3. ARGUMENTEN VOOR HET ‘HART’ VAN DE STAD: DE STADHUIZEN VAN AMSTERDAM
|
106 gelegentheit, ligging
109 geboort, afgezet
115 Nieuw Megen, Nijmegen
116 vont, doopvont
|
|
145 de Stadt, nl. Rome
156 schranckt, uit z'n voegen
raakt
|
Vondel geeft een overzicht van de stadhuizen die Amsterdam rijk is geweest. Hij laat zien dat de plaats van het stadhuis verandert al naar gelang de stad zich economisch ontwikkelt. De economie van Amsterdam dreef aanvankelijk op de visserij, die van oudsher een voorname plaats innam, en vervolgens in toenemende mate op de handel. Naarmate het economisch zwaartepunt zich verplaatste, veranderde de plaats van het stadhuis. Telkens bleef het stadhuis, als voedend hart, in het middelpunt van de stad staan.
|
180 slincke, linker
|
De drie stadhuizenVondel laat drie verschillende stadhuizen de revue passeren. Er bestond de nodige onzekerheid wat betreft de eerste twee stadhuizen. Vooral over de plaats van het tweede stadhuis was onduidelijkheid en het is twijfelachtig of er wel van een stadhuis gesproken kon worden. De stadsgeschiedschrijvers zullen deze twijfel duidelijk illustreren. Het eerste door arme vissers opgetrokken stadhuis, wordt door Vondel in de buurt van de Sint Olofspoort gesitueerd (vs 105-124). Dit stadhuis lag aan het IJ, de bron waaruit Amsterdams eerste bewoners hun broodwinning haalden. Joan Blaeu, de bekende uitgever en cartograaf, schrijft in zijn Tonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden (1649) over de oorsprong van Amsterdam: (...) eenige arme visschers, aengelockt door de vischrijcke rivieren, hebben niet wijdt van het slot der heeren van Aemstel, by den Dam, aen en op de naby gelegen dijck, eenige kleyne hutten met stroo gedeckt, gemaeckt. (Blaeu, ij E1 recto) Fokkens vermeldt in zijn stadsgeschiedenis, dat het oude stadhuis tegenover de Sint Olofspoort gelegen was en dat dit stadhuis naderhand tot een gewoon huis verbouwd is: (...) hier stont wel eer een poort by, die S. Olefpoort wierdt genaemt en soo wierdt dese Kerk ook S. Olefs-kapel geheten; deze poort wiert langh tot een Gevangenhuys gebruykt, en heeft noch over 60 jaren daer ghestaen; hier by aen de andere zijde in de steeg stont wel eer 't Oude Stadthuys, naderhandt tot een wooninghe ghemaekt, daer vint men noch een overwulfte kelder, daer in de muur groote ysere ringen met dicke tralien zijn, schijnt een Ghevangen-huys en boeyen geweest te hebben; (...). (Fokkens, 224) Domselaer bevestigt het voorgaande, maar hij voegt daar het volgende aan toe: ‘(...) doch dit zijn gissingen, die evenwel de waerheyd niet ongelijck schijnen’ (Domselaer, III, 188).
Een volgende stap in de ontwikkeling van de stad werd gezet door de bouw van het tweede stadhuis. Vondel situeert het tweede stadhuis in de buurt van de Middensluis, waarmee hij de Middeldam bedoelt (vs 125-132). De Middeldam lag op de plaats waar nu het warenhuis De Bijenkorf staat. De vissersschepen konden tot aan de sluis van de Middeldam de Amstel op varen om daar de gevangen vis te lossen. De stadsgeschiedenissen zwijgen over een stadhuis in de buurt van de Middeldam. De stadshistoricus Pontanus schrijft wel over het slot van Gijsbrecht van Aemstel, dat bij deze middensluis gelegen zou hebben. Fokkens bevestigt deze gegevens: Want toen de huysen hier by gebout wierden, bevont men in 't graven dikke muren, daar door men wel konde zien dat aldaar een schrikkelijk geveer gestaan had. (Fokkens, 25, noot 29)
Maar nergens wordt gesproken over een stadhuis dat op de Middeldam gestaan zou hebben. Vondel is de enige die hiervan gewag maakt. Het derde stadhuis is voorlopig het laatste teken van Amsterdams economische ontwikkeling. Vondel beschrijft het druk bezochte marktplein waaraan dit stadhuis lag. Op de Dam floreerde de regionale handel met onder andere Utrecht en het Gooi. De schepen die handelswaren af en aan voerden konden hun goederen tot aan de Dam brengen (vs 133-144). Dit middeleeuwse stadhuis is het enige waarover thans duidelijke gegevens voorhanden zijn. Er bestaan pentekeningen, schilderijen, houtsneden en stadsplattegronden waarop het te zien is. Wanneer het stadhuis gebouwd werd, is niet zeker. Het is verder ook onduidelijk of het gebouw zoals het er in de 17e eeuw uitgezien heeft, overeen komt met het oorspronkelijke middeleeuwse bouwwerk. Waarschijnlijk zal dit stadhuis in de loop der jaren de nodige veranderingen hebben ondergaan. Laten we alleen al denken aan de grote stadsbranden van 1421 en 1452, die grote delen van Amsterdam verwoest hebben. In 1652 verdwijnt het oude stadhuis door een fatale brand voorgoed uit het stadsbeeld. Aan deze gebeurtenis besteedt Vondel later in het gedicht nog ruimschoots aandacht (zie vs 261-324 en p. 73-78). Of deze drie stadhuizen werkelijk zo bestaan hebben als Vondel ons doet voorkomen, is niet echt belangrijk. Voor Vondel is het vooral van belang om te laten zien dat de plaats van het stadhuis veranderde al naar gelang de stad zich economisch ontwikkelde. De passage over de drie stadhuizen loopt vooruit op een bijzonder belangrijk argument, dat stelt dat ook het nieuwe stadhuis in het hart van de stad ligt.
Rome: de vergelijking als algemene waarheidNauw aansluitend op het verhaal over de drie stadhuizen geeft
Vondel door middel van een vergelijking nogmaals aan dat stadhuizen altijd in
het hart van de stad staan en dat gezagsdragers die plaats zorgvuldig plegen
uit te kiezen. We hebben al gezien dat de 17e-eeuwer zijn eigen situatie graag
vergelijkt met een gelijksoortige situatie uit de klassieke geschiedenis. De
gedachte die achter het trekken van zo'n vergelijking ligt is, dat de eigen
actuele situatie een universele betekenis krijgt als er duidelijke parallellen
zijn aan te wijzen met situaties uit de klassieke geschiedenis. Op deze manier
functioneert de vergelijking
als een algemene waarheid: immers, iets dat te allen tijde en op verschillende plaatsen voorkomt, moet wel een algemene geldigheid hebben.
Het Romeinse KapitoolHet Kapitool, oorspronkelijk een tempel gewijd aan Jupiter, vormde het religieuze en politieke centrum van Rome. Vondel laat de stichting van het Kapitool met het ontstaan van Rome samenvallen. Hij ziet Romulus als stichter van beide. Romulus koos na wijs en rijp beraad uit zeven bergen de Tarpejusberg, om daar het Kapitool op te bouwen. De Tarpejusberg was de meest ideale plaats omdat deze vlak aan de rivier de Tiber lag (vs 145-155). De Romeinse geschiedschrijver Livius schrijft dat het Kapitool op de op één na belangrijkste berg gebouwd is en dat die berg onder drie verschillende namen bekend is: De tweede Berch heeft driederley namen ghehadt. d'Aldereerste was Saturnius, (...). De Middelste, Tarpejus, (...): Die laatste is gheweest Capitolinus, omdat op 't hoochste ofte den top van desen Berch, ofte om beter te seggen van der geheeler Stadt, het Capitolium was. (Livius, I, fol. 3) Ook Livius noemt Romulus als stichter van Rome, maar hij stelt hem niet verantwoordelijk voor de bouw van het Kapitool. Als stichter van het Kapitool noemt Livius Tarquinius. Deze Tarquinius bouwde een tempel aan Jupiter gewijd, die pas later het Kapitool genoemd werd: Hij Tarquinius timmerde drie keyserlijcke tempelen binnen Romen, eenen den Afgod Iupiter op den berch die nu Capitolium genoemt wert, (...). (Livius, I, fol. 8) Door te zeggen dat Romulus het Kapitool op de belangrijkste plaats van Rome heeft gebouwd, kan Vondel een parallel gaan trekken met de Amsterdamse gezagsdragers die, ook na wijs en rijp beraad, het stadhuis in het hart van Amsterdam besluiten te plaatsen. Een verdere parallel tussen Rome en Amsterdam valt op te maken uit de beschrijving van het Kapitool. Het was door Romulus met ‘riet gedeckt’ (vs 152) en daardoor roept het overeenkomsten op met het eenvoudige eerste stadhuis dat zojuist beschreven is en eveneens ‘met riet gedeckt’ (vs 109) was. Een tijdgenoot van Vondel, de geschiedschrijver
Boxhornius, ziet in zijn
Beschryvinge van Hollandt (1632) ook duidelijke
overeenkomsten tussen de ontstaansgeschiedenis van Rome en Amsterdam. Zoals
Amsterdam is gesticht door eenvoudige vissers, zo is Rome door eenvoudige herders gesticht: Nochtans haer beginselen zijn cleyn gheweest. Alsoo dat ick die met gheen ander en can vergelijcken, als by Roomen, die Goddinne der Natien der Aerden, dewelcke haer oorspronck haelde niet anders als tot den Herder Romulus, ende de hutten der Herders. (Boxhornius, 21) Het eenvoudige met riet bedekte Kapitool zou later door de vorst Numa overvloedig met goud verfraaid zijn, zodat het leek of het Kapitool de zon in schittering de loef afstak. Numa heeft Rome van een kleine nederzetting tot een stad met leefregels, statuten en wetten ontwikkeld. Deze ontwikkeling maakt het noodzakelijk om het Kapitool in overeenstemming te brengen met de groeiende belangrijkheid van Rome. Livius zegt dat Numa de stad als het ware gebouwd heeft: Alsoo dat hy de Stadt wederomme op een nieuwe met statuten, goede policien, religien, ende goede manieren, gheheel gebouwet heeft. (Livius, I, fol. 4) Zo zal het Kapitool door alle eeuwen heen blijven getuigen van Rome's macht. Zelfs de Germanen uit het noorden, de ‘Noorsche bijl’ (vs 158), is het nooit gelukt Rome's grondvesten onder het puin te begraven (vs 156-160). Vondel toont door de parallel met Rome aan, dat een wijs en deugdzaam gezag altijd weloverwogen het middelpunt van de stad als plaats voor zijn stadhuis uitkiest. De conclusie hieruit is dat de plaats van het nieuwe stadhuis van Amsterdam ook de juiste plaats is. Rome's Kapitool werd verfraaid toen de stad in belangrijkheid toenam; het stadhuis van Amsterdam mag dus ook mooier en groter worden. Aan Rome hebben we kunnen zien hoe dit alles de stad ten goede kwam: zij had bijkans het eeuwige leven. Amsterdam mag dus ook rekenen op een veelbelovende toekomst.
De verschillen tussen Amsterdam en RomeDoor Amsterdam met Rome te vergelijken, brengt de dichter ook de
verschillen tussen beide steden naar voren. Want al staat zowel in Rome als in
Amsterdam het gezagscentrum in het hart van de stad, de plaatsen verschillen
toch wel sterk van elkaar. In Amsterdam staat het stadhuis aan een marktplein,
de Dam, en in Rome staat het Kapitool op een berg. De Hollanders zijn een
handeldrijvend volk en de Romeinen zijn een vechtersvolk. Omdat beide steden op
deze punten geheel van elkaar verschillen, komen de overeenkomsten des te
opvallender naar voren. Zonder twijfel hebben de gezagsdragers in Amsterdam en
Rome het belangrijkste punt van de stad, het hart, als plaats gekozen voor hun gezagscentrum.
Het besluit ten aanzien van het ontwerpWe hebben gezien hoe de Amsterdamse stadhuizen door de eeuwen heen in het economisch middelpunt van de stad hebben gestaan. Vervolgens is dit nog eens geïllustreerd door een vergelijking met het Romeinse Kapitool. Vondel gaat nu laten zien dat het Amsterdamse stadsbestuur, dat na wijs en rijp beraad tot de bouw heeft besloten, ook op weloverwogen wijze plaats en ontwerp van het nieuwe stadhuis heeft vastgesteld. Allereerst beschrijft hij hoe de vroedschap van Amsterdam een commissie heeft ingesteld bestaande uit vier leden van het college, die met het uitkiezen van het ontwerp voor het nieuwe stadhuis wordt belast. Deze commissie bestond uit de volgende leden: Cornelis de Graef, Anthony Oetgens van Waveren, Joan Huydecoper van Maerseveen en Jan Cornelisz Geelvinck (vs 162). Volgens Vondel koos de commissie na overleg met de financiële experts, de trezorieren, en de burgemeesters, uiteindelijk voor het meest geschikte ontwerp. Duidelijk wordt door Vondel de zorgvuldigheid benadrukt die de gezagsdragers betrachten bij de keuze van het ontwerp. Het ontwerp moet immers in overeenstemming zijn met de eer en het aanzien van Amsterdam, wil het in de raad een unanieme goedkeuring krijgen (vs 161-168). Over de commissie, in de samenstelling zoals Vondel die hier gegeven heeft, is weinig bekend. Het ontwerp van Jacob van Campen, dat uiteindelijk uitgekozen is voor de bouw van het nieuwe stadhuis, is één van de vele ontwerpen die gemaakt zijn. De 17e-eeuwer Dancker Danckertsz schrijft in het door hem uitgegeven boek met afbeeldingen van het stadhuis: dat het (ontwerp) door de E. Achtbare Raadt onder veel andere uyt gekozen was en heeft men na rijpen overleg, onder veel ghetekende Papieren en Modellen, de waardighste gekoozen, die door Jacob van Campen gheordineert waren. (Vennekool, Inl.)
Het besluit ten aanzien van de plaatsNu het beste ontwerp gekozen is, moet de plaats waar het nieuwe
stadhuis zal verrijzen bepaald worden. Natuurlijk gebeurt het kiezen van de
bouwplaats ook pas na zorgvuldig overleg van de gezagsdragers.
Vondel legt er de nadruk op dat de gezagsdragers goede
redenen hebben om de Dam uit te kiezen als de meest geschikte plaats voor een
nieuw stadhuis. De Dam staat in verbinding met belangrijke aan- en afvoerwegen:
door het IJ is de Dam verbonden met de zee, en via de Amstel met de
belangrijkste waterwegen zoals Rijn, Schelde, Waal en Maas, die de verbinding
vormen met de andere steden van de Republiek (vs 169-176). Het is het wijze gezag dat na zorgvuldig overleg de meest geschikte plaats uitgekozen heeft. Dit is te vergelijken met wat Vondel in de verzen 145-160 over Rome heeft gezegd: net zoals Romulus na wijs en rijp beraad het middelpunt van Rome, de Tarpejusberg, uitkoos als de beste plaats om het Kapitool te bouwen, zo koos het Amsterdamse gezag de plek waaraan het oude stadhuis stond, de Dam, als de meest geschikte plaats voor het nieuwe stadhuis.
Zoals de besluiten werkelijk tot stand kwamenHet is niet zo verwonderlijk dat het Amsterdamse gezag besloot over te gaan tot de bouw van een nieuw stadhuis. Zoals Vondel zelf al zegt, was het oude stadhuis bouwvallig en klein, waardoor het niet meer kon voldoen aan de eisen die een snel groeiende handelsstad stelde. Er moest telkens naar een nieuwe grote ruimte gezocht worden om alle onderdelen van de stedelijke huishouding te herbergen. Om aan deze onhoudbare toestand een einde te maken, stelden de burgemeesters op 28 januari 1639 aan de vroedschap voor een nieuw stadhuis te laten bouwen: Bij deselven Heeren (burgemeesters) is voorgestelt alszoo het stadthuijs vrij wat bouvalligh is tot veele plaetsen, zulx datter t'eenen of t'anderen tyde eenigh ongeluck uyt gevreest worden te zullen ontstaen, off men oock zoude konnen goedt vinden, inplaets van 't selve een nieuw te doen maecken. (Geciteerd via Swillens, 79, noot 227) Het was de eerste keer dat de vroedschap geconfronteerd werd met de problematiek rond het ontwerpen en bouwen van een nieuw stadhuis en zij besloot de situatie nauwkeurig te onderzoeken. Hiertoe werd een commissie ingesteld en haar bevindingen stemden overeen met die van de burgemeesters: het oude stadhuis werd te oud en te klein bevonden. Bovendien was het risico voor instorting groot. Op 28 januari 1640 besloot de vroedschap dan ook officiëel tot de bouw van het nieuwe stadhuis over te gaan. Opnieuw werd er een commissie in het leven geroepen, die tot taak had de benodigde plannen en tekeningen te laten maken en deze voor te leggen aan de raad. Ook trad zij in overleg met de schepenen inzake de koop van de huizen en erven in de onmiddellijke omgeving van het raadhuis. Dit laatste werd gedaan om een groot terrein te verkrijgen voor de bouw. De vroedschap had al besloten het nieuwe stadhuis op de Dam te laten verrijzen. Ook moest het gebouw in het belang van de stad veel groter worden dan het oude stadhuis. Dit besluit was blijkbaar grondig voorbereid. Voordat men tot de
definitieve bouw besloot, gingen de eerste huizen al in handen van de stad over. Volgens een lijst die de prijsopgaaf van de door de stad aangekochte huizen bevat, werd het eerste huis al in 1627 aangekocht: Huysen ende erven bij de stadt van tydt tot tydt aengekoft ende by taxatie aengenomen ten dienste van 't oudt ende om te maecken een nieuw stadthuys. (Geciteerd via Kroon, 8-9) Bij vergelijking van de aantekeningen op deze lijst met de stadsrekeningen blijkt dat de aankoop van huizen zelfs al in 1626 plaatsvond. Het is nogal merkwaardig dat de burgemeesters tot koop waren overgegaan, voordat de vroedschap zelfs maar ingelicht was over de plannen voor een nieuw stadhuis. Vondel doet alsof het hele verloop van de bouw zonder problemen ging, maar de werkelijkheid was anders. Zo kon men het blijkbaar niet eens worden over de grootte van het nieuwe stadhuis. Keer op keer werden de maten gewijzigd, terwijl men het ook niet eens kon worden over de precieze ligging. Vreemd genoeg begon men al in januari 1648 met heien, terwijl pas een half jaar later, 18 juli 1648, de definitieve grootte en ligging van het gebouw werden vastgesteld. De grootte van het terrein werd bepaald op 200 bij 280 voet en de lange zijde van het stadhuis werd naar de Dam gericht. De Vroedschapsresolutie van 1648 geeft een duidelijk beeld van de gang van zaken: Den 18e Julij 1648. resolutie voor desen hier op genomen, ende geapprobeert de voorsz grondt van twee honderdt tachtigh voeten breet ende omtrent twee honderdt voeten Langh, zoo als die bij de voorgemelte Heeren is geprojecteert ende gedaen affteijckenen, ende verstaen, datmen daer op met alle spoet jn 't werck zal treden, ende 't zelve zoo zeer doenlijck is avanceren. Ondanks al het geharrewar, waar Vondel niet over spreekt, heeft hij gelijk wanneer hij stelt dat het Amsterdamse gezag veel aandacht heeft besteed aan de voorbereidingen tot de bouw van het nieuwe stadhuis.
De wereldwijde faam van AmsterdamNu Vondel heeft laten zien hoe het Amsterdamse gezag na zorgvuldig overleg de meest geschikte plaats heeft gekozen, maakt hij van de gelegenheid gebruik om de wereldwijde faam van Amsterdam en het nieuwe stadhuis te roemen. Het nieuwe stadhuis, ‘ons trots gevaert’ (vs 177), is schitterend gelegen. Zijn voorgevel staat naar het oosten gericht, waar de zon opkomt. Zo kan de zon niet alleen de mensen met haar stralen verkwikken, maar ze kan tevens het stadhuis in haar stralenpracht vangen. De linker vleugel van het stadhuis staat naar de noordkant gericht, waar zij het oog kan houden op de talrijke handelsschepen op het IJ, die hun goederen komen afleveren. De rechtervleugel ziet uit op de Beurs en op de Amstel, waar Amsterdam zijn naam, Amstelodamum, aan te danken heeft: een naam die over de hele wereld vermaard is (vs 177-183). De Beurs, waar de burgers van Amsterdam en de kooplieden uit binnen- en buitenland bijeen komen om handel te drijven, is het symbool voor de Amsterdamse handel en welvaart (zie ook vs 437-469 en p. 92-93). Vondel gaat uitvoerig in op de handel van Amsterdam. Hij beschrijft hoe de talrijke schepen hun goederen naar alle plaatsen over de wereld brengen met de hulp van bekwame zeelieden ‘Die schuw van weide en ploegh, in zee te weide gaen’ (vs 187). Hierachter gaat de opvatting schuil dat een ieder datgene voor zijn levensonderhoud doet, waarvoor hij van nature het meest geschikt is. De Hollanders zijn van nature voorbestemd voor de zeehandel. Zowel de ligging van Holland als de mentaliteit van de bewoners vormen hiervan het bewijs. Deze opvatting is door Hugo de Groot helder verwoord: Het is algemeen bekend, dat de aard van onze zeekust en de werkzaamheid der Nederlanders de oorzaken zijn, dat de koopwaren van alle streken, naar welk land ook, van hier uit zeer gemakkelijk worden vervoerd, daar het volk als het ware voor de zeevaart is geboren; (...). De Groot, Recht op Buit, 155) Het Hollandsche volk wordt opgevoed in een koud, windrijk klimaat in het hooge Noorden, overal door water omringd, en een tallooze menigte leeft van kindsbeen af meer op zee dan op het land en is met de zee vertrouwd als met het vaste land; (...). (De Groot, Recht op Buit, 316) Het is dan ook een natuurlijke zaak dat Amsterdam als handelsstad wereldfaam heeft verkregen. Het is wel van belang dat de overheid dit inziet en er alles aan doet om de ligging van de stad en de aard van haar bewoners ten volle te benutten. Maar het Amsterdamse bestuur is zich volledig bewust van zijn taak.
Vondel heeft nu bewezen dat het nieuwe Amsterdamse stadhuis inderdaad in het hart van de stad ligt. Eerst heeft hij aan de hand van de geschiedenis van de stad laten zien dat dit hart gedefinieerd moet worden als het economisch centrum, en vervolgens heeft hij aangetoond dat ook de plaats van het nieuwe stadhuis daarmee in overeenstemming is. Hij kan nu overgaan tot het volgende gedeelte van zijn bewijsvoering: de standvastigheid van de overheid en de bouwmeesters ondanks alle tegenslagen tijdens de bouw. |