9. UITWEIDING: DE STAD IN VOGELVLUCHT
|
748 wilt, nl. de
misdadigers
751 raeght, veegt... weg
757 verlege wandelgasten, arme
zwervers
763 geleigelt, convooigeld
|
|
789 koorglas, raam van het
koor
804 ontmomt, onthult
|
|
820 sackerdaen, houtsoort
825 vlieten, stromen
828 vrecke, hebzuchtige
831 nootdurft,
levensbehoeften
833 schaelgifte, aalmoes
839 stevest, stadswallen
840 vaeght, vrijwaart
842 Eiderste, Eiderstedt in
Sleeswijk
843 klepper, rijpaard
|
Middenin de beschrijving van de buitenkant van het stadhuis veroorlooft Vondel zich een uitstapje naar de omliggende stad. Dit is niet de enige keer dat hij zijn rondleiding langs de buiten- en binnenkant van het stadhuis zal onderbreken met een vrij lange uitweiding. Verderop in het gedicht, tussen de beschrijving van de buitenkant en die van de binnenkant (zie vs 897-936 en p. 140-144), zal hij ingaan op de historische ontwikkeling van Amsterdam. Hier brengt hij een aantal ongetwijfeld zeer vertrouwde gebouwen bij zijn publiek in herinnering, om daarmee te illustreren dat de frontons een gebouw (het stadhuis) insluiten dat als het ware alle belangrijke gebouwen en instellingen van de stad in zich draagt (vergelijk vs 65: ‘Veel duizent huizen, als in een Stehuis gesloten’). Als hij al die gebouwen echt goed zou willen beschrijven, zou hij
daar evenveel tijd voor nodig hebben als voor de beschrijving van het stadhuis
zelf. Vondel verontschuldigt zich dat hij de openbare gebouwen zo beknopt zal
behandelen: Amsterdam is zo'n belangwekkende en fraaie stad dat ze eigenlijk
meer verdient dan een summiere beschrijving. Hij zou Amsterdam, de koningin der
handelssteden, willen sieren met Cybeles torenspitsen met daarop een gouden
weerhaan die aangeeft uit welke richting de handelsvloot komt aanzeilen. De
klassieke godin Cybele, moeder der goden, draagt namelijk een kroon van torens als symbool van haar heerschappij over de aarde (vs 737-744). Toch noemt Vondel inderhaast nog een groot aantal instellingen en gebouwen. Als eerste geeft hij een overzichtje van wat de sociale zorg de Amsterdammer in die tijd zoal te bieden had.
De sociale zorg: de weldadigheidHet bestaan van stedelijke instellingen ten behoeve van de burgers was gebaseerd op een opvatting die de sociale zorg, als vorm van weldadigheid, vooral zag als overheidstaak. Deze opvatting was aan het eind van de 16e eeuw opgekomen naast, en in plaats van, de middeleeuwse visie die de weldadigheid meer zag als de verantwoordelijkheid van de kerk en het individu. Ook deze opvatting vindt men geformuleerd in het werk van Hugo de Groot: Maar waar kan zich de Mildheid van ieder der inwooners krachtdaadiger in betoonen, dan in 't opbrengen van belastingen en het doen van opofferingen aan den Staat? (De Groot, Parallelon, II, 19) Deze bereidheid tot weldadigheid, tot geven, werd volgens De Groot zowel bij 's lands ingezetenen als bij de overheid tot een ware volksdeugd: (...) een ruime en milde Weldaadigheid (is) steeds onder ons zoo zeer een Volksdeugd geweest, en heeft zich niet alleen in het gantsche leven der ingezetenen van ons Vaderland, maar ook in het bestuur onzer Overheden zoodanig ingevlochten (...). (De Groot, Parallelon, II, 195) En dit resulteerde in een overvloed aan menslievende instellingen: Zoo veel menschlievende Stichtingen (zijn) in al onze Steden opgericht, zoo veel aanzienlijke Capitaalen, van tijd tot tijd in de Kas der behoeftigen gestort; zoo velerlei soort van ondersteuning, aan noodlijdenden van allerlei aart, (...). (De Groot, Parallelon, II, 195) Welke stad de 17e-eeuwer ook maar binnenwandelde, een keur van op liefdadigheid gegrondveste instellingen trof zijn oog: Wilt gij de steden zelven binnentreeden, gij zult 'er, behalven Kerken en derzelver Torens, ook Hospitaalen, Gasthuizen, Weeshuizen en dergelijke soorten van gebouwen van eene prijswaardige menschlievendheid in aantreffen; (...). (De Groot, Parallelon, II, 20) Zo werd ook in Amsterdam iets van het geld, zo nijver verdiend in
de koophandel, gebruikt ter ondersteuning van leden van de gemeenschap. In de meeste gevallen echter konden alleen de ‘burgers’, zij die ingeschreven stonden als poorter, van deze instellingen gebruik maken. Voor de grote massa van het volk, en dat waren degenen die het toch het meeste nodig hadden, waren er vrijwel geen voorzieningen.
Sociale instellingenAls eerste van de sociale instellingen (vs 745-765), noemt Vondel het Burgerweeshuis, het tegenwoordige Amsterdams Historisch Museum, gelegen aan de Kalverstraat en door hem aangeduid met ‘Lucy’, naar het 16e-eeuwse Sinte Luciënklooster waarin het gevestigd was. Nog heden ten dage herinnert de naam St. Luciënsteeg aan het bestaan van dit oude klooster. In het Burgerweeshuis werden wezen ondergebracht die beide ouders verloren hadden en die geen geld hadden voor eigen onderhoud; dit in onderscheiding van de wezen die wel eigen geld bezaten en die verzorgd werden door de weesmeesters (zie commentaar vs 999): (...) deze wezen (...) die in 't Weeshuis komen, en daer groot gemaekt worden, (verschillen) voornamelijck hier in, dat deze laetste geen middelen hebben, om te leven, en beide van vader en moeder berooft, moeten zijn, eerze daer in mogen komen (...). (Dapper, 487) Vervolgens noemt Vondel het Rasphuis, of tuchthuis, waar gevangen mannen Braziliaans hout moesten raspen voor de verfindustrie. Het Rasphuis lag aan de Heiligeweg waar nu een zwembad gehuisvest is; de poort van het zwembad is nog van het oude Rasphuis. Daarna komen achtereenvolgens aan de orde het Spinhuis, waar vrouwen van lichte zeden moesten spinnen, en het Dolhuis, het gekkenhuis waar de patiënten volgens Dapper een uitzonderlijk goede verzorging kregen: De kranken worden hier van alles wel, met goede spijs en drank en andere behoeftigheden, verzorght, en geslagen noch aen 't werk gezet, gelijk in zommige steden van Hollandt wel gebruikelijk is. (Dapper, 435) Het St. Pietersgasthuis wordt genoemd, waaraan de dichter Samuel Coster als arts verbonden was; de Beiaard, waar daklozen drie dagen kosteloos konden overnachten; en het Oudemannen- en vrouwenhuis. Van een enigszins andere orde is de Admiraliteit, die in het ‘Admiraelshof’ zetelde en die de zorg had voor de veiligheid op zee: Hun ampt bestaet hier in, datze zorgen moeten dragen, dat de Zee, zoo veel als het mogelijk is, van alle vyanden en rovers gezuivert word en de koopvaerdyschepen in zekerheit na hun bestemde plaetsen, met een zeker getal oorlogsschepen geleidt worden, (...). (Dapper, 451) Op alle waren die de schepen vervoerden werd ten behoeve van de veiligheid convooigeld geheven. Hendrik Spiegel was hiervan in de tijd dat Vondel zijn gedicht schreef, de ontvanger-generaal. Het ‘Admiraelshof’, ofwel Prinsenhof, diende in Vondels tijd als onderkomen voor hoge gasten; tegenwoordig zetelt het stadhuis daarin. Wel weer een sociale instelling is het Begijnhof, gelegen naast het Burgerweeshuis.
Kerkelijke instellingenVondel maakt nu een ronde langs de kerkelijke gebouwen (vs 766-792). De Zuiderkerk, de Noorderkerk en de Westerkerk worden slechts terloops genoemd; in vs 341-412 heeft Vondel de Nieuwe Kerk uitvoerig behandeld (zie p. 86-91), nu wordt de Oude Kerk die eer bewezen.
De Oude KerkOok de Oude Kerk wordt weer met de oude katholieke naam betiteld, ‘Sint Niklaes’, naar haar beschermheilige. Uit het orgel komen hemelse geluiden wanneer het bespeeld wordt door Sweelinck. Dirck Sweelinck was tot aan zijn dood in 1652 organist van de Oude Kerk geweest (zie ook p. 96). In aansluiting daarop beschrijft Vondel de orgeldeuren die, evenals de orgeldeuren van de Nieuwe Kerk (zie vs 355-384 en p. 89-90), beschilderd zijn met voorstellingen uit het leven van Koning David, in dit geval door de 16e-eeuwse Nederlandse schilder Maarten van Heemskerck. Op de afbeeldingen op de orgeldeuren zien we David dansend voor de
Bondskist, de kist met stenen wetstafelen, die hij heeft overgebracht naar
Jeruzalem. Zijn vrouw Michol beschimpt hem; zij vindt het een koning onwaardig
op deze wijze zijn vreugde te laten blijken. Maar David verweert zich door te
zeggen voor het aangezicht van God te dansen. Vervolgens laat David de
Bondskist rond de muren van Jericho dragen om de val van deze stad te
bewerkstelligen. Weer valt aan te nemen dat Vondel juist op deze schilderingen
zo uitvoerig ingaat omdat David werd gezien als symbool van het goede gezag.
Van de afbeeldingen op het orgel gaat Vondel over op de afbeeldingen op de
kerkramen van de Lievevrouwskapelle, de Mariakapel van de Oude Kerk. Op de
ramen daarvan zien we de Aankondiging en de Geboorte van Christus en Diens
voorstelling in de tempel. Vondel komt hier even met een stukje kunsttheorie
als hij stelt, dat de schilder door kleurgebruik, de uitbeelding van emoties en
de kompositie tot een natuurlijke weergave is gekomen die de grootste meesters tot voorbeeld kan dienen. Over de koorramen waarop de wapens van de burgemeesters stonden afgebeeld, wil Vondel zwijgen, als ook over het graf van ‘Ridder Heemskerck’ en de Nieuwezijds kapel. Hiermee herinnert hij de lezer er nog even aan dat hij deze uitweiding niet te lang wil maken. Jacob van Heemskerck, de zeeheld, ligt begraven in de Oude Kerk. Op zijn graf staat een geestig grafschriftje van P.C. Hooft:
In de beschrijving van de Oude Kerk valt de parallel met de beschrijving van de Nieuwe Kerk heel sterk op: weer worden de orgeldeuren beschreven, weer wordt het graf van een zeeheld genoemd. Opnieuw refereert Vondel met de orgeldeuren aan het gezag en met het graf van Heemskerck aan de weerbaarheid van de stad. Herhaling is nu eenmaal de beste leermeester.
Instellingen tot lering en vermaakVondel gaat nu over tot de beschrijving van twee instellingen ter verstrooiïng van Amsterdams burgers (vs 792-810). In 1632 werd het Atheneum Illustre geopend in het voormalige Agnietenklooster aan de Oude Zijds Achterburgwal. De hoogleraren Gerardus Vossius (1577-1632) en Caspar Baerlaeus (1584-1648) werden aangetrokken om de Amsterdamse jeugd te onderwijzen: (...) van Leiden (werd) beroepen D. Gerard Vossius, een man in alle deughden en wetenschappen geoeffent en ervaren, (...) en de Heer Kaspar van Baerle, die ook op het inwyen van deze doorluchtige school een treffelyke oratie, Mercatore Sapiente, dat is, van den wijzen koopman, deed. (Dapper, 439) Het was een ieder toegestaan tegen betaling de colleges bij te wonen. Vooral de colleges anatomie, waar ter verruiming van de kennis lijken ontleed werden, trokken veel nieuwsgierige toeschouwers. De tweede instelling tot lering en stichting van de burgers die Vondel beschrijft, is de schouwburg. Op zondag 3 januari 1637 was de nieuwe schouwburg feestelijk ingewijd; het oude gebouw was door brand geheel verwoest. Vondels Gysbreght van Aemstel werd op de openingsdag als inwijdingsstuk vertoond. De ingang van de schouwburg was aan de Keizersgracht nr. 384. In de architraaf van de toegangspoort was het veel geciteerde vers van Vondel uitgebeiteld:
De Lucifer-affaireVondel gaat uitvoerig op de schouwburg in. Nog vers in het geheugen lag het drama rond zijn Lucifer (1654). Vondel neemt de kans te baat om naar deze kwestie te verwijzen. De Lucifer behandelt de bijbelse geschiedenis van de opstand en val van de engel Lucifer. Vondel gebruikt Lucifer als voorbeeld van de algemeen menselijke hoogmoed. In zijn schildering van het verzet van de opperengel tegen God en de gevolgen daarvan geeft hij zijn visie op rebellie in het algemeen, van vorsten tegen God, van burgers tegen vorsten. Een waarschuwing aan het adres van de staatszuchtigen: hoogmoed komt voor de val. Slechts tweemaal werd het stuk in de schouwburg ten tonele gebracht, op 2 en 5 februari 1654, beide keren onder een grote toeloop. De opvoering wekte echter de woede op van sommige predikanten; zij wezen openlijk af dat men zulke bijbelstof en met name de hemel en engelen op het toneel bracht. Het stuk was, naar het zeggen van Geeraerdt Brandt (...) ten opzicht van de stoffe en 't uitwerken veel opspraaks onderworpen. Sommige Predikanten bestraften opentlijk op stoel, dat men zulke bybelstof, en den hemel met d'Engelen, op het tooneel braght: dat men 't Heilige vermengde met menschelyke vonden, en daar een spel van maakte. (Brandt, 45) Op aandringen van de predikanten werden de voorstellingen verder afgelast, maar het stuk was al in druk verschenen. Als gevolg van de door de predikanten veroorzaakte rel werd de hele oplage van duizend stuks binnen acht dagen verkocht: Doch dat tegenstreven verwekte te grooter nieuwsgierigheit om te leezen 't geen men verboodt te speelen: de gansche druk van duizendt boeken werdt in acht daagen tydts uitverkocht (...). (Brandt, 45) De predikanten lieten het er niet bij; ze drongen er bij de burgemeesters op aan de oplage in beslag te nemen. Slechts formeel werd aan hun verzoek gehoor gegeven, voor de rest werd de zaak op zijn beloop gelaten. Nog in hetzelfde jaar kwamen maar liefst zes drukken van de pers. Als voorbeeld van de felle reacties op de Lucifer, citeren we de predikant Petrus Leupenius: Ik hoop, dat de spookerije van Lucifers val een voorspook is van synen eigenen vall, wanneer de menschen, siende syne ydele vermeetelheid, een walging van zulk een stinkend aas sullen krygen. En God doe hem die genaade, dat hy, gevallen synde, door een waare boetvaerdigheid mag opstaan, eer dat hy teenemaal vervalle by synen Lucifer in de onderste Helle, in de vlamme van het onuitblusschelyk vier. (Geciteerd via Te Winkel, IV, 257)
De schouwburg verheft de zedenNa de opvoedende functie van de Lucifer verdedigd te hebben, benadrukt Vondel nu de opvoedende functie van toneel in het algemeen. Hierin stond hij niet alleen, de meeste dichters waren het eens over het belang van het toneel: (...) de Poëzy, (heeft), kracht (...) om de deught met vermaak den menschen in te boezemen, en den gemoederen een afkeer van snoode stukken in te planten, tot het goede door 't loven t'ontsteeken, en van 't quaade door 't laaken af te schrikken, (...). (Brandt, 1) De toneeldichter ontleent zijn onderwerpen aan de bijbel, ‘heiligh’, en aan de geschiedenis, ‘onheiligh’ (vs 808), om zo het wettelijk gezag en de overheid te eren.
Overige openbare gebouwenNa de wat langere uitweiding over de Lucifer, gaat Vondel weer door met zijn opsomming van de gebouwen: het St. Jorishof, of Proveniershuis, een gaarkeuken; het Heerenlogement, waar aanzienlijke heren de nacht konden doorbrengen en waar tevens de veiling van onroerend goed plaatsvond; het ‘Ostindisch huis’, het pakhuis van de VOC, en het ‘Westindiaensche’, het pakhuis van de WIC; en tal van andere gebouwen en instellingen (vs 811-864). Aangezien Vondel in zijn Inwydinge voortdurend op het belang van de handel voor Amsterdam terugkomt, is het goed om even bij de compagnieën stil te staan, alhoewel hij op deze plaats niet op het handelsaspect ingaat, maar slechts de gebouwen noemt (vs 815-818). De Vereenigde Nederlandsche Geoctroyeerde Oost-indische Compagnie, opgericht in 1602, was uitgegroeid tot de grootste commerciële onderneming van het land: De Maetschappy van kleen opgekomen, is heden door Godts genade zoo hoogh geklommen en gesteigert, dat elx ingeleide hooftzom menighmael verdubbelt is. De zelve Maetschappy licht krijghsvolk op haer eige kosten, brengt legers te velde, slaetze neder, breekt op, oorlooght in de andere werelt, verovert Steeden, overweldight Eylanden, (...) verlicht niet weinigh het Vaderlandt van den last des oorloghs. (Dapper, 449) Aan alle inwoners van de Republiek werd gelegenheid geboden in de
Compagnie te participeren, waarmee deze tot een nationale onderneming verheven
werd.
Fokkens beschrijft het enthousiasme waarmee de Amsterdammers de schepen binnenhaalden: Haar eerste Rijk geladen Schepen gelukkelijk in Amsterdam van Indien inkomende, wierden met groot gejuych zoo van 't Luyden der klokken, als andere vreucht-teykenen verwellekomt. (Fokkens, 53) De West-Indische Compagnie was, na eindeloze strubbelingen, in 1621 opgericht. De Braziliaanse bezittingen van deze Compagnie waren in 1654 na een lange strijd door de Portugezen veroverd. Vondel stipt de Braziliaanse ellende even aan; hij hoopt dat de WIC Brazilië weer op de Portugezen zal heroveren. Fokkens hoopt in 1662 nog steeds op deze herovering: Met dese kompagnie zijn de zaken dapper verloopen, door te grooten geloof dat men de Portugesen in Brasilien gaf, daar uyt eerst een verraadt en daar na een Oorlogh ontstondt, en soo hebben dese schelmen Brasilien met listige verraderye aan haar gekregen, wy hoopen dat zulks noch een weer op haar kop zal komen, en dat onze Hollanders en Zeeuwen haar oude moedigheydt eens zullen toonen, en ontweldigen 't de Geweldenaars. (Fokkens, 181) Onverdroten zet Vondel zijn opsomming voort (vs 819-838): het Schrijnwerkerspand, het gildehuis van de schrijnwerkers of kistenmakers die hier hun waren te koop aanboden; de Vleeshal, die eertijds de St. Pieterskapel van de vissers was geweest; de Bank van lening, waar de arme man zijn huisraad kon belenen; het Geschutshuis, waar geschut en klokken werden gegoten; de Stadskorenschuur, waar stadsgraan werd opgeslagen om in dure tijden speculatie van de koopman te voorkomen en de burgers aan graan te helpen; de Steenhouwerij en de Stadstimmertuin; het Aalmoezeniershuis, waar behoeftigen bedeeld werden; het Huiszittenvadershuis, waar de huiszittenvaders, voogden der armen, dezen bedeelden met brood en turf; en als laatste de Schermschool, waar de schutterij geoefend werd. Tenslotte laat hij nog een aantal gebouwen de revue passeren door aan te kondigen dat hij ze niet zal noemen, een rhetorische truc om het eventuele ongeduld van de lezer te sussen: het Pesthuis, dat even buiten de stad gelegen was; de Ossenmarkt; de Manege, waar jonge aristocraten de paardensport beoefenden; de scheepstimmerwerf van de Admiraliteit; het Bickerseiland met zijn vele scheepswerven; het Werkhuis, waar nietsnutten aan het werk gezet werden. Er waren speciaal mensen aangesteld Om dit geboefte en deze luie bedel-zakken van den straet te houden, die den geheelen dagh langs der strate loopen om dit volk op te vangen, en in dit huis te brengen. (Dapper, 419-420) Na ook nog de ‘Wael’, de twee binnenhavens aan het IJ, de vele bruggen, en het kantoor van het zeerecht te hebben genoemd, roept Vondel ter afsluiting het beeld op van de stad zoals die, met bolwerken en wallen, als een bastion oprijst uit het vlakke land, weerbaar tegen alle vijanden. Met deze lofzang op zijn stad beëindigt hij de uitweiding om terug te keren tot zijn eigenlijke onderwerp: het nieuwe stadhuis van Amsterdam.
|