[p. 147]

Verklaringen.

Aaron 75, Aron 59, 62, de broeder van Mozes, was de eerste hoogepriester, Exod. 28, vs. 1, zooals Mozes de burgerlijke wetgever van Israel. Vandaar dat M. en A. vaak bij ons beduiden staat en kerk. (Zeeman). Vooral was dit zoo in de 17de eeuw: zie Bakh. v.d. Brinks Opstel over de Hekeldichten.

Academie 38, Costers ac., 69, ingewijd 23 Sept. 1617, ‘een Nederlandsche oeffenschool’ in de eerste plaats en verder om er te vertoonen ‘eenighe commedien, tragedien ende andere oefeningen’. ‘Het academisch onderwijs moest weldra gestaakt worden door de tegenwerking van den kerkeraad; met de vertooning der tooneelstukken ging men voort, hoewel niet zonder verzet derzelfde predikanten. De Academie was en bleef vooreerst het bolwerk eener in geestelijk opzicht mondig geworden burgerij, die de met zooveel moeite verwonnen vrijheid van gelooven, denken en spreken wilde handhaven; die door middel van tooneel en drukpers invloed wilde oefenen op den gang van zaken. Costers Iphigenia en Polyxena, Hoofts Baeto, Vondels Palamedes en Hekeldichten alle uit de Academie voortgekomen, behooren tot de littérature militante dier dagen.’ - ‘Het is wel begrijpelijk dat de predikanten

[p. 148]

hunne aanvallen vooral op het tooneel richtten; zij zagen terecht in, dat de tooneelen van Academie en Schouwburg spreekgestoelten waren gelijkstaande met hunne kansels waar het gold invloed te oefenen op de burgerij en zij waren overtuigd dat de invloed van het tooneel verderfelijk was. Reeds in den aanvang der 17de eeuw had de Synode zich beklaagd over de rederijkersspelen, ‘omdat zij Gods woord met lichtvaardigheid en spot voor het volk misbruikten; omdat zulke spelen van de heidenen afkomstig en bij de Israelieten zoowel als in de apostolische kerk onbekend waren. En later vinden wij de predikanten ook te Amsterdam telkens als wachters op de muren van hunne veste indien zij deze bedreigd achten. Gedurig zien wij bezendingen van den Kerkeraad bij Burgemeesteren met het verzoek de vertooning van een of ander stuk te verbieden; nu eens geldt het Costers Iphigenia (bl. 70), waarin de predikanten persoonlijk werden aangevallen, dan eens Vondels Gysbrecht (bl. 96) om het katholicisme dat er zich in openbaarde, dan weer Lucifer (bl. 126), om de onheilige, onkuische, afgodische, valsche en gansch stoute dingen die men in dat stuk vond’. (Zie verder o.a. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam, waaruit het bovenstaande is aangehaald).

Na Smouts verbanning en de Haaglooperij declameerde omstreeks Maart 1630 de tooneelspeler en portier van de Regulierspoort Thomas de Keyser Vondels Vraagdicht der Amsterd. Akademie (bl. 38), op de planken; daarna werd het gedrukt en beantwoord, maar 12 April werd het drukken van vraag en antwoord verboden. In 1631 werd het opnieuw uitgegeven; vandaar Brandts onjuiste dateering. Het beste der vele antwoorden was van Maria Tesselschade, in sommige uitgaven onderteekend P.C.H., (zie J. de Vries, Noord en Zuid 1900, bl. 296) dat in de Amersf. van 1736 aldus luidt:



[p. 149]

 De beste tong die stemmen smeede,
 Zong Gode lof, den menschen vrede *.
 Die zwygend meest haer deugt betoont,
 Is die met vuur d' Apostels kroont.
 De snoodste op de aerde deed de menschen
 Zoo wijs als God te wezen wenschen *.
 De booste sprak in 't hemelrijk,
 Myn macht zy d' hoogste macht gelyk *.
 In hun sticht Godt zijn heerschappijen,
 Die, met het doen, 't geloof belyen.
 Schyn als een drog * en dwaellicht leidt
 Wie dat haer volgt, ter duisterheit.
 De vroome zielen te belaegen
 Kan Hollants zachte grond niet dragen.
 De Roomsche geus * het smeekent blad
 Tot Brussel onderteekent had
 Zoo wel als d' ander, en verzocht 'er
 's Lants vryheit by aen 's Keizers dochter.
 Den muiter, die gerustheit haet,
 Loost altijt een geschikte staet.
 Daer d' eene Burger 's anders muuren
 Bestormt, die Stad en kan niet duuren.
 Geen aerdsche Godt, of hy wort by
 Een eedt verknocht *: meer schutterij.
 Wat leeraers ook dien bant ontlitsen *,
 De kerven 't snoer der zeven flitsen.

Een der vele andere antwoorden, ook in de Am. uitg. opgenomen luidt:

 D' Amsterdamsche Kakademie, ofte Guitschool,
aen alle opeeters ende dronkaerts, liefhebbers van de volle kannen.
 
 Alvol, op Heele-Ton geseten,
 Vraegt al zijn dronke kale Neeten,
 Wat best of slimste toogen sijn?


[p. 150]

 
 Of water dronken maakt of wijn?
 Of drinkensdwang van Bacchus-fielen *
 Niet strekt, om volkan te vernielen?
 Of zuipery niet was de schat,
 Waerom hy eerst ontstak zijn Vat?
 Of ook in welbebierde Steden
 Een Bierverzaeker dient geleden?
 Of huis verdrinken 't lach * ontsticht?
 Of eed tot drinken niet verplicht?
 En of zich dronkaerts niet verloopen,
 Wanneerz' om bier den broek verkoopen?
      Wiens slempmael slofst en slompigst is,
 En gaerst tot dronkaerts drek en pis,
 Dien zullen Kakademi-Heeren,
 Met een besmeerden droelpot eeren,
 Daer Bacchus, met zijn dronke handt,
 In snee den vuilsten Fiel * van 't Landt,
 Die zoo bespogen heen gaat strijken,
 Dat Morsbel voor zijn stank moet wijken.
 Anagramma*.
 
 Nu is Joost van Vondelens
 Wijs en heiligh dunkend mens
      In uw naem bevonden!
                Zooje ziet,
                Datje hiet:
 Sotje vol van sonden.
 Nacta est patella suum operculum.
 Nu is de slimme Pot gedekt,
 Nu is de Schimper weêr begekt.
  
 J.C.

In J.C. heeft Vondel, blijkens zijn antwoord blz. 39, gezien J. Trigland. Het anagramma kan afkomstig zijn van J. Cats: aan zijn adres is althans het anagram,

[p. 151]

bl. 40. De Tekst, bl. 41, volgt in de uitg. van 1682 en in de Amersf. uitg. niet op dit vers. Hieruit spreekt Vondels minachting voor den piëtistisch-Calvinistischen en erotisch-moraliseerend dichtenden staatsman.

achterdeel 44, nadeel, staande tegenover voordeel.

achterliggen 19, achterstaan, minder in tel zijn.

advijs 34, 36, 78, teg. advies, beide van Fransch a(d)vis, gevoelen van geraadpleegde personen; ongevraagde raadgeving.

advokaet 1, zie Oldenbarnevelt.

aenbidden vervoegd 62 (vs. 157, 163, 165), enz.

aenblaffen 60, verwijten.

aengerant 47, aenrande 109, aantasten, van aanrennen.

aengeronnen 105, van aanrinnen, snel naderen. Zie afgeronnen.

aengevochten 48, aangetast. Vgl. de beeldspraak bl. 79 vs. 48. Hij bracht de zieken troost.

aenschijn 47, 81, 107, aengezicht 106.

aensienlijckheid 13, aanzien, gezag.

aenstooten 117, aanrennen, aanrijden.

aentrekken, zie antrekken.

aerselen 88, terugdeinzen (voor berouw).

aersling 43 ruggelings: de misdadiger ging r. de ladder op.

Aerssens of Van Aerssen (Cornelis), griffier van de Staten-Gen., 1584-1623, onderhandelaar met Neyen (zie ald.), opgevolgd door C. Musch. Hij beschuldigde Oldenb. van omkoopbaarheid en van eens 14000 gulden in ‘Spaansche pistoletten’ (zie ald.) te hebben betaald voor zijn zoon. Hij was de vader van

Aerssens of Van Aerssen of eig. d'Aerssen (François), heer van Sommelsdijk, geb. te Brussel, van 1598 tot 1613 gezant te Parijs, een talentvol, maar onvoorzichtig en met de Hugenoten intrigeerend man, die Oldenb. tegenwerkte en zich aansloot bij de streng Gereformeerden. Om zijn eerzucht te bevredigen en de groote geschenken te kunnen genieten die den eervollen post zeer voordeelig maakten, heeft hij zich lang weten te handhaven. Hoewel hij alles

[p. 152]

aan Old. had te danken, is hij diens doodvijand geworden en heeft hij meer dan iemand tot diens val en later van diens zoons en schoonzoons en aanhangers medegewerkt. Zie de aant. op bl. 53 en 77. Door Maurits eigenmachtig tot Gecommitteerde benoemd, had hij met Pauw en Muys het College in zijn macht. Later was hij lid van den Raad van State, dikwijls hoofd van gezantschappen naar Venetië, Engeland, Frankrijk, en leider van de buitenlandsche zaken. † 1641. In Palamedes is hij Ulysses en in vs. 1132 wordt van hem gezegd, dat hij ‘zich eerloos verrijkt.’ Zijn portret door Mierevelt bij Wagenaar X. Zijn zoon is

Aerssen (Corn.) 122. In zijn opstel over den aanslag van Willem II op Amsterdam schrijft Mr. W.H. de Beaufort:

Tijdgenooten verdachten o.a. Van de Capellen bekend geweest te zijn met de plannen van den Prins. ‘Hij had echter, zoo verhaalt hij in zijne gedenkschriften, den Prins reeds weken voor den aanslag op Amsterdam trachten af te schrikken van elke poging om zich met geweld recht te verschaffen en hem daartoe herhaaldelijk de droevige lotgevallen van het koningshuis in Engeland voorgehouden. Op den gedenkwaardigen Zaterdagmorgen van 30 Juli gaf de Prins dan ook aan Van de Capellen kennis van wat hij verricht had, met de woorden: Gij zult wel schrikken als gij hoort wat ik gedaan heb.’ (Wel had hij deel uitgemaakt van de bezending, die met den Prins aan 't hoofd de Hollandsche steden rondtrok, en daarbij gewoonlijk (te Dordr. zeer scherp) het woord gevoerd). Men leze over hem het art. in Kok's Wdb., of in den Volksalm. van 1876 dat van Van Vloten: Een oprecht vaderlander der 17de eeuw), of thans het Biogr. Wdb. III. ‘Wie ongetwijfeld in 's Prinsen vertrouwen is geweest, waarschijnlijk hem in zijne plannen gesterkt heeft, misschien wel tot de volvoering aangezet, was de slecht befaamde griffier der Staten-Generaal, Cornelis Musch,’ wiens onverwachte

[p. 153]

dood, twee maanden na dien van den Stadhouder, vrij algemeen het in de noot op bl. 122 vermelde gerucht deed ontstaan. ‘Er was nog een lid der Staten van Holland, die kort voor het volvoeren der onderneming, er mede in kennis werd gesteld. Hij had in de oogen van den Prins het voordeel van meer krijgsman dan staatsman te zijn, en te behooren tot een geslacht, dat sinds den val van Oldenbarneveld in blakende gunst bij het huis van Oranje was gekomen. Dit was Cornelis Aerssens, heer van Sommelsdijk, ‘de rijkste ingezetene van Holland,’ kolonel in dienst van den Staat en gouverneur van Nijmegen (1647-'52), tevens als lid van de Ridderschap van Holland in de Staten van dat gewest beschreven.’ (Zie Wag. XII, 195). Hij dacht de rol van zijn vader te spelen, maar had veel minder bekwaamheid en zijn houding in 1650 hebben de Staten hem nooit vergeven. († 1662.)

aertsbacchant 40, groote drinker. Zie Bacchanten.

aertslastertong 83, Bogerman; zie aldaar.

aertspaleis 87, prachtig paleis.

aertspriester 62, Christus.

aes 32, de eenheid van het oude gewicht, het kleinste gewichtje, 0.047 dgr.

aes 68, 94, 142, voedsel. Hiervan azen, voeden.

af 35, van.

afbeeldinge van Oldenbarn. 9. Dat van Mierevelt bij Muller: De gouden eeuw.

afdrijven 86. De Groot ging van Loevestein naar Gorkum en van daar naar Parijs, van waar hij in 1631 terugkwam.

afgebrooken huis 23, afbreken van 't huis. Eene vooral Latijnsche wijze van zeggen, die reeds in 't Mnl. even gewoon was als bijv. bij Da Costa. Zoo ook: gedoemde trouwe 83 (Zie wiens), wonderdaên bedreven 145 en

afgemartelt bloet 83, afmarteling van 't bloed.

afgeronnen 108, afgemat, uitgeput tengevolge van het toomeloos voorthollen. Verl. dw. van het wed. werkw.



[p. 154]

afgeslaefd 89, uitgeput van slaafschen, zwaren arbeid.

afgesleten 124, in krachten afgenomen.

afgestreden 6, door lijden en strijden uitgeput.

afgodt van G. 5, Calvyn. Zie Vorstius.

afgrondt 9, 11, 14, 52, 76, 79, 82, 83, 88, hel, fig. duivel. Zie de Pantheon-uitg. van den Lucifer.

aflooting 5, collectief: afstammelingen.

Akerverken 96. Hiermede wordt bedoeld Simon Engelbrecht, geb. te Aken, die o.a. in 1637 regent van den Schouwburg was en toen de eerste opvoering van den Gysbrecht bemoeilijkte. Ook al in 1630 schijnt hij zich te hebben geweerd. Zie bl. 67, mv.! Woordspeling met een wroetend varken, dat zich met akers, eikels mest. Burg. De Graef, aangezocht om Vondels Gysbrecht te verbieden, maakte er zich met een Jantje van Leiden af. Zie Penon, Vondels Hekeld. bl. 190. In 't Zondagsblad van 't N. v.d. D. van 1 Juli 1906 betoogde C.J. Gimpel, dat met het Akervarken Badius is bedoeld. (N. en Z., 29, 375.) ‘In het N.N. ligt minachting’: misschien N.N. opdat men aan verschillenden kon denken.

Akteon (Actaeon) 99, een beroemd jager, door Artemis in een hert veranderd, werd door zijn eigen honden verscheurd. Elders ‘hoorndrager’. Zie Meinsma in Taal en Letteren, IV 209 en Ovidius, Lib. III fab. II.

alles 80, vs. 118 genitief van al, alle, ook uit Vondels Kinder-lijk bekend.

al mit een 71, alles met elkander.

algemeene best 86, republiek, gemeene best 49, 's lants gemeene best 115.

Algier 28, Fransch Alger.

alikruicken 120, een soort van zeeslakken die vooral ook in Zeeland voorkomen en gekookt als een lekkernij worden gegeten.

alleens 80, geheel hetzelfde.

allerkristelijkst 86, 87, Roi très chrétien, Sa Majesté très chrétienne, officieele titel, door de pausen aan Clovis en latere Fransche koningen toegekend.



[p. 155]

als, Amst. as, staat na een comparatief 11, 30, 35, 48, 68, na een ontkenning 12, 56, beteekent voor 13, vgl. vs. 33. Zie dan.

Alta mente repostum 84. Het blijft diep in de ziel bewaard. De vier volgende verzen, genomen uit de voorrede van den Palamedes en daar vertaald uit de Andromache van Euripides, stonden op de keerzijde van den gedenkpenning, door Oldenbarnevelds vrienden geslagen.

al te, 50, vs. 88, 117, 146 zeer, versterking van te: zie aldaar. Nog in: niet al te wel.

altemet 27, soms, misschien.

ambeeld 17, uit aanbeeld, vgl. ambosz.

amen 141, ‘zoo is het’, laatste woord van een gebed, amenvaêr 75, jabroer. 2 Kor. 1, 20 = de profeten van bl. 74 vs. 2.

Amstelaer 113, Amstelbewoner, Amsterdammer. Hiervan Amstelaredam, later Amsteldam, 42 of Amsterdam.

anagramma 7, 40, 150, letteromzetting, letterkeer.

andren 44, datief enk. Zie armen.

ang 31, benard, benauwd; verwant met eng en bang.

Antiochus 60, ‘een grouwelick tyran’. Zie Daniël XI.

antrekken 38, aentrekken 102, het tegengest. van aftrekken; hetzelfde als optrekken vs. 21.

Apostaten 120, afvalligen, in zake geloof.

aposteleeu 49, apostels tijdt 102, eerste tijd na Christus. Zie Hand. der Apost. II, 45; IV, 32.

apostolijk 4, 100. Zie I Petr. II, 17 voor de laatste plaats.

Aristides 115, de rechtvaardige, altijd voor 't belang zijner stad en medeburgers levende, werd door den invloed van Themistocles uit Athene verbannen. Maar hij werd teruggeroepen en eenige jaren later moest Them. het land verlaten.

armen 104, arme; tegenw. worden dgl. woorden als zwakke zelfst. nw. verbogen, vroeger als bijv., zooals nog in 't Duitsch. Zie andren.

arend 61, adelaar, het Romeinsche veldteeken.

Arminius 1, 82 (Jacob Harmensz.), geb. 1560 te Oudewater,

[p. 156]

studeerde te Marburg, Leiden, Genève, Basel, Zurich, enz., werd 1588 pred. te Amsterdam, was 1603 tot 1609† prof. te Leiden als opvolger van Fr. Junius, aan de pest in 1602 gestorven, en daardoor ambtgenoot van Gomarus. 26 Mei 1607, 30 Mei 1608 en 13 Aug. 1609 hebben A. en G. hun meeningen uiteengezet voor de Staten van Holland of den Hoogen Raad. Hierop slaat het begin der Weegschael.

Arminius' leer stond onder invloed der geschriften van Pierre de la Ramée (zie Studiën en Bijdr. 1876, p. 389-429) en der lessen van Charles Perrot te Genève; datzelfde geldt van Uytenbogaert en Vorstius, en van hun leermeester Beza zegt de Vries (Genève pépinière du Calvinisme hollandais): ‘Son esprit plus fin, plus délicat, plus conciliant que celui de Calvin (ne veut) punir de mort et bannir ceux qui pensent autrement que lui’. Zie nog ‘Revue de Métaphysique et de morale’: No. special consacré à la Réformation 1918. Zie ook op Decr. horr.

Astorot 69. Zie Richteren II, 14. Astoreth, vereerd volgens het O.T. door Fendiciërs en Filistijnen, en in geheel Voor-Azië en van daar in Griekenland als Astarte.

Atlas 145, was de titan, die den hemel moest torsen.

Athene 65, Leiden.

autaer 58, 64, 65, 80, 109, de jongere tusschenvorm van altaar 5, 80, var. en outer.

averechts 46, met bijw. s van ave (= af) en recht: verkeerd.

azen 13, 99, zie aes.

Baäl 59, ook in Belzebub of Beëlzebub = heer der vliegen, dikwijls en later uitsluitend door de Israëlieten als een heidensche afgod opgevat, die bijv. in Tyrus werd vereerd en ook wel in Palestina.

Bacchanten 128, (de predikanten voorstellende) of Maenaden 129, waren priesteressen van Bacchus, die door wijn bevangen als half bezetenen feestvierden. Vooral Trigland 40, 73. Ook Bogerman werd drankzucht verweten 12. Zie doelvaers.

bachtent 104, achter. Met parag. t uit bachten, gevormd als binnen.



[p. 157]

Bactius 69. Zie Otter en Akerverken.

Baek (Laurens J.), uit de Palamedes-geschiedenis bekend, overleden 1642, had een zoon Jakob, ongehuwd overleden in 1639 en een zoon Joost (of Justus, 20, †1682, gehuwd sedert 1623 met Magd. van Erp en daardoor zwager van Hooft; bovendien o.a. een dochter Catharina † in 1648, uit Vondels poëzie algemeen bekend. Zie Mostaert.

baektant 104, kinnebakstand, kies.

baerelijk 49, 81, wezenlijk; nog in ‘baarlijke duivel’.

Baersdorp 17. Zie Broekhoven.

bakermoeder 80, vrouw, die bakert; later verkort tot baker.

Baldeus 64, Baldes, Valdes, ‘had tot Leyderdorp in zijn herberg de stad Leiden afgetekent, met alle de schansen, tot 63 toe, waar onder hij self in 't Latijn had geschreven: Vaert wel stad, vaart wel kleine burgten, die verlaten zijt om 't water, en niet om 't gewelt der vijanden.’

Bank 35 letterlijk, 84 zandhoop onder het schavot, waarop het schip van staat strandde, 112 Amst. geldbank, opg. 1609. ‘De zekerheid dier bank was ten spreekwoord geworden: dat is zoo vast als de bank.’ (W.C. Mees; Dr. Kluyver). Maar zou die uitdrukking geen navolging zijn van de Fransche?

banket 45, feestmaal, hiervan ons banketeeren; 60, Salomo liet het hoofd als een gerecht op een schotel binnendragen op verzoek van Herodias (Matth. XIV, Flav. Jos.).

baren 24, schreeuwend gebaar maken.

Barlaeus (Caspar van Baerle) 92, geb. te Antwerpen 1584, leerling te Leiden van Arminius en diens ijverige aanhanger, werd prof. in de logica te Leiden in 1617 maar ontslagen in 1619, in 1631 prof. in de wijsbegeerte aan het athenaeum te Amsterdam tot aan zijn dood in 1648. Een beroemd geleerde, Latijnsch dichter en redenaar, van groot aanzien in den Muiderkring. (Zie Oud-Holland III).

bars 53, hard, weerbarstig.

bassen 135, 109, enz. blaffen.

Bassen (van) 24, Raad en Schepen te Amsterdam met wien Vondel nog in 1625 bevriend is, maar dat was vóór de

[p. 158]

Palamedesuitgave. Over Malchus spreekt Joh. 18, vs. 10, Luc. 22, 51.

bast 141, strop, oorspr. van boombast gemaakt.

Bastertvierschaar 84, de ‘speciale commissie’, of Bloedraet 7, 85 waaraan het rechtsgeding van Oldenbarnevelt en zijn vrienden was opgedragen. De namen der rechters waeren: Van Essen, De Vooght, Kromhout, Adriaan Junius, Kouwenburg van Belois, Rosa, Van Zwieten, Muis van Holy, Arend Meineriszoon, Van Zanten, Van Broekhoven, Reinier Pauw, Schaagen, Bruinink, Mandemaker, Schotte, Ploos, Salmius, Van den Sande, Aitsma, Sloet tot Vollenho, Van Hemert, Schaffer en Gokkinga. ‘Een party van deze waeren jonge en onervaerne mannen, die Zijn Ed. Old. zelfs voor edellieden gediept hadden in zijn ambassade’ (Brandt op Palamedes 1491).

Batavier 10, 106, 123, Hollander 33, Hugo de Groot.

baziliskus 25. In de War. der Dieren als een monster, half haan, half slang, voorgesteld en omschreven als:

 Het wreede, onmenschlijk dier, dat eiselijk en straf,
 De menschen blixemt met een oogenwenk in 't graf.

beckeneel 14, 130, hersenpan, hoofd; van becken 116 schotel. De voorstelling is ontleend aan den dood van Johannes den Dooper. Historisch is de uitroep van den scherprechter, toen hij des konings hoofd bij de haren vatte: ‘Dit is het hoofd van een verrader!’ Zie voor 51 op steentje.

bedelbrok 101, schooier; vgl. ‘galgebrok’; schrale nagebuur 98, pracher 102. Op bl. 142, c. 5 een gebedeld stuk brood.

bederf 100, ondergang, verderf.

bedreven 145, adj. postp.

bedroopen 124, van droopen, causatief van druipen: (met vet) bedruppelen.

begraeuwen 46. Zie graeuwen.

begruizen 81. Vgl. ‘groezelig.’

beguichlen 112, toespeling op Mercurius, die den bewaker der koe Io doodde.

beitlen 27, dial. vorm van buitelen. Vgl. Oldambt baiteln, flaiten.



[p. 159]

bekken. Zie morgenwekker en bekkeneel.

beklagen 113, aanklagen. Hiervan ons beklaagde.

bekoren 94, verleiden.

belachen 2, 117, bespotten, uitlachen. Het werd sterk en zwak vervoegd. Zie uitlachen.

beladen 46, vervuld (van), 62 bedrukt, gebukt.

beleven 48, naleven.

Belzebub 61, 80, een duivel, oorspronkelijk de naam van een Philistijnsche godheid. Zie Lucifer en Baäl.

benaeud 112, nauw.

benard 29, benauwd, in benauwdheid gebracht.

bengel 74, klok of groote bel, die geluid wordt.

berg 56, toespeling op den berg Sion. Ps. II, 6.

bergen 86, 101, 109, 84, zwak vervoegd: bergen, redden, in veiligheid brengen. Vgl. voor de laatste plaats Oldenb. woord: ‘Van harte wensch ik, dat door het vergieten van mijn bloed alle tweedracht in den lande moge ophouden.’

berkemeier 112, groote drinkbeker van een berkemei, d.i. berketak, vervaardigd.

berokken 101, berokkenen (vgl. beamen), lett. op het spinrokken zetten, vgl. op het (weefge) touw zetten.

beschoren 46, voorbeschikt, bestemd.

beslikt 93, beslijkt.

beslobben 93, bevuilen. slobbe = slib, modder.

best 50, 87, 135, 145, het best. Zie bl. 38 en 40 vs. 15 en 16, enz. 46 beter.

best 84, 115, voordeel, nut: ten beste offeren - ten nutte van anderen aanbieden. Zijn die anderen vijanden, dan wordt de beteekenis ten prooi geven, prijsgeven. Zie algemeene best.

bestemmen 15, 139, beamen, goedvinden. Vgl. Hd. beistimmen.

bestevaêr 42, 83, grootvaâr 9, eernaam door Vondel aan Oldenbarn. en C.P. Hooft gegeven. Het vr. bestemoêr 26 heeft dat vereerende niet.



[p. 160]

bestoven 13, 21, bedwelmd, dronken. Zie Mnl. Wdb. en Ned. Wdb. op bestuiven.

bet 13, 41, 43, 46, 52, beter meer.

Bethlehem 80. Vgl. voor deze verzen den bekenden rei uit den Gijsbrecht, 1637.

Bethelsche papen 41. Tijdens het bestaan van het Rijk der Tien Stammen was Bethel een van de hoofdzetels der afgoderij. De Beth. p. zijn de Synode te Dordrecht. Zie paep.

betrouwen 11, toevertrouwen.

Betteken enz. 69, een reeds vóór 1600 bekend volksliedje, ‘dat ongelukkig niet tot ons is gekomen’. Voor de wijze vgl. F. van Duyse, bl. 1699. Zie Otter.

beukelaer 145. Bedoeld is het schild, waarvan Vergilius naar Vondels vertaling (Eneis, bk. VIII vs. 934 vlgg.) schreef:

 De Viergodt, schrander op verborge wichleryen,
 En niet onkundigh van den tijt, die volgen zal,
 Had hier al 't Italjaensch toekomende geval,
 De zegestaetsien van Rome oock in gedreven.
 Men zagh 'er al 't geslacht, en d' afkomst, en de neven,
 Te spruiten van Askaen, en wat die telgen roert,
 En d' oorelogen, d' een na d' ander uitgevoert. Enz.

beulsgezinden 46, vijanden van Oldenbarneveld.

Beuningen (G.D, van) 89, meermalen burgemeester van Amsterdam, overleden 1633. Zijn dochter was getrouwd met Joh. van Heemskerk, den schrijver der Bat. Arc. Zijn zoon Coenr. v. Beuningen, met een nicht van den dichter Huygens. Deze bekende staatsman, gezant in Zweden en Denemarken en pensionaris van Amsterdam tot 1660 en toen op zijn verzoek opgevolgd door Mr. P. de Groot, was sedert vroedschap en burg. van Amst. en afgezant naar Frankrijk en Engeland. Hij overleed krankzinnig in 1693. (Zie aant. op Noordsche oorlog).

beuren 45, 71, overkomen, gebeuren. Zie ge-. Over het schandelijk bankroeteeren te Amsterdam spreekt ook Bredero in zijn (Voorrede op den) Spaanschen Brabander. Zie Schotel, Maatsch. Leven 244.



[p. 161]

beus 30, 73, kwaad, vgl. een kwaden drank hebben, boos, 66, 124, waarvan het een Holl. dial. bijvorm is, zooals leeg naast laag. Zie deur.

bevaert 78, lijd. voorw. bij een anders onov. werkw. Vgl. zijn gang gaan. Hiervan ons bedevaartganger.

bevinden 21 gevolgd door een acc. cum. inf.

Beza (Theod.) 1, 82, (1519-1605) ‘een beroemd Geneefsch hervormer, na Calvinus de uitstekendste onder de woordvoerders der Hervormde kerk in de 2de helft der 16e eeuw’. Na den dood van C. (1564) wordt hij als de hoofdpersoon dier Kerk beschouwd. ‘Naast den gestrengen en terugstootenden Calvinus maakte Beza zulk een aangenamen indruk, dat men in die dagen schertsenderwijze zeide: ‘Men zou liever met B. in de hel dan met C. in den hemel willen wezen’. Zie De Vries. Genève p. 213, 218, maar daartegen Eekhof, Stemmen des Tijds VIII, 54 en vooral Giran, Seb. Castellion.

bezegelde brieven 123: Hiermede wordt de bekrachtiging met schriftuurplaatsen bedoeld van zijn vaders Politijke Christen. Tevens woordspeling: bezegelen = bedrijten, bevuilen (Dr. Poll), brief = akte, bewijs.

bezeilen 44, lands 2e nv. na wat. Vgl. onze uitdr. er is met hem geen land te bezeilen.

bezeten van 50 aangetast door. 65, van den duivel.

bezoeken 2, beproeven.

bezwalken 6 verduisteren. Afgel. van een woord zwalk d.i. damp, dikke rook.

Bicker (Andries) 37, 113, 114, 116, 123 een heerschzuchtig man, prat op zijn rechten, verdraagzaam in den godsdienst, meermalen burgemeester van Amsterdam, en Cornelis Bicker 113, 114, 125, in 1650 regeerend en alleen aanwezig burgemeester aldaar, toen de stad werd belegerd. Hij liet ze dadelijk sluiten en in staat van tegenweer brengen. Beiden die vóór den vrede en vóór afdanking van krijgsvolk hadden geijverd, legden naar den eisch van Willem II hun ambt neder, maar werden

[p. 162]

na diens dood op de meest eervolle wijze in de regeering herkozen. Cornelis was weer burgemeester in 1654 maar stierf in 't zelfde jaar. Zijn broeder overleed in 1652. De zoon van den laatste, Geraert, is Hooft in Mei 1649 opgevolgd als drost van Muiden. Johan de Witt was door zijn huwelijk met Wendela, dochter van den burgemeester Jan Bicker, nauw met dit aanzienlijk geslacht verwant.

bidden 17 regeerde vroeger een 2den nv. 92 noodigen (ter begrafenis).

Bie (Joris de) 46, woordspeling met bie = bij, in 1586 aangesteld tot thesaurier-generaal in de plaats van den beruchten Reingoud. Met gelijken lof als Vondel en Brandt spreken ook andere, zelfs anonieme schrijvers over hem. Hij was een neef en vriend van Hugo de Groot. Zie ook op Oldenb. en Roskam.

biechtvaders 11, Walaeus, (zie aldaar), uit de Synode te Dordrecht 12 Mei ontboden, Lamotius en Beyerus, de predikanten van bl. 38. Zij erkenden, dat Oldenb. in 't geloof Contra-Remonstr. was.

bij 109, enz. door.

bijget 38, bij God.

bijtebauw 26, bullebak, spook, monster, alliter. formatie, waaraan misschien bijten en bauwen (vgl. nabauwen) tot grondslag liggen. 't Is geen bijv. nw.: vgl. haneweuning, begijnekoek, enz. Zie o.a. v.d. Bergh, Proeve van een Kritisch Woordenboek der Ned. Mythologie.

bijtschaep 53, wolf, Wolfaert (in Harpoen). De predikant heette Gozewijn van Buitendijk. Evenals het vorige woord komt ook dit in Marnix' Bijenkorf voor, waar de S. ‘vermoedt’ dat het woord bisschop daarvan een verbastering is. Vondel past het toe op een predikant.

bikken 115, bijten, hakken, houwen, enz. vgl. bl. 18, le c. en bl. 28 c. 36; opgevat als met den bek (snavel) pikken.

binnenmuurs 49. Vgl. binnen(s)lands.

blaesbalg 61, iemand, die een ander in vuur brengt, dweper, drijver: 105 wind.



[p. 163]

blaeskaek 94, iemand met opgeblazen kaken, trompetter, late windmaker.

Blaeuwe steen 35. Van Leeuwen, Korte beschryving der stad Leyden, bl. 39: ‘Deze oude stad was verdeelt in vierendelen, op het midde-punt van dewelke een groten Blauwen-steen in 't midden van de straat leydt, op dewelke de Poorteren, die haar schulden niet betalen en konden, naar voorgaande Vonnis ontpoort wierden, ende verklaart van haar Poort- ende Burger-regt vervallen te syn, eer dat men deselve in gevankenis mogt doen stellen, ende mosten eerst driemaal om den selven steen geleid werden, om te sien oft haar iemand wilde verbergen.’ (Uitvoeriger daarover handelt Orlers: Beschrijving der stad Leyden, blz. 75 vlgg.).

blinde darm 78, darm der verblinde krankzinnige moeder, die uit honger haar kind opeet.

blinden 60. Vgl. bv. Mt. XV, 14.

blintgeleerd 144, blind geworden in zijn studie: de laatste tien jaren van zijn leven was hij blind. Gevormd als blauw geverfd.

Blixem van 't Noordh. synode 74. ‘De twisten over den schutterlijken eed (bl. 34, 35, 37, 54), waardoor Smout werd uitgebannen en Cloppenburg uitweek naar den Briel (bl. 59, 74 en i.v.), stegen te Amsterdam steeds hooger en toen de Synode, in 1631 te Enkhuizen vergaderd, partij trok tegen de Amsterdamsche regeering, klom de verwarring ten top en schreef V. dit gedicht op de eindrijmen van de Vraag der Amsterdamsche Akademie’ (Van Lennep). Het woord blixem is hier op te vatten als die van den Paus (vgl. vs. 19 en 20), eveneens als bl. 11 en bl. 78, vs. 37. Deze fig. beteekenis is uit het Latijn overgenomen.

bloet 65, kind. In 1618 werd de schepen Frans Pieter Duyst van der Werf, geb. 1574, zoon van den beroemden burgemeester, ‘na de verandering, bij Prins Maurits den 23 Oct. gedaen, niet weder aangesteld.’ Op bl. 90 nicht, 110 geslacht, gezindheid.



[p. 164]

bloetbeuling 119, bloedworst, genoemd naar den darm = beuling, waar hij in gestopt wordt. Ook scheldnaam voor een onbevoegde, domoor.

bloethondt 92, woordspeling als ‘Bontgenooten’. Als thans 88.

Bloedraet 7, 85. Zie Basterdvierschaar. Bl. 17 gezegd van Burgemeesters e.a. van Leiden, ook gewetensbeulen genoemd, omdat zij gestreng de plakkaten tegen de Remonstr. handhaafden, naar den wensch der Theologische faculteit en vele Vlaamsche en Brabantsche lakenwevers, die zich er hadden gevestigd. Door Vondel zoo genoemd naar den naam, dien het volk gaf aan Alva's Raad der Beroerten.

Blokhuis 111, bolwerk. ‘Bedugt, dat zyne Hoogheid, die misnoegd bleef op de stad, bewoogen mogt worden, om ras, wederom, te onderneemen, 't gene hem nu mislukt was, begon men de stad te versterken en werden er o.a. twee sterke houten blokhuizen gestigt op den Amstel, die nogtans den vrijen loop van 't water te zeer belemmerden, en, hierom, in 't jaar 1654 wederom geslegt werden’. (Wagenaar). Vgl. Amstell. Arkadia, bl. 68.

boek 82 ml. zooals nog wel in Vlaanderen.

Boeren-Catechismus 34. Een Cath. is (met de gedachte aan den Heidelbergschen van 1583) een geschrift waarin de hoofdbeginselen van den Calvinistischen godsdienst zijn omschreven in (vragen en) antwoorden.

‘In 1628 begon in Amsterdam de strijd opnieuw tusschen de kerkelijke partijen en trachtte de Prins persoonlijk den twist te effenen.’ Maar toen de Regeering het getal waardgelders vermeerderde en een onbetrouwbaar vendel afdankte, een Remonstrantsgezinde, J.C. Vlooswyck, tot kapitein der schutterij benoemde (12 Oct.) en hen, die in hun gemoed zwarigheid maakten om onder hen te dienen ‘van hun schutterlijken eed ontsloeg’, toen lieten de misnoegden, onder leiding van Lenertz en Bogaert, door zes afgevaardigden (Haegloopers, bl. 19a en 25) een verzoekschrift indienen bij

[p. 165]

de Staten van Holland en audientie vragen bij den Prins (13 Dec.) Het resultaat was, dat het verzoek werd afgeslagen, de afgevaardigden niet werden ontvangen, dat 19 Dec. zes vendels nieuwe troepen werden gezonden, dat in Jan. 1629 Lenertz voor zijn leven uit de stad werd verbannen (bl. 19) en Bogaert voor twee jaren (bl. 25). Na zijn verbanning was Lenertz niet meer de oude Oogentroost, maar een beroemdheid, in de oogen der predikanten een martelaar. Op zijn beeld, uitgegeven door het consistorie bij zijn boekverkooper Marten J. Brandt (bl. 18), met het randschrift: Carolus Leonardi. Amstelodamensis. Medicinae doctor. Aetat. XLII. Anno CI IC 29, kwam een lofdicht van S. Ampzing, predikant te Haarlem (zie E. Rijpma, Noord en Zuid XXVII, 428):

Dit 's Doctor Karels Beeld, een man van vromen leven,

Met yver voor Gods kerk en 't Vaderland gedreven;...

Die daer 't gemeyne best voor Godt en 't land betracht,

En syn bysonder heyl en tydlyck goed veracht.

Hierop was Vondels bijschrift (bl. 35) een terugslag. Ook Bogaert, toen 51 jaar oud, kreeg een eerdicht (bl. 35; Penon, bl. 26, 28). - Intusschen was met behulp van (Smout en) Cloppenburg die toen als afgevaardigde bij de Synode te 's Hage was, een ander verzoekschrift opgesteld aan de Synode, behelzende vijf vragen: 1o. Of een lidmaat der gereformeerde kerk een eed mocht doen strekkende tot nadeel der ware gereformeerde religie? 2o. Of hij zulk een duisteren en ingewikkelden eed mocht doen, dat hij daardoor zou kunnen verplicht worden iets te doen tot nadeel der gereformeerde religie? 3o. Of hij een Burgerkapitein verkiezen mocht, dien hij weet te zijn een gezworen vijand der ware gereformeerde religie? 4o. Of hij dien eed mocht doen om ontschuttering, ontpoortering, enz. te ontgaan? 5o. Hoe hij zich bij weigering moest gedragen? - Alvorens te antwoorden wilde de Calvinistische (Blok IV, 186) Synode het gevoelen vernemen der Theologische

[p. 166]

faculteit te Leiden, waarop Cloppenburg e.a. zich daarheen begaven. Op de vier eerste vragen werd ontkennend geantwoord, op de laatste, dat men zich lijdzaam moest gedragen en Gode de zaak bevelen. Maar dit Antwoort, 't welk de Gedeputeerden der Noort- en Zuidhollandsche Synoden toestemden en goetkeurden, wert bij de Magistraat der stadt Amsterdam opgenomen, als of daarmede getracht wierd de schuttery in 't gemoet en conseientie van de gehoorzaamheit, die zij op den eedt aan de Magistraat gedaan, schuldig waren, t' ontbinden en t' ontslaan.’ (Uit de Resolutie van de Mag. der stadt Amst. den 17 Jan. 1629 afgekondigd). Smout en Cloppenburg verlaten de stad (zie bl. 69 en op Cloppenburg; Vondel schrijft den Boeren-Catechismus en later het Vraagdicht bl. 38, zie bl. 148.

boerman 30, ingezetene, huisman. Als eigennaam in gebruik gebleven.

boete(e) en ban 144, veroordeeling tot boete. Beide synonieme woorden zijn vaak allittereerend verbonden. Verbasterd bestaat de verbinding in de gewestelijke uitdrukkingen: op eigen bandevoet en op eigen man (of hand) en voet. - Boete staat ook allitereerend verbonden met ballingschap 66, breuk bl. 43. ‘Oorspronkelijk is boete het ter schadevergoeding en verzoening betaalde, gewoonlijk in geld; onderscheiden van de aan het openbaar gezag betaalde breuke (wegens het breken van den volksvrede) en ban (wegens het overtreden van des konings gebod).’ (Verdam). Vgl. voor breuk ons inbreuk en Du. verbrechen.

Bogaert 25, 28, 36, 69. Zie op Boeren-Catechismus. Na gedurende zijn verbanning die hij gekozen had (bl. 25), twee jr. in Den Haag en Haarlem te hebben gewoond, keerde hij naar Amsterdam terug.

Bogerman (Johannes) 11, 67, 81, 83 c. II, 97, geb. 1576, studeerde op kosten van Friesland te Franeker, Genève (1597), enz. was predikant te Leeuwarden na 1604,

[p. 167]

bestreed Vorstius en Arminius, was bevriend met Willem Lodewijk en Maurits, voor wien hij in 1618 eenige maanden in Den Haag predikte en met Engeland correspondeerde, en dien hij op zijn sterfbed bijstond, was vanwege de Friesche synode afgevaardigde naar de Dordsche, waar hij tot Voorzitter, ook voor de bijbelvertaling werd verkozen, zuiverde het Arminiaansche Utrecht, predikte te Leeuwarden tot 1626, wijdde zich te Leiden 10 jaren aan de bijbelvertaling en werd prof. te Franeker, waar hij het volgende jaar 1637 stierf. Zie nog op Zeegoden en Bacchanten.

bok of ezels veul 22. Volgens het oude volksgeloof reden heksen, de duivel en de hoorndrager op een bok. (Zie haneschachten). ‘Bij “ezelsveul” kan gedacht worden aan het ezelsfeest, dat (Mt. II, 13 en 14 of) Joh. XII, 14 en 15 vertoonde, parodieerde, soms samengevallen met het Joelfeest. Een andere poging ter verklaring: bok en ezel zijn namen van pijnigingswerktuigen. Voor het laatste woord vergelijke men quuleus en chevalet en het grondwoord ongeveer van folteren dat veulen beteekent en hiermede mede verwant is. (Het Ned. Wdb. dat beide woorden heeft behandeld, zegt ter verklaring niets).

bokkebloet 59. Levit. IV, 23; IX, 3.

bolwerk 69, paalwerk dienende ter versterking van den zeedijk. Omdat otters een bolwerk kunnen doorknagen, bet. de spreekw. zegswijze ‘er is een o. in 't b.’: er is onraad. (Ned. Wdb.). Tevens woordspeling.

bondig 38, zeker, juist. De overtr. trap, praedicatief gebruikt, heeft hier en elders nog geen lidw.

bontgenoten 82, deelgenooten in het heilverbond Gods; 91, medestanders (woordspeling tevens: De Bondt, 67 als bitter vijand der Remonstranten Schout te Leiden van 1619 (!) tot zijn dood in 1646.

bontkist 58. ‘De ark of kist des verbonds (hetwelcke de Heer met de Isr. maeckte, als hij deselve uit Egyptenland voerde) was eene voor de Israëlieten heilige kist, welke

[p. 168]

in den tabernakel, later in den tempel, in het heilige der heiligen, werd geplaatst, waarin toen de twee steenen tafelen der wet waren nedergelegd (1 Kon. VIII, 9), maar welke vroeger als de woonstede Gods werd beschouwd en daarom bij veldtochten werd medegevoerd (1 Sam. IV, 5).’ Zie verder o.a. 1 Sam. V. ‘Het heilige ofte het voorste deel des tabernakels was van het heilige der heiligen gescheiden door een seer kostelick tapijt, (Statenvert. op Levit. IV, 6) om het insien in het h.d.h., daer de arke was, te verhinderen’ (op Exod. XXVI, 33). Over Davids plan vs. 27 en vlgg. zie II Sam. VIII en 1Chron. XXVIII over Salomo's tempelbouw in de volgende verzen, 1 Kon. VIII, over het offer II Cron. VII.

boom 19, rek. roest, beet, wiemel, stok 19; 111 afsluiting v.d. Amstel.

boort, den Admirael aen b leggen 101 is lett.: naast het schip van den adm. (= Karel I) gaan liggen (met het doel om het te enteren). Op dezelfde wijze komt de uitdr. bl. 123 voor. Vgl. Fr.aborder, en aan boord klampen. Wat bl. 37 vs. 15 en 16 betreft: ‘men trachtte de poort met bijlen open te hakken en sleepte een kanon van den IJkant tot voor het huis, om daarmee de deur open te schieten, wat echter niet gelukte, omdat geen winkelier buskruit aan de oproerige bende wilde verkoopen.’ (Rijpma).

boot 44 oorspr. ml.

bootseeren 94, vormen, boetseeren. Beide vormen met oe en oo zijn aan het Fransch, maar aan verschillende dialecten ontleend en hangen samen met Fr. bosse. Dit volksgeloof leeft in de verbinding ongelikte beer voort.

Boreas 104, Noordenwind.

borgen 116, uitstel geven, sparen, ontzien.

bors 62, beer, mannetjesvarken.

borst, voor de b. hebben 66, als vijand tegenover zich hebben. Vgl. de uitdr. ‘het stuit me tegen de borst’.

borstgesteent 59. Zie Exod. XXVIII, 15 vlgg.



[p. 169]

botsen 27, stooten, slaan. Op 69 tilt haar ambt stooten. Vgl. Ned. Wdb. op botsen bl. 731.

Brande Partinice 81, een zekere danswijze. Over verschillende brandes schreef Dr. J.W. Muller, Tijdschr. voor Ned. taal- en lett. 16e dl., bl. 105 vlgg.

breg 22, brug (Friesche vorm). Zie deur.

brein 1, 132, hersenen.

breken 128. Zie Ned. Wdb. i.v. bl. 1255.

brief 1, bewijsstuk.

bril 136, verwonderd: ‘als iemand, dien een bril op den neus was gezet’ (Van Lennep). ‘Men verplaatse zich in die tijden, toen de bril iets nieuw was, en aan hen, die door ouderdom weinig of niet meer duidelijk zien konden, als ware het een nieuwe zienskracht verschafte, en voor goedzienden de voorwerpen vergrootte’ (Oudemans). Zie Ned. Wdb. III, 1387.

Broekhoven 68, een der leden van de ‘Bastertvierschaar’, in 1620 en later herhaaldelijk Burgermeester (66), van Leiden, ‘zoo boos als onbeschaemt’, een streng burgerhoofd (92) † 1642. Zijn zuster was getrouwd met Baersdorp 17, raad in den prov. rade van Holland.

broodeetende profeeten 74, ontleend aan Amos VII, 12. Hiermede bedoelt V. de CR. predikanten.

broute 102, brouwsel.

bruien 125, kwellen, ergeren. Ned. Wdb.

bruigom 3, jong gehuwde man, echtgenoot; evenals bruid = echtgenoote.

Bruinisten 110, een Engelsche secte, een groep der Dissenters, als de Presbyterianen, Puriteinen en Independenten, genoemd naar een der stichters, den Londenschen predikant Robert Browne ‘die de Reformatie willende suiveren, sich van de andere Gereformeerden afsonderde. Dese luiden, van de Koninginne Elizabeth verdreven, sloegen zich ten meesten deele tot Leyden en t' Amsterdam neder’ (Brandt, Hist. der Ref.). Browne werkte ook eenige jaren te Middelburg. Ze heeten zwart om hun

[p. 170]

naam, kleeding en sombere leer: vgl. Olifanten.

bruit 38. Hier was de buit de bruit, waarom gedanst werd. Vgl. Harrebommée, I, 100.

bruizen 83, 112, is later met bruischen tot het tegenw. bruisen samengevallen.

burgerbrant 65, burgertwist, oproer. Vgl. stokebrand 69.

burge(r)meester 42, 66, ‘was sedert 1541 (zie Kalff III, 89, de vertaling van Consul. Men paste gaarne de toestanden der Rom. republiek op de Nederl. toe. De r ook 64, 66, werd door de bijgedachte aan de latere beteekenis (vgl. burgerhoofd 92, burgervader 17, 42) veelvuldig ingevoegd. 75 bet. Houd u buiten ons heiligdom. Zie Broekhoven.

burgwal, straten.

bus(se) 61, 117, 123, uit het vroeger bukse, roer, geweer, kanon: dit kanon naast canna als roer naast rohr. Hiervan ons buskruit. Steenbus 61, bus, waaruit steenen werden geworpen. Zie dit woord.

buyt, buit (Piet Heyns) 36. De Zilvervloot, die jaarlijks uit Cuba naar Spanje zeilde, werd onderschept door Piet Heyn, 8 Sept. 1628. Zijn vloot, 31 schepen sterk, had 700 vuurmonden en bijna 4000 matrozen en soldaten. De opbrengst, bij verkoop 15 millioen gulden, werd Jan. 1629 grootendeels geborgen in 't Westindisch huis op den Haarlemmerdijk. Het bootsvolk zou als aandeel in den buit 17 maanden gage ontvangen, maar was hiermede niet tevreden. De plundering is geteekend door Rochussen (Sted. Mus. te Amsterdam) en ook te vinden bij De Boer, Ons Vaderland, bl. 161.

Calvinus of Calvijn 1, 66, 76a, enz. (1509-1564) predikte een leer, die overeenkomst heeft met die van Augustinus, en hield ook met betrekking tot de leer van de genade en van den vrijen wil onwrikbaar vast aan eene voorbeschikking ter zaligheid en ter verdoemenis, regeerde met gestrengheid te Genève, (terdoodveroordeeling van Servet). Stichtte in 1558 een Hervormde-theologische faculteit, en is de grondvester der Gereformeerde kerk.

[p. 171]

Zie o.a. de inl. van De Vries, Genève pépinière. Over zijn leer. Dr. A. Kuypers heruitgave der Inistitutio en Doumergue, Calvin.

Capelle 120, 123. De aant. 122d is niet juist: zie Aerssens.

Capitolia celsa tenebat 125. Hij bezette het hooge Capitool.

Castalio 76. Zie Giran, Seb. Castellion.

Catilina 42. Om met geweld de oppermacht te erlangen smeedde hij een complot, dat mislukte. Tot een nieuwe samenzwering wierf hij tal van berooide edelen, senatoren en ridders. Het plan werd door het beleid en de waakzaamheid van den consul Cicero verijdeld. Het korte Leicestersche tijdvak is inderdaad het rampzaligste en gevaarvolste tijdperk van den vrijheidsoorlog geweest. Rechtsverkrachting en geweld waren aan de orde van den dag; tengevolge van het wanbeheer kwam het leger in staat van ontbinding.

Cato 44, 64, Cato de oudere, een man van onkreukbare trouw en stipte rechtvaardigheid, een vriend van harde tucht en republikeinsche instellingen, die als Censor met groote gestrengheid de indringende weelde te keer ging. Bekend is zijn werk over den landbouw. (Vgl. ook bl. 42 vs. 20). Hij stierf 3 jr vóór zijn wensch, de verwoesting van Carthago, vervuld werd. Zijn achterkleinzoon was een voorbeeld van reine deugd en onwrikbaar plichtsbesef. Als tribuun steunde hij Cicero tegen Catilina en sloot zich evenals Cicero bij Pompejus aan. Hij doorstak zich te Utica om niet in handen van Caesar te vallen, na in Plato's Phaedo over de onsterfelijkheid der ziel te hebben gelezen. Zie over hem Plutarchus. Zie op Joh. de Witt.

Cats (Jacob) 41. 1603-'23 adv., later pens. te Middelburg, tot 1636 pensionaris van Dordrecht, raadpens. tijdelijk na Duyck 1629 en bij de afwezigheid van Adr. Pauw, 1634-36, daarna diens opvolger, geestverwant, leerling en vereerder van Willem Teellinck van Zierikzee, die van 1613-29 predikant te Middelburg was (zie bl. 119), beiden aanhangers van het piëtisme, zooals zij dit in Engeland hadden leeren kennen. Hij was getrouwd van

[p. 172]

1605-1630: zijn rijke vrouw was van een Antwerpsche familie, die te Amsterdam woonde. Zijn dochter Anna was getrouwd met Corn. van Aerssen, neef van Corn. bl. 154, zijn jongere dochter Elizabeth met C. Musch. Zie i.v. en Leiden.

Cefis 87, Cephissus, was een riviergod, die een heiligdom had in den tempel met het orakel van Amphiraus te Oropus aan den Euripus.

Cerberus 6, Helhont 65, 134, driekoppig monster, met een drakenstaart, in het laatste gedicht ook gast en droes genoemd.

chijns, cijs 67, 40, 54, 61, belasting: cijs is ontstaan door wegvalling der n uit cijns (census); bovendien zijn de woorden accijs en cijns verward, accijns werd daardoor mnl., cijns kreeg daardoor de bet. van belasting op levensmiddelen. Schot en lot, samenhangend met geldschieten en loten, was meer belasting in 't alg. 67. Wijnen cijsvrij heet Dordrecht als stapelplaats van de wijnen. Zie bl. 54 en Synode.

christen tempel 56, 57. Zie Episcopius. Vgl. Kristenmond 51.

christdom 17, christendom 117, 1o. Christelijke godsdienst, 2o. christenheid. Zoo had ook christenheid de beide beteekenissen. Voor Krist vgl. 51, vs. 118; Kristendom vs. 115.

christenjammer 5, de tweespalt in de kerk.

Cicero 115, de Vader der welsprekendheid 86. Toen hij de samenzwering van Catilina had verijdeld en den eernaam Vader des Vaderlands had verworven, werd hij aangeklaagd door zijn vijand Clodius Romeinsche burgers onwettig te hebben ter dood gebracht. Hij ging in vrijwillige ballingschap, maar na eenige jaren werd hij teruggeroepen en Clodius vermoord. Zijn terugkeer was een triomftocht, waarvoor hij in twee redevoeringen senaat en volk bedankte.

cijs, zie chijns.

civetkat 55, een dier dat in Afrika gehouden wordt om het civet, een sterk riekend vocht, dat uit een klierzak onder den staart wekelijks wordt verwijderd.



[p. 173]

Clodius 86, de doodvijand van Cicero, had dezen gedwongen Rome te verlaten. Hij was ‘een der dolzinnigste onruststokers uit de laatste dagen der Republiek, bij zijne eigen partij vast even gevreesd als bij zijne tegenpartij, een man, die zich liet omkoopen en anderen omkocht en van staatsberoering zijn gewone werk maakte’.

Cloppenburg (Zie bij K).

conscientie 103. Bedoeld is, wat in 't Fransch heet ‘conscience musculaire’ of ‘sensation d'activité musculaire’, die tot spiervermoeidheid en spierpijn e.a. kwalen kan leiden.

Crimine ab uno disce omnes 118. Leer uit ééne misdaad alle. (Randschriff). Aen. II, 65.

daer 14, 15, 44, 54, 55 waar.

dan 46, na den overtreff., 45, na ‘niet zoo’ met den stellenden trap. - Na een ontkenning en na den vergrootenden trap gebruikt V. wel als: 14 vs. 45 (1e uitg., latere dan), 12, 13, 23, 30, 52, 54, 68, 72e, 81.

dar 52, 75, 76 (1e uitg.), durft. Mv. darren 65. Eigenlijk enk. dar, mv. dorren (nog in 't Gron. duren, waarbij 't enk. duur. 3e ps. duurt). Hierbij het impf. dorst 143. In de algemeene taal vervangen door durven (enk. darf, later durf, eindelijk 3e ps. durft). Zie durf.

dartelheid 53, onbeschaamdheid, overmoed, van dertel 99 vs. 37.

dat 24, wat, 19 zoodat, 52 indien, 89 ter vervanging van ‘wanneer’.

Dathenus (Petrus) 50 (1531-1590). ‘Gedurende enkele jaren stond hij in betrekking tot Prins Willem I, wien hij verschillende diensten bewees. In 1578 verzette de vurige hervormer zich te Gent met kracht tegen de bepalingen van den afgekondigden geloofsvrede; zijn onberaden ijver werkte de heerschzuchtige plannen van den volksmenner Jan van Hembyse in de hand en Gent werd andermaal het tooneel van beroeringen en beeldenstorm. De komst van Oranje maakte aan deze troebelen een einde...’ Na de overgave der stad (1584) en na den dood van den Prins is hij wegens anti-nationale redevoeringen in Holland gevangengenomen.

[p. 174]

In zijn ‘verantwoordinghe op de beschuldigingen’ heeft hij ontkend den Prins te hebben gelasterd of gescholden. Van Reyd, Ned. Oorlogen, en Hooft oordeelen echter anders. Op Datheen doelde Vondel ook in den Palamedes vs. 1423 vlgg. Ontslagen van rechtsvervolging ging hij naar Elbing, waar hij overleed. Hij maakte een slechte psalmberijming naar de Fransche van Beza en Marot (1566), welke die van Utenhove moest vervangen en hoewel de Nat. Synode van 1586 die van Marnix heeft willen invoeren, tweehonderd jaar in gebruik is gebleven; ook vertaalde hij den Heidelbergschen catechismus.

David 16, vs. 96 Ps. XVI, 8: vs. 101 enz. Ps. XIX, 9 vlgg.

Decretum horribile 76. ‘Dit gedicht, waarin de leer der voorbeschikking gehekeld wordt, is een der heftigste stukken van Vondel, te meer daar het leerstuk - niet zonder partijdigheid, althans eenzijdigheid - in al zijn strengheid, zooals de meest orthodoxe contra-Remonstranten het voorstelden, wordt beschouwd’. (Penon). Zie ook J. Koopmans in Taal-en Letteren, VIII, 494 en op Harpoen. ‘Zoo iets in dit gedicht onze bewondering verdient, het is het schitterend krachtige begin, de menigte en de rijkdom der denkbeelden, die als golven elkander onderling voortstuwen. Het vervolg is het begin waardig. Zijn hoogste gaven heeft hij voor het heerlijk, na die afgrijselijkheden waarlijk verkwikkend slot bewaard... Zijn woedend verwijt zou hij zeker hebben teruggehouden, indien hij de wezenlijke grootheid des Hervormers uit zijn schriften had leeren kennen. Doch niet diens schim boeide hem maar Aerssens, wiens vader de ongunst der menigte op zich had geladen, toen hij een geschenk van Neyen had aangenomen en wellicht had Calvijn evenzoo zin in de keten van Servetus (Bakhuizen).

deel 84, streek, oord; in den bijbel landstreek.

deinken 28, Amsterdamsche vorm voor denken. Vgl. woorden als einde, heinde, kleinzen, veinster en V. Helten, Mnl. Spr. § 60. Zie deur.



[p. 175]

Delfos 87, 1e; nv. enk. van Delphoi, Lat. Delphi en onder dezen laatsten vorm het meest bekend.

Delfsch orakel 86, 87. Hugo de Groot, geb. te Delft. Vandaer Delvenaer 108. Woordspeling met Delphisch orakel. Wetorakel = wetgeleerde. Zie Groot (De).

dempen 18, onderdrukken.

deught 2, krachtig, edel karakter. Hiervan deughdig 47.

derwaert 105, werwaarts; vgl. daar, tegenw. waar.

deur 19, Amst. vorm voor door. Vgl. neut 18, keunink 20. veul 22, teugen 23, esteurt 27, veur 20, veugel 4, weuning 20, beus (zie i.v.), speulen 19, deuze 24, heur 26 en Dr. Nauta, Taalk. aant. op Bredero § 17 en § 12. Amsterdamsch is ook Longt, enz. miester, iens, nu (= nieuw), beschreve 14, bescheide 15, enz. Zie ook de Inleiding der Pantheonuitg. van den Warenar, 3e dr.

deunen 18, spottend zingen.

de zelve 89, deze 74, dezelfde, een zelve 14, een zelfde.

diamante 80, hard. Vgl. het subst. 4.

dief 22, 29, 46, 66, schelm, schavuit.

dies 12, daarom; 61 vgl. Mt. XXIII, 38.

dik 45, 69, vaak; nog dial. duk. Dit adv., eig. dikke, behoort bij het adj. dik, dat o.a. ‘veelvuldig’ beteekende en ook gebruikt werd in verbinding met wijl, maal, werf.

dingen 1, pleiten, verdedigen. Het rechte geloof was het punt, waarom de besprekingen zich bewogen.

distel 102, bloem in 't Schotsche wapen, gelijk de roos in 't Engelsche.

distelkroon 110, vgl. doornenkroon.

doch 26, voegw. bijw., toch.

docht 24, onv. verl. tijd van dogen, deugen.

Dodona 137, eene stad in Epyrus, waar het orakel van Zeus in een woud van heilige eiken stond, waar de stem van den God zich uit het geritsel der bladeren of door het gekletter van in den wind hangende koperen bekkens vernemen liet, die door priesters en priesteressen of door kirrende duiven werd verklaard.



[p. 176]

Doel 112. Zie de beschrijving der Kloveniersdoelen in Willinks Amstelt. Arkadia, Ter Gouw, Geschied. van Amst., enz.

doelvaers 40, doelevaders, drinkebroers, beschermers der kroeg, aanleggers van doelfeesten 40, leden der doelestaci 79, Synode van Dordrecht. Vgl. ook doeleton 39, terugslag op Heele-Ton 150, en dit op Helikon 38), ton van de Dortsche doelen 54, 65, 79, omdat op de Groote Bovenzaal van de Kloveniersdoelen of Schuttersdoelen de Synode vergaderde. ‘Alles te zamen genomen zijnde, rekende men, dat het Synode den Lande op een Miljoen guldens kwam te staan.’ ‘Den laatsten dag, 19 Mei, ging het Synode gesamentljk ter maaltijd, die kostbaar was, en op welken de leden op de uitgeleezenste spijzen en dranken (Rijnsche wijnen) rijkelijk onthaald werden. En men hoorde eene groote menigte muzikanten op hunne speeltuigen, zelf verscheiden vrouwen, die agter gordijnen zongen.’ Zie Bacchanten.

doemklok 17, klok, die bij de voltrekking van een doodvonnis geluid werd.

doe, doen 30, 31, 41, 42, toen.

dompen 14, uitdooven. Hiervan ons domper.

donderklok 74, donderende stem; van donderen 82, 98. Vgl. donderperk 72, waar men donderde, dondergod 58 God naar 't Oude Test.; ‘waar’ in tegenstelling met Jupiter tonans 127. Zie klok.

doode 91, zelfst. nw. verbogen als bijv. nw. Zie arme.

doof 46, zeggen wij wel van kolen, niet van hout, het zal dan ook wel op den drijver moeten zien, evenals zwetsen in den volgenden regel. 65, zoo hard dat de doove het kan hooren. Vgl. doode.

door 35, dwaas. Hd. thor.

doordrift 113, het doordrijven, 124, doorzetten.

doot drinken 9. Men vindt ‘aangeteekent, dat meest al de rechters in geduurige vreeze, ongerustheit, en knaaging

[p. 177]

van hun geweeten, den overigen tydt hunnes levens hebben doorgebracht, dat het zommigen van hun aan de zinnen gingk, dat ze in hun verstandt geraakt, en in de memorie geslagen wierden, 't geen men meende dat uit de geduurige quelling der knaaging ontstondt; en dat de meeste met een verhaaste schrikkelyke doodt zijn omgekomen: als of de goddelyke rechtvaardigheit dat verstorte bloedt aan zommigen van hun hadt willen wreken.’ (Brandt, Historie der Rechtspleg.). Willem Lodewijk stierf in 1620, Maurits in 1625, Muys in 1626, Adr. Junius in 1620, De Vooght en Meinderts in 1624, Atsma eind 1625 of begin 1626, Rosa 1629, v. Swieten 1630. Vgl. Palamedes 2063, Gesprek op 't graf bl. 7 vs.19-20, Geusevesper bl. 9 vs. 23-24.

doots 43, doodsch, bleek. Overgebleven in doodsbleek, kindsheid, diets = doodsch, kindsch, dietsch, enz.

draven (hoog) 16, vliegen. Hiervan hoogdravend, tegenw. met ongunstige beteekenis.

driakel 78, triakel, vroeger een gezocht tegengift en door de opium, die het bevatte, een verdoovend middel; triakelwater was een fijne likeur.

drift 13, 118, aandrift, drijven.

drinken 29, een dronk wijden aan.

droes 5, 40, 136, duivel. De d. en de priester zijn zwart.

droesem 110, lett. bezinksel, uitschot met een 2en nv. van vergelijking.

drog 149, spooksel, bedriegelijke verschijning.

droopen 35, 80, (met vet) bedruipen. Zie bedroopen.

drucken 17, verdrukken.

druipen 32, druipstaarten, van angst den staart tusschen de beenen laten hangen (29). (Vgl. afdruipen 121).

duchten 2, zonder te vreezen, dat hij ooit zou ontvluchten. van = voor.

duim 23, eig. ijzeren haak, har, naar den vorm der scharnieren.

duim 97. Zie over ‘'t beeldt des Hartogen’ de Medallische Historie der republiek van Holland, waarin een afbeelding

[p. 178]

daarvan voorkomt, en Penon, Hekeldichten waar op bl. 74 Hooft's versje is afgedrukt:

 Den Dujm, de rechte wederhandt,
 Die, eertijds, van gansch Nederlandt,
 Zich kussen deed, terwijl hij 't schond,
 Heeft nu Maetroos in zijnen mond;
 Of wringt hem, wil hij, in een hol,
 En brujkt den dwinger voor een' dol.

Zie ook Worp's uitg. van Huygens (III 158), die er 16 Mrt. 1641 een Latijnsch versje op maakte. Duim (den) 'er op hebben 97 = ze onder den duim houden.

Duinkerken 43. De Duinkerkers, ijverig gesteund door Spinola en Filips IV, roofden onze rijkbeladen koopvaarders, plunderden en vermoordden honderden visschers en matrozen, namen onze oorlogsschepen, in één jaar honderd Enkhuizer visschersbuizen. Vooral onze haringvloot had het zwaar te verantwoorden, te meer daar de veelal Doopsgezinde visschers geen wapenen wilden voeren. De buit der Duinkerkers bedroeg in een drietal jaren 12 millioen. Het opperbestuur der zeezaken deugde niet. De leden en ambtenaren der admiraliteitscolleges waren oneerlijk; convooien en licenten werden slecht geadministreerd; in 1626 werden enkele schuldigen gestraft, maar men durfde het onderzoek niet voortzetten ‘om de regeering niet al te veel op de tonghe der gemeente te brengen.’ Aan 't hoofd stonden onbekwame mannen, de kapiteins hadden weinig plichtsbesef, de admiraliteiten schoven de verantwoordelijkheid op elkander. Eerst toenPiet Heyn, ‘de zeeschrik van Delfshaven’ in 1624 luit.-adm. van Holland werd, kwam er verbetering, maar hij sneuvelde reeds 2 mnd. later. Sedert wies weer de ontevredenheid (Aitzema II 342). Alleen Maassluis verloor tusschen 1631 en 1637 200 visschersvaartuigen. Onbekwame vlootvoogden als Jhr. van der Abt (1635!) en Jhr. van Dorp; ‘ontaarde Nederlanders, die door zucht tot vuil gewin hier oorlogschepen

[p. 179]

lieten bouwen om die aan de vijanden te verkopen’ moesten eerst onschadelijk worden gemaakt. In 1638 kwam M.H. Tromp aan 't hoofd en ‘nadat de Franschen in 1646 Duinkerken hadden verovert, is er met de Spanjaarden ter zee niets merkwaardig voorgevallen.’ (S. Centen).

Vgl. voor de toespelingen in het gedicht nog Ts. der Mij. van Lett. XXX en XXXIV. Zie ook op Reintje.

duitsch 45, Nederlandsch, nog in Krelis Louwen, vs. 930; 87, duidelijk. Hiervan Eng. dutch, ons woord verduitschen, voor verhollandschen, enz.

Duo fulmina belli 111. Twee oorlogsbliksems. (Oorspr. gezegd van de beide Scipio's).

duivelsbroot 120, een soort van paddestoel. Vgl. Huygens Zedeprint, waarin hij een dwerg teekent.

Duuren 19, stad bij Aken. Woordsp. met het werkw.

durf 10, 76, 93, 146, durft (zie dar). 87 dorf impf.

ebeeten 24. enz. Zie ge-.

echter 9, later.

Edomijten 99, bewoners van Edom (land van Ezau) of Idumea. ‘De Edomieten waren de naeste bloedverwanten der Israeliten, maer evenwel waren sy der selver grootste vyanden ende vervolgers, ende sy zijn een voorbeelt van alle de vyanden der kercke Godes.’ (Aant. der Staten-Vertal. op Jes. XXXIV, 5). Tijdens het beleg van Titus (vgl. aant. bl. 102 en bl. 61, vs. 125 vlgg.) waren de Joden onderling jammerlijk verdeeld. Scharen Idumeeërs wierpen zich in de stad, die ze met rooverij en geweld als bondgenooten der Zelotenpartij hielpen vervullen (Flav. Josephus).

eed 34, 39, 55. Zie de aant. op bl. 34 en Boeren-cathechismus.

eek 96, edik, azijn.

een beter 44, iets beters. Dit een is 't onz. van een = iemand en nog in neen bewaard.

eenkennig 57, bekrompen. Zie Prof. Verdam in Ts. voor Ned. taal en lett. XV, 132.



[p. 180]

eenvoud 16, eenvoudig; reeds vroeger hiernaast in gebruik.

eer 45, 46, 137, weleer, vroeger.

eerlijk 86, roemrijk, 2 luisterrijk, heerlijk, 90 goed, 91 eervol.

eerwaerdigh 5, eervol.

eeuwigh 9, 56, 111 voortdurend, gedurig, 13 onvergankelijk, 63 hier namaals.

egel 98. Vgl. de fabel van ‘Slanghe en echel’, Warande der dieren LXI.

eigen 5, adj. afhankelijk. Vgl. lijfeigen, d.i. eigen van lijf.

Eleazer 61, zie Zeloten.

elements 32, (van elementen 111), volgens Aristoteles de vier grondstoffen, waaruit alles bestond), gevormd en gedacht als bliksemsch, dondersch, hagelsch.

elent 31, ongeluk, treurige toestand. Het was vr. of onz.

emant 22, emist 28, zie ge.

en voegw. zat en lachten 22 = zat te lachen, enz.

en bijw. nog in 't en zij 53, 117, tenzij, versterkt met niet 19, 25, enz.

engel 117, zooals bij Elia, 1 Kon. 19 en Jezus, Mt. 4, 11.

Engelsch 110; duidelijke woordspeling. Zie Lucifer.

Ennius 94 heeft in zijn Annales o.a. den 2den Pun. oorlog beschreven en daarbij Scipio's lof bezongen. Men meldt dat hij in het graf der Scipio's is bijgezet.

Enkhuizen 75, was in 't Noorderkwartier het brandpunt der Contr.-Rem.: o.a. Bruinink secr. was een der 24 rechters.

Epicurus zwijnen 13. Veel volgelingen van E. gaven zich aan zingenot over.

Episcopius (= Bisschop) 97, (1583-1643), leerling van Arminius. ‘Alzoo Conradus Vorstius (zie i.v.) de Academie tot Leyden niet mogt effectelijk bedienen, ende D. Franciscus Gomarus (zijn afscheid vrijwillig genomen hebbende van de HH. Curateuren) was verreyst na Vranckrijk, zoo werd Zymon Episcopius, Predikant te Bleyswyk, beroepen tot Professor der H. Theologie tot Leyden, 1612. Hij was een der twaalf vertegenwoordigers en de tolk der Remonstranten op de Dortsche Synode.

[p. 181]

Verbannen in 1619 ging hij over Waalwijk naar Antwerpen, waar hij de geloofsbelijdenis der Remonstranten opstelde, in 1621 met Uytenbogaert naar Frankrijk. In 1626 teruggekeerd vestigde hij zich te Rotterdam, predikte 30 Dec. 1629 en 1 Jan. 1630 in een bijeenkomst, van Remonstranten te Amsterdam, die omstreeks dien tijd een huis kochten aan de Keizersgracht, dat tot kerk werd vertimmerd, waarin hij 8 Sept. 1630 de eerste leerrede hield. In 1634 werd hij aan het toen opgerichte Seminarium voor Remonstrantsche predikanten als eerste hoogleeraar benoemd.

Erasmus (Desiderius) (1466-1536) 3, van Rotterdam, 108, was in Noord-Europa de hoofdman van Humanisme en Renaissance, bezorgde de eerste Grieksche uitgave van het Nieuwe Testament (bl. 4 vs. 28) met eene Lat. vertaling (1516), de Kerkvaders met aanteekeningen; schreef den lof der gepersonifieerde Zotheid, enz. wenschte vrij te blijven, toen hem het kardinaalschap, enz. werd aangeboden (bl. 5, vs. 45-55). Niettegenstaande het hevig verzet der orthodoxe kerkelijke partij, die hem libertijn of vrijgeest schold, kreeg hij (bl. 108 vs. 38) in 1622 een metalen standbeeld. Hierover en over zijn afbeeldsels (‘printen’ bl. 3 vs. 5) spreekt Kok Vad. Woordb. XIV, 362; over zijn beteekenis en werken o.a. Kalff, Geschiedenis der Nederl. letterk. in de 16e eeuw. I, 32 vlgg. en Huet in het Land van Rembrandt, overgedrukt in Tien samenspraken. Vondel stelde Erasmus en De Groot op ééne lijn. De laatste zei van den eerste: ‘Wij Hollanders konnen dien man niet genoeg bedanken, ende ik houde mij gelukkig dat ik sijne deugden soo eenigszins van verre kan begrijpen.’ En Brandt noemt ‘De Groot den grooten Delvenaar, die Erasmus naderhandt in veele deelen geleek, in weinige week, in eenige overtrof.’ Het bekende gedichtje van Brandt op De Groot heeft ook de gedachte van het slot van 108. Beiden hebben gewenscht ééne algemeene kerk.



[p. 182]

erfduisternis 66, vgl. erfzonde en de Panth. uitg. van Lucifer op erfvijand.

erg 2, loos, slim. (Vgl. arg in Warenar I, 1).

ergent 28, met parag. t, = ergens (met bijw. s).

erven 100, doen vererven; Verdam, Mdl. Wdb. II, 727.

ervaren 42, bevonden.

Esau 6, de broeder van Jacob of Israël, maar ‘Vondel plaagt met dien naam het verkoren Israel’ (Brom), dat hij op bl. 110 onze fijne Joden noemt.

eschoffelt 26. Zie ge-.

esteurt 28. Zie ge-.

Euripylus 73, d.i. wijde poort. Zoo noemde Koster Trigland, omdat hij tegen de goddelooze Enghe poorte van den Remonstrantschen predikant Eduardus Poppius geschreven had in zijn Cracht der Godsaligheid. Vgl. Matth. VII, 13. In den Palamedes vertegenwoordigen Calchas en Eurypylus de Contra-Remonstrantsche predikanten.

Europe, Euroop 84, 114, 116, Europa. Zoo Scylle, enz. bij Vondel gewoon.

evel 103, ziekte, kwaal.

experte 104, zaakkundig beproefd. Lat. expertus.

ezelsveul 22, zie bok.

Fabricius 17 vs. 14, 66 vs. 57 en 67 vs. 83.

faelbaer 100, feilbaar. Over -baar bij intrans. ww. zie Ned. Wdb. II, 324.

Faëton 118, de zoon van Helios, mende een dag den zonnewagen, maar de teugels ontvielen zijn zwakke handen, de wagen raakte uit het gebaande spoor en Zeus doodde den onbezonnen jongeling.

farheer 27, van Hd. pfarrer, (van pfarre = parochie) waarbij de uitgang is veranderd: vgl. Mnl. schipheere, d.i. schipper, en dgl., ons domeneer. In den eersten tijd kwamen hier veel predikanten van elders, ook uit Duitschland, bv. Otto Badius. In Costers Iphigenia, in Brederoo's Spa. Brab. en Jan Vos' Klucht van Oene

[p. 183]

wordt met weinig sympathie over deze menschen gesproken. Zie Inl.

Farizeeusch 109, huichelachtig, van Farizeën 61, waar geveinsd = huichelachtig wel een epitheton ornans zal zijn. Vgl. voor het laatste vers Mt. XXIII, 13. Oorspr. had het woord geen ongunstige beteekenis, maar kreeg die reeds in den Bijbel. (Zie Puritein.)

feesteeren 105, fêteeren, feestelijk onthalen.

feilen 44, falen, Fr. faillir.

fenix 87, 109.

 ‘Verstanden die gheleert in wijsheyd wijd uytsteken,
 Die werden hier bij niet onvoeghlyck vergheleken,
 Omdat zij zelden eens aentreffen haers ghelijck,
 En door haer groote faem en eere onsterffelijck
 Oock andren pricklen om met uytghereckte veeren
 Te volgen die gheraeckt zijn op den bergh van eeren;
 Te vlieghen sterrenwaerts verheven met 't ghemoed,
 Tot daermen erft te loon den groenen lauwerhoed.’
                Warande der Dieren, CXXIII. Vgl. Ovidius.

fiel 40, 55, 72, 76, 88, 92, 150, schurk, fielt 71. Uit Fr. vil met f als fooi, fraai.

fijn 110, vroom. Zie Puritein.

fixen 29 = fiks een, 'n fiks.

flus 100, 108, flux 35, uit het Hd. flugs, waarnaast vlus uit Mnl. vluch(t)s. Evenals straks, aanstonds, enz. kan het op het verleden en op de toekomst zien.

Frederik 119, de Winterkoning, schoonzoon van Jacobus I, neef van Maurits, vluchtte naar Den Haag, verloor zijn macht en bezittingen in Duitschland, was de vader van den Eng. generaal Ruprecht van de Palts (zie Morgenwekker) en George I was zijn kleinzoon.

fuik 64, nauw toeloopend vischnet; hier fig. als val, strik, enz.

gal 42, boosheid. Men meende, dat sommige schepselen: duif, hert, enz. geen gal hadden. Jezus en Venus e.a. werden ook zoo gedacht.

galei 64, platbodemd oorlogsvaartuig, gewoonlijk groote roeiboot:

[p. 184]

tot de galeien (aux galères) veroordeelen. Met dim. suffix galjoot, met augm. galjas, galjoen.

Galgenbergh 61, Kruisberg: galg was eig. het dwarshout van het kruis, verder ook het geheele kruis. In deze beide beteekenissen is het later door kruis vervangen en alleen als strafwerktuig voor 't ophangen in gebruik gebleven. Het N.T. heeft Golgotha, d.i. hoofdscheêlplaats = Calvariënberg, van calva = kale schedel.

galgleer 81, ladder die naar de galg voert, en tevens meedoogenlooze verdoemenisleer. Eene dergelijke woordspeling is de rechte leer 53, d.i. de rechterladder, waarvan de beul den rechts van hem staanden veroordeelde afstiet.

gans(ch) 13, 56, 141, van Hd. ganz. adj. en adv.

gans 31, verbastering van Gods.

gast 135, duivel, helhont. Zie aldaar en vgl. Ned. Wdb. IV, 317 en Jaromir te Zutphen.

ge- is in 't Amsterdamsch e geworden. Vandaar: ebeeten 24, verbitterd; emant 22, d.i. van gewapende mannen voorzien (zie Ned. Wdb., verl. deelw. van mannen, zie Mnl. Wdb.); emist 28, van missen = dwalen, verkeerd zeggen; eschoffelt 26 van schoffelen, d.i. schoppen 65, 86, van schoffel (van schuiven, waarvan ook verschoveling): esteurt 26, verstoord; estiert 20, van stieren 45; ekruit 31, van kruien d.i. duwen, stooten, voeren, ehoorzaam, enz. Voor de dialectische afwerping van ge- in gebeuren 71, 45, zie Ned. Wdb. IV, 369.

gebaer 57, uiterlijk.

geboren (worden) 46: met praedic. subst., zooals men met een praed. adj. zegt: hij is blind geboren, en met een subst.: hij is Nederlander geboren. Evenzoo bij sterven.

gebroeders 111, 116, vgl. de gebroeders Van Haren.

gecommitteerde 125. Er waren 6-8, gewoonlijk bij coöptatie gekozen en meestal uit dezelfde geslachten; ongeveer wat wij thans Gedeputeerden noemen.

gedenkpenning 119, geslagen na den dood van Willem II.

[p. 185]

Hierop zag men aan de eene zij een springend paard en in 't verschiet de stad Amsterdam met de Blokhuizen, waartusschen de Amstel is gesloten. Op het paard ligt een fraaie zonnige dekmantel, waaronder soldaten en waarop een openliggende brief met afhangende zegels, met de woorden Unio(nem) Religio(nem) simulant (d.i. Maurits en Willem II veinzen Eenigheid d.i. eensgezindheid en Godsdienst, d.w.z. zij nemen tot dekmantel Unie en Religie). De opkomende zon verlicht het tooneel. - Op de andere zijde staat 's-Gravenhage met eene lijkstatie, uit het Hof van Holland langs den vijver trekkende, en daarboven de val van Faeton (zie i.v.), die door Jupiters bliksem getroffen in den Eridanus (nl. Haagschen Vijver) nederstort. Willem II overleed 6 Nov. 's avonds 9 uur. In de oorspronkelijke doozen der penningen zijn de beide verzen aan weerzijden ingeplakt.

gedoemt 42 veroordeeld. Absolute constructie, ook in 't vorige vs. Zie mijn Synt. Oef. § XVIII.

gedroght 6, Calvijn (zie op Vorstius); evenzoo 76. In vs. 17 de Calvinistische tyrannie te Leiden.

geestdrijver 12, dweper, drijver: een drijver, z.i. bezield door den geest Gods; ‘een persoon, die naar hij meent of voorgeeft, door den geest Gods gedreven wordt.’ Het gedicht is geschreven naar aanleiding van 't geschil in de Mennisten gemeente te Amsterdam in 1625, over de vraag, of het Woord Gods uitsluitend in de Schrift is vervat dan wel ook daarbuiten van den H. Geest uitgaat. Vondel verdedigt de eerste opvatting en zegt in vs. 80 vlgg. zijne meening. In hoeverre hij de beweringen der tegenstanders eerlijk weergeeft, is moeilijk te beoordeelen. IJveraar voor de of een Doopsgezinde richting is hij verder niet geweest. Met de Anslo's is hij bevriend gebleven; een van hen werd ook R.K. Rembrandt, die sedert 1630 te Amsterdam woonde, heeft hij niet vereerd.

gehouden 4, verplicht zijn aan; vgl. Eng. beholden to, Du. gehalten.



[p. 186]

gek 73, nar. De lel v.d. kalkoen lijkt een bel.

gekoekeloer 23, gekonkel, gefluister, hanengekraai.

gekoffert 86, verl. dw. van kofferen = in een koffer pakken.

gelijken 42, vergelijken. aardig, met den aard overeenkomend, eigenaardig. Zie Mt. 23, vs. 27.

geloi 88. geloei. De ô werd later oe, (vgl. vs. 13) maar wordt vóór j nog in de 16e en 17e eeuw hier en daar gevonden. Dial. nog koien met korte o.

gemat 90, vl. dw. van matten, vermoeien.

gemeen 102. Zie Handel. IV, 32.

gemeentenesel 45, de gemeente als een ezel voorgesteld, mogelijk met de bijgedachte aan den ‘gemeenen ezel’ uit den Bijbel, die door ieder gebruikt mocht worden of aan de dieren, die als offer der gemeente moeten dienen.

gemoên 49, gemoeden, het vroegere mv., dat later onder invloed van Du. gemüter is verdwenen.

genadelijk 80, genadig.

genan 41, naamgenoot: van namen (d.i. naam) werd gevormd genamene > genamne > genan. Vgl. gespeel, makker, vriend, als dit van spel komt en niet van spelen, zooals genoot van genieten.

geneigt 73, welwillend, goedgezind (attrib.)

Genevoisch 81, Fr. genévois (van Genève, Geneven, 8). Een gelijkluidend adj. komt van Genova (= Genua). Genève is inderdaad la pepinière du calvinisme hollandais. Van 1559 tot 1605, toen Calvijn en Beza aldaar werkten, studeerden te Genève 273 Nederlanders, bovendien tot den val van Antwerpen veel Belgen en al de voorgangers der Hugenoten. De Ned. geloofsbelijdenis der Calvinisten is die van Guido de Bray en deze komt van Genève. Datheens vertaling der Psalmen was uit het Fransch en dat daaraan de naam van Beza was verbonden, zal een der redenen geweest zijn, dat zij opgang heeft gemaakt en lang in gebruik is gebleven. Beza moge meer verdraagzaam zijn geweest dan Calvijn,

[p. 187]

hun leer was dezelfde. Beiden waren supralapsarist, d.w.z. zij beschouwden den zondeval als voorbeschikt. - Vrijer kon men denken en spreken te Bazel, de stad van Erasmus, Socin, Castalio, van Oecolampadius, Zwingli en Farel, waar ook Arminius en Vorstius e.a. langer of korter hebben gestudeerd.

genot 116, voordeel. Vgl. Ned. Wdb. IV, 1578.

geraes 94, geschreeuw, getier, wildzang: fig., als het laatste woord, vogels.

geronnen 117, van (ge)rinnen, (saam) geloopen alleen in 't verl. dlw. overgebleven. Zie ook de samenst. met aen en af.

gesegh 66, vs. 59, bevel, macht, afl. van zeggen. Meer gewoon was al gezagh 66, 99.

Gesprek tusschen eenen wandelaer enz. 6. Geschreven naar aanleiding van den Latijnschen Echo epitumbios, in memoriam viri incomparabilis Joh. ab Oldenbarnevelt. Zie Brandt's Historie der Rechtspleging van Old. bl. 259. De echo was een dichtvorm der Rederijkers. ‘Dat aetherische, fijne, ijle luchtwezen, die dartele nabootster, gelijk Horatius haar noemde, werd gedwongen de vragen te beantwoorden, haar door den dichter in rijm gedaan; maar was tevens gehouden, van de eind-letterklanken juist zóó vele te herhalen, als de ander tot een antwoord noodig had. Kon der luchtige Nimf, der teeder kwijnende minnares van Narcissus pijnlijker onregt geschieden? Inderdaad waren dan ook deze denkbeeldige zamenspraken geenszins het nabaauwen van het spotzieke natuurkind, wiens klanken de hooge linden voortdragen, en wiens adem de popelbladen doet ritselen, maar veeleer geestenstemmen, schor en droef een somber kerkgewelf doorgalmend. Juist ter snede was dan ook zoodanig een zamenspraak tusschen den schildknaap van den wraakgierigen Velzen en het helsche tooverspook Timon in Hoofts Geeraert van Velzen.... Intusschen liet de Natuur hare mismaakte parodie niet ongewroken en de spotzieke Echo hernam hare regten,

[p. 188]

als zij den dichter dwong om geene andere reden Barneveld ‘tyrannig met een steen te drukken’, dan opdat zij de vrijheid zou hebben, alleronbepaaldst te antwoorden: Een’. (Bakh. v.d. B.).

gesuft 2, praed. verl. dw. met bet. van onbep. wijs.

geus 30, 73, bijv. nw., eig. geusch, de leer der Geuzen 21, 69 aanhangende: geuzen, dan schimpnaam voor Calvinisten. Zie plondergeus en graeuw.

Geusevesper 8, dienst en lied van de Contra-Rem. Calvinisten bij hun naderend levenseinde. De 24 hooren hem zingen, nu zij in hun wroeging den dood (zie doot) voelen naderen (Str. I, II, III). Dan komt er een andere stem, die hun raadt Dordsche predikanten te halen, zooals zij die ook aan Oldenbarneveld den avond vóór den moord gezonden hadden (Een van deze drie, schrijft Prof. J.W. Muller in het Ts. voor T. en L. 34, de predikant Beyerus had hem toen voorgelezen uit den Sieckentroost, welcke is een onderwijsinge in den geloove ende den Wegh der Saligheyt, om williglijck te sterven), en bij die schijnheiligen (van 't huichelaarssynode, bl. 83) heil en troost te zoeken. Na dezen Sieckentroost van 4 versregels vervolgt de stem, zeggende dat er voor hen geen troost is, waarna allen zich in de slotstrophe tot het nageslacht wenden. Zie Sieckentroost.

geval 53, beschikking, Toeval.

gevangen 100. Gelijk bij Hooft ‘iemand gevangen vorderen’ bet. van iemand vorderen, dat hij zich gev. geve, zoo gebruikt Vondel hier gevangen opeischen: ‘opeischt en wel gevangen opeischt.’ Wij zouden nu in plaats van en liever als lezen.

gevoelen 38. Men zei, gelijk in de aant. wordt medegedeeld, dat Oldenb. Gommarist was geworden, welk gevoelen V. bitter omschrijft, gevoelen dan in de letterlijke beteek. gebruikende.

geweer, oorspr. het verdedigingswerktuig in tegenst. met het wapen, bet. 16 wapen; ‘geweer en wapen’ 100, alle wapens.



[p. 189]

geweigerd 115, ontzegd, ontnomen.

gezant 13, apostel; 38 zie biechtvader.

gigagen 46, hijgend balken, klanknabootsende allitt. verdubbeling van gijgen en gagen. Zie De Jager.

gierrigheit 8, 43, (vgl. vs. 5) hebzucht; V. schijnt hierbij soms aan den gier te denken. Zie op kray.

giest 26, geest (vgl. 2 Cor. III, 6). giestig 22, geestig, vernuftig. De ie voor ee was plat Amsterdamsch: eveneens in ien 29, iens 28, 71, gien 31, 70, hiet(en) 29, 28, 72, ierste 28, mier 72, miester 70; ook viertien 26, lieren 26.

giool 135, kooi voor vogels, wilde dieren; gevangenhok, kerkerhol, Lat. caveola (verkleinw. van cavea, Fr. cage), Ned. kou 67 kouw, hier ook cel. Fr. geôle.

gleuren 37, eu en ue duiden ook in 't Mnl. vóór r den klank ö aan.

glimp 17, 125, schijn, voorwending, voorwendsel.

glosse 41, verklaring. Beter pasten dezen Hannes de klossen dan verklaringen op een tekst.

Godefried 47, voor Godfried is anders gevormd, maar wel aldus hier opgevat.

Goden 11, 78 de leden der Goddelijke (!) Synode.

Godtgewijt papier 13, Heilige Schrift.

godtheid 34, 82, 97, godgeleerdheid. Vgl. Fr. divinité.

godtskleinoot 86, goddelijke schat. Vgl. godsbesluit en bv. bij Da Costa: ‘Koningsbloed rookt weer in Frankrijk’.

Goliath 73. Over diens ‘bulderen’ zie 1 Sam. XVII, 43-44.

Gommer, enz., Gomarus 1, 54, 68, 81, enz. geb. te Brugge, 1563, week uit, studeerde te Heidelberg, predikte te Frankfort en voor de Ned. ballingen, werd hoogleeraar te Leiden 1594, legde zijn ambt neder toen Vorstius daar werd benoemd April 1611, was sedert predikant te Middelburg, prof. te Saumur en van 1616 tot 1641 te Groningen. Van hier werd hij afgevaardigd naar de Synode te Dordrecht. ‘Voorzeker bevond zich hier te lande niemand, die zoo doortrokken was van de leer van Calvijn en deze met zoo groote kracht en juistheid

[p. 190]

wist uiteen te zetten’. Hiervan Gom(m)arist, adj. of subst., 38, 58, 66, 69, enz.

gonste (uit) 104, gratis.

gordijn 80 vs.: van Fr. courtine, val. Eng. curtain.

gort (bij) 120, God. Vgl. het tegenw. och grut.

gortig 51, garstig: ‘het varkensvleesch bevat dan gortachtige korrels. Bij uitbreiding vuil, smerig’.

gouden 87, heuglijk, 4, 84, welsprekend; goude bergen 84, bergen gouds. Daarnaast gulden 51. Zie Spreuken 25,11.

gout 4. Het roode goud was het meest gezocht. Vgl. 113.

gracht 15, put; zie afgrond.

graef 65, Filips II.

graeflijkheit 50, grafelijk bestuur, waardigheid, rechten.

graeg 60, gretig, begeerig, ongeduldig.

graeien 26, greien, (zooals omgek. neien 43, voor naaien) roepen, schreeuwen. Zie Van Helten, Vondelgr. § 21 en § 22. Ook Hooft schrijft vlaaien en spraaien.

graeuwen 44, 50, snauwen. Van grouwen = gruwen komt grauwzaem 111, gruwelijk.

Grafschrift voor J.G. de Vries, 76. J.G. zou V. zoo hebben willen straffen, dat hij geen Palamedes weer kon schrijven. V. laat evenwel 't slaan op ‘'t begaen met 't recht’. Verder zijn J.G.'s woorden blijkbaar een herhaling van die van Van Zanten of Hoing (Palam. 1680) ‘vind sulck een by u heul? Laet my er mee begaen, en haylight me tot beul’ (Andere lezing: Betrouw me 't scherprecht toe; laet my met hem begaen,) en moet ‘met het recht begaen’ dus opgevat worden als scherprechter zijn. Om zijn groote gevoeligheid, toen betoond, vermaant V. na zijn dood (1631) ‘zacht te treden.’

grazelen 67, frequent. van grazen, zich vermeien, grasduinen.

grauw 21, 22, 25, bijv. of zelfst. gemeen. Ontleend aan de grauwe kleedij, die in de middeleeuwen den geringen man kenmerkte. - Ook reeds in Palamedes 986 wordt door de Contra-Remonstranten gezegd ‘dat geen Monarch zoo gaeu zijn heir brengt op de been als wij het

[p. 191]

woeste graeu’. In de toelichting anticipeert Brandt op de Rommelpot-geschiedenis: hij had naar vroegere gebeurtenissen moeten verwijzen.

graven 60. Zie Mt. XXIII, 30.

Gravestein, 's Gravestein 67, 68, 's-Gravensteen, eig. steenen slot of kasteel van den graaf. Hier gevangenis: ‘'s Gravensteyn, daar men gewoon is te Leiden de Executie te doen, ende de misdaden te berechten, en daarop om het ongemak van het komen ende gaan der Gevangen de Criminele Vierschaer verplaatst is’. (Van Leeuwen). Afbeelding in Muller's Gouden eeuw.

Grieken 144, Griekenland. Vgl. Zweden, Beieren enz.

griffoen 57, 66, fabelachtige op een gier en leeuw gelijkende vogel, Fr. griffon. Ndl. ook griffioen en grijp (uit het Grieksch), Lat. gryphus, in 't Fr. met griffe, in 't Du. en Ndl. met grijpen in verband gebracht.

grijns 17, 67, 94, 109, masker, in Gron. schebilskop, d.i. schabellenkopf.

groen 69, jong, vurig, wellustig, onrijp.

groef 91, groeve, begrafenis.

grof 56, plomp, onbeschaafd, dom.

Groot (Hugo de) 2, 86, 104, 106. Hij werd geb. te Delft 1583, opgeleid in 't gezin van Uytenbogaert, predikant te 's Hage, later van Franc. Junius te Leiden, studeerde van '94 tot '97 te Leiden, vergezelde Oldenb. in 1598 naar Frankrijk, waar deze bij Hendrik IV op voortzetting van den oorlog tegen Spanje aandrong, ontving een gouden keten van den Koning, promoveerde 1598 in de rechten te Orleans, werd adv. fisc. van den Hove Holland, huwde in 1608 met Maria van Reigersbergen (zie i.v.), de fiere dochter van den burgemeester van Veere, ‘eene vrouw, die in schranderheit weinige haers gelijke vindt’, werd in 1613 op aanbeveling van Oldenbarnevelt, die de grondlegger is geweest van Rotterdams opkomst en bloei, daar pensionaris, evenals in latere jaren zijn zoon Pieter, de vriend van Johan

[p. 192]

de Witt, te Amsterdam. - Tengevolge van de bekende staatkundige gebeurtenissen werd hij 29 Aug. 1618 in hechtenis genomen en 18 Mei 1619 met aanvankelijke verbeurdverklaring zijner goederen tot levenslange gevanganis veroordeeld. C. Brandt zegt in zijn levensbeschrijving: ‘Loevestein wert wegens zyn bequaeme gelegentheit allerbequaemst geoordeelt om de Gevangenis tot een eeuwigen kerker te verstrekken. 't Lag aen de uiterste paelen van den Hollandtschen bodem, aen 't westeinde van de Bommelerwaert, daer de Waelstroom zich in de Maze vermengt, schuins over Workum, en een kleene myl van Gorkum. 't Was door die twee groote stroomen, die daer samenloopen, gantsch ongelegen om af- en aen te komen, en zeer sterk van natuur en door kunst; zynde met hooge wallen en dubbele graften omringt... Bovendien ontving de kommandeur van Loevestein een strenge instructie op de bewarenis en handeling der gevangene Heeren, die telkens verscherpt werden, aangezien lieutenant Jacob Prounink genaemt Deventer (zoon van den beruchten Gerart Prounink, een van de voornaamste hoofden en roervinken van de Leicestersche factie), die het leedt, zijnen vader aengedaen, niet verzwelgen kon en openlijk voorgaf, dat de tydt nu gebooren was, dat hy zich daer over aen deze Heeren wreken zoude... Zijn cel was door de kleinheit van de kozijnen zeer duister en de lucht wegens zeker gevoegkamerken boven maten bezwaert’... Maria v. R. nam in bedenken haren gemael onder den naam van boeken in de kist te sluiten’. 22 Maart 1621 ontsnapte hij (2). Hij ging van Gorkum over Waalwijk als veel Remonstranten naar Antwerpen, was daar eenigen tijd met de Remonstrantsche predikanten Grevinkhoven en Episcopius en ging van daar over Gent en Calais naar Parijs, (86), waar hij Uytenbogaert ontmoette (86). De koning beloofde hem een aanzienlijke vaste wedde (vgl. 33), doch door harden letterarbeid heeft hij zijn

[p. 193]

huisgezin moeten onderhouden, wonende te Parijs of op een kasteel te Senlis. Beroemd door zijn Annales (1559-1588) et Historiae (1588-1609), De Rebus Belgicis, ‘misschien het beste geschiedboek dat bij ons is geschreven’ (Blok), stelde hij daar zijn vermaarde Verantwoordingh op van de wettelicke regeering van Holland en Westfriesland, met privilegie van den Kon. van Frankrijk uitgegeven, in verschillende talen overgezet. Deze laatste daad heeft men hem hier niet vergeven. Toen hij in 1631 terugkwam met een Fransch schip (86) dat in Zeelandt inliep, van waar hij in Oct. tot Rotterdam quam, waar hij het metalen standbeeld zag van Erasmus, dat in 1622 door Hendrik de Keizer was gegoten, en zich door Mierevelt liet schilderen (86), werd er door de Staten f 2000 op zijn aanhouding gesteld. In alle stilte ging hij naar Amsterdam, waar hij 9 Dec. aankwam en vertrok gedwongen 17 April 1632 naar Hamburg. Het volgende jaar 15 Febr. kreeg hij van Oxenstierna, die het plan weer opvatte van zijn grooten koning, welke De Groots Oorlog en Vrede (De Jure Belli ac Pacis) ‘in zijne tente las’, het aanbod om gezant te worden van Zweden in Frankrijk, tractement 6000 rijksdaalders, en raadsheer van staat, jaarwedde 2000 rijksd., welke bet