+  

 +  Eerste uitg. 6 Aen hun. Am. uitg. 4 de 12 den D.

Protekteur Weerwolf.

 Milord Isegrim, van den boozen Geest beseten  a  ,
 Had den goeden Herder de keel afgebeten;
 Nu wort hem de Kudde, die dus langh gingh doolen,
 En den Stal met Schapen, en Bokken bevoolen;
5
 Hy bewaert de Vleischhal en Bijl met zijn Vleischhouwers honden,
 En hun Hoofden met Halsbanden als Rekels gebonden,
 Hy mach de Schapen scheeren, villen en stroopen,
 Lardeeren, braden, en met hun eigen Vet bedroopen *.
 Hy ontfangt, in spijt van Blinden en Sienden,
 a  In dit gedicht beschrijft de Poëet den Protektor Kromwel, en toont hoe d' Engelschen, die wel eer hunnen koning plagten te quellen, nu onder Kromwels juk en Tirannij moesten zuchten.


[p. 125]

 
  +  
10
 Kostuimen *, en Schipgeldt *, Vrijbuitgeldt, en tienden *.
 Maer als hy uit zijn Bijbel begint te spreken,
 Dan hoort men de Duivel de Passi preken:
 Dan kan hy quijlen, en Verkenstranen * huilen,
 By heele plassen, daer Kokedrillen * in schuilen.
15
 Och, arme Gentelmans! beschreit uw oude sonden;
 Nu wort u de Staert eerst te deegh opgebonden.
 Gy bruide * Koningh Karel, zoo na, als veur:
 Nu bruit u een Schrobber *, een Protecteur.
 +  14 Krokedillen.