14. KRITIEK EN REPLIEK
|
1196 begryp, omvang
1205 bulster, strozak,
matras
1221 mombers, voogden
|
|
1228 vermast, ontkracht
1231 besteck, ruimte
1237 pleitkrackeel, gekrakeel bij
rechtzaken
1238 verkort, met te weinig
1238 vieren, vuren
1242 stanckgioolen, stinkende
gevangenissen
1251 afbreck, afbraak,
puinhoop
1257 lecker, verlekkerd
1259 van zijn geval gestiert, door
het toeval gestuurd; dus: verwaarloosd
|
|
1262 verkorten, schaden
1271 stoot men zich aen, neemt men
aanstoot aan
1272 vier, vuur
1294 wit, doel
|
Pas nu blijkt dat aan dit lofdicht een controverse ten grondslag ligt: er duikt een aanklager op, die kritiek op het gebouw laat horen. Pas hier, in het laatste gedeelte van het gedicht, komen aanklager en verdediger van het gebouw tegenover elkaar te staan. Nu de controverse eindelijk boven tafel komt, blijken de argumenten die de aanklager aanvoert al door Vondel in de loop van het gedicht ontzenuwd te zijn. De tegenpartij is bij voorbaat de wind uit de zeilen genomen. Vondel kan in zijn repliek dan ook volstaan met een concluderende afwijzing van de naar voren gebrachte bezwaren.
De aanval: Evanders eenvoudDe aanval van de tegenstem komt er op neer dat de pracht en omvang van het stadhuis niet in overeenstemming zijn met de traditioneel zuinige aard van de Amsterdamse burgers en de eenvoudige oorsprong van hun stad (vs 1195-1198). Om deze aanval te ondersteunen, wordt een voorbeeld uit de klassieke geschiedenis aangehaald dat bijna letterlijk in Vondels prozavertaling van de Aeneis van Vergilius staat. Bij zijn aankomst in Italië werd Aeneas gastvrij ontvangen door Evander, de koning van Pallantium. Evander bewoonde een eenvoudig onderkomen, dat weliswaar niet rijk versierd was met marmer en goud, maar toch helden geherbergd had zoals de beroemde Herkules (vs 1198-1209). Evander, de leider van een herdersvolk dat op het latere grondgebied van Rome woonde, werd door sommigen beschouwd als de stichter van Rome. Hierbij aanhakend, beweert de tegenstem dat ook de eerste consuls van Rome eenvoudige landbouwers zijn geweest. Zelfs een machtige stad als Rome heeft haar eenvoudige oorsprong dus niet verloochend. Uit dit voorbeeld wordt een algemene les getrokken die de omvang en overdaad van het Amsterdamse stadhuis in een schril daglicht stelt (vs 1210-1214): de stad is zijn eenvoudige oorsprong als vissersdorp vergeten, en heeft in hoogmoedig vertrouwen op voorspoed de juiste ‘mate’ uit het oog verloren. Het geluk is wisselvallig en pleegt in zijn tegendeel te veranderen als je er te zeer op vertrouwt. Het ‘wanckelbaer geluck’ is een geliefd thema in de
17e-eeuwse literatuur. Ook in de Inwydinge is het al eerder ter sprake gekomen (zie vs 189-190 en p. 67). Maar wat daar Amsterdams concurrenten Antwerpen en Emden voorgehouden werd, wordt nu door de aanklager Amsterdam zelf verweten.
De verdedigingIn zijn repliek gaat Vondel niet rechtstreeks in op de argumenten
van de aanklager. In feite heeft hij ze al veel eerder in zijn gedicht
gepareerd door de nadruk te leggen op de historische ontwikkeling van de stad
(zie vs 105-144 en p. 50-53). Amsterdam is allang geen vissersdorp meer, maar
een mondiaal handelscentrum. Hij kan dan ook
meteen tot de aanval overgaan. Tegenover het verwijt van te grote pracht stelt hij, dat een dergelijk fraai gebouw in overeenstemming is met de eerbiedwaardigheid van het gezag dat er in zetelt (vs 1215-1223). Wat de te kolossale omvang betreft, wijst hij op het nut en de noodzaak ervan door te schetsen hoe onhoudbaar de toestand in het te kleine oude gebouw was (vs 1224-1288).
De eerbiedwaardigheid van het gezagEerder in het gedicht heeft Vondel de lof getrompetterd over het gezag, nu wordt een rechtstreekse parallel met God getrokken. Zoals God vereerd wordt met tempels, zo is het ook passend dat het burgerlijk gezag, als Gods vertegenwoordiger op aarde, wordt geëerd met een gebouw dat in overeenstemming is met zijn waardigheid. Voor het eerst grijpt hij hier terug op wat hij in zijn Algemene Stelling (p. 35-47) naar voren heeft gebracht: stadhuizen ontlenen hun lofwaardigheid aan het burgerlijk gezag en aan het recht dat daarvan de grondslag vormt. Evenals Vondel in deze passage doet, legt ook iemand als De Groot er de nadruk op dat het burgerlijk gezag overal op aarde voorkomt en derhalve beschouwd kan worden als een uitdrukking van Gods wil: (...) uit (...) het ontzag voor den naam der overheden bij alle volken (zal) duidelijk blijken, dat geen ander dan God die instelling heeft geschapen. (De Groot, Recht op buit, 24) Vandaar ook dat Vondel een vergelijking kan trekken tussen tempels en stadhuizen. Verderop, in zijn Conclusie (p. 181-186) zal hij nog uitvoerig ingaan op de eerbiedwaardigheid van het Amsterdamse stadsbestuur.
Het oude stadhuisDe omvang van het nieuwe stadhuis wordt gerechtvaardigd door de vele taken, die het bestuur van zo'n wereldhandelscentrum als Amsterdam moet vervullen. Uitvoerig beschrijft Vondel de afgematte ambtenaar die, als slaaf van de gemeente, de zorgen en lasten van de koopstad Amsterdam op zijn schouders torst, zoals Atlas de wereld (vs 1224-1230). En deze grijze, eerbiedwaardige figuren zou men in het oude stadhuis willen laten zitten? De beschrijving van het oude middeleeuwse stadhuis staat in
schrille tegenstelling tot de beschrijving van het nieuwe stadhuis. Bij het
laatste wees Vondel op het nut van de verschillende ruimten waarin alle taken
optimaal uitgevoerd kunnen worden. Op deze plaats kan hij dan ook volstaan met
te betogen dat al die taken onmogelijk meer naar behoren in het oude stadhuis vervuld konden worden (zie vs 937-1021 en p. 148-159). Meeslepend beschrijft hij de jammerlijke staat waarin het oude stadhuis zich vlak voor de fatale brand bevond. Een overtuigender argument voor de noodzaak van een nieuw en vooral groter gebouw had hij niet kunnen geven (vs 1231-1281). Het gezag zou, als het nog langer in dit rottende en alles verstikkende stadhuis had moeten blijven, inmiddels ten grave gedragen zijn. Tot de kin in de poel van ellende weggezakt, werden de ambtsdragers en ambtenaren ook nog door allerlei knagend ongedierte geplaagd. Een niet aflatende angst voor instorting van het oude gebouw maakte de wanhoop kompleet. Voor een 17e-eeuws publiek was de uitvoerige beschrijving van de jammerlijke staat waarin het oude stadhuis zich bevond, een bevestiging van wat iedereen met eigen ogen had kunnen zien. Voor ons getuigen schilderijen en prenten uit die tijd van het verval van het gebouw. Door bittere noodzaak werd het stadsbestuur uit zijn oude behuizing gedreven. En ook de keuze voor de weliswaar zeer kostbare materialen is niet voor niets gemaakt: de stenen gewelven van het nieuwe stadhuis verkleinen de kans op brand, waardoor boeken, brieven en schatten minder gevaar lopen dan voorheen. Bij de brand van het gedeeltelijk houten middeleeuwse stadhuis in 1654 was immers veel kostbaars verloren gegaan. Op prenten en schilderijen uit die tijd is duidelijk te zien hoe het nieuwe stadhuis van zijn omgeving afwijkt. Lage middeleeuwse huisjes domineren het stadsbeeld. De indruk van het hoge stadhuis moet kolossaal geweest zijn. Maar Vondel legt uit dat de hoogte het stadhuis niet alleen maar een voornaam aanzien moet geven, maar ook een praktische reden heeft. Op de bovenste verdieping zou de wapenkamer komen. Doordat het stadhuis in tegenstelling tot veel gebouwen uit die tijd, geheel uit steen is opgetrokken, kunnen wapens en kruit hoog en droog bewaard worden. Aldus levert het stadhuis een essentiële bijdrage aan de weerbaarheid van Amsterdam. Na dit alles ligt de conclusie voor de hand (vs 1282-1288): het gebouw is nodig en nuttig omdat het ‘Stadt en burgery en welvaert onderstut’ (vs 1284). Daarmee zij dan bewezen dat ook voor het Amsterdamse stadhuis geldt, wat in de Algemene Stelling over stadhuizen in het algemeen was geponeerd:
De ware voorvader van Rome: LatinusTer afsluiting van zijn repliek komt Vondel nu met een ander voorbeeld uit de Romeinse geschiedenis dat het door de tegenstem aangevoerde voorbeeld van Evander moet ontzenuwen (vs 1289-1306). Ook voor dit voorbeeld hoefde hij maar uit zijn Aeneis-vertaling te putten. Behalve Evander bezocht Aeneas in Italië namelijk ook de heerser van een ander volk: Latinus. Het paleis van koning Latinus verschilde door zijn imponerende schoonheid in alle opzichten van het eenvoudige optrekje van Evander. Het lag op de centrale berg van Rome aan de rivier de Tiber en was prachtig gedecoreerd. Het boezemde iedereen die er naar opblikte ontzag in. Dit is niet de enige treffende overeenkomst met het Amsterdamse stadhuis die Vondel aangeeft: Latinus' paleis bezat ook een ruime wapenkamer die Rome's weerbaarheid garandeerde. Een belangrijk verschil daarentegen is dat de Romeinse pracht en praal gegrondvest is op oorlogsbuit, ‘op kosten Van burgerbloet gehaelt’ (vs 1302-1303), terwijl Amsterdam zijn fraaie stadhuis te danken heeft aan de handel. Dit wil nog niet zeggen dat Vondels bewondering voor het Romeinse imperium er minder om is. Deze bewondering hangt nauw samen met de Romeinse houding ten opzichte van de Batavieren (vs 1306), die in de 17e eeuw als de voorouders van de Hollanders werden gezien. De dappere Romeinen hebben altijd veel respect gehad voor de Batavieren; zij zagen hen eerder als vrienden dan als een aan hen onderworpen volk (zie ook vs 1121-1130 en p. 166-167): (...) gelijk (...) d'opschriften der marmere pronkbeelden, die hen hier te lande ter eeuwige gedaghtenis opgericht zijn, genoech te kennen geven (...) noemen de Romainen de Batavieren geen Megezellen of Bontgenooten (...) maer zy voegen onze vooroudren noch een hooger Eertijtel toe, en noemenze, Broederen en Vrienden van 't Roomsche Volk en Rijk. (Dapper, 8) Met het opvoeren van de persoon van Latinus, veegt Vondel het beroep op Evander van tafel. Want als schoonvader van Aeneas en voorvader van Romulus is Latinus degene op wie het Romeinse gezag teruggaat. Evander is dan weliswaar de eerste bewoner geweest van het grondgebied waarop Rome gebouwd is, maar Latinus is door zijn familiebanden de stamvader van het Romeinse gezag. De nazaten van Evander zijn door de nazaten van Latinus uiteindelijk onderworpen.
|