terug  begin  verder
[p. 683]

Op d'afbeeldinge der Hooghedele Mejoffer Maria van Outshoren.
Door Filips Koning.aant.*

SURGENS AURORA.

 
Zoo leliblank verrijst met heldre morgenstraelen
 
Opluikende Marie, in 't scheiden van den nacht,2
 
t'Outshoren uit den droom, op zang van nachtegaelen3
 
En leeurik, daer in 't groen de zangrey haer verwacht.4
5
De jonge Ridders, die in haegh en laenen duiken,5
 
Aenschouwenze met lust, en vraegen onderling
 
Wie dees geslote roos ter goeder tijt zal pluiken:7
 
Wie zulk een blanke hant vereeren met den ring.
 
Zy wenschen lijf om lijf in 't velt een kans te waegen9
10
  Om zulk een schoone Maeght, verlieft als Hippomeen,10
 
En achten hem niet waert geweer op zy te draegen,11
 
Die om dees schoonheit op geen degen aen durf treên.12
 
De maeght verschijnt, en heet dit lijfgevecht te schorten.13
 
Zy roept: wie my bemint ontzie zich bloet te storten.
*Van ? - Volgens de tekst in Vondels Poëzy 1682, II, blz. 346.
Opschrift: Maria van Oudtshoorn (1646-1732), dochter van Cornelis de Vlaming van Oudtshoorn, die tussen 1656 en 1680 tienmaal burgemeester van Amsterdam was (zie ook deel 9, blz. 175). Aan hem droeg Vondel in 1660 zijn treurspel ‘Samson of heilige wraeck’ op, aan hem en zijn medeburgemeesters, die hem in 1668 als suppoost in de bank van lening ontsloegen met behoud van de jaarwedde, zijn ‘Euripides Feniciaensche of Gebroeders van Thebe’. Het gedicht is ongedateerd evenals het door Filips Koning geschilderde portret (zie Horst Gerson, Philips Koninck, Berlin 1936, blz. 93, nr. 124). Maria trouwde 12 Juli 1684 met Jonker Pieter van Reede van Nederhorst, uit dit huwelik stammen de Baronnen van Reede van Oudtshoorn (Elias, De Vroedschap I, blz. 506).
Het motto, ontleend aan Aeneïs IV, 129, betekent: De rijzende dageraad.
2Openluikende: opengaande. Vondel vergelijkt Maria hier bij een roos, zie vs. 7.
3t'Outshoren: de heerlijkheid Oudshoorn en Gnephoek, in 1627 door Dirck de Vlaming aangekocht. Feitelik was Oudtshoorn de geslachtsnaam, waarbij Corn. Jansz. van Oudtshoorn na zijn vestiging te Amsterdam, wegens zijn Vlaamse geboorte, de bijnaam ‘de Vlaminck’ kreeg, die aan zijn afstamming bijbleef en gaandeweg de familienaam verdrong. Toen Dierick de Vlaming uit titelzucht de voorvaderlike naam weer wilde gaan voeren, kocht hij in 1627, om de schijn van aanmatiging te vermijden, de heerlikheid Oudshoorn (Elias, De Vroedschap I, 233).
4daer: waar; de zangrey: het zangkoor.
5Ridders: jonge mannen van goeden huize (aangehaald Ned. Wdb. XIII, 69); duiken: zich schuilhouden (Ned. Wdb. III, 3573).
7pluiken: plukken.
9lijf om lijf: op leven en dood; in 't velt: op de kampplaats.
10Hippomeen: zie Den Gulden Winckel XXIII, dl. 1, blz. 321.
11geweer: degen, zie vlg. vs.
12op geen degen aen durf treên: niet rustig durft toetreden op de degen van zijn tegenstander.
13heet: beveelt; schorten: stuiten (Ned. Wdb. XIV, 910).
terug  begin  verder