terug  begin  verderprepost
[p. 151]

VII De gehate gouverneur Mauricius.

Tussen de planters en de gouverneur had al lange tijd een natuurlijke vijandschap bestaan. De gouverneur behartigde de belangen der aandeelhouders en iedere nieuwe belasting werd door de planters gezien als een hun vijandige daad. Nooit werden echter de hartstochten zo opgezweept als tijdens het bestuur van de begaafde, maar hooghartige en autoritaire jurist Jan Jakob Mauricius. De plantersaristocratie deinsde er niet voor terug tegen het eigenbelang te handelen, mits men hiermee slechts de gehate gouverneur kon treffen. De planters hebben zich met zulk een hartstocht tegen hem gekeerd, dat het de grenzen van een normale belangentegenstelling ver overschreed. Hier was meer in het spel: een onoverbrugbare persoonlijke tegenstelling tussen de zelfbewuste artistocraat Mauricius en de koloniale nouveaux-riches, gewend aan absolute macht op hun plantages.

Zelden waren de Hoogmogende Heren in Nederland met zoveel vertrouwen de toekomst tegemoet gegaan. Zij prezen zich gelukkig een zo kundig en integer man als Mauricius bereid te hebben gevonden in hun dienst te treden. Mauricius vertrok in 1742 naar Suriname. Hij dacht daar genezing te vinden voor zijn astma en was van plan er zijn verder leven door te brengen. Hij vond daar echter een zeer eigengereide groep planters, die allerminst geneigd was zich zonder meer bij zijn kundiger oordeel neer te leggen. Bovendien keurde hij de zedeloze en ongodsdienstige levenswijze der planters sterk af en hij was er de man niet naar hun zijn sarcasmen te sparen. In een brief aan de Staten-Generaal beschrijft hij deze kolonisten als volgt:

 

1‘Wat de onderlinge genegenheid, harmonie enz. en in 't ge-2heel de rust en vrede der kolonie betreft, uw H.M. gelieve zich

[p. 152]

1 te erinneren 't geene ik in de derde depêche op de Requeste, 2 2 gezegt heb van den aart van 't land, en men moet altijd ont-3houden, dat het gros der inwoonders der colonie bestaat uit 4 een zaamenvloeisel van allerlei natien, waaruit proflueeren vier4 5 natuurlijke gevolgen: 1e. dat velen gebooren zijnde onder 6 een Monarchale regeering, en nu hoorende, dat ze onder eene 7 vrije zijn, van de eene extrimiteit tot de andere springen, 8 zich verbeeldende dat de vrijheid bestaat in libertinage en 9 anarchie. 2e. Dat ten minste de meesten vreemd zijnde, geen 10 Neêrlands hart en vervolgens geen patriotische sentimenten 11 hebben, dewijl ze Nederland niet voor hun vaderland houden. 12 3e. Dat tusschen lieden van differente natien onmogelijk die 13 band van harmonie kan weezen, die ordinair subsidieert tus-1314schen uniforme landslieden, gelijk in de Fransche en Engelsche14 15 colonien en 4e. dat ze altijd animum revertendi behouden en15 16 dus geen attachement hebben voor een land, 't welk ze con-1617sidereeren niet als een woonplaats van hen en hare kinderen, 18 maar alleen als een land van vreemdelingschap en passage.18 19 Men zou hier remarques kunnen bijvoegen, die uit dezelfde 20 source voortkomen, vooral dat vele zijn lieden òf zonder op-2021voeding, òf die in hun vaderland niet hebben willen deugen, 22 en vervolgens van godsdienst, regt, doch vooral van 't geen 23 men orde, betamelijkheid en pudor noemt, gansch geene of23 24 zeer verkeerde denkbeelden hebben. Zulke menschen raken 25 ligt in twist, en de minste twist is bitter en onverzettelijk. 26 Echter moet ik aan de ingezetenen alhier de justitie doen,26 27 dat ze, zoolang ze in een minderen staat blijven, vreedzaam 28 en buigzaam zijn, en zelfs, hoe sterk aangezocht en opgeruid,

[p. 153]

1 altijd een aversie getoond, hebben van oproer; doch wanneer 2 ze uit hun néant tot rijkdom of eere opklimmen, draait hun2 3 doorgaans 't hoofd.’3

 

De oppositie van de plantersaristocratie (door Mauricius de Cabale4 genoemd) maakte gebruik van de meest ordinaire methoden om Mauricius te benadelen. De voornaamste aanstokers waren mevrouw Audra (weduwe van drie gouverneurs en van niet onberispelijke levenswandel) en Salomon Duplessis (in 1747 op gezamenlijke kosten naar Nederland gezonden om Mauricius ten val te brengen). Het regende spoedig klachten tegen de gouverneur. Sabotage in de bestuursorganen maakte het regeren bijna onmogelijk. De aanhangers van de gouverneur - want die waren er ook, getuige de romantische vereniging, de Mauritsridders, die door hun onbesuisd optreden Mauricius echter geen goed hebben gedaan - deelden in de vijandschap. Tot welke uitersten men ging toont de volgende passage uit het dagboek van de gouverneur:

 

16‘Nadat het canailleuse wijf van Scherping voor een jaar 't16 17 exempel heeft gegeven, van op haar hoogen stoep sittende, 18 op mij en mijn vrouw (als wij voorbijgaan) te spuuwen in 19 plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd 20 eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat 21 woonende, zich het woord gegeven, van mij, mijn vrouw 22 en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom 23 te groeten, al groet men eerst; specialijk Mev. l'Archer, de 24 wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer 25 en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altijd voornamelijk25 26 gesignaleerd met eene bijzondere agiliteit - waarop wij ook26 27 sederd eenigen tijd de resolutie hebben genomen, van sacht-28jens voorbij te gaan, zonder om te zien; doch gisteren ging 29 't zo verre, dat de vrouw van Pichot en Brouwer op den

[p. 154]

1 stoep sittende mijn vrouw in het voorbijgaan met een schate-2rend gelach uitjouwden.’1

 

Tenslotte werd een commissie gezonden om de zaak te onderzoeken. Het moet een grote teleurstelling voor Mauricius geweest zijn, toen hij merkte, dat deze commissie zijn adviezen in de wind sloeg en zich liet fêteren door de leden van de Cabale. Toen hij in 1751 naar Nederland werd gezonden om zich daar te verantwoorden en de rust in Suriname hersteld werd door een uiterste tegemoetkomendheid aan de eisen van de Cabale, die dit terecht opvatte als een grote overwinning, was hij een gebroken man.

En op dit dieptepunt in zijn leven, toen hij in zijn voornaamste werk gefaald had en op het punt stond eerloos te worden, schreef hij zijn bewogen gedicht Gezang op Zee (afzonderlijk gepubliceerd in 1752, later in 1753 herdrukt in zijn bundel Dichterlijke Uitspanningen), een poëtische rechtvaardiging van zijn beleid in Suriname, een laatste beroep op de stadhouder. Is het omdat hij hier genoodzaakt is zonder poëtische fraaiheden zijn zaak duidelijk uiteen te zetten, of omdat de oprechte verontwaardiging over het geleden onrecht zijn behaagzieke retoriek heeft verdrongen? Dit gedicht overtuigt ons meer van zijn poëtische mogelijkheden dan zijn gehele verdere oeuvre.

Gezang op Zee.1

Voorzang

5
'k Zat in de scheepskajuit, verlegen en verslaagen,
 
En doof van 't zeegeruisch, te peinzen, hoe ik 't best
 
En 't minst verveelend, met een uitgebreid Request
 
Myn' waaren toestand aan Uw' Hoogheid voor zou draagen,
 
Wanneer my, zo my dacht, een Vrouwebeeld verscheen,9
10
Niet schoon, maar vriendelyk, niet fyn, maar frisch van leên.
 
Het oog was helderblaauw, maar zonder kunst van lonken,
[p. 155]
 


illustratie
J.J. Mauricius.

[p. 156]
 
De tabbert, zonder met verschiet van verw te pronken,1
 
Uit inlands stof gesneên, eenvouwig neêrgeplooid,2
 
't Hoofd, zonder linten, met een' witte huif getooid.
 
De boezem, ver van met juweelsieraad te praalen,
5
Was toegedekt, en droeg een' ketting van koraalen,
 
Terwyl een sleutelring haar wapperde aan de zy.
 
Zy knikt my toe. Ik ben de Duitsche Poëzy,7
 
(Dus sprak ze) die gy in uw' jonkheid pleegt te minnen,8
 
Doch die gy sedert hebt verbannen uit uw' zinnen,
10
Terwyl ge (ô smaad!) in meer dan dertig jaaren tyd,
 
Die ge in 's Lands diensten, meest uitlandig hebt versleeten,
 
Pas dertig uuren aan myn' dienst hebt toegewyd.
 
'k Was ook in 't Vaderland verstooten en vergeeten.
 
Myne off'raars, waardig aan dien naam, zyn dun gezaaid,
15
Terwyl de Fransche zang rondom my overkraait.
 
Nu schep ik nieuwen moed, en hoope op nieuw te leeven.
 
De Hemel heeft ons een' geliefden Vorst gegeeven,
 
Die, tot zyne eeuwige eer, de Vaderlandsche kunst
 
En arbeid kweekt, beschut, en moedigt met zyn' gunst.
20
Geef my uw schrift. Ik zal 't in rym en dichtmaat plooien,
 
En hier en daar, als 't past, een' kleene veldbloem strooien.
 
Misschien ontfangt de Prins het nederig gedicht,
 
Myn' naam ter liefde, met een gunstig aangezigt.23
 
Hier zweegze. Ik weet niet, of het droomen was of waaken.
25
Maar 'k weet, uw' Hoogheid kan myn' droom tot waarheid maaken.

Nederig smeekschrift.

 
Bedwelmd, versufd, ontsteld, verslaagen en verward,
 
En diep getroffen tot in 't binnenst van myn hart,
[p. 157]
 
Voel ik myn' tong beklemd, en weet niet uit te drukken,
 
Wat zielsontroeringen my sling'ren en verrukken.
 
Ik zie myn' ouden roem beneveld en beklad
 
Met duizend loogens, zelfs in myn' geboortestad;4
5
Myn' eerelyken naam vertreeden en geschonden
 
Door booze lastertaal, en valsch verdichte vonden.6
 
Men heeft my schaamteloos in 't aangezicht gespuuwd
 
Met adderen vergift, daar zelfs de Hel voor gruuwt.
 
Wat baat my alles, ja wat baat my zelfs het leeven,
10
Indien de last'ring, zo arglistig t'saamgeweeven,
 
Den minsten ingang vondt by myn' geliefden Heer!
 
Een edel Vorsten hart, dat niets dan deugd en eer
 
Van jongs af heeft geleerd, en vuil bedrog en loogen
 
Niet dan by naamen kent, wordt allerligtst bedroogen,
15
En kan onmoogelyk begrypen, dat de haat
 
Van kwaade menschen tot zo groot een' boosheit gaat.
 
Durf ik een' Vorst, die al' zyn dierbaare oogenblikken
 
Tot heil van gantsch Euroop afperken moet en schikken,18
 
Gaan vergen onbeschaamd, dat hy, om mynent wil,
20
Tot grondig onderzoek zyn' kostlyke uuren spil!
 
Wat Edipus kan al die Sfinxespraak ontwinden?21
 
Wat Theseus 't pad in dien verwarden doolhof vinden,
 
Een hol vol bogten, daar Sibylle's gouden tak,
 
En Ariadne's draad te kort viel en te zwak?24
25
Toch weet het God, myn Prins! ik ly geheel onschuldig,
 
Schoon ik myn kruis opneem, zachtmoedig en geduldig.
[p. 158]
 
Geloof niet, wat men schreeuwt van onrust, van geweld,11
 
En oproer van 't gemeen, en wat men meer vertelt
 
Met fab'len, uitgedost in allerhande vormen.
 
Vyf, zes der magtigsten verwekken al' die stormen,
5
Die, moedig op hun geld, hun driftig onverstand
 
Vermommen met den gryns van yver voor het Land,
 
En waanende alles door hun' rykdom te bedwingen,
 
Een' stroom meêsleepen van verblinde huurelingen,
 
Die zelf niet weeten, wat ze doen, en in 't geschil
10
Onkundig, tek'nen voor en tegen, wat men wil.10
 
Dit waanwys Broederschap van ryke muitverwanten11
 
Wou zelf zich in den Stoel van 't wettig Landshoofd planten,
 
Ja 't gansche Landvoogds Ampt kwam nu niet meer te pas,
 
Nu in het Vaderland geen Prins aan 't Staatroer was,14
15
Dus wou men, zonder op Octrooi of Wet te letten,
 
Al' de oude paalen der Regeeringsvorm verzetten.
 
Zelfs de ed'le Maatschappy, die met haar geld en goed
 
Dit bloeiend Wingewest gekogt heeft en behoed,
 
Aan wien de Raad en 't Volk met Eeden zyn verbonden,
[p. 159]
 
Werdt opentlyk gesmaad, gedwarsboomd en geschonden.
 
Men zocht vergeetene geschillen uit het stof,
 
Lang uitgeweezen by het opperst Staatenhof.
 
Men wroette zelfs in de asch van lang versturven' Heeren,
5
Om hun' gedachtenis nog in hun graf te onteeren.
 
Twee hopliên, die men zelf, met een' byzondren haat,6
 
Nog onlangs hadt gehoond met opentlyken smaad,7
 
Gebruikte men, om nu de Burgers te beroeren,
 
Of, zonder Lastbrief, op hun' naam het woord te voeren.9
10
Dit lukte ook niet; en schoon men schriftlyk met dien naam
 
Gedreigd hadt, en het volk belasterd met den blaam11
 
Van opstand, stondenze in hun' reek'ning toch bedroogen,
 
En stieten huis aan huis het hoofd met hun' vertoogen.
 
't Bleef hier niet by. Men stuurde een' plegtig Afgezant,14
15
Milddaadig uitgerust, om in het Vaderland
 
Vergif te strooien met bedriegelyke streeken,
 
En, zo dit ingang vondt, de stormklaroen te steeken;
 
Een' Kromwel in het klein, die 't ruiterlyk gezicht18
 
Meê weet te mommen, als een Engel van het Licht,19
20
En heimlyk loerde om met het geld en lange vingeren20
 
Der Broederschap zich zelf in 's Landvoogds plaats te slingeren,
 
Gelyk de Broeders weêr hem met gelyke trouw
 
Behandelden, en doof voor 't schreeuwen van zyn' Vrouw,
 
Hem volmagt en voogdy ontdraaiden d' een na d' ander.
[p. 160]
 
Waar aazen wolven in de bosschen op malkander!
 
Maar pas was de Afgezant aan 't werk, of de ommekeer
 
In Neêrlands Staatsvorm wierp hun eerste stelsel neêr.3
 
Toen vleidde ik my, nu was 't gelukkig uur gebooren
5
Om allen twist in 't vuur van éénigheid te smooren.
 
Ik vierde 't feest van uw' inhuldiging, en deed
 
Al wat een vreedzaam Hoofd kan doen naar pligt en eed.
 
Vergeefsch! de arglistigheid, ten afgrond uitgebrooken,
 
Vergiftigde alles, om het smeulend vuur te stooken.
10
Toen 'k eindlyk, éénsgezind met Raad en Burgery,
 
Al 't oude Landkrakeel met de ed'le Maatschappy
 
Gelukkig had verzoend, toen raakte 't vuur aan 't blaaken.12
 
Men zag hen gift en gal ten neuze en monde uitbraaken.
 
Men vloog den Souverein zelfs in het aangezicht,
15
Die 't gunstig zegel hing aan 't geen ik had verricht.
 
Wat hielp nu alles, wat gegaârd was zo veel' jaaren
 
Om de ed'le Maatschappy recht in den schild te vaaren!17
 
Toen borst de dolheid uit tot alles, wat de haat
 
En bitt're boosheid kon verzinnen tot myn' smaad.
20
Een berg van valsheên, my gantsch eerloos aangewreeven,
 
Werdt my op 't lyf geploft, om my den slag te geeven,
 
Te trappen in het graf. Geen schip kwam op de reê,
 
Of 't bragt een' laading van verdraaide klagten meê,
 
Van add'ren uitgebroeid en kruissende op malkander,24
25
Daar de eene klaager stondt als tuige voor den ander;25
 
Schendschriften, met den druk vereeuwigd, tot myn' blaam,
[p. 161]
 
En stout bestempeld met uw' Hoogheids dierb'ren Naam.1
 
Dus overstelpt van werk, en leevendig begraaven,2
 
Moest ik by nacht en dag tot myn' verdaading slaaven,3
 
Gelyk men Sisyfus verbeeldt, die, afgesold
5
Van arbeid zonder end, den steen den berg oprolt,5
 
Of als een Zeeman, die, om niet in 't zout te plompen,6
 
't Schip eeven boven houdt met nacht en dag te pompen.
 
Dus moordde ik hier myn' tyd, terwyl men laat en vroeg
 
My plaagde en tergde, en vaak de koorts op 't lichaam, joeg,
10
Om in 't onmenschlyk werk myn' harssens te verwarren,
 
Of 't afgebeuld geduld tot daad'lykheid te sarren.11
 
Nog bleef ik onversufd, en hield het sling'rend roer
 
Bezadigd in de hand, in 't midden van 't rumoer,
 
Gelyk een' steile rots, wanneer 't geweld der stroomen
15
In 't blaffen van den storm, met losgebrooken' toomen
 
Zyn' wortels beukt en schokt, zich vasthoudt, en den vloed
 
Verduurt, tot eens de bui van zelfs heeft uitgewoed.
 
Ver van een streng gebruik van myn gezag te maaken,
 
Zocht ik myn' vyanden door goeddoen 't hart te raaken.
20
De Aanspraaken, die ik deed, getuigen, hoe oprecht,2020
 
Hoe yv'rig ik me op vrede altoos heb toegelegd.
 
Het Hof vernietigde begonnen' rechtsgedingen.22
 
'k Heb zelfs een drietal der voornaamste muitelingen
 
Door myn' verkiezing op den stoel van eer gebracht.24
[p. 162]
 
Of eind'lyk eens de wrok verzaad wierdt of verzacht!1
 
Weêr vruchtloos! eerder stilt men afgevaste leeuwen,
 
Die in het naare woud van dorst en honger schreeuwen,
 
En gaapen grimmende met opgespalkte keel.
5
't Geheiligd Raadhuis werdt een slagveld van krakeel,5
 
En knarssend straatgeschreeuw, dat nog my dreunt in de ooren,
 
Als of men weder bouwde aan Babels steilen toren,7
 
Terwyl ik Daniel verbeelde, by 't gehuil
 
Van Monsters, neêrgesmakt in 't diepste van een' kuil.9
10
Geen' zaak werdt afgedaan. De Rechtbank bleef geslooten.
 
Al wat ik voordroeg, werdt dolzinnig omgestooten.
 
Dus bragt men alles in verwarring, en is 't vreemd?
 
Wanneer men toom en zweep den voerman dol ontneemt,
 
By wilde rossen, is 't zyn' schuld dan, als ze hollen,
15
En hy den wagen ziet aan honderd splinters rollen?15
 
Nog was 't het slimste. 't Verschgeslooten Landtraktaat,1616
 
Zo dier bestempeld met goedkeuring van den Staat,
 
Werdt in de war gebragt, en de ed'le tyd versleeten
 
Met vitten en gekyf, terwyl geen mensch kan weeten,
20
Hoe lang de vreê, die God ons geeft, nog duuren zal.20
 
Het klaar beloofde geld, en 't nodig slaavental
 
Werdt my beknibbeld om de vesting te volbouwen.22
 
God geef', dat dit verzuim niet haast hen mag berouwen!
[p. 163]
 
Dus draaide 't werk, wanneer de wysheid van den Staat1
 
De gansche zaak verwees aan Hollands Hoogsten Raad,
 
Om waarheid en bedrog in Themis schaal te weegen.3
 
Toen juichte de Onschuld: doch de Laster stondt verlegen,
5
Daar 't werk der duisternis geen daglicht veelen kon.
 
De schuuwe nachtuil vreest de straalen van de zon.
 
Wat raad om deezen slag te weeren of te ontduiken?
 
De Raazerny gaf raad. Men moest geweld gebruiken,
 
En bonzen met een' ruk den Landvoogd aan een' kant.
10
De boosheid speelde zelfs met rampen van het Land.10
 
Ja uit het geen my tot onsterflyke eer moest strekken,
 
Wist zy, geweetenloos, haar add'rengif te trekken.
 
Zelfs dorst men Bethlehems rampzaal'gen blixemslag1313
 
Verdraaien tot myn' blaam, en, schoon ik d'eigen dag
15
De swarte moorders liet vervolgen op de hielen,
 
En ook de glorie had hen alle te vernielen,
 
Dorst toch hun schreeuwer op de beurs van Amsterdam17
[p. 164]
 
De brandklok kleppen ('t Land stondt nu in vuur en vlam!)
 
En hitste onkundigen, om plomp my aan te blaffen,
 
Als of ik beet'ren kon, dat God het land wou straffen.
 
Een slaavenopstand, die hier voorvalt jaar op jaar,
5
(Meest door der blanken schuld, die door gevloek, misbaar,
 
Onmenschelyke straf, en ontucht met de wyven,
 
De Negers tergen, en tot woede en wanhoop dryven)
 
Was nu een schriknieuws, als of 't nooit was meer gebeurd.
 
't Zieltoogend Lands-Crediet, dat lang reeds hadt getreurd,
10
En 't welk men zelf nu met dit kraaien en dit kryten
 
Hadt doodgeschreeuwd, was thans aan myn bestier te wyten.1111
 
De vrede, met een deel boschnegers versch gemaakt,12
 
Werdt plomp gelasterd, en met onverstand gewraakt;
 
Ja 't geen by 't gansche Land gewenscht was en gepreezen,
15
(Toen de ed'le Cheusses, en meer Gouverneurs voor deezen15
 
Het zelfde zochten) was nu plat een gruwelstuk,
 
Nu 't onder myn bestier volvoerd was met geluk.
 
God geef, dat de uitkomst nooit mag in ons voordeel spreeken,18
[p. 165]
 
En dat deez' vreedebreuk het Land niet op mag breeken!1
 
Misleide tekenaars! gy kent het land hier niet.
 
Het geen gy op de kaart, als open' velden, ziet,
 
Zyn donkre wouden, digt met kreupelbosch bewassen,
5
Doorsneên met Zwampen, en afgryslyke moerassen.5
 
Ziet, meet, hoe 't Land in diepte en breedte is uitgestrekt.
 
Zelfs, als ge al blind'ling, by geluk, een Dorp ontdekt,
 
Dan is 't nog ver van hen te dooden of te vangen.
 
Zy sling'ren zich door bosch en ruigten, als de slangen,
10
Daar gy niet volgen kunt. Het volk wordt krank en mort.
 
De mondkost, die zo ver op 't hoofd gedraagen wordt
 
Door slaaven, en nog eerst den mond uit, door de baaren12
 
Is achterom gevoerd met ponten en korjaaren,13
 
Begint te minderen. Gy vreest den regentyd,
15
(Die, als het nat saizoen de wolken open splyt,
 
De bergkruin overzwelt, en meeren maakt van kreeken)16
 
En duizend zwaarigheên, onmooglyk uit te spreeken!
 
Dan ylt gy weêr naar huis: gelukkig! zo een' laag18
 
Van Negers u op weg niet waarneemt uit een' haag.
20
Daar moet gy blind met een' onzichtb'ren vyand kampen,
 
Die u, als eenden, schiet en kiffelt in de zwampen.21
[p. 166]
 
Al rukte een leger van tien duizend man by één,
 
De moed en 't krygsbeleid van Cezar en Eugeen2
 
Vondt hier zyn' arbeid om een' Hydra uit te roeien,
 
Die zelfs Alcides knods ontduiken zou, in 't groeien.4
5
Neen! als de dapperheid zo dikwils 't oogmerk mist,
 
Dan neemt het staatsvernuft zyn' toevlugt tot de list.
 
Dus bleef de beste raad, met wysheid hen te splitsen,
 
Om met 'er tyd den een op d'andren aan te hitsen.8
 
De ervarenheid heeft vaak, en onlangs dit doen zien,
10
Wanneer de Negers van 't bevredigd Korretien10
 
En Koppenaamen, ons verzelden op de togten,11
 
Of zelf, door eigen' wraak genoopt, als leeuwen, vochten.1212
 
Dus dorst men veilig eens in 't hart van 't binnenland
 
Indringen, dat een schat verbergt in 't ingewand
15
Van gommen, mineraal en dierbre kruideryën,15
 
Ver van de zeestrand, in het diepst der woestenyën.
 
Dat tuig Brezil, waar wy vooraan, in ons gebied,17
[p. 167]
 
Niets vonden, dan rood hout, tabak en suikerriet,1
 
En nu den Portugees met rykgelaaden' scheepen
 
Een' schat van zilver en juweelen uit zien sleepen....3
 
Gy luistert niet, en schudt het hoofd op 't geen ik zeg.
5
Gy roept maar: trapt hem! voort! de Gouverneur moet weg!
 
Gy sluit de beurs, en dreigt de keel ont toe te wringen,
 
En weet dus eind'lyk 't naar uw' blinden zin te dwingen.7
 
Wie kan een' stroom weêrstaan, die door een' wervelwind
 
Aan 't hollen, in zyn' loop het akkerland verslindt,
10
En onder 't knarssen van den donder, in het rukken,
 
De gronden bovenroert, en dyken schokt aan stukken!
 
Dus zwicht verblufte deugd voor onbesuisd geschreeuw!
 
Ver over dertig jaar, een derde van een' eeuw,
 
Heb ik den Staat gediend, en 't gunstig welbehaagen
15
Der Heeren meer dan eens gelukkig meêgedraagen.
 
In negen jaaren van myn' zuure Landvoogdy,
 
Is 't Land een vierde en meer verbeterd in waardy,
 
Gantsch Kommewyne met een' dubblen boog van huizen,18
 
Plantaadjen, lyn aan lyn, met schuuren, lootsen, sluisen,19
20
Vier myl op, nieuw bezoomd, met slaaven zonder tal,20
 
Waar van men na myn' tyd de vrucht eerst trekken zal.
 
'k Droeg al' de lasten van myn Ampt by nacht en dagen,
[p. 168]
 
Vaak met myn' kwaale op 't lyf, of Surinaamsche plaagen.1
 
'k Heb weetens aan geen' mensch ooit ongelyk gedaan.
 
Of noemt men ongelyk, 's Lands wetten voor te staan,
 
En oproermaakers, die het onderst booven keeren,
5
Voor God en Overheên ontzag te willen leeren?
 
Wel, dan beken ik schuld! 'k heb ernst getoond, als God
 
En 't wettige gezag door jongens wierdt bespot.7
 
'k Heb willen waaken op bekende Landschandaalen,8
 
Die Gods gerechten vloek op land en volken haalen:
10
En als 't belangen van myn' Meesters heeft geraakt,10
 
Heb ik myn zelf belang trouwhartig steeds verzaakt.
 
Wat rust, wat vriendschap, wat genot men my deedt hoopen
 
Om 't recht der Maatschappy lafhartig te verkoopen,
 
Ik sloeg het af, en zelfs verachte ik 't dreigement
15
Van 't geen my onverdiend nu overkoomt in 't end'.
 
Dit 's myn belooning dan! en in myn' gryze dagen
 
Word my met éénen schok de Kroon van 't hoofd geslagen,
 
Terwyl myn' Vyanden hun booze zin gelukt!
 
'k Word buitenstyds uit myn begonnen werk gerukt,
20
'k Zie my van Vrienden en twee lieve Kind'ren scheuren,
 
'k Zie myn' Soldaaten myn verhaast vertrek betreuren,
 
Gelyk myn' Officiers, uitbarstende in geschrei,
 
Hun' klemmende armen om myn' hals slaan by 't gelei,23
 
Terwyl de Burgers (als vreêlievende onderdaanen)
25
My nazien in de boot met ingekropte traanen,
 
Verwonderd, om wat reên de aloude plegtigheid26
 
(Naar Lands gebruik) hen thans misgund wordt en ontzeid.
 
Neen, Burgers, neen! uw' trouw is altyd my gebleeken.
 
Ontbreekt de plechtigheid en 't uiterlyke teken,
[p. 169]
 
Ik ken uw' harten toch, en draag uw' zegen meê,
 
Terwyl ik met myn' vrouw en kind'ren zwerf op zee.
 
Dus ga ik zuchtend scheep, verleegen en verslaagen,
 
En zelf niet weetende, of ik zwygen moet of klaagen.
5
Zal ik den bitt'ren haat, die my zo boos bevecht,
 
Nog meer verbitt'ren door verdaading van myn Recht,6
 
En nieuwe Vyanden my op den hals aanrukken?
 
Een ys'ren pot vergruist, een' aarden ligt aan stukken.
 
Waar zie ik 't eind! Hoe lang moet ik het gryze hoofd
10
Vermorsselen in 't graf, door 't werk reeds afgesloofd!
 
En is de stryd gelyk met menschen, die, vermeeten,
 
De goede trouwe, en al wat heilig is, vergeeten,
 
Terwyl hun' boosheid zelfs met dierbaare eeden lacht,
 
En my gezwooren heeft te pletteen met haar' macht?
15
Was 't zelfs niet beter, voor den fellen stroom te wyken,
 
En in den stormorkaan de zeilen in te stryken?
 
De waarheid, voor een' tyd door lastertaal vertreên,
 
Breekt in het kort van zelfs door zwarte wolken heen,
 
En blinkt met dubbeld licht en leevendiger straalen.
20
Doch moet ik, onhersteld, ten grave nederdaalen,
 
God ziet myn' onschuld met zyn albespieg'lend oog,
 
En reikt me op 't eind der baan de krans toe van om hoog.
 
In deeze ontroeringen, die my de ziel bestryden,
 
Verleegen, raadeloos, wat ik moet doen of myden,
25
Verlangende na rust, gevoelig aan myn' Eer,
 
(Terwyl het schichtig hart gesold wordt heen en weêr,
 
Gelyk een roerloos schip, geslingerd door de winden)
 
Zyt gy 't alleen, myn Prins, by wien ik troost kan vinden.
 
Myn heil of ongeluk is in Uw' Hoogheids magt.
30
Een enk'le wenk! dit is 't Orakel, dat ik wacht,
 
Om myn' vervolgers vry te treeden onder de oogen,
 
Zoo maar het Recht de deur toegrendelt voor de Loogen,
 
En de eerste valsheid, die 'k zo klaar reeds heb vertoond,
 
Hen eerst wordt afgeleerd, en naar waardy beloond.
35
Dan schep ik adem om myn' onschuld te verweeren.
[p. 170]
 
Doch kan 't niet zyn, en is de slag niet meer te keeren,
 
Kan 't opgestookte vuur niet anders zyn geblust,
 
En moet myn ongeluk tot Suriname's rust
 
Gedyën, 't zy dan zo! (de tyd kan 't best ontdekken)
5
Dan moet ik voor 's Lands best getroost ten offer strekken.
 
Dan buige ik me, en vereer met diepe eerbiedigheid
 
Het lot, my van een' hand, zo dierbaar, opgeleid,
 
Zo my Uw' gunst maar in de treurige oogenblikken,
 
Die 'k nog te leeven heb, de ziel nog blyft verquikken.
10
Is 't dus vergeefsch, dat ik herstelling hoop en zoek,
 
Zo gun me in Uw Gebied een afgeleegen hoek,
 
Daar ik in Eere en rust de dood stil af kan wachten,
 
En nimmer menschen zal verveelen met myn' klagten,
 
Daar ik, verzadigd van het yd'le, hier geen' vreugd
15
Meer zoeken zal, dan in 't vereeren van Uw' Deugd.
 
Dus zong ik, Grooten Vorst, in 't bruissen van de baaren,
 
En 't hobbelend gezicht van dreigende gevaaren
 
Weêrhieldt my niet, om dit schuldoffer van myn' pligt
 
U toe te brengen in dit stamerend Gedicht.
20
Het Heidensch land, daar ik myn' tyd in heb versleeten,
 
Heeft my de zuiv're taal en maatklank doen vergeeten.
 
Het roostend zonnevuur, 't gebrek van vrede en rust,
 
En 't daag'lyks zielsverdriet, heeft my den geest geblust.
 
Ook is de stof te schraal om met verwisselingen
25
Van dichtsieraaden in bekrompen rym te wringen.
 
De Zuure Naam alleen maakt met zyn bloot geluid26
 
De Muzen schuuw, en 't Paard vliegt schichtig achteruit.
 
Ovidius, toen hy in Pontus zat verbannen,
 
Kon zelf de snaar van zyn' Herschepping' niet weêr spannen.
30
Zyn' zang kroop laag langs d' aard. Dien nederigen trant
 
Vondt hy zelf voegelykst aan zyn' bedrukten stand.31
[p. 171]
 
Gy, dien we Augustus zien in roem te boven streeven,1
 
Volg, volg de deugden van het einde van zyn leeven,
 
Prins Friso, maar verhoor myn' schuldelooze beê
 
Met meerder goedheid, dan hy die van Nazo deê.4
5
Prins Friso, sla 't gezicht op myn' besneeuwde haaren.
 
Een trouw Landsdienaar, meer door rampen, dan door jaaren,
 
Verouderd en verzwakt, van schut en scherm ontbloot,
 
Buigt voor Uw' voeten neêr, en werpt zich in Uw' schoot.
 
Niets kan een Vorst meer tot de onsterflykheid doen steigeren,
10
Dan aan verdrukte deugd geen heul of troost te weigeren.
 
Zo worde Uw groote Naam eeuw uit, eeuw in geroemd,
 
En Uw Regeeringstyd Augustus-Eeuw genoemd!
 
Zo wil U God nog lang tot Neêrlands welzyn spaaren!
 
Zoo blyve Uw' Kroonprinses Uw' Vreugd nog lange jaaren!
15
Zo blyve Uw Vorst'lyk Huis en Keizerlyk Geslacht
 
Met roem verheerlykt tot aan 's waerelds jongsten nacht!

De dichterlijke belangstelling voor Suriname is in Nederland nooit groot geweest. Alleen de zaak van Mauricius wist hier enige belangstelling te wekken. Mauricius ontving in 1751 bij zijn terugkeer en in 1753 bij zijn eerherstel dichterlijke blijken van belangstelling en medeleven, die hij gedeeltelijk heeft opgenomen in zijn Dichtlievende uitspanningen. De meeste van deze gedichten houden zich meer met de persoon van Mauricius bezig dan met de Surinaamse kwestie. Belangwekkend is echter in dit verband het gedicht van zijn vriend P.A. de Huybert, die in 1761 ter gelegenheid van de hernieuwde vrede met de bosnegers Mauricius' vroegere tactiek opnieuw verdedigt.

[p. 172]
Op den Pais in October 1760 in de Surinaemsche Volkplanting, met de Weggeloopene Negers geslooten.
Klinkdicht, Den Heere Mauricius, Oud Gouverneur dier Colonie,3 toegezonden.
5
Ja met de Negers is de Vrede in 't eind gesloten.
 
Mauricius hadt dat op beter voet gedaan.
 
Maar ach! die trouwe dienst quam Hem heel duur te staan.
 
Uit zyne Landvoogdy wierdt Hij daarom gestooten!
 
 
 
Wat hadt men niet al vrucht van zulk een Vreê genooten,
10
Indien men waere op zyn beginzels voortgegaen,
 
In plaets van zyn ontwerp den bodem in te slaen!
 
O Vreede breuk! wat is al quaet uit u gesprooten!
 
 
 
Nu heeft toch de uitkomst met veel schade klaer geleert,
 
Dat door geen wapenen dit volk kan zijn verheert.14
15
Dit wist myn Vriend, maer zag zyn trouw beleid versmaeden.
 
Nu volgt men gretig, schoon met ongelyken kans,
 
(Zo goed men 't krygen kan) het spoor des wakkren Mans.
 
Men eer' hem met een kroon van Eike- en Lauwerbladen.

4proflueeren = voortvloeien.
13ordinair subsidieert = gewoonlijk blijft bestaan. Wij nemen bij deze vertaling aan, dat Mauricius bedoelde te schrijven subsisteert.
14uniforme = gelijke.
15animum revertendi = gezindheid om terug te keren.
16attachement = gehechtheid.
18passage = kort verblijf, klein oponthoud alvorens verder te trekken.
20source = bron.
23pudor = eerbaarheid.
26de justitie doen = het recht laten wedervaren, uit rechtvaardigheid erkennen.
2néant = nietswaardigheid, nietigheid.
3J. Wolbers, Geschiedenis van Suriname (Amsterdam, 1861,) pp. 172-173.
4Cabale = een intrigerende coterie met onedele bedoelingen.
16canailleuse = gemene, ploerterige.
25heeft sich .... gesignaleerd met = heeft zich onderscheiden door.
26agiliteit is in het Frans ‘vlugheid’, ‘lenigheid’. Wij vermoeden echter dat Mauricius hier meer bedoelt ‘activiteit’.
1J. Wolbers, Geschiedenis van Suriname (Amsterdam, 1861), p. 211.

1Joan Jakob Mauricius Dichtlievende uitspanningen (Amsterdam 1753), pp. 145-165.

9Wanneer = toen.
1tabbert = een soort japon.
verschiet van verw = een grote hoeveelheid kleuren.
2inlands = binnenlandse; van eigen, Hollands maaksel.
7Duitsche = Nederlandse.
8pleegt. Het presens werd vroeger meer gebruikt voor een verleden met duratief aspekt. Juist bij een werkwoord als plegen is het gebruik van een presens dus niet zo verwonderlijk.
23Uit liefde tot mijn naam, nl. Duitsche (Nederlandse) Poëzy.

4Amsterdam.
6valsch verdichte vonden = onware, zelf bedachte bedenksels.
18Die zuinig moet zijn met zijn kostbare tijd.
21De Vorst kan deze ingewikkelde beschuldigingen evenmin doorzien als vroeger Oedipus de Sfinxespraak (=orakeltaal) van Delphi, die hem aankondigde dat hij zijn vader doden en zijn moeder huwen zou.
24De Vorst kan uit deze doolhof van beschuldigingen geen uitweg vinden, evenmin als Theseus, wanneer die niet geholpen werd door ‘Sibylle's gouden tak’ (uit een ander verhaal een magisch middel om toegang tot de onderwereld te kunnen krijgen) en ‘Ariadne's draad’ (Ariadne had Theseus een kluwen meegegeven, die hij afwond toen hij de doolhof inging, en waardoor hij ook de uitgang weer terug kon vinden).
1[Voetnoot van Mauricius] Uit de Memorie, door my aan haar Edele Mogende, de Heeren Commissarissen overgegeeven by derzelver aankomst, den 15 December 1750, blykt, dat 'er in 't geheel geen onrust was, dan met drie Raaden. De Hoven, alle Collegien, en alle de Burger-Officieren hadden verklaard van myn' Regeering volkoomen te vrede te zyn. En omtrent de Burgers eindigt de Memorie met deeze aanmerkelyke woorden: De Burgers, verre van eenige beweeging te maaken, hebben ter contrarie alle aanzoekingen, die hen daar toe gedaan zyn, als braave lieden afgeweezen. Ik ben van dezelve volkoomen Content, en ik ben verzekerd, dat zy 't zelve van my ook betuigen zullen, zo Uwe Excellentien hen Nb. gelieven te laaten verzamelen, en 't hen af te vraagen.
Raaden = hoge bestuursfunctionarissen.
1Uit de door Mauricius kwistig toegevoegde noten zijn alle verwijzingen naar andere werken, voornamelijk het bekende Recueil van egte stukken, weggelaten.
10Men had handtekeningen tegen Mauricius verzameld. Velen hadden getekend, menende dat het ergens anders over ging en zonder de inhoud van het stuk te kennen.
11muitverwanten = muitende samenzweerders.
14[Voetnoot van Mauricius] Deeze Factie, die zich den naam van Republicainsche gaf, begon 't hoofd op te steeken in 1746. Haar' stelling was, dat het Octroy gemaakt was onder een' Stadhouderlyke Regeering, en dus nu, zo veel 't Eminent gezag des Gouverneurs raakte, niet meer gelden moest.
nu = tijdens het stadhouderloze tijdperk.
6[Voetnoot van Mauricius] Mol en Visser.
7Du Plessis had deze hoplieden (vooral Mol) nog niet zo lang geleden verachtelijk bejegend. In de gemeenschappelijke haat tegen Mauricius waren zij weer samen gaan werken.
9nl. uit naam der beide hoplieden.
11Men had naar Nederland geschreven, dat zelfs de hoge militairen tegen Mauricius in opstand waren gekomen.
14Du Plessis, die met veel geld naar Nederland vertrok, om daar de mensen op zijn hand te krijgen. Hij werd later door Mauricius voor de rechter gedaagd en in de gevangenis geworpen.
18Hij noemt Du Plessis een Cromwel in 't klein. Cromwel was enige tijd praktisch dictator in Engeland. Dit was dus een afschrikwekkende vergelijking voor die tijd, zoals tegenwoordig de vergelijking met een naam als Hitler.
19mommen = maskeren, een masker opzetten.
20Du Plessis en de andere leden van de Cabale poogden elkaar te bedriegen. Du Plessis probeerde heimelijk zelf Gouverneur te worden. De andere leden maakten van zijn afwezigheid gebruik om zich op zijn kosten te verrijken, hem winstgevende posten te ontfutselen.
3stelsel = stelling, nl. hun stelling, dat het octrooi niet gold in een stadhouderloos tijdperk, en dus de positie van Mauricius onwettig was. Zie p. 158, noot † (b.).
12[Voetnoot van Mauricius] By de Conventie van 1748. met eenpaarigheid in 't Hof van Policie geslooten, en door 't Hof van Justitie, alle de Collegien, en Burgerofficieren goedgekeurd, met eenpaarige betuigingen van genoegen over myn Regeering.
17in den schild te vaaren = te lijf te gaan. Wat had het nu voor nut (nl. wat de Cabale gedurende jaren opgebouwd had om de Maatschappij, de Westindische Compagnie, te kunnen bestrijden).
24De klachten waren volgens Mauricius waardeloos, omdat de ene klager de andere tot getuige nam, de klachten hadden dus allemaal met elkaar te maken (kruisten op malkander).
25tuige = getuige.
1De schendschriften waren de stadhouder toegewijd.
2nl. volkomen geïsoleerd.
3verdaading = verdediging.
5Hij vergelijkt zijn arbeid met die van Sisyfus, die door de goden veroordeeld werd een rotsblok de berg op te wentelen, dat van dicht bij de top steeds weer terugrolde.
6't zout = de zee.
11daad'lykheid = daden. Men probeerde dus zijn geduld uit te putten, zodat hij werkelijke aanleiding tot klachten zou geven.
20[Voetnoot van Mauricius] Aan 't Hof en Burgers
20Hij bedoelt hier de toespraken, die hij in Suriname gehouden heeft.
22Mauricius liet door het Hof enkele overtredingen, tegen hem als gouverneur begaan, niet vervolgen.
24Dus doen benoemen in de bestuurscolleges. Dit wordt als edelmoediger voorgesteld, dan het in werkelijkheid was. De gouverneur was natuurlijk wel enigszins gebonden aan de voordracht door de bestuurscolleges.
1Of = in de hoop dat.
verzaad = verzadigd.
5Nu zijn voornaamste tegenstanders in de bestuurscolleges zaten, werd de strijd mede in die colleges uitgevochten.
7Dit beeld verwijst naar de Babylonische spraakverwarring. Tot straf voor de hoogmoed der mensen, die een toren wilden bouwen die tot in de hemel reikte, gaf God ieder een andere taal, waardoor de mensen uit elkaar gingen en de torenbouw werd gestaakt.
9Hij voelt zich in deze bestuurscolleges als Daniel in de leeuwenkuil.
15Hij verwijt hier zijn opdrachtgevers, dat hij als gouverneur niet voldoende machtsmiddelen heeft gekregen.
16[Voetroot van Mauricius] De gemelde Conventie van 1748.
16En dit was nog niet het ergste.
20De vrede namelijk tussen Nederland en de andere Europese staten. Als een oorlog uit zou breken, staat Suriname bloot aan vijandelijke invallen. Het was dus hoog tijd om met gezamenlijke inspanning de vervallen forten te versterken en Suriname in staat te stellen zich te verdedigen.
22Het vervallen fort.
1draaide = nam een andere (betere) koers. Wanneer wij deze betekenis kiezen, kan dus moeilijk op het voorgaande betrekking hebben. Het blijft daarom ook mogelijk, dat draaide een drukfout is voor draalde.
3In de weegschaal, waarmee de geblinddoekte vrouwe Justitia wordt afgebeeld.
10Namelijk, men gebruikte de voorkomende slavenopstanden en aanvallen der bosnegers om het bestuur van Mauricius (maar ook het land zelf) in discrediet te brengen.
13[Voetnoot van Mauricius] Dus is de naam der plantaadje van Thoma. Schoon de moorders den regentyd tot uitvoering van dit gruwelstuk verkooren hadden, in 't vertrouwen, dat de blanken hen dan door de moerassen niet konden volgen, heb ik ze toch in drie dagen alle weder gekreegen, behalven een' enkelen die zich zelf hadt omgebragt. Die de Colonie kennen, zullen best oordeelen, en die een' diergelyken tocht zullen willen nadoen, zullen best ondervinden, wat eere deeze gelukkige uitvoering verdiend hadt, in plaats van dit onbesuisd geschreeuw. 't Onbegrypelykste is, dat sedert anderhalf jaar zes of zeeven eevengelyke treurgevallen gebeurd zyn, zonder eenig voordeel op de boschnegers, en dat die zelfde Persoonaadien, die over 't geval van Thoma zoo veel geschreeuw hebben gemaakt, nu stil zwygen.
nu = sedert Mauricius het land verlaten had. De noten zijn later in Nederland toegevoegd.
13Bethlehem = een plantage aan de Boven Commewijne in de buurt van Potribo. Zie kaart II. De plantage was door de bosnegers afgelopen (= verwoest).
17nl. Du Plessis.
11[Voetnoot van Mauricius] In ben 't in tegendeel, geweest, die 't Crediet hersteld heb door 't Project, het welke de Heer Burgermeester Deutz heeft tot uitvoering gebragt, en zonder 't welke veel' eerlyke Lieden hun' Plantaadjen zouden hebben zien inslokken waar op 't gemunt was.
Het is niet precies meer na te gaan, waarop deze noot van Mauricius doelt. De geldschieters waren blijkbaar van plan zelf de met schulden belaste plantages in handen te nemen (zoals later ook op grote schaal gebeurd is). Mauricius heeft dit weten te verhinderen met hulp van de genoemde Deutz.
11Door de ophef van deze zaak gemaakt waren de geldschieters huiverig geworden nog meer geld in de nu riskant geachte plantage-ondernemingen te steken. Morgen kon immers een volgende plantage aan de beurt zijn.
12Mauricius was de eerste die volgens het principe divide et impera (verdeel en heers, zie ook de verdediging van dit principe hierna) poogde met enkele bosnegerstammen vrede te sluiten, om daarna met hulp van de dan ‘bevredigde’ bosnegers de andere stammen te besrtijden. Latere gouverneurs hebben zijn plannen uitgevoerd. Zie ook het gedicht van P.A. de Huybert aan het einde van dit hoofdstuk. Als onderhandelaar gebruikte Mauricius de slimme slaaf Quassi (zie hoofdstuk IX), die als dank de vrijheid kreeg.
15Cheusses, gouverneur van Suriname van 1734-1735.
18Dat de gevolgen van deze vredebreuk niet (te laat!) pleiten voor het juiste inzicht van mij (Mauricius).
1[Voetnoot van Mauricius] 't Is my leed, dat de uitkomst reeds is, zo als ik gevreesd heb. Sedert den Vredebreuk zyn 'er in een jaar veel meer ongelukken gebeurd, dan in myn' neegen Regeeringsjaaren te saamen.
Het vervolg van de geschiedenis toont ditzelfde in nog sterker mate. Tijdens zijn opvolgers wordt een volledige legermacht ingezet om de goedgeorganiseerde bosnegertroepen van Bonni, Baron en Joli-Coeur het hoofd te bieden. Zie ook hoofdstuk VI.
5[Voetnoot van Mauricius] Dus noemt men moerassige waterplassen in de laagtens.
12[Voetnoot van Mauricius] By den tocht van Creuts in 1749 moest men de levensmiddelen met een' Bark den mond der rivier Suriname uitvoeren, en door de zee de rivier Saramaca eenige dagen verre opvoeren.
Zie kaart II om de situatie precies te kennen. Sarameca = Saramacca.
13De troepen namelijk gaan van Paramaribo door het bos naar de Saramacca.
ponten zijn grotere boten, bestemd voor het vervoer der plantageprodukten naar de stad; korjaaren (= korjalen) zijn kleinere kano's.
16kreeken = kleine zijrivieren, beekjes.
18laag = hinderlaag.
21kiffelt = neerschiet, doodt.
2Cezar en Eugeen = beroemde Romeinse veldheren.
4Een der werken van Hercules (= Alcides) was de vernietiging van de Hydra, een honderdkoppige slang, waarbij voor iedere afgehouwen kop er twee nieuwe in de plaats kwamen. Met grote moeite gelukte het hem deze slang te doden.
8Zie p. 164, noot 12.
10[Voetnoot van Mauricius] Met deeze Negers, ook weggeloopene Slaaven, is over lange jaaren ten tyde van den Heere van Sommelsdyk Vrede gemaakt, die tot heden toe tot groot voordeel der Colonie heilig gehouden is.
Sommelsdijk was gouverneur van Suriname van 1683-1688. Hij schijnt inderdaad kort na 1684 vrede gesloten te hebben met de bosnegers van de Coppenamerivier.
11De Negers van 't bevredigd Korretien en Koppenaamen = de bevredigde = de met de blanken in vrede levende bosnegers van Corantijn en Coppename. Zie voor de riviernamen kaart II.
12[Voetnoot van Mauricius] Nog kort voor myn vertrek, in Maart 1751. hebben ze uit eigen beweeging een gelukkigen togt gedaan. Doch men heeft hen in de nieuwsschriften vermomd met den naam van Indïaanen. Waarom? Die zo zeer tegen de Vrede geschreeuwd hadden, wilden niet erkennen, dat Bevreedigde Negers konden dienst doen.
12Een tocht dus tegen de andere, niet bevredigde bosnegers met een (voor de Europeanen) gelukkige afloop. De verschillende bosnegerstammen leefden lang niet altijd in vrede. Veel succes hadden overigens dergelijke bostochten niet. Meestal nam men enkele vrouwen, grijsaards en kinderen gevangen en verwoestte men verder de akkers.
15gommen = soorten boomhars.
17Dat tuig Brezil = dat moge Brazilië getuigen.
vooraan = aan de kust, in de kuststreek.