terug  begin  verderprepost

De première van de Gysbreght in de Amsterdamse Schouwburg

Met de première van de Gysbreght van Aemstel werd op 3 januari 1638 de Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht ingewijd. De opening van dit gebouw luidde een nieuwe fase in de Nederlandse toneelgeschiedenis in. De Amsterdammers kregen nu op één dag hun eerste echte theater, in Italiaans-classicistische trant gebouwd door de bekende architect Jacob van Campen, én een nationaal drama, dat zich afspeelde in het middeleeuwse verleden van hun eigen stad. Die oude stad mocht dan op het toneel ten onder gaan, maar hij zou in de toekomst met grotere glans verrijzen, zo voorspelde de engel Rafaël aan het eind van het stuk. Het schouwburgpubliek, de bewoners van de duizelingwekkend snel gegroeide machtige handelsmetropool, kon uit eigen ervaring weten dat de hemelse voorspelling inmiddels overtuigend was uitgekomen.

In dit trotse Amsterdam, door Vondel al eerder ‘de keizerin van Europa’ genoemd, zou de nieuwe Schouwburg het centrum van een bloeiende cultuur worden, dat niet alleen toneelschrijvers maar ook schilders zou inspireren. De band met het stadsbestuur was nauw: het gebouw was bekostigd door twee grote stedelijke sociale instellingen, het Weeshuis en het Oude-Mannen- en Vrouwenhuis, die ook van de winst van de voorstellingen profiteerden. Uit Vondels Voorspel en uit de woorden van Rafaël blijkt dan ook dat Vondel de Amsterdamse magistraat als eregasten onder het publiek van zijn stuk verwachtte.

[p. 2]

Vondels tragedie speelde tijdens de kerstnacht in het katholieke Amsterdam van 1300 en had oorspronkelijk op tweede kerstdag 1637 de Schouwburg moeten openen. 1

Op 16 oktober, de datum van zijn opdracht aan Hugo de Groot, was de tekst klaar om gedrukt te worden bij Willem Jansz Blaeu. Maar door toedoen van de gereformeerde predikanten, in wier ogen eigenlijk elke toneelopvoering uit den boze was, werd zowel de première als de inwijding van de Schouwburg een week verschoven. Uit de kerkeraadsnotulen blijkt hoe de dominees op 17 december verontrustende berichten hadden gekregen over voorgenomen vertoningen ‘van de superstitie van de paperije als misse en andere ceremoniën’ in het nieuwe stuk. Die verhalen zullen wel van acteurs afkomstig zijn geweest, mogelijk van de protestantse herbergier-toneelspelerWillem de Ruyter, die de rol van bisschop Gozewijn speelde. Die had flauwe grappen gemaakt tijdens de repetitie van de scène in het Klarissenklooster, waarin de nonnen hem een mijter op het hoofd moesten zetten. 2

Twee predikanten werden afgevaardigd om bij de regenten van de Godshuizen hiernaar te informeren en te protesteren op het stadhuis. Dit had in elk geval tot gevolg dat de geplande opening niet doorging, en dat eerst, zoals de afgezanten op 7 januari aan hun achterban meldden, ‘de aenstootelijckste saken’ weggelaten hadden moeten worden voordat de vier burgemeesters alsnog hun fiat hadden willen geven. 3

De van hogerhand bevolen ingrepen betroffen niet de tekst, maar hoogstwaarschijnlijk één of meerdere uitbeeldingen van katholiek ritueel die door de regie (van Vondel?) in de voorstelling waren opgenomen. 4

Op zondag 3 januari 1638 werd de Schouwburg dus alsnog geopend met de Gysbreght van Aemstel, gevolgd door een aaneengesloten serie van elf en in februari nog eens twee voorstellingen. Uit de rekeningen van de boekhouder blijkt dat het stuk een groot succes was: met aftrek van de uitgaven voor onder meer rekwisieten en salaris van de spelers leverden de opvoeringen toen een kleine 1100 gulden op. 5

Maar de man aan wie Vondel zijn tragedie had opgedragen, de in ballingschap levende geleerde staatsman Hugo de Groot, moest over het succes van de première lezen in een brief van Gerard Vossius, die er wel bij was geweest. De magistraat vertoonde zich pas officieel op 5 februari! Mogelijk om de gemoederen daarna wat te kalmeren of gedwongen door verdere actie van calvinistische zijde wachtten de Schouwburghoofden tot 23 december 1641 voordat zij het stuk weer in het repertoire opnamen, vanaf toen met jaarlijkse heropvoeringen.

1Voor een overeenkomst met de inname van de Franse stad Mende door de hugenoten, tijdens kerstnacht 1579, cf. Ben Albach, ‘De Kersnacht’, enz. (Zie de Bibliografie).
2De Ruyter had in vs. 992 in plaats van ‘mijter’ het woord ‘strontpot’ gebruikt. Deze anekdote wordt verteld in het anonieme gedicht ‘De geest van Matthaeus Gansneb Tengnagel, In d'andere werelt by de verstorvene Poëten’ (1652), vs. 505-512. (Ed. J.J. Oversteegen, Amsterdam 1969, 547).
3In de verslagen van de kerkeraadsvergaderingen zijn ook de reacties van drie van de vier burgemeesters vermeld. Cf. E. Oey-de Vita, ‘De edities’ enz. (Zie de Bibliografie).
4Cf.E. Oey-de Vita, ‘De eerste editie’ enz., met verwijzing naar de oudere discussie tussen J.F.M. Sterck en P. Maximinlianus, en Ben Albach, ‘De vertoning’ enz. (Zie de Bibliografie).
5Cf. ‘Dutch theatre, 1600-1848’. Ed. W. Hogendoorn. In: German and Dutch theatre, 1600-1848. Ed. G.W. Brandt, Cambridge 1993, 350-352. Voor latere inkomsten van Gysbreght- voorstellingen cf. Academie en Schouwburg. Amsterdams toneelrepertoire 1617-1665. Ed. E. Oey-de Vita en M. Geesink, Amsterdam 1983.
prepostterug  begin  verder