[p. 140]

11. UITWEIDING: DE HISTORISCHE ONTWIKKELING VAN DE STAD

      Toen Romulus begon zijn nieuwe stadt te bouwen,
 Met kracht, op Palatyn, uit louter rots gehouwen,
 Omtrent den Tyberstroom, en met een smalle gracht
900
 Omtrocken voor gevaer; had iemant oit gedacht
 Dat deze stadt al d'aerde en zee zou wetten stellen;
 Zoo menigh aertsgewelt en Rijck ter nedervellen,  902  
 Gelijck een Keizerin der weerelt, die het zwaert
 Uit 's hemels troon ontfing, en niemants wrevel spaert?
905
 Toen Kennemaers, van outs, om 's Graven moort te wreecken,
 In Gysbrechts houten muur den peckstock quamen steecken,
 Zoo menigh rieten dack begraven in zyne asch,
 Wel tweewerf achtereen; had iemant op dit pas  908  
 Gelooft dat zulck een nest, nu andermael begraven,
910
 Verryzen zoude, om noch behantvest van 's lants Graven,  910  
 Ten toon te staen, zoo trots, gelijck een lantspylaer,
 En uitstaen zoo veel noot en lant- en- zeegevaer?
      Toen Amsterdam herbouwt, omgort met steene muuren,
 En toornen half gebrant, zoo bitter moest bezuuren
915
 Den honger van het los verreuckeloosde vier;  915  
 Had iemant wel gedroomt dat deze in 't lest dus fier
 Haer kroon verheffen zou, na 'et entloos ooreloogen,
 Met zulck een heerlijck dack en overwelfde boogen?
 Gelyck dit Raethuis nu geen Kapitoolen wijckt,
920
 Dat, als een schim den mensch, het out Stehuis gelijckt,
 En, onder 't branden van het oude, quam te wassen  921  
 Uit ydel puin, en roock, en smoock, en stof, en assen;
 Gelijck de Fenix wort herboren uit de vlam,
 En 't vaderlijcke lyck: dies roept nu Amsterdam:
925
 Laet Nijt, gevalt haer dit, zich by mijn koolen warmen;
 Hier staet het spreeckwoort vast, dat branden niet verarmen
 Het afgebrande huis: gelijck nu menighwerf
 902  aertsgewelt, aardse macht
 908  pas, ogenblik
 910  behantvest, met handvesten
 915  verreuckeloosde vier, veronachtzaamde vuur
 921  wassen, groeien


[p. 141]

 
 De brant tot viermael toe verheerlijckte mijn erf,
 En stadt, en Stedehuis, waer by men klaer kan mercken
930
 Hoe 't lot behaegen neemt door strijdigheên te wercken,
 Te zeegnen, onder schijn van vloeck elende en ramp.
 Zoo blinckt de zon op 't schoonst, die aenbreeckt uit den damp.
 Zoo lant de vloot, na storm, geluckighst in de haven.
 De scha van haverye en packen te begraven,
935
 In 't onweêr, wort met vreught door overwinst geboet,
 En zet het rijck kantoor op eenen vaster voet.

Nu de lezer de buitenkant van het nieuwe stadhuis heeft gezien, zal Vondel hem meenemen naar binnen. Maar voordat hij hem over de drempel loodst, onderbreekt hij weer zijn rondleiding, nu om in te gaan op de historische ontwikkeling van Amsterdam.

Al eerder in het gedicht is de historische ontwikkeling aan de orde geweest aan de hand van twee thema's: de continuïteit van een stad en het natuurlijke proces van vergankelijkheid en vernieuwing. Uit de verzen 105-144 bleek de ontwikkeling van Amsterdam van eenvoudige vissersstad tot machtige handelsstad, wat het eeuwenlange voortbestaan en de duurzaamheid van de stad aanduidt (zie p. 50-53). In de verzen 292-296 werd aandacht besteed aan het natuurlijk proces van vergankelijkheid en vernieuwing: nadat het oude, vervalle stadhuis in een smeulende, rokende steenmassa was veranderd, is het nieuwe stadhuis als een herboren Fenix uit puin en as verrezen (zie p. 72-74).

In deze uitweiding keren deze twee thema's, de duurzaamheid van de stad en het natuurlijk proces van vergankelijkheid en vernieuwing, terug. Ze ondersteunen Vondels argument dat het nieuwe stadhuis in overeenstemming is met het universele proces van historische ontwikkeling.

 

Vergelijking van Amsterdam met Rome

Vondel geeft een aantal voorbeelden uit de Romeinse en Amsterdamse geschiedenis waarin hij de zojuist genoemde thema's tot uitdrukking brengt. Aan ieder voorbeeld dat Vondel geeft, ligt de vraag ten grondslag: ‘Wie had ooit kunnen denken dat...?’

 

Rome: van eenvoudige stad tot wereldmacht

Vondel illustreert het thema van de duurzaamheid van de stad door er nogmaals op te wijzen, dat ook Rome gegroeid is van eenvoudige stad tot wereldmacht (vs 897-904 (vgl. ook p. 56-57). Toen Romulus begon met de aanleg en bouw van Rome omringde hij de

[p. 142]

stad, die klein en zwak was, met een smalle gracht om hem beter tegen mogelijke aanvallen van buitenaf te beschermen. Wie had toen ooit kunnen denken dat deze stad tot een wereldmacht zou uitgroeien die de aarde en de zee zou beheersen?

 

Amsterdam: de wraak van de Kennemers

Het thema van vergankelijkheid en vernieuwing werkt hij uit aan de hand van de Amsterdamse geschiedenis, door in te gaan op de branden die stad en stadhuis door de eeuwen heen geteisterd hebben (vs 905-931).

Toen Amsterdam nog maar aan de wieg van zijn ontwikkeling stond, werd het aangevallen door de Kennemers (vs 905-912). Dezen namen, vanwege de moord op Floris V, wraak op Gijsbreght van Aemstel door de houten verschansing rondom zijn vesting in brand te steken. Tijdens deze actie schijnt een deel van het middeleeuwse Amsterdam in vlammen te zijn opgegaan. Vermoedelijk is dit voorval aan de fantasie van de 17e-eeuwers ontsproten. De stadshistoricus Dapper trekt, na de bestudering van middeleeuwse kronieken, de aanslag van de Kennemers op het oude Amsterdam ernstig in twijfel;

Zommigen schryven dat Heer Gijsbrecht van Amstel, (...) ontrent den jare dertien hondert met een groote menighte van Boeren weder quam, Amsterdam innam en het Kasteel, dat aan d'Oostzyde van den Damrak stont, met houte bruggen, toorens en vesten versterkte; maer dat de gebuuren, als de Kennemers en Waterlanders, die zich over 's Graven moort noch wreken wilden, zoo zeer hier door verstoort wierden datze als tot een gemenen brandt toeliepen, Gysbrecht verdreven, en het Kasteel, dat noit weder opgemaekt is, tot den gront toe vernielden en sloopten. Of Amsterdam, gelijk het Kasteel, geheel en al toen mede verwoest is, daer is weinigh bescheits in d'oude Historien af te vinden. (Dapper, 69)

Vondel gelooft wel in de aanslag: wie had ooit kunnen denken dat Amsterdam zich na deze desastreuze aanval zou hebben kunnen herstellen om, begunstigd met vele privileges van de graven, uit te groeien tot de trotse, zelfbewuste steunpilaar van het hele land? Belangrijker dan de historisch juiste of onjuiste weergave van de wraakneming der Kennemers is de parallellie met de ontwikkeling van Rome: kleine steden worden groot.

 

Rome en Amsterdam als vergelijkbare machten

De overeenkomst van Amsterdam met het Rome van Romulus (vs 897-904) spreekt voor zichzelf. Zowel bij Rome als bij Amsterdam gaat het om een periode uit de ontstaansgeschiedenis, waarbij de nadruk ligt op de verdedigende taken die beide steden op zich moeten nemen om zich tegen aanvallen van buiten haar poorten te weer te

[p. 143]

kunnen stellen. Ondanks die aanvallen veranderen Amsterdam en Rome in expansieve, zelfbewuste wereldmachten, die in de kracht van hun leven de rest van de wereld op de knieën dwingen.

 

Amsterdam brandt vaker

Meer branden hebben Amsterdam in de loop der jaren geteisterd (vs 913-918). In de middeleeuwen bestond Amsterdam voor het grootste gedeelte uit hout en het is naar het schijnt tot viermaal toe, steeds in de 15e eeuw, door zware branden geteisterd. Hoe had iemand ooit kunnen denken dat Amsterdam, na zoveel tegenslag, uiteindelijk zijn kroon in de vorm van het nieuwe stadhuis, zo fier zou verheffen?

Zo keert Vondel terug naar het nieuwe stadhuis: wat voor Amsterdam opgaat, geldt ook voor het stadhuis (vs 919-931). De laatste grote brand trof het voormalige stadhuis. En als bij de stad, geldt ook hier dat de geschiedenis blijkbaar via tegenstellingen werkt. Het nieuwe stadhuis kwam, net als de Fenix, uit niets anders dan puin, rook, as en stof van het oude stadhuis tevoorschijn. De Nijd kan zich, als zij daar zin in heeft, bij de kolen van de vele branden komen warmen. Nu blijkt de diepe waarheid van het gezegde dat branden niet verarmen, maar juist zegenend werken. De branden die vele malen hebben toegeslagen, hebben de stad en het stadhuis steeds luisterrijker en sterker gemaakt. De onontkoombare conclusie is dan ook: ook al lijkt het lot ellende te brengen, toch blijkt het uiteindelijk effect heilzaam te zijn.

 

De zeeverzekering: een goedbelegde boterham

Vondel vergelijkt de vreugde om het nieuwe raadhuis met die van koopvaarders die de zon door de wolken zien breken nadat zij de storm overleefd hebben. De averij aan de schepen en de schade aan de lading wordt tot volle tevredenheid van de kooplui door de verzekering gedekt (vs 932-936). In eerste instantie lijkt het of er met deze opmerking van Vondel weinig aan de hand is, maar voor wie iets meer weet van 17e-eeuwse verzekeringspraktijken staat hij bol van ironie.

Een 17e-eeuwse koopman kon, wanneer zijn vloot geheel of gedeeltelijk in een storm verging, via de verzekeringen veel van het verloren gegane geld terug krijgen, of zelfs méér dan dat, als hij er voor zorgde dat vloot en lading waren oververzekerd. In de 17e eeuw was de waarde van de schadesom soms zo hoog dat het voor de koopman interessant begon te worden er voor te zorgen dat zijn schip de thuishaven nooit zou bereiken. Op deze manier werd het risico gedragen door de verzekeraars en niet door de koopman, om maar niet te

[p. 144]

spreken van het risico dat de opvarenden liepen. Om een einde aan deze praktijken te maken werd de koopman verplicht een deel van de vracht onverzekerd te laten.

 

In deze uitweiding heeft Vondel laten zien dat het nieuwe stadhuis in overeenstemming is met het universele proces van historische ontwikkeling. De lezer kan nu met een gerust hart over de drempel stappen om met hem de binnenkant te gaan bewonderen.