Uitvaert van Zyn Excellentie, den Heer Huig de Groot. Aen de Wethouders van Delft.
- Incontaminatis * fulget honoribus.
-
- Helaes! wie komt mijn hoop vermoorden?
- Wat onweêr ruischt er uit den Noorden?
- Verzekert fluks ons beste pant:
- Verzekert, berght het Hollantsch wonder.
- 5
- Hoe haelt de zon hier aenschijn onder!
- O Baltisch meir! ô storm! ô strant!
- Helaes! waer is de Groot gebleven,
- Die, voor de schipbreuk van zijn leven,
- Zelfs
*
onder 't opgeheven zwaert,
[p. 108]
-
- +
- 10
- 't Gezicht des Doots braveerde; en sterker
- Dan stael, voor eeuwigheit van kerker
- Noch bittren laster was vervaert?
- Dit was 't, Kristyn, dat u verraste,
- Toen gy naer uwe Rijkskroon taste,
- 15
- En zocht den schoonsten diamant,
- U tot cieraet en roem beschoren;
- Maar zocht vergeefs; hy bleef verloren:
- Een voorspook
*van uw Rijksgezant!
- Hoe luisterden noch straks uw ooren,
- 20
- Die onverzaet 't Orakel
* hooren,
- Dat in uw Koningklijk paleis
- U zijn geheimenissen melde:
- U in den dagh der wijsheit stelde,
- En toonde d'eere van den Pais
*:
- 25
- Dan zagh men Pais uw hart bewegen:
- Zoo dat gij den geschaerden degen
- Scheent op te steeken, op zijn woort,
- En met uw heiren af te trekken,
- Die nu de Kriste weerelt dekken,
- 30
- En openen den Krijgh de poort.
- Flus
* hoopte Munster hem t'ontfangen;
- Nu delft heel Delft met lijkgezangen
- Zijn' ingeboren
*
in het graf;
- Daer d'afgunst, entlijk afgeronnen
*,
- 35
- Zijn doot gebeente rust moet gonnen,
- Die zy den levende nooit gaf.
- Och, krankke troost in zulk een jammer!
- Men stell', gelijk den Rotterdammer,
- Een beelt den wyzen Delvenaer:
- 40
- Men paer' die groote nageburen,
- Wier Faem alle eeuwen zal verduren.
- Zoo sta de Wijsheit op 't altaar!
-
- Overleden 1645, den 28 van Oegstmaend.
|
+ In de eerste uitg. ontbr. het onderschrift, maar staat de onderteekening J. v. Vondel.
|