+  

 +  Eerste uitg. 4 schijten. 9 Harminianen (= Am. ed.)

Bloedtbeuling van Maximiliaen Teeling,

 Groote bloetbeuling * in Zeelandt.
 
 Meester Teeling hadt een groote bloedtbeuling gegeeten,
 Heel vet gepropt van Apostelen en Propheten:
 Maer doen zijn maegh al dit vet niet kon verduuwen,
 Begost Meester afgrieselijk te schieten en te spuwen.
5
 Al de Zeeusche Teelingen * uit hunne poelen en slooten
 Quaemen daer op al quaekende aengeschooten:
 En speelden, slobber op die zuivere voesters *.
 O klokspijs, lekkerder dan Engelsche oesters!
 Wech Vrijgeesten, Harmianen *, en morsebellen,
10
 Wy slabberen * met Meester Teeling geen paddevellen  a  ,
 a  Meester Teeling, Predikant te Middelburg, schreef in den jare 1650, korts * na den toeleg op * Amsterdam, zekeren toeeigen brief aen den Heere Prinse van Oranje voor een boek genoemt de Politijke Christen, bij wijlen zijnen Vader Meester Willem Teeling geschreven: en op die toeeigeninge *, die meest uit Schriftuurwoorden bestond van d'Apostelen en Propheten ontleent en tot zijn oogmerk gedraeit of verdraeit, heeft hier de Poëet het oog, als begrijpende veel aenstootelijke dingen, Schriftuurspreuken, die alleen op Godt passen, duidde hij op zijn Hoogheit, met onverschoonbare vleijerije. De Vrede met Spanje gesloten noemde hij met de woorden van Jeremias 13, vers 7, een verdorve gordel, die nergens toe zou deugen; Papisten en Remonstranten... noemde hij kinderen van Belial. Den toeleg op Amsterdam verdedigde hij met schriftuurwoorden daer noch andere uitsporigheden, te lang om te melden, op volgden, die den dichter gaende maekten om hem zulk een bloetbeuling t'huis te zenden.


[p. 120]

 
  +  
 Geen pieren, noch alikruiken *, noch zotte klausen *
 Van versche Apostaten *, of beschimmelde Pausen;
 Maer Middelburgsche saucijsen en lekkere worsten,
 In eene reine keetel van onder en boven uitgeborsten.
15
 Gy lichte Capellanen *, Roelanden  b  , en Teulingen  c  ,
 Smul by gort * met ons: dit zijn Leicestersche beulingen  d  ,
 Geen duivelsbroodt *, paddestoelen, noch morsige kruimen;
 Meesters Teelings ketel behoeft niemant te schuimen:
 Niemant kan zijn quijl noch snottebellen laeken,
20
 Want van zijn geelen ookker mach men kaesen maeken;
 Ja, al zat gantsch Poortegael * verlegen, hy kon het gerieven,
 Niet met bullen of prullen, maar zijn bezegelde brieven.
  
 mdcl.
 P. *L.
 +  13 Middelburgse. 22 maar met zijn (= 1736).
 b  Hierdoor zag hij op sommige toestemmers van gevaerlijke aanslagen als de Heer van Capelle *, die kennis had van den toeleg op Amsterdam, en den Prins aanstookte.
 c  Dit ziet op Harmen Teuling, gewesen Schepen van Amsterdam, die om sijn schandelijk banqueroet de Stadt ruimde, en zich by den Prins voegde, om sijn aenslag te helpen uitvoeren.
 d  De digter wil zeggen, dat zulke dingen tot oproer strekken gelyk als ten tyde van Leicester door muitzugtige Predikanten en andere, ook zulke werken te voorschyn quamen.