
De bloemlezer is in zijn beste vorm een ‘amateur’, die langs platgetreden paden onvermoede schoonheden ontdekt. Zijn grootste triomf is de verrassende vondst op het drukst bestudeerde terrein der literatuur. De samenstellers van deze bloemlezing hadden een wezenlijk andere taak. Zij moesten dikwijls pionierswerk verrichten. De literatuur over Suriname blijkt meestal nog onvoldoende geëxploreerd, laat staan voldoende bestudeerd. Wel kan men uitgaan van enkele artikelen in de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië en de West-Indische Gids. In deze artikelen wordt de aandacht gevestigd op enkele zeldzame werken. De vondsten werden echter meermalen onderschat en voerden zelden tot dieper onderzoek. Zo moest de noodzakelijke archiefstudie, de literair-historische waardebepaling, de datering, het bibliografisch en een enkele maal manuscriptologisch onderzoek - deze gehele omvangrijke voorarbeid - dikwijls door de samenstellers zelf verricht worden. Vele personen en instanties zijn hen daarbij behulpzaam geweest. Zij willen hier speciaal noemen de hulp en aanmoediging van Prof. Dr. W. Gs Hellinga.
Het zal de belangstellende lezer ongetwijfeld opvallen, dat dit leesboek een ietwat hybridische vorm heeft. De samenstellers hebben gezocht naar een aanvaardbaar compromis tussen een zuiver chronologische presentatie van het materiaal en een indeling in genres. Dit laatste was vaak noodzakelijk, omdat de stof nog niet in zijn geheel was overdacht.
De samenstellers meenden ook onbescheiden te moeten zijn in hun commentaren. Slechts op één enkel punt waren zij in staat de resultaten van het literair-historisch onderzoek vooraf mede te delen, en daarnaar te verwijzen in dit werk. De tijd
ontbrak om deze methode consequent toe te passen. Daarom vindt men in het commentaar verwerkt de voor een goed begrip der teksten noodzakelijke resultaten van het vooronderzoek. De samenstellers menen echter de aandacht van de belangstellende lezer nimmer zonder reden te hebben gevraagd.
De samenstellers hebben zich bepaalde grenzen in tijd en ruimte gesteld, die vooraf verantwoord dienen te worden. Suriname als de huidige staatkundige en geografische eenheid (het deel van Guyana tussen Marowijne en Corantijn) is een schepping van betrekkelijk jonge datum. In de beginperiode van exploratie en kolonisatie van het vaste land van Zuid-Amerika sprak men in Nederland van Terra Firma, Wilde Kust of Koninkrijk Guyana, en daarmee bedoelde men dan de noordkust van Zuid-Amerika van Amazone tot in Venezuela. De Nederlanders trachtten op verschillende punten in dit uitgestrekte gebied vaste voet te krijgen. Andere naties verjoegen hen en zij andere naties. Zo is de eerste periode uit de kolonisatiegeschiedenis een onoverzichtelijke opeenvolging van losse kolonisatiepogingen van verschillende Europese naties geworden. De samenstellers hebben zich dan ook, in deze beginperiode, niet willen binden aan geografische grenzen van later datum. Zo treft men hier het verhaal van een kolonisatiepoging aan de Oyapoc.
Toen de verhoudingen in dit gebied gestabiliseerd waren, bleek Nederland een strook van Guyana te bezetten van Marowijne tot Essequebo. Dit gebied werd onderverdeeld in toevallige bestuurseenheden, die ten dele pas veel later de huidige betekenis kregen. Tot ca 1800 menen de samenstellers het Nederlandse gebied aldaar nog als eenheid te mogen beschouwen, al keken zij met een zekere voorliefde naar Suriname. Toch zal men hier de grote slavenopstand in Berbice als voorbeeld aantreffen van de slavenopstanden in het gehele Nederlandse gebied van Zuid-Amerika.
De overvloed aan materiaal noodzaakte de samenstellers, tegen de oorspronkelijke opzet in, een historische tijdgrens aan te nemen. In 1863 vonden zij een zinvolle grens. Na de
emancipatie in 1863 en het einde van de periode van staatstoezicht in 1873 begint een nieuwe ontwikkeling in Suriname. Na deze tijd wordt een eigen literaire ontwikkeling mogelijk: eerst in de taal der kolonisatoren, en in de laatste jaren ook in de volkstaal, het Surinaams. Deze boeiende ontwikkeling valt buiten dit werk, al zal men ook in dit werk reeds enkele oudere teksten in het Surinaams aantreffen.
De samenstellers hebben ook teksten opgenomen, die op laag niveau geschreven en gedrukt zijn. Voor groter publiek waren deze teksten moeilijk leesbaar door de vele drukfouten en de slordige interpunctie. Op aanraden van de redacteuren werden de teksten leesbaar gemaakt, ook voor een ongeschoold publiek. De verbeteringen der drukfouten konden nog verantwoord worden in tekstkritische noten. De verbeteringen of wijzigingen in de interpunctie konden echter niet verantwoord worden. Daarom zijn de teksten niet geschikt voor filologisch onderzoek. Zorgvuldige opgave van de vindplaatsen der zeldzame teksten voert de filoloog echter dadelijk tot de bron. Op verzoek der redacteuren werden de teksten ook overvloedig geannoteerd.
De belangstellende lezer zal tenslotte in deze bloemlezing een duidelijke visie missen, een leidraad op zijn tocht door het materiaal. De samenstellers hebben hun persoonlijke visie zoveel mogelijk buiten het commentaar willen houden. In het commentaar verduidelijkten zij slechts de gegeven tekst. Aan de lezer wordt overgelaten verband tussen de teksten te vinden. De ingewijde in de historische problematiek van Suriname zal verdere leiding zeker niet appreciëren. Aan de vreemdeling in dit Jeruzalem mogen de samenstellers dan misschien tot slot bekennen, dat zijzelf dit werk hebben leren zien en ervaren als de kroniek van het mislukte contact tussen blanken en gekleurden in Suriname.