Een oude getuighenis.

20 Het treurspel der Thebaensche gebroederen is gepropt met eene barninge van hartstoghten:20 21 want Kreons zoon, van de muuren springende, sterft ten beste van zijn vaderlant. De ge-

[p. 467]

22 broeders, zich onderling wondende, geraeken om hals. De moeder Jokaste verdoet zich zelve 23 op haere doode zoonen. De Argiven, tegens Thebe met hunne heirkracht opgetogen, worden 24 verslagen. Polynices leght onbegraven. Edipus wort ten vaderlande uitgestooten, met zijne 25 dochter Antigone. Behalve dit is het treurspel gestoffeert met tooneelisten, en heerlijke en25 26 uitgeleze spreuken.26

De tooneelisten.*

Jokaste.

De voestervader van Antigone.

Antigone.

Rey van Feniciaensche vrouwen.

Polynices.

Eteokles.

Kreon.

Meneceus.

Tiresias.

Bode.

Anderde Bode.

Edipus.

1gelijken by: vergelijken bij.
2staetzuchtig is hij, die mateloos streeft naar hoge staat (vgl. r. 17); geduurigh: al door, al verder.
3zoodaenigen (zelfst. vnw., meerv.): als zodanig.
4hooger in top van mogentheit: tot een hogere graad van macht, of: hóger omhoog; voor in top rijzen = omhoogrijzen, zie vs. 134.
5glimpig: schoonschijnend; titels: rechtsgronden, vgl. aant. 586-87; (hier: valse r.).
7omroeren: in beroering brengen.
10-13Zie Plutarchus, De tranquill. animi, 466; dan deze ....; de bedoeling is: dan die, waartoe de door ons bewoonde aarde behoort (tegenover de andere zonnestelsels in het heelal).
13ten waere ....: (zou vol strijdlust gaarne verder getrokken zijn,) als het geval zich niet had voorgedaan dat ...
14bezwijken: in de steek laten, afvallig worden; Vespasianus: Romeins keizer, 69-79 n. Chr., onder wiens regering in 70 Jerusalem werd verwoest (door zijn zoon Titus); met het oog daarop noemt V. hem: wreeker van Godts (Christus') doot.
16om .... uit te zetten: om het Romeinse rijk uit te breiden.
17passen op: geven om.
19aenvoeren: ten strijde voeren, in het harnas jagen.
20het hooft der heerschappyen, lett. vert. van caput imperii, de hoofdstad van het (Rom.) rijk.
21geleght: gegrondvest.
22Het Lat. citaat stamt uit Lucanus, Phars. I, 95 en betekent: ‘de eerste muren dropen van broederbloed’. De woorden zijn een zinspeling op het bekende verhaal dat Romulus Remus zou hebben gedood, toen deze smaalde op de geringe hoogte van de door Romulus gebouwde muren voor de nieuwe stad.
23Montagne (de oude druk heeft Montague), zie Dl. VI, blz. 71, r. 35.
24verschoonen, hier: verklaarbaar maken.
25geluk .... zoekende: als mensen die .... zoeken (daar ze .... zoeken).
28den wijzen E.; zie Opdracht Ifigenie, r. 20.
29nietemin, phonetische spelling; vgl. o.a. de spelling schiltroep, vs. 149; taisteren: brandmerken.
30zoo Plutarchus getuight; zie diens De fraterno amore 485.
31oorlogh, hier onzijdig; gelijk een schendigh lasterstuk: als een schandelijk misdrijf.
31-32met .... overwinninge: door eraan te ontlenen de betiteling Cadmische overwinning (voor elke zege, die tot zo dure prijs werd bevochten als die van Thebe); Thebe's burcht heette Cadmea; zie verder de Inhoudt.
33-34De Lat. versregels zijn een citaat uit Lucanus' Phars. I, 91-92; vertaling: ‘Te zamen regerenden kunnen elkander niet vertrouwen, en iedere macht verdraagt kwalijk een deel-genoot.’
36eeuwig: levenslang.
39-vlg.vergelijk Grotius' Prolegomena in Phoenissas: ‘Ego in carcerem conjectus ab his, qui me ignorabant, post sacras meditationes existimavi remedium mihi posse aliquod et a tragoedia praestari; ... itaque tragoedias alias quidem legere, hanc supra alias eximiam et vertere institui’.
39de kroon van alle Euripides werken; Euripides, genitief, geplaatst tussen bijv. bep. en subst. (zie Van Helten, § 264a); vgl. Opdr. Ifigenie, r. 47.
41te Parijs; volgens dezelfde Prolegomena hernam en voltooide (voltrok) De Groot zijn vertaling, waarvan het begin in de gevangenis verloren was gegaan, later te Parijs tijdens een ziekte; gewaerdigen: de eer aandoen (de vriendelijkheid hebben); vgl. r. 45.
42met eene lofreede, nl. op Euripides' Phoenissae; niet: niets.
44verongelijken: te kort doen (aan de verdienste van het werk).
45my zelven .... geven; deze woorden zijn een terugslag op de wending met gewaerdigen in r. 44.
deze vertaelinge (klemtoon op deze), nl. de door Vondel vervaardigde Nederlandse vertaling als onderscheiden van De Groot's Latijnse (zie verder Inleidende Opmerkingen op blz. 457).
47overal De Groot (woordspeling naar het model van Semper Augustus, zie de Opdracht van de Lucifer, Dl. V, blz. 604): groot in iedere levenshouding.
48eerlijk en heerlijk: ere-waard en edel.
het boek van ....: De jure belli ac pacis.
50bedienaer van staet: staatsman; Themis onfaelbaer orakel; toespeling op het orakel van Delphi, waar Themis, de godin van het recht, vòòr Apollo haar uitspraken gaf; vgl. hierbij verder Vondels woorden in een gedichtje Op .... Huigh de Groot (Dl. III, blz 371): ‘Wat vraegh ick wat Cefis of Delfis eertijds seide? Een Delfsch orakel spreekt meer wijsheids als die beide.’
52De vocatief weledelen (heeren) is vreemd; vgl. Van Helten § 272?; verduytscht: in het Nederlands vertaald.
53naer uwe heuschheit: met de U eigen welwillendheid.
*Algemene Opmerking: Deze Inhoudt is een vertaling van het Latijnse Argumentum, voorin De Groot's Phoenissae-vertaling.
1in .... gezeten; versta: de heerschappij bezittend over Thebe; voor rijk = heerschappij, zie o.a. r. 6; den broeder (zijn broeder), lett. vert. naar het Latijn; vgl. r. 3 schoonvaders raet, r. 4 de moeder (zijn moeder), r. 7 de zoons enz.
2balling: als balling; Adrastus: koning van Argos.
3door .... raet, onjuist; Grotius: ‘na zijn schoonvader overgehaald te hebben’; optoght: opmars (krijgsonderneming).
4voor Thebe: tot voor de muren van Thebe.
5handelen van: onderhandelen over.
6ter heerschappye dienstigh: betreffende de regering.
7bevredigen: verzoenen.
8Tiresias; zie Koning Edipus (Dl. VIII, blz. 859, r. 53); met dit beding, indien (Latinisme): onder voorwaarde dat.
9zich .... opofferde; Grotius: ‘werd geofferd aan Mars’ (vgl. vs. 1034).
11aldus; versta: dank zij Menoeceus' offerdood.
13dootlijk. met de betekenis: beider dood ten gevolge hebbend; zieltoogen, onjuist; Grotius: ‘ontzield’.
14rijk, zie r. 1
15braeken .... op: braken het beleg van de stad op.
16van .... verslagen, onjuist; Grotius: ‘die gesneuveld waren aan de voet van de burcht Cadmea’ (de burcht van Thebe, die zo heette naar den stichter van Th., Cadmus); versteektze van ....: weigert ze ....; achter laet dient ook te worden ingevoegd.
17het menschelijk recht: het bij de mensen geldend recht.
18zet .... aen d'eene zijde: zet op zij, neemt niet in acht.
20gepropt met (vgl. Herk. in Trachin, Opdr., r. 84) eene barninge van hartstoghten; vgl. Ifigenie in Tauren, Opdr. r. 18-vlg. met aant.; barning: woeling is een vert. van het Vergiliaanse aestus (vgl. bijv. Dl. VI, blz. 589, vs. 759: een geweldigh ty van toorn en minnegloet). Na Want begint de motivering, die eindigt met Antigone.
25gestoffeert met .... (plena personis): rijk voorzien van; vgl. stofferen, Dl. VII, blz. 901, vs. 321.
26uitgeleze spreuken; vgl. Ifigenie, Opdr., r. 52-53 met aant.

*De voestervader van Antigone; Grotius: ‘senex educator Antigones’. Het Gr. spreekt alleen van ‘opvoeder’ (vgl. het opschrift boven vs. 91), zonder de toevoeging van Antigone; bedoeld wordt de voormalige opvoeder (goeverneur) van de zonen. - Meneceus: Menoeceus. - anderde: tweede.
terug  begin  verder