|
+ Eerste uitg. 4 schijten. 9 Harminianen (= Am. ed.)
| |
Bloedtbeuling van Maximiliaen Teeling,
|
a Meester Teeling, Predikant te Middelburg,
schreef in den jare 1650, korts * na den toeleg op * Amsterdam, zekeren toeeigen brief aen den Heere Prinse van Oranje
voor een boek genoemt de Politijke Christen, bij wijlen zijnen Vader Meester
Willem Teeling geschreven: en op die
toeeigeninge *, die meest uit
Schriftuurwoorden bestond van d'Apostelen en Propheten ontleent en tot zijn
oogmerk gedraeit of verdraeit, heeft hier de Poëet het oog, als
begrijpende veel aenstootelijke dingen, Schriftuurspreuken, die alleen op Godt
passen, duidde hij op zijn Hoogheit, met onverschoonbare vleijerije. De Vrede
met Spanje gesloten noemde hij met de woorden van Jeremias 13, vers
7, een verdorve gordel, die nergens toe zou deugen; Papisten en
Remonstranten... noemde hij kinderen van Belial. Den toeleg op Amsterdam
verdedigde hij met schriftuurwoorden daer noch andere uitsporigheden, te lang
om te melden, op volgden, die den dichter gaende maekten om hem zulk een
bloetbeuling t'huis te zenden.
|
|
+ 13 Middelburgse. 22 maar met zijn (= 1736).
b Hierdoor zag hij op sommige toestemmers van
gevaerlijke aanslagen als de Heer
van Capelle *, die kennis had van den
toeleg op Amsterdam, en den Prins aanstookte.
c Dit ziet op
Harmen Teuling, gewesen Schepen van
Amsterdam, die om sijn schandelijk banqueroet de Stadt ruimde, en zich by den
Prins voegde, om sijn aenslag te helpen uitvoeren.
d De digter wil zeggen, dat zulke dingen tot
oproer strekken gelyk als ten tyde van Leicester door muitzugtige Predikanten
en andere, ook zulke werken te voorschyn quamen.
|