Tussen de planters en de gouverneur had al lange tijd een natuurlijke vijandschap bestaan. De gouverneur behartigde de belangen der aandeelhouders en iedere nieuwe belasting werd door de planters gezien als een hun vijandige daad. Nooit werden echter de hartstochten zo opgezweept als tijdens het bestuur van de begaafde, maar hooghartige en autoritaire jurist Jan Jakob Mauricius. De plantersaristocratie deinsde er niet voor terug tegen het eigenbelang te handelen, mits men hiermee slechts de gehate gouverneur kon treffen. De planters hebben zich met zulk een hartstocht tegen hem gekeerd, dat het de grenzen van een normale belangentegenstelling ver overschreed. Hier was meer in het spel: een onoverbrugbare persoonlijke tegenstelling tussen de zelfbewuste artistocraat Mauricius en de koloniale nouveaux-riches, gewend aan absolute macht op hun plantages.
Zelden waren de Hoogmogende Heren in Nederland met zoveel vertrouwen de toekomst tegemoet gegaan. Zij prezen zich gelukkig een zo kundig en integer man als Mauricius bereid te hebben gevonden in hun dienst te treden. Mauricius vertrok in 1742 naar Suriname. Hij dacht daar genezing te vinden voor zijn astma en was van plan er zijn verder leven door te brengen. Hij vond daar echter een zeer eigengereide groep planters, die allerminst geneigd was zich zonder meer bij zijn kundiger oordeel neer te leggen. Bovendien keurde hij de zedeloze en ongodsdienstige levenswijze der planters sterk af en hij was er de man niet naar hun zijn sarcasmen te sparen. In een brief aan de Staten-Generaal beschrijft hij deze kolonisten als volgt:
1‘Wat de onderlinge genegenheid, harmonie enz. en in 't ge-2heel de rust en vrede der kolonie betreft, uw H.M. gelieve zich
1 te erinneren 't geene ik in de derde depêche op de Requeste, 2 2 gezegt heb van den aart van 't land, en men moet altijd ont-3houden, dat het gros der inwoonders der colonie bestaat uit 4 een zaamenvloeisel van allerlei natien, waaruit proflueeren vier4 5 natuurlijke gevolgen: 1e. dat velen gebooren zijnde onder 6 een Monarchale regeering, en nu hoorende, dat ze onder eene 7 vrije zijn, van de eene extrimiteit tot de andere springen, 8 zich verbeeldende dat de vrijheid bestaat in libertinage en 9 anarchie. 2e. Dat ten minste de meesten vreemd zijnde, geen 10 Neêrlands hart en vervolgens geen patriotische sentimenten 11 hebben, dewijl ze Nederland niet voor hun vaderland houden. 12 3e. Dat tusschen lieden van differente natien onmogelijk die 13 band van harmonie kan weezen, die ordinair subsidieert tus-1314schen uniforme landslieden, gelijk in de Fransche en Engelsche14 15 colonien en 4e. dat ze altijd animum revertendi behouden en15 16 dus geen attachement hebben voor een land, 't welk ze con-1617sidereeren niet als een woonplaats van hen en hare kinderen, 18 maar alleen als een land van vreemdelingschap en passage.18 19 Men zou hier remarques kunnen bijvoegen, die uit dezelfde 20 source voortkomen, vooral dat vele zijn lieden òf zonder op-2021voeding, òf die in hun vaderland niet hebben willen deugen, 22 en vervolgens van godsdienst, regt, doch vooral van 't geen 23 men orde, betamelijkheid en pudor noemt, gansch geene of23 24 zeer verkeerde denkbeelden hebben. Zulke menschen raken 25 ligt in twist, en de minste twist is bitter en onverzettelijk. 26 Echter moet ik aan de ingezetenen alhier de justitie doen,26 27 dat ze, zoolang ze in een minderen staat blijven, vreedzaam 28 en buigzaam zijn, en zelfs, hoe sterk aangezocht en opgeruid,
1 altijd een aversie getoond, hebben van oproer; doch wanneer 2 ze uit hun néant tot rijkdom of eere opklimmen, draait hun2 3 doorgaans 't hoofd.’3
De oppositie van de plantersaristocratie (door Mauricius de Cabale4 genoemd) maakte gebruik van de meest ordinaire methoden om Mauricius te benadelen. De voornaamste aanstokers waren mevrouw Audra (weduwe van drie gouverneurs en van niet onberispelijke levenswandel) en Salomon Duplessis (in 1747 op gezamenlijke kosten naar Nederland gezonden om Mauricius ten val te brengen). Het regende spoedig klachten tegen de gouverneur. Sabotage in de bestuursorganen maakte het regeren bijna onmogelijk. De aanhangers van de gouverneur - want die waren er ook, getuige de romantische vereniging, de Mauritsridders, die door hun onbesuisd optreden Mauricius echter geen goed hebben gedaan - deelden in de vijandschap. Tot welke uitersten men ging toont de volgende passage uit het dagboek van de gouverneur:
16‘Nadat het canailleuse wijf van Scherping voor een jaar 't16 17 exempel heeft gegeven, van op haar hoogen stoep sittende, 18 op mij en mijn vrouw (als wij voorbijgaan) te spuuwen in 19 plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd 20 eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat 21 woonende, zich het woord gegeven, van mij, mijn vrouw 22 en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom 23 te groeten, al groet men eerst; specialijk Mev. l'Archer, de 24 wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer 25 en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altijd voornamelijk25 26 gesignaleerd met eene bijzondere agiliteit - waarop wij ook26 27 sederd eenigen tijd de resolutie hebben genomen, van sacht-28jens voorbij te gaan, zonder om te zien; doch gisteren ging 29 't zo verre, dat de vrouw van Pichot en Brouwer op den
1 stoep sittende mijn vrouw in het voorbijgaan met een schate-2rend gelach uitjouwden.’1
Tenslotte werd een commissie gezonden om de zaak te onderzoeken. Het moet een grote teleurstelling voor Mauricius geweest zijn, toen hij merkte, dat deze commissie zijn adviezen in de wind sloeg en zich liet fêteren door de leden van de Cabale. Toen hij in 1751 naar Nederland werd gezonden om zich daar te verantwoorden en de rust in Suriname hersteld werd door een uiterste tegemoetkomendheid aan de eisen van de Cabale, die dit terecht opvatte als een grote overwinning, was hij een gebroken man.
En op dit dieptepunt in zijn leven, toen hij in zijn voornaamste werk gefaald had en op het punt stond eerloos te worden, schreef hij zijn bewogen gedicht Gezang op Zee (afzonderlijk gepubliceerd in 1752, later in 1753 herdrukt in zijn bundel Dichterlijke Uitspanningen), een poëtische rechtvaardiging van zijn beleid in Suriname, een laatste beroep op de stadhouder. Is het omdat hij hier genoodzaakt is zonder poëtische fraaiheden zijn zaak duidelijk uiteen te zetten, of omdat de oprechte verontwaardiging over het geleden onrecht zijn behaagzieke retoriek heeft verdrongen? Dit gedicht overtuigt ons meer van zijn poëtische mogelijkheden dan zijn gehele verdere oeuvre.

De dichterlijke belangstelling voor Suriname is in Nederland nooit groot geweest. Alleen de zaak van Mauricius wist hier enige belangstelling te wekken. Mauricius ontving in 1751 bij zijn terugkeer en in 1753 bij zijn eerherstel dichterlijke blijken van belangstelling en medeleven, die hij gedeeltelijk heeft opgenomen in zijn Dichtlievende uitspanningen. De meeste van deze gedichten houden zich meer met de persoon van Mauricius bezig dan met de Surinaamse kwestie. Belangwekkend is echter in dit verband het gedicht van zijn vriend P.A. de Huybert, die in 1761 ter gelegenheid van de hernieuwde vrede met de bosnegers Mauricius' vroegere tactiek opnieuw verdedigt.