|
+
|
+ Eerste uitg. 5 sterlinx.
|
Het Rat van Avonturen a .
- 1
- Hoe lacht de Schotse bedelbrok
*,
- Die met zijn knapzak en zijn stok
- In Londens beste kamer
- Geberght
* wort, uit zijn
arremoê,
- En krijgt noch ponden steerlinx toe,
- Gemunt met Pymbroers hamer
b .
-
- 2
- Hoe valt nu met een veltgeschrey
- Schots Isrel in die vette wey
- Der Milde Londenaren,
- Met al die kale bedeltros,
- Met kind en kalf en magren os,
|
a In dit gedicht schempt Vondel op de Engelsche Parlementaristen, die met hunnen koning in oorlog geraekt, de Schotten te hulp riepen tot hunne schade.
b Mr.
Johan Pym * was lidt van 't Lagerhuis, en een stout voorvechter der
ijveraren tegens den koning.
|
[p. 102]
-
- Om reuzel te vergaren,
-
- 3
- 'k Geloof, d'Apostels
* tijdt verscheen;
- Want 's werelts goet wort weér gemeen.
- De spitsbroêrs
* staen als
muren
- Malkandren by. Het arme lant
- Biet om 't genot het rijk de hant:
- Kan slechts dit krouwen
* duren!
-
- 4
- Men schenkt hun Jork en Nieukasteel
- En slot en hof en lustprieel
- Ten buit, tot een belooning.
- Heel Engelant wort Schotlants slaef,
- En elke Schot een Engelsch graef.
- Het lage
* huis speelt Koning.
-
- 5
- Al zijn de Konings Jonkers boos,
- De Schotze Distel
* moet de Roos
- Van Engeland behoeden,
- Heel net en puur en klaer en rein:
- Dies houdt het volk den Adel klein
- Met Schotse distelroeden.
-
- 6
- Trek aen
*,
die mager zijt en hol.
- Men dekt broêr naektebil met wol,
- Men mest met schapebouten
- Den hongerigen prachersbuik
*.
- Het Londens bier valt goet en puik;
- Men zuipt nu heele brouten
*.
-
- 7
- Ook wort geen Schotsman yvrens moê,
- Hy stiert Zeloter kolen toe
a ,
- Om 't vier zoo helsch te stooken,
- Waer by zich Schotlant warmen magh.
- O heilig vier, brant nacht en dagh,
- Zoo magh hy braên en kooken.
-
- 8
- Al vangt broêr Zuiver
* vloo of
luis
- Van Schotbroer, wel zoo fijn als pluis,
|
a Dit slaet op de Zeloten *, de oproerigste Joden in 't beleg van Jerusalem, toen
Titus Vespasianus de stad bestreedt. Zie
den Morgenwecker der Sabbatisten.
|
[p. 103]
-
- 't Zijn luizen van zijn broeder.
- Wat schaet een luisdrek of een vloo?
- De zuivre broeders kijven noô,
- Al zoons van eene moeder.
-
- 9
- Indien nu hier een schaepshooft vraegt,
- Wat reformeerssel my behaegt,
- Uit twee zoo zuivre schreyers
*:
- 'k Geloof zy yvren bey om 't best,
- Want Londen broet het ledigh nest,
- Maer Schotlant zit op d'eyers.
|