13. BESCHRIJVING VAN DE BINNENKANT VAN HET STADHUIS: DE DECORATIES
|
1079 slincke, linker
1080 halsrecht, doodstraf
|
|
1105 noo, node, met
tegenzin
1107 Angeloos,
Michelangelo's
1121 Burgerhart, nl. Claudius
Civilis
|
|
1137 wancken, wankelen
1142 vlieshelt, nl. Jason, de held
van het gulden vlies
1166 heirtoght,
krijgstocht
1171 krits, omvang
|
Nu Vondel aan de hand van de frontons (vs 703-736 en vs 865-896, zie ook p. 120-122 en p. 137-138) de sociaal-economische aspecten van de stad heeft beschreven en aan de hand van de kamers de functie van het gezag (zie p. 148-159), gaat hij over tot de beschrijving van de decoraties. In de decoraties komen de morele opvattingen ten aanzien van de burgerheerschappij tot uitdrukking. Deze opvattingen spelen in het hele gedicht een belangrijke rol en met behulp van de decoraties worden ze verder uitgediept. De lezer die al eerder met Vondel een rondleiding door de kamers van het stadhuis heeft ondernomen, wordt nogmaals meegenomen voor een wandeling om de schilderijen en beeldhouwwerken in de verschillende kamers nader te aanschouwen. De meeste van de door Vondel beschreven decoraties waren in 1655 nog niet vervaardigd. Vondel, die bevriend was met de vermaardste schilders uit zijn tijd en ook thuis ontvangen werd bij burgemeester Cornelis de Graef, die een belangrijk aandeel had in de plannenmakerij, moet op de hoogte zijn geweest van de ontwerpen. Na 1655 werden de meeste decoraties aangebracht, maar in een aantal gevallen hebben andere ontwerpen de voorkeur gekregen boven de oorspronkelijk geplande.
De beeldhouwwerkenDe rondleiding begint bij de Vierschaar die twee verdiepingen beslaat aan de Damkant (vs 1063-1092). Van oudsher was de plaats waar recht gesproken werd toegankelijk voor het publiek, waardoor een ieder de mogelijkheid had zich te verlustigen aan het ongeluk van de veroordeelde en kon toezien op de juiste uitoefening van de rechtspraak. Met deze traditie werd rekening gehouden bij de bouw van het nieuwe stadhuis. De Vierschaar was zo gesitueerd dat het publiek door de getraliede ramen naar binnen kon kijken. Men zag er de schout en de schepenen zitten met achter hun hoofden de decoraties. Het betreft hier drie bas-reliëfs die bekende gevallen van goede rechtspraak weergeven: één uit de bijbel en twee uit de klassieke geschiedenis.
De drie reliëfsDe drie reliëfs in de Vierschaar strekten de rechters tot voorbeeld en moesten de veroordeelde tot bezinning brengen. Vondel maakt van deze symboliek in de decoraties dankbaar gebruik voor zijn betoog over het gezag. Het middelste reliëf, achter de plaats waar de schout zat, stelt het Salomons-oordeel voor zoals dat in de bijbel beschreven wordt. We zien hier de geniale oplossing afgebeeld die de wijze Salomon bedacht toen twee vrouwen bij hem kwamen die elkaar het moederschap van een kind betwistten. Toen Salomon dreigde het kind met een zwaard in tweeën te delen, trachtte de echte moeder het kind te redden door er afstand van te doen. Zo wist Salomon ‘het waere moeders hart’ van de ‘valsche moeders aert’ (vs 1072) te onderscheiden (vs 1067-1074). Het rechter reliëf toont een voorval uit de Griekse geschiedenis. Seleucus had een wet uitgevaardigd die voorschreef dat als straf voor overspel twee ogen zouden worden uitgestoken. Toen zijn eigen zoon zich aan overspel schuldig maakte, liet hij, om de wet niet te overtreden, een oog van zijn zoon en een oog van zichzelf uitsteken (vs 1075-1078). Het linker reliëf geeft een voorstelling uit de Romeinse geschiedenis. Consul Brutus, de stichter van de Romeinse Republiek, spoorde de beul aan zijn beide zoons te onthoofden omdat zij een samenzwering gesmeed hadden tegen Rome (vs 1079-1084). De twee klassieke voorbeelden geven aan dat het staatsbelang boven de banden des bloeds gaat. Boven deze drie reliëfs had een uit drie panelen bestaand
schilderij moeten komen dat het Laatste Oordeel zou voorstellen. Het
Godsoordeel zou de hoogste plaats hebben moeten innemen, tronend boven de menselijke rechtspraak. Dit schilderij is er nooit gekomen. Het voortijdige vertrek van Jacob van Campen is hier waarschijnlijk de oorzaak van. Zijn opvolger Daniël Stalpaert heeft op deze plaats de muren laten doorbreken en ramen aangebracht die extra licht in het trappenhuis moesten brengen. Van Campen had al een ontwerp voor het schilderij klaar. Dit ontwerp wordt thans bewaard in het stadhuis van Amersfoort, de stad waar Van Campen zijn laatste levensjaren sleet. Vondel besluit zijn bezoek aan de Vierschaar met de beschrijving van de beelden van vrouwe Justitia en vrouwe Prudentia. Zoals we al bij de beschrijving van de gevels van het stadhuis gezien hebben (p. 136-137), symboliseert het beeld van Justitia de rechtvaardigheid en dat van Prudentia de voorzichtigheid of wijsheid. Samen symboliseren zij de rechtspraak, want als men de wijsheid in acht neemt, kan men niet vervallen tot onrechtvaardigheid. Deze twee zuster-deugden zijn onafscheidelijk (vs 1089-1092). De rechters hadden deze twee beelden tegenover zich, zodat ze zich tijdens het rechtspreken steeds bewust waren van hun verantwoordelijke taak. Vondel voert zijn publiek nu mee naar de galerijen op de eerste verdieping, waar hij de beelden noemt die twee aan twee de hoeken van de galerijen opluisteren (vs 1093-1098). Deze beelden stellen de planeten van het toenmalige kosmische stelsel voor: Diana (maan) en Mercurius, Jupiter en Apollo (zon), Mars en Venus, Saturnus en Cybele (aarde). Dit zijn tevens klassieke goden. Cybele is in de klassieke mythologie de echtgenote van Saturnus en moeder van de andere goden. Naar aanleiding van deze beelden neemt Vondel zijn kans waar om de eisen te noemen die aan de beeldhouwkunst gesteld moeten worden. De eisen dat een beeldhouwwerk ‘naer 't leven’ en ‘vol ziels’ (vs 1096) vervaardigd moet worden, heeft hij al eerder geformuleerd met betrekking tot de schilderkunst (zie p. 89).
De beeldhouwer QuellijnOp dit punt neemt Vondel de gelegenheid te baat om de loftrompet
te steken over de schepper van de beelden (vs 1099-1116).
Artus Quellijn heeft Athene en Rome, die van ouds
beroemd zijn om hun beeldhouwwerken, overtroffen in de kunst. In plaats van
Artus Quellijn noemt Vondel hem Fidias Quellijn. Fidias was een beroemde
Griekse beeldhouwer uit de 5e eeuw voor Christus. De Fortuin was Amsterdam dan
ook goed gezind toen zij er in slaagde Quellijn, die aan het hof van koningin
Christina van Zweden vertoefde, over te halen de beelden voor het Amsterdamse
stadhuis te komen vervaardigen. Quellijns Italiaanse opleiding was volgens
Vondel zo goed dat hij zich zelfs met meesters als Michelangelo kon meten. Voor
het bewijs hoeft men maar te kijken naar Quellijns beeldhouwwerken in het stadhuis. Het is niet zo verwonderlijk dat Vondel juist Fidias en Michelangelo noemt aangezien ze veelvuldig in 17e-eeuwse verhandelingen over schilder- en beeldhouwkunst worden genoemd. Carel van Mander wijdt in zijn Schilder-Boeck bijna een heel hoofdstuk aan Michelangelo en ook Fidias wordt door hem besproken. Aan het slot van deze passage noemt Vondel de burgemeesters als degenen die de kunst zo'n groot aandeel in het gebouw hebben gegeven; niet alleen de beeldhouwkunst, maar ook de schilderkunst. Zo loopt de lofprijzing van Quellijn uit op een indirecte lofprijzing van de burgervaders en wordt er tevens een vloeiende overgang gemaakt naar het volgende onderwerp: de schilderijen die het nieuwe stadhuis zouden gaan versieren.
De schilderijenVoor de ontwerpen van de schilderijen werd geput uit de Bijbel en de klassieke en nationale geschiedenis (vs 1117-1120). Achtereenvolgens beschrijft Vondel de volgende thema's: de Bataafse geschiedenis (vs 1121-1130), de Romeinse geschiedenis (vs 1131-1139), de Griekse geschiedenis (vs 1139-1141), de Griekse mythologie (vs 1142-1144) en de Bijbel (vs 1145-1160). Het eerste onderwerp dat Vondel noemt is de opstand van de Batavieren tegen de Romeinen (vs 1121-1130). Maar liefst acht doeken met als onderwerp de Bataafse Opstand zouden de galerijen aan weerszijden van de Burgerzaal sieren. De opdracht voor deze schilderijen werd eind 1659 aan Govert Flinck gegeven, maar door zijn voortijdig overlijden in het begin van 1660 werden de opdrachten voor vier van de acht schilderijen aan Rembrandt, Lievens en Jordaens gegeven. Deze drie schilders kregen de schetsen die Flinck al gemaakt had als voorbeeld mee. Het door Rembrandt gemaakte schilderij De nachtelijke samenzwering van Claudius Civilis in het Schakerbos werd in 1661 opgehangen, maar slechts voor korte tijd, want in augustus 1662 werd het schilderij verwijderd. De reden voor de verwijdering blijft duister. Het is mogelijk dat Rembrandt te veel is afgeweken van de schets van Govert Flinck. Een andere reden zou kunnen zijn dat de woeste uitbeelding van de Bataven voor de 17e-eeuwse burgerheren niet aanvaardbaar was. Om het schilderij te kunnen verkopen moest Rembrandt het doek versnijden. Het schilderij werd gekocht door koningin Christina van Zweden. Het is nog steeds te zien in het Nationaal Museum te Stockholm. In plaats van het schilderij van Rembrandt kwam er een schilderij
te hangen van
Jurriaan Ovens over hetzelfde onderwerp, dat zeer
verschilde met Rembrandts doek en dat wel naar de zin van de burgemeesters was. De schilderijen van Lievens en Jordaens werden wel geaccepteerd en zijn nu nog te zien in het stadhuis. De 17e-eeuwer was bekend met de geschiedenis van de Batavieren door de werken van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. In zijn Germania verhaalt Tacitus uitvoerig hoe in het jaar 69 na Christus de Batavieren onder leiding van Claudius Civilis in opstand kwamen tegen de Romeinen. De Batavieren bewoonden een eilandje langs de Rijn. Hoewel de 17e-eeuwer slechts kon gissen naar de ligging ervan werd algemeen aangenomen dat het althans gedeeltelijk samenviel met het latere Holland. Daaruit werd weer geconcludeerd dat de Hollanders de afstammelingen van de Batavieren waren. De strijd tegen de Romeinen werd gezien als bewijs voor de aloude vrijheidsdrang der Hollanders, die zich recentelijk in de strijd tegen Spanje ook had gemanifesteerd. De onderwerpen van de schilderijen van het stadhuis zijn ontleend aan een op Tacitus geïnspireerd prentwerk uit 1612, ontworpen door Otto Vaenius en geëtst door Antonio Tempesta. Vondel heeft dit werk waarschijnlijk gezien bij burgemeester De Graef, de belangrijkste ijveraar voor de Bataafse schilderijen. Vandaar dat Vondel, zij het in vage bewoordingen, de hoofdscenes kan noemen die het stadhuis zouden moeten gaan sieren. De schilderijen die bestemd zijn voor de twee schoorstenen in de Burgemeesterskamer geven episodes weer uit het leven van de Romeinse consuls Gaius Fabricius en Marcus Curius, zoals beschreven door Livius (vs 1131-1139). Het schoorsteenstuk met de geschiedenis van Gaius Fabricius moest naar Vondels zeggen de burgemeesters de standvastigheid en onomkoopbaarheid van de Romeinse consuls voorhouden. Dit doek is geschilderd door Ferdinand Bol. Het andere schoorsteenstuk, geschilderd door Govert Flinck, laat zien hoe consul Marcus Curius zo standvastig is dat hij het hem aangeboden goud weigert. Op welke van de twee doeken Vondel doelt is niet vast te stellen. Waarschijnlijk heeft hij beide schilderijen op het oog. Het schoorsteenstuk bestemd voor de Weeskamer behandelt een episode uit het leven van de Spartaanse koning Lykurgus zoals beschreven door Plutarchus (vs 1139-1141). Lykurgus, die na de dood van zijn broer koning was geworden, had het kind van zijn broer als zijn eigen zoon geadopteerd, hoewel hij daardoor afstand van zijn troon zou moeten doen. Dit schilderij werd door Cornelis Holstein vervaardigd. Tussendoor maakt Vondel een opmerking in het algemeen over de
schilderkunst, die hij vergelijkt met ‘stomme poëzy’ (vs
1141). Het was in de 17e eeuw algemeen gangbaar om schilderkunst te
vergelijken met zwijgende poëzie en poëzie met sprekende schilderkunst. Dit gaat terug op Plutarchus die schrijft: Schilderen is zwijgende poëzie, poëzie is een sprekend schilderij. (Geciteerd via Clements, 174) Vervolgens noemt Vondel twee schilderijen met een Grieks mythologisch onderwerp. Het eerste schilderij laat zien hoe Medea Jason helpt om het Gulden Vlies te bemachtigen (vs 1142-1144). Het zou bestemd kunnen zijn geweest voor de Assurantiekamer. Als dit juist is, is het plan later veranderd want in de Assurantiekamer kwam een schilderij te hangen waarop Theseus de kluwen touw teruggeeft aan Ariadne nadat hij de Minotaurus heeft verslagen. Dit schilderij is gesigneerd ‘Willem Brassemary 1657’. Het andere schilderij met een mythologisch thema beeldt volgens Vondel het verhaal van de nimf Calypso uit, die de Griekse held Odysseus na een schipbreuk weet te redden met de bedoeling om hem te verleiden. Dit schilderij zou heel toepasselijk voor de Desolate Boedelkamer geweest zijn, omdat het de desolate toestand van Odysseus tot uitdrukking brengt. Maar ook hier heeft men zich niet aan het oorspronkelijke plan gehouden. Tenslotte vermeldt Vondel schilderijen met onderwerpen uit de bijbel. Allereerst het schoorsteenstuk dat in de Thesaurie-Ordinariskamer hangt en dat een voorstelling geeft van Jozef die de Korenschuur heeft gevuld voor de zeven magere jaren (vs 1145-1150). Vondel heeft later bij dit schilderij, dat vervaardigd is door Nicolaas Helt Stokade, een gedicht gemaakt:
Daarna volgen twee schoorsteenstukken in de Raadskamer. Het eerste hangt boven de zuiderschoorsteen. Het stelt het Exodusverhaal voor, waarin verhaald wordt hoe de oude Jethro zijn schoonzoon Mozes aanraadt de ‘oudste’ uit het land te kiezen, om hem in de regering bij te staan (vs 1151-1152). Dit schilderij is van Jan Bronkhorst. Het andere schilderij, boven de noorderschoorsteen, laat zien hoe Salomon tot God bidt om wijsheid (vs 1153-1154). Ook hieronder staat een gedicht dat waarschijnlijk aan Vondel toegeschreven kan worden:
In de Schepenzaal hangt een schoorsteenstuk van Ferdinand Bol dat Mozes afbeeldt die met de wet afdaalt van de berg Sinaï (vs 1155). Het bijgaande gedicht, eveneens aan Vondel toegeschreven, luidt:
Tenslotte wijst Vondel de lezer op een schilderij dat tot op heden onbekend gebleven is (vs 1156-1160) en dat de Tolbetaling als onderwerp heeft.
Terug naar de beeldhouwkunstHet schoorsteenfries in de Burgemeesterskamer geeft een episode weer uit het leven van de Romeinse legeraanvoerder Fabius Maximus (vs 1161-1168). Tijdens zijn strijd met Hannibal was het zijn taktiek om geen directe slag te leveren, maar hem in kleine gevechten af te matten. Deze taktiek bezorgde hem de bijnaam ‘Cunctator’, de aarzelaar. Dit schoorsteenfries zou de burgemeesters tot voorbeeld moeten strekken. Het is een vingerwijzing naar het gezag dat matigheid en voorzichtigheid geboden zijn, zeker wanneer het gaat om oorlogsvoering. Deze vingerwijzing is zeer toepasselijk daar Amsterdam nooit zo happig op oorlog is geweest.
Een kunsttheoretische beschouwingDe behandeling van de decoraties van het stadhuis eindigt met een afsluitende kunsttheoretische beschouwing (vs 1169-1194). Eerst treedt de dichter zelf naar voren en spreekt van zijn verrukking toen bouwmeester Stalpaert hem het nieuwe stadhuis toonde. Om de mate van zijn enthousiasme uit te drukken, gebruikt Vondel een voor onze oren nogal merkwaardige beeldspraak: zijn verrukking stijgt nog hoger dan de toren van de Nieuwe Kerk die, ware hij afgebouwd, de Dom van Utrecht zou overtreffen (vs 1169-1177). Hier maakt hij een toespeling op de opvatting van kunst als goddelijke bezieling die de geest van de mens mee kan slepen en verheffen tot de hemel.
Waar is de toren van de Nieuwe Kerk?In 1645 waren de kap en het hele binnenwerk van de Nieuwe Kerk door brand verwoest. Onmiddellijk werd toen door de toenmalige burgemeesters en vroedschap besloten de kerk te restaureren: Dit ongeluk was naulix deze Kerk overgekomen, of wiert terstont by Burgermeesteren en de gansche Vroedschap, beslooten de zelfe weder op te toyen en te herstellen, (...). (Dapper, 382) Het rechtzinnige deel van de vroedschap, onder leiding van burgemeester Willem Backer, ijverde al lang voor de bouw van een toren voor de Nieuwe Kerk. Na de brand was het moment gekomen om die plannen door te zetten. Er was echter veel tegenstand van het vrijzinnige deel van de vroedschap, dat, aangevoerd door Cornelis de Graef en Andries Bicker, veel meer voelde voor de bouw van het nieuwe stadhuis. Uiteindelijk kwam men tot een compromis: de toren van de Nieuwe Kerk en het nieuwe stadhuis zouden tegelijk gebouwd worden: Midlerwijl men vast met alle vlydt met het hermaken, en weder opbouwen van dees afgebrande Kerk doende was, wiert (...) besloten, ten westen van de Kerk, tot desselfs çieraet, een nieuwen tooren (...), dewijl 'er noit een geweest was, te zetten. (Dapper, 384) In 1647 werd met feestelijk vertoon de eerste steen voor de toren gelegd. Hoger dan de daklijst van de kerk is de toren nooit gekomen. Na het overlijden in 1652 van de grootste voorstander van de torenbouw, burgemeester Backer, besloot men de werkzaamheden te staken: Maer men veranderde daer na van voornemen, zulx dat 'et nu al eenige jaren stil heeft gestaen, en misschien noit, uit oorzake veilicht, om 't Stadthuis van zijn luister niet te beroven, zal opgemaekt worden. (Dapper, 385) Dapper suggereert dat men bang was dat de toren van de Nieuwe Kerk afbreuk zou doen aan de grootsheid van het inmiddels in aanbouw zijnde stadhuis en dat men daarom van de bouw heeft afgezien. Deze gang van zaken ontlokte aan een tijdgenoot, Reyer Anslo, een grappig versje:
Een zekere ironie ten aanzien van de mislukte torenbouw lijkt aan Vondels vergelijking niet vreemd te zijn: de verheffing door de kunst overtreft de verheffing door de godsdienst.
Van imitatie naar ware kunstVervolgens stelt Vondel het nieuwe stadhuis met al zijn beeldhouwwerken en schilderijen ten voorbeeld aan de aankomende kunstenaars. Een ieder die zich wil bekwamen in de bouwkunst, schilderkunst of beeldhouwkunst, zou zich naar de Dam moeten spoeden om dit wonderwerk te zien, het na te tekenen en ervan te leren (vs 1178-1194). Dat Vondel hierin niet alleen staat, getuigen de verschillende plaatwerken die in de 17e en 18e eeuw van het stadhuis verschenen. Vondels oproep berust op de in de 17e eeuw gangbare imitatio-opvatting. Volgens deze opvatting kan men pas een groot kunstenaar worden wanneer men kunstwerken van beroemde voorgangers imiteert. Het begrip imiteren had nog niet die negatieve lading die het tegenwoordig heeft. Hier moeten we ‘imiteren’ dan ook niet begrijpen als zuiver copiëren of nabootsen, maar als vrij navolgen: het werken in de geest van een bewonderde kunstenaar. De kunstenaars van de 17e eeuw waren ervan overtuigd dat de oudheid zo'n grote schat aan technisch en geestelijk goed bevatte, dat het pure hoogmoed zou zijn te menen uit eigen kracht nieuwe wegen te kunnen bewandelen. Deze imitatio-opvatting is in veel 17e-eeuwse literaire geschriften en verhandelingen over schilder-, bouw- en beeldhouwkunst terug te vinden. Imiteren of navolgen is volgens Vondel de bron van alle cultuur: alle volken, ook de oude, hebben hun licht opgestoken bij andere volken. Zo hebben de Grieken zich indertijd gewend tot de oude Egyptiche kunst die vooral in de stad Memphis floreerde. De Romeinen hebben veel te danken aan de Griekse cultuur en andere volken hebben de Romeinse kunst weer nagevolgd (vs 1186-1189). Dit gegeven heeft Vondel ook behandeld in het ‘Aen den lezer’ bij zijn Vergilius-vertaling:
Ook het Amsterdamse stadhuis is het resultaat van een dergelijke imitatio. De bouwmeester Jacob van Campen is bij het ontwerp van het nieuwe stadhuis geïnspireerd door de Italiaanse renaissance-architect Palladio, die op zijn beurt de Romein Vitruvius navolgde. Het is zelfs mogelijk dat Van Campen zich heeft laten inspireren door de reconstructies van de tempel van Salomon in Jeruzalem. Met zijn uitspraak dat de Grieken zouden ontkennen dat ook zij ontleend hebben, refereert Vondel aan toenmalige tegenstanders van de imitatio-opvatting die zich plachtten te beroepen op Homerus (vs. 1190-1194). Homerus zou volgens hen een natuurtalent zijn geweest die zijn werken op eigen kracht geschreven had. Vondel verwerpt deze opvatting expliciet.
Vondel heeft nu zijn rondgang door het stadhuis beëindigd. Daarbij heeft hij iedere kans aangegrepen de lezer te wijzen op het nut en de schoonheid van het gebouw. Nu zal hij het bewijs moeten leveren dat dit nut en deze schoonheid ook ‘eervol’ zijn, dat wil zeggen: ten dienste staan van een goede zaak. Uiteindelijk kan alleen de morele kwaliteit van de overheid de hem ten dienste staande ruimten en de aan zijn lof gewijde versieringen werkelijk rechtvaardigen.
|