Op den zelven *.
- Hoort gy Heeren, hoort, ik laet u weeten:
- 't Kalkoensche Haentjen heeft zijn wijf gesmeten
*
- En zijn meit, die wat snar
* in de bek
is,
- Zey: meester, weetje wel, dat onze vrou gek is?
- 5
- Swijg, zeide hy, ik volg mijn ordonnantie,
- Om niet suspekt te zijn van tolerantie
*.
|