Ter begraefenisse van den Hooghgeleerden heer Peter Schryver *.
- Hoc * virtutis opus.
-
- Nu rust de blintgeleerde
* Schryver,
- Wiens onuitbluschb're letteryver
- Ons naliet maetloos schrift, en dicht,
- Daer 's mans vernuft en geest uit licht.
- 5
- Nu rust de vader, die de Muizen,
- De Zanggodinnen, aen 't verhuizen
- Uit Grieken
*, in verlaten schijn,
- Ontfing te Leiden aen den Rijn,
- En welkomde
* op zijne eige kosten.
- 10
- Dat schrijf met gout vry op de posten
- Van zijne poorte. Wat noch meer?
- Nu rust de ronde oprechte heer,
- Die Hoogerbeetsen, Barnevelden,
- En Grooten, Hollants grootste helden,
- 15
- Toen al de weerelt hen verliet,
- Vervloekte en met de voeten stiet
*,
- In hunnen kerker dorst bezoeken,
- En spreeken, onder schijn van boeken,
- Waerin zy lazen, versch gedrukt,
- 20
- Wat valsche rechters, helsch verrukt
*
- Van gout- en staetzucht
*, daeglijkx brouden,
- Om 't leeushof
* by den toom te
houden,
- In een ondraeghb're slaverny.
- Wat postschrift
* past hier nu noch by?
- 25
- Hier leefde, die, in scherpe tijden,
- Helt
Hoogerbeets in plaet durf
* snijden,
- En kraeien op zijn boet
* en ban:
- Waer blijft de kroon van zulk een' man?
- Dat klonk by heeren en gezanten.
[p. 145]
-
- 30
- Nu sny 's helts lof met diamanten
- Op kristalijn, waeruit elk frisch
- Het hart, tot zijn gedachtenis,
- Noch rustigh
*, hem ten prijs, magh
laven,
- Die 's Gravenhaege met zijn Graven
- 35
- Vereerde, en toonde, wie zoo vroegh
- Den nacht des Heidendoms verjoegh.
- Zoo werde
* 't lijk des mans gezonken
*.
- De zerk magh met dit wapen pronken.
-
- Overleden 1660, den 30 van Grasmaent.
|