terug  begin  verder

Op de doorluchtige zege van Groninge.aant.*

Alias inter caput extulit urbes.

 
O GRONINGE, pilaer en hooftstadt van de Vriezen,1
 
Van waer begint men best t'ontvouwen uwen lof?
 
Uw bouheer Grunus most u tot zijn wijk verkiezen,3
 
Zoo vroegh voor Christus komste, en boude hier zijn hof;
5
Of liever, zoo men zegt, de broêr van 't hooft der Franken5
 
Ontworp u arm en slecht. nu, sestigh jaer geleên6
 
En noch vijfhondert, most gy uwe stichters danken,7
 
Die u bevestighden met toornen, graft en steen:8
[p. 647]
 
Maer namaels, aengegroeit in maght en burgeryen,
10
  Ontzaeghtge min 't gewelt, en proefde menighwerf10
 
Het wisselbaere lot des oorloghs onder 't stryen,
 
Doch noit met meer gevaers van 't uiterste bederf,12
 
Dan toen de Keurvorst en de Vorst van Munster t'zaemen,
 
Gesterkt met Fransche maght, u vielen op het lijf,
15
Met gloênde kogelen u overstulpen quamen,15
 
En teffens out, en jongk, en maeght, en man, en wijf16
 
Zich quijtende, noch storm, noch doots gevaer ontzagen,17
 
Tot dat de vyanden verlieten uwen wal,
 
Na zulck een zwaer verlies, en droeve nederlaegen,
20
  Waerop de zegegalm zich uitspreide overal.
 
Uw schermheer RAVENHOOFT, hebt gy, naest Godt, te loven21
 
Voor uw behoudenis. dees terger van de doot22
 
Bewaekte u, tot dat gy het onheil quaemt te boven,
 
En stont de stormbuy uit van bommen vier en loot.24
25
O GRONINGE, uit het puin en asch en stof verrezen,
 
Vergeet de weldaet niet, die Godt u heeft bewezen.
 
 
 
J.v. VONDEL.

Amsterdam, by de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, 1672.

*Van 1672. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 718).
Opschrift: Op 28 Aug. 1672 moesten de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen het beleg dat zij 9 Juli om Groningen geslagen hadden, met groot verlies opbreken door de moedige tegenstand der stad, onder aanvoering van Rabenhaupt.
Het motto, ontleend aan Verg. Ecl. I 24, betekent: Zij steekt het hoofd boven andere steden uit.
1Vondel denkt hieraan het oude Friesland, dat zich over Groningen tot in Oost-Friesland uitstrekte.
3Uw bouheer Grunus: volgens de renaissancistiese fantasie zou Grunus of Gruno de stichter van Groningen geweest zijn (vgl. Friso als stamvader van de Friezen en Baeto van de Batavieren); wijk: toevlucht.
5Deze broeder en de Frankenkoning zijn legendaries en niet bekend.
6Ontworp: ontwierp, maakte het bouwplan; slecht: eenvoudig.
7most gy danken: waart gij dank verschuldigd.
8bevestighden: versterkten; graft en steen: grachten en burchten.
10proefde: ervoer.
12't uiterste bederf: de ondergang.
15overstulpen: overstelpen, oorspr. overdekken, dus rijkelik bestrooien.
16teffens: gezamelik, gelijkelik.
17storm: bestorming.
21Ravenhooft: vertaling van Rabenhaupt.
22terger: trotseerder.
24stont uit: doorstondt.
terug  begin  verder