6. BEWIJSVOERING TEN AANZIEN VAN DE WAARDIGE ZETEL VAN HET GEZAG: EEN WELOVERWOGEN OVERHEIDSBESLUIT
|
565 nootdruft, levensbehoeften;
voedsel
577 baiert, chaos
|
Nadat Vondel heeft laten zien dat het nieuwe stadhuis in het middelpunt van de stad staat, gaat hij nu aantonen dat aan de bouw van dit stadhuis een overheidsbesluit ten grondslag ligt dat weloverwogen is genomen en standvastig is uitgevoerd.
|
595 recht bescheit, juiste
informatie
597 toetssteen, soort
leisteen
601 wit, doel
602 pais, vrede
602 in haeren krits voltogen,
volledig gerealiseerd
|
De scheppers van het nieuwe stadhuisVondel geeft eerst een beschrijving van de bouwwerkzaamheden, waarbij hij de scheppers van het nieuwe stadhuis de revue laat passeren: de architecten, de arbeiders, de bouwfilosofie als de bezielende kracht achter de bouw en de standvastige Amsterdamse overheid die tot de bouw heeft besloten.
De aanvoer van bouwmaterialenIn een overgangspassage wordt nogmaals de plaats van het nieuwe stadhuis, de Dam, benadrukt: het is een knooppunt van tien belangrijke wegen en waterwegen. De namen van deze tien wegen luiden tegenwoordig als volgt: de Kalverstraat, de Kromelleboogsteeg, de Paleisstraat, de Mozes en Aaronstraat, de Nieuwedijk, het Damrak, het Rokin, de Damstraat, de Beursstraat en de Warmoesstraat. Via het water van het Damrak kunnen de bouwmaterialen tot vlak voor het in aanbouw zijnde stadhuis gebracht worden (vs 549-554). Vondel vergelijkt de aanvoer van bouwmaterialen met de magische kracht van twee figuren uit de Griekse mythologie: Orfeus en Amfion. De zanger Orfeus kon met zijn lied de onbezielde natuur en de dieren naar zijn hand zetten. Amfion bespeelde zijn lier zo fraai dat de stenen in de nabijheid van Thebe werden betoverd en zich vanzelf tot een stadsmuur samenvoegden. Het snarenspel van Orfeus en Amfion bezat dus een bijzondere kracht: hun muziek symboliseerde de harmonie en eendracht. Vondel zegt dat de Amsterdammers de magische krachten van Orfeus en Amfion niet nodig hebben om aan hun bouwmaterialen te komen. Orfeus hoeft geen bossen te verplanten, want de Amsterdammers halen het hout dat nodig is voor de talrijke heipalen even gemakkelijk zelf uit de Scandinavische bossen. Ook het toverspel van Amfion is niet nodig voor het verzamelen van de bouwstenen, want de Amsterdammers zijn zèlf in staat de benodigde stenen bijeen te brengen. De Bremer- en Bentheimerstenen, waarvan het stadhuis wordt opgetrokken, worden via de rivier de Wezer snel en gemakkelijk verscheept. Het marmer wordt aangevoerd vanuit het Westen, waarschijnlijk uit Engeland en Schotland (vs 554-561). Maar uit betalingsposten van die jaren blijkt dat er ook marmer uit Livorno en Dinant is gebruikt.
De architecten Van Campen en StalpaertNiet alleen de aanvoer van bouwmaterialen wordt vergeleken met de
harmoniescheppende kracht van Orfeus en Amfion, ook de architecten van het
stadhuis worden met de mythische stedenbouwers vergeleken. Vondel laat de
Bentheimerstenen dansen en het is de harmonische ‘maetzang’ (vs
561) van de hardwerkende bouwmeester
Van Campen en zijn hoofdopzichter Stalpaert, die er zorg voor draagt dat de bouw, ondanks alle rampen en ‘opspraeck’ (vs 563), voort kan gaan. Van Campen en Stalpaert zijn de scheppers van harmonie, want zij bewerkstelligen door de bouw van het stadhuis de eendracht van de gemeenschap (vs 561-564). Dezelfde vergelijking met het snarenspel van Amfion die harmonie
en eendracht voortbrengt, treffen wij aan op een gedenkpenning die ter
gelegenheid van de inwijding van het nieuwe stadhuis in 1655 is geslagen. De voorkant van deze penning laat het stadhuis en Amfion met zijn lier zien. Op een steen aan Amfions voeten staan de namen van de toenmalige burgemeesters. Het randschrift aan de voorkant van de penning luidt: FUIT HAEC SAPIENTIA QUONDAM, ‘Dit was vroeger de wijsheid’. Op de keerzijde van de penning is de Amsterdamse haven te zien met een groot schip op de voorgrond. Het randschrift hierbij luidt: PELAGUS QUANTOS APERIMUS IN USUS, ‘Tot welke grote voordelen wij de zee openen’. Bij deze penning heeft Vondel bijschriften geschreven. In het bijschrift bij de voorzijde adviseert hij de gezagsdragers zich aan de ‘maetzang’ van Amfion te houden. Want alleen door maat te houden is de overheid in staat zijn taken goed uit te voeren:
Wat Van Campen en Stalpaert betreft, zegt Vondel dat zij zich door
‘rampen en opspraeck’ (vs 562-563) niet uit het veld laten slaan.
Hij wijst daarmee terug naar de tegenslagen en de klachten van de Amsterdamse
bevolking over de kosten van de bouw, die hij in de voorafgaande passage
behandeld heeft. Ten onrechte kan men de indruk krijgen dat Vondel hier
zinspeelt op onaangenaamheden die zich destijds zouden hebben voorgedaan tussen
Van Campen en Stalpaert. In 1648 kreeg de bouwmeester Van Campen door de
Amsterdamse burgemeesters een hoofdopzichter toegewezen in de persoon van
Daniël Stalpaert. Stalpaert had de titel van
stadsarchitect, maar zijn taak was niet anders dan toezicht te houden op de
bouw van het stadhuis. In 1654, voordat hij zijn werkzaamheden aan de
stadhuisbouw geheel voltooid had, trok Van Campen zich terug en vanaf dat
moment trad Stalpaert op als zelfstandig bouwmeester. Hedendaagse onderzoekers
zijn naar redenen gaan zoeken, die het vroegtijdige afhaken van Van Campen
zouden kunnen verklaren. Een ruzie tussen de bouwmeester en de hoofdopzichter
zag men als de meest voor de hand liggende oorzaak, temeer daar Stalpaert het
werk van Van Campen na 1654 heeft overgenomen. Zo is het verhaal de ronde gaan
doen dat Van Campen de hoofdopzichter verantwoordelijk heeft gesteld voor de
vele veranderingen die zijn aangebracht in het oorspronkelijke ontwerp. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat Stalpaert deze veranderingen zelfstandig heeft aangebracht. Hij had immers alleen te gehoorzamen aan de wil van de burgemeesters. Hoe dan ook, er is geen enkel document waarin staat waarom Van Campen zich uit de stadhuisbouw heeft teruggetrokken: het blijven allemaal veronderstellingen.
De arbeiders vergeleken met mierenVervolgens wordt het verloop van de bouwwerkzaamheden en de daarmee samenhangende noeste vlijt van de arbeiders beschreven. Om de intensiteit en organisatie van de arbeid aan te duiden, worden de arbeiders vergeleken met mieren (vs 565-575). De vergelijking is ontleend aan de Aeneïs van Vergilius. De bouw van het stadhuis verloopt op dezelfde manier als de mierenarbeid, gestaag, onder strakke leiding en goed georganiseerd. Zoals de mieren werken voor hun noodzakelijke levensbehoeften, zo werken de arbeiders aan de bouw van het stadhuis dat noodzakelijk en nuttig voor de gemeenschap is. Alles in de bouw verloopt vlot en economisch. Zelfs het steenafval kan nog nuttig gemaakt worden als schuurzand en komt zodoende de stadskas ten goede (vs 576-584).
De filosofie van de bouwkunstDe plaats, de bouwmaterialen en de inzet van bouwmeesters en arbeiders zijn de eerste vereisten voor het tot stand komen van een groots bouwwerk. Maar wat zeker niet minder belangrijk is, is het principe van de bouwkunst dat schuil gaat in het ontwerp. Dat is de bezielende kracht achter de bouw, of, zoals Vondel zegt, de ‘stichtheer’ (vs 589) van het stadhuis. Tijdens de renaissance en de daarmee samenhangende herontdekking van de klassieken, kwam ook de klassieke bouwkunst opnieuw in de belangstelling te staan. De bouwkundige verhandelingen van de Romeinse bouwmeester Vitruvius, die omstreeks 50 v.Chr. in dienst van keizer Augustus was, zijn de enige geschriften over bouwkunst die uit de Oudheid zijn overgeleverd. Volgens Vitruvius moet een bouwwerk aan drie eisen voldoen; het
moet duurzaam, nuttig en schoon zijn, de drie eisen die Vondel ook noemt (vs
589-590). De klassieke eis van duurzaamheid slaat op de stevigheid van de bodem
waarop de grondvesten van een gebouw steunen en op de bouwmaterialen. Aan de
eis van nuttigheid wordt voldaan wanneer het hele bouwwerk zo functioneel
mogelijk van opzet is en alle onderdelen zo rationeel mogelijk geordend zijn.
Tenslotte voldoet een gebouw aan de eis van schoonheid als alle delen waaruit
het is opgebouwd met elkaar overeenstemmen, zodat het bouwwerk een symmetrische en harmonische eenheid vormt. Als in een gebouw deze drie eisen op elkaar afgestemd zijn, dan vormt het zo'n volmaakt geheel dat het harmonie uitstraalt. Het meesterschap van de bouwmeester heeft dan getriomfeerd en zijn werk zal eeuwenlang worden geprezen. Omdat het stadhuis een schoon, nuttig en duurzaam bouwwerk moet worden, heeft men de klassieke bouwkunst tot leidsman gekozen. Verderop in het gedicht komen de functionele opzet (de eis van nuttigheid) en de harmonische schoonheid (eis van schoonheid) van het nieuwe stadhuis aan de orde. Hier (vs 585-594) gaat Vondel alleen even in op de duurzaamheid. De sterke Bremersteen heeft men gebruikt voor de muren aan de zuid- en westzijde omdat die het meest te lijden hebben van regen en sneeuw. Voor de noord- en oost- zijde van het stadhuis heeft men de zachtere Bentheimersteen genomen. Vondel vergelijkt het stadhuis met ‘een rots’ (vs 586) om de stevigheid en duurzaamheid van het stadhuis nog eens extra te benadrukken. Deze rots is ‘tweehonderttachtigh breet, en tweehondert voeten diep’ (vs 587). Daar het stadhuis aan de eis van duurzaamheid voldoet, zal het nog eeuwenlang kunnen getuigen van het meesterschap van de bouwmeester. Bovendien zal het stadhuis de eeuwenoude roem, de ‘gryze Faem’ (vs 594), van de zeven wereldwonderen evenaren en als achtste wereldwonder de geschiedenis in gaan. Vondel is niet de enige die het stadhuis vergelijkt met de zeven wereldwonderen, ook Huygens spreekt op de marmeren gedenksteen in de Burgemeesterskamer over het stadhuis als van ‘'s Werelds Achtste Wonder’ (zie p. 28).
De overheid onthult de GedenksteenNu Vondel de concrete uitvoering van de bouw van het stadhuis besproken heeft, gaat hij terug naar het stadsbestuur. Van het besluit tot de bouw getuigt de gedenksteen van de eerste steenlegging in 1648, die in de Vierschaar van het nieuwe stadhuis is aangebracht (vs 595-612). Alhoewel de plannen van de bouw al ver voor 1648 waren gemaakt, werd het nieuwe stadhuis beschouwd als een symbool van de vrede van Münster die dat jaar was gesloten. Reyer Anslo heeft in 1649 een bundel samengesteld, de Olyf-krans der Vrede. Hierin staat het gedichtje ‘Aan de Vreede, Op de grondtbouw van 't Stadthuis’, waarin Anslo het nieuwe stadhuis beschrijft als een monument van de vrede:
Uit het bundeltje van Anslo blijkt dat vooraanstaande dichters bij de vredesfestiviteiten een gedicht op de vrede hadden geschreven en voorgedragen. Ook Vondel zou een ‘Vreede-zang’, opgedragen aan de vier burgemeesters, hebben voorgelezen. Bovendien heeft Vondel naar aanleiding van de eerste steenlegging een Bouwzang geschreven waarin hij eveneens aan de pas gesloten vrede refereert. Degene die wil weten wanneer en door wie het besluit tot de bouw genomen is, wordt door Vondel verwezen naar de gedenksteen (vs 595-600). Op deze zwart marmeren steen, een zogenaamde toetssteen, staat een beeld van de Amsterdamse stedemaagd. Aan haar voeten staat met gouden letters een in het Latijn gestelde inscriptie. Vondel parafraseert deze inscriptie in de verzen 600-610. Hij luidt in vertaling als volgt: De 29e oktober 1648, in het jaar, toen de oorlog is beëindigd, die de Verenigde Nederduitse volken met de drie machtige Philippen, koningen van Spanje, te land en te zee, bijna in alle delen van de wereld hebben gevoerd gedurende meer dan tachtig jaar, nadat de vaderlandse vrijheid en godsdienst verzekerd waren, hebben, onder de regering van de voortreffelijke vredestichtende Burgemeesters, Gerb. Pancras, Jac. de Graef, Sib. Valckenier, Pet. Schaep, zonen en bloedverwanten van de Burgemeesters, door het leggen van de eerste steen, dit stadhuis gegrondvest. (Geciteerd via Vondel, Inwydinge, ed. Kronenberg, 87) De auteur van dit opschrift is volgens Vondel ‘Polsbroeck’ (vs 598), te weten burgemeester Cornelis de Graef, Vrijheer van Zuid-Polsbroeck. De eerste steenlegging heeft plaatsgevonden door jeugdige familieleden van de vier burgemeesters. Vondel besluit met de vermelding dat het hele volk zijn gezagsdragers zegen toewenst tot ook de laatste steen op zijn plaats zal liggen (vs 610-612).
|