Het oordeel van Mauricius over de Surinaamse planters (zie hfdst. VIII) geldt zeker ook voor de laatste helft van de 18de eeuw. De Europeanen in Suriname vormden (met uitzondering van de Portugese Joden, die zich echter zelden in het Nederlands uitdrukten) een vlottende bevolkinsgroep zonder ‘attachement’ voor hun woongebied. Zij vertrokken naar Suriname om zo spoedig mogelijk rijk te kunnen repatriëren en bleven daarom steeds achterom zien. Dit heimwee naar het moederland heeft een enkele tot poëzie geïnspireerd. In de verzameling zeemansliederen van D.F. Scheurleer: Van varen en vechten, dl. III ('s-Gravenhage, 1914) vindt men het volgende anonieme planterslied uit ca. 1780 (pp. 389-391):1
Na Mauricius vond echter een grote verandering plaats in de economische toestand van Suriname. Tussen 1751 en 1773 werd door de Amsterdamse handelshuizen veel geld in Suriname belegd. De planters werd een vrijwel onbeperkt crediet geboden, vaak zonder borgstelling of onderpand. Dit lokte vele avonturiers naar Suriname. Verlopen matrozen en soldaten, ambachtslieden zonder enige ervaring in de landbouw, zagen een kans om zich met geleend geld een lid te maken van de geëerde plantersaristocratie. In deze stroom werden echter ook lieden van smaak en eruditie meegezogen. En zo ziet men na de crisis op de Amsterdamse Beurs in 1773, die aan de kunstmatige welvaart van Suriname een definitief einde maakte, een werkelijk verrassende opleving van het culturele leven in Suriname. Verschillende genootschappen werden opgericht op het gebied van toneel, wetenschap en letteren. Periodieken, verhandelingen en dichtbundels werden uitgegeven. Voor ons is het belangrijkste het genootschap De Surinaamsche Lettervrienden (1785 - ca. 1790). Dit genootschap gaf namelijk van 1785-1787 vier bundels ‘Letterkundige uitspanningen’ uit. (UB Leiden 1194 E 45-48). Daarnaast beschikken wij nog over het vrij omvangrijke oeuvre van de voorzitter van dit genootschap, Paul François Roos (zie hoofdstuk XI), een satirisch toneelspel van Don Experientia (zie hoofdstuk X) en enkele gelegenheidsgedichten in de Surinaamse kranten van vóór 1800. Hoewel ons nog veel is ontgaan (enkele jaargangen en boekwerken bleken niet aanwezig in de Nederlandse bibliotheken), beschikken wij voor deze periode over zoveel materiaal, dat het nodig bleek een keuze uit de plantersletterkunde over drie hoofdstukken te verdelen: het gelegenheidsgedicht, de satire en de pastorale. Het spreekt vanzelf dat bijvoorbeeld een dichter als de genoemde Roos meerdere genres beoefende (zie ook hoofdstuk V).
Dit hoofdstuk over de gelegenheidspoëzie moest uiteraard het minst boeiend worden. De officiële gedichten, die de grote gebeurtenissen uit het openbare en persoonlijke leven onvermijdelijk begeleidden, boeien latere
generaties niet als poëzie. Toch vormen ze een onontbeerlijk facet van deze plantersletterkunde. Een enkele maal vermag ook deze poëzie ons te boeien, wanneer zij namelijk betrekking heeft op een interessante figuur in de historie van Suriname. Wij hebben daarom drie gedichten opgenomen naar aanleiding van de dood van de neger Quassi. Wanneer men de beide gedichten van H. Schouten (zie over hem hoofdstuk X) bij het sterven van Quassi met elkaar vergelijkt, krijgt men een indruk van de betrekkelijke waarde van de gelegenheidspoëzie. Een bij uitstek satirisch talent als Schouten blijkt op verzoek een lofdicht te kunnen schrijven, waarin de lof zo weinig gemeend behoeft te zijn, dat hetzelfde feit hem ook kan inspireren tot een satire op de dood van Quassi.
Tot slot volgen hier nog drie gedichten naar aanleiding van de dood van Quassi (1787), een destijds in en buiten Suriname beroemde ‘dresiman’ en ‘loekoeman’ (geneeskundige en helderziende). Officiële belangstelling bij de dood van een neger was in het Suriname van de 18de eeuw verwonderlijk. Quassi was echter een bijzondere persoonlijkheid, waarvoor ook de Europeanen respect hadden. Men schat zijn geboorte in Afrika op ca. 1690. In 1712 bevond hij zich reeds in Suriname. Hij werd in later tijd aangekocht door gouverneur Mauricius, voor wie hij vredesonderhandelingen voerde met de marrons. Als beloning werd hij in 1755 vrij verklaard. Hij had zich toen al grote roem verworven als kruidkundige door de ontdekking van het naar hem genoemde koortswerende bitterhout (Quassi-bitter). Hij ontving uit het buitenland brieven, geadresseerd aan: De Hoog Edelen en Hoog Geleerden Heer de Heere Philippus van Quassi, Professor in de Kruidkunde in Suriname. Zijn tijdgenoten meenden, dat hij zichzelf van de gevreesde lepra genezen had.
In 1776 maakte hij een reis naar Nederland, waar hij door stadhouder Willem V ontvangen en met eerbewijzen overladen werd. Toch bezat hij

De beroemde Granmam Quassi
geen onverdeeld gunstige naam. Uit de literatuur zijn verschillende gevallen bekend, waarbij hij als helderziende ontmaskerd werd. Velen bleven echter in zijn bovennatuurlijke gaven geloven, niet alleen Negers en Indianen, maar ook de Europese kolonisten. Quassi vormde daardoor natuurlijk een dankbaar doelwit voor satirici. Toch menen wij zelfs in de hieronder geciteerde satirische ‘Rouwklagt’ een zeker respect te horen klinken.