Geusevesper *, of Siecken-troost, voor de Vier-en-twintigh.
- Op de wijse: Brande * Partinice.
-
- I.
- Had hy Hollandt dan ghedragen,
- Onder 't hart,
- Tot sijn afgeleefde dagen,
- Met veel smart,
- 5
- Om 't meyneedigh
* swaert te laven
- Met sijn bloet,
- En te mesten kray
* en raven
- Op sijn goet?
-
- II.
- Maer, waerom den hals ghekorven?
- 10
- Want sijn bloet
- Was in d' aders schier verstorven:
- In sijn
* goet
- Vont men noyt de Pistoletten
*
- Van 't verraet,
- 15
- Wtgestroyt, om scharp te wetten
- 's Volleks haet.
-
- III.
- Gierrigheyt
* en wreetheyt beyde,
- Die het swaert
- Grimmigh ruckten uyt der scheyde,
- 20
- Nu bedaert,
[p. 9]
-
- +
- Suchten: Wat kan ons vernoegen
- Goet en bloet?
- Och, hoe knaecht een eeuwigh wroegen
*
- Ons ghemoedt!
-
- IV.
- 25
- Wees te vreen
*, haelt
Predikanten
- West en Oost:
- Gaet en soeckt by Dortsche santen
*
- Heyl en troost;
- 't Is vergeefs, de Heer koomt kloppen,
- 30
- Met sijn Woort.
- Niemandt kan de wellen
* stoppen
- Van die Moort.
-
- Besluyt.
- Spiegelt, spiegelt u dan echter
*,
- Wie ghy zijt:
- 35
- Vreest den worm, die desen rechter
- 't Hart afbijt.
- Schent uw' handen aen geen Vaders
*,
- Dol van haet.
- Scheldt gheen Vroomen voor verraders
- Van den staet.
|
+ 32 spiegel, spiegel. 35 vrees.
|