Op den Heer Hugo de Groot *, in zijn ballingschap.
- Hoe zouw de duysternis dit Hollantsch licht gedoogen,
- Dat al te hemelsch scheen in aller blinden oogen?
- Het ging een wijle schuil, om klaerder op te gaen.
- Wy haten 't Groote licht; een ander bidt het aen
*.
|