terug  begin  verderprepost
[p. 173]

IX De plantersletterkunde. 1. Het gelegenheidsgedicht.

Het oordeel van Mauricius over de Surinaamse planters (zie hfdst. VIII) geldt zeker ook voor de laatste helft van de 18de eeuw. De Europeanen in Suriname vormden (met uitzondering van de Portugese Joden, die zich echter zelden in het Nederlands uitdrukten) een vlottende bevolkinsgroep zonder ‘attachement’ voor hun woongebied. Zij vertrokken naar Suriname om zo spoedig mogelijk rijk te kunnen repatriëren en bleven daarom steeds achterom zien. Dit heimwee naar het moederland heeft een enkele tot poëzie geïnspireerd. In de verzameling zeemansliederen van D.F. Scheurleer: Van varen en vechten, dl. III ('s-Gravenhage, 1914) vindt men het volgende anonieme planterslied uit ca. 1780 (pp. 389-391):1

 
Ik leg hier aan 't Surinaamse strand,1
 
Zo ver van myn lief Vaderland;
 
Afgescheurd van Vriend en Maagd,3
 
Word ik door 't lot geplaagd;
5
Op 't afzyn van myn beminde,
 
Kan ik heil of troost meer vinden.6
 
Maar ach! tot haar gedagtenis,
 
Baat myn niets als droevenis.
[p. 174]
 
Op myn lustplaats daar ik woon,1
 
Steld zig alles weer ten toon:2
 
't Zwarte Volk, 't gantsch geslagt,3
 
Juicht hier vrolyk dag en nacht;
5
Echter doen ik niets als treuren,
 
Terwyl 't myn niet mag gebeuren
 
U te omhelzen als welëer,
 
Daarom zugt ik keer op keer.
 
 
 
Pluimgediertens, klaare Stroom,
10
Vruchtbaar Woud en Lente-Zoom,10
 
Op myn lustplaats juicht 't al:
 
Daar ik u, myn ongeval,12
 
Op de vleugelen van den winden,13
 
U, myn Klooris, weer zal vinden,
15
Dat, zo waar ik gaa of staa,15
 
Laat ik geduurig klagten na.
 
 
 
Klooris u afwezendheid,
 
Strekt myn in myn eenzaamheid,
 
Tot verdriet; die groote Zee,
20
Die myn afscheid van u Rheê,20
 
Doet myn voor haar oevers vlugten,
 
Opgepropt vol minne zugten,
 
Terwyl haar Golven Hemelhoog,
 
Myn ontvoeren uit u oog.
[p. 175]
 
Klooris! Klooris! welk een smart
 
Gevoel ik aan myn angstvallig hart
 
Dat ik u moet misschen, maar,
 
Maar als de tyd zal komen daar,
5
Dat ik op een schip voor Winden,
 
U myn Klooris weer zal vinden,
 
Dan zal ik juichen aan 't strand,
 
Niet ver van myn lief Vaderland.

Na Mauricius vond echter een grote verandering plaats in de economische toestand van Suriname. Tussen 1751 en 1773 werd door de Amsterdamse handelshuizen veel geld in Suriname belegd. De planters werd een vrijwel onbeperkt crediet geboden, vaak zonder borgstelling of onderpand. Dit lokte vele avonturiers naar Suriname. Verlopen matrozen en soldaten, ambachtslieden zonder enige ervaring in de landbouw, zagen een kans om zich met geleend geld een lid te maken van de geëerde plantersaristocratie. In deze stroom werden echter ook lieden van smaak en eruditie meegezogen. En zo ziet men na de crisis op de Amsterdamse Beurs in 1773, die aan de kunstmatige welvaart van Suriname een definitief einde maakte, een werkelijk verrassende opleving van het culturele leven in Suriname. Verschillende genootschappen werden opgericht op het gebied van toneel, wetenschap en letteren. Periodieken, verhandelingen en dichtbundels werden uitgegeven. Voor ons is het belangrijkste het genootschap De Surinaamsche Lettervrienden (1785 - ca. 1790). Dit genootschap gaf namelijk van 1785-1787 vier bundels ‘Letterkundige uitspanningen’ uit. (UB Leiden 1194 E 45-48). Daarnaast beschikken wij nog over het vrij omvangrijke oeuvre van de voorzitter van dit genootschap, Paul François Roos (zie hoofdstuk XI), een satirisch toneelspel van Don Experientia (zie hoofdstuk X) en enkele gelegenheidsgedichten in de Surinaamse kranten van vóór 1800. Hoewel ons nog veel is ontgaan (enkele jaargangen en boekwerken bleken niet aanwezig in de Nederlandse bibliotheken), beschikken wij voor deze periode over zoveel materiaal, dat het nodig bleek een keuze uit de plantersletterkunde over drie hoofdstukken te verdelen: het gelegenheidsgedicht, de satire en de pastorale. Het spreekt vanzelf dat bijvoorbeeld een dichter als de genoemde Roos meerdere genres beoefende (zie ook hoofdstuk V).

Dit hoofdstuk over de gelegenheidspoëzie moest uiteraard het minst boeiend worden. De officiële gedichten, die de grote gebeurtenissen uit het openbare en persoonlijke leven onvermijdelijk begeleidden, boeien latere

[p. 176]

generaties niet als poëzie. Toch vormen ze een onontbeerlijk facet van deze plantersletterkunde. Een enkele maal vermag ook deze poëzie ons te boeien, wanneer zij namelijk betrekking heeft op een interessante figuur in de historie van Suriname. Wij hebben daarom drie gedichten opgenomen naar aanleiding van de dood van de neger Quassi. Wanneer men de beide gedichten van H. Schouten (zie over hem hoofdstuk X) bij het sterven van Quassi met elkaar vergelijkt, krijgt men een indruk van de betrekkelijke waarde van de gelegenheidspoëzie. Een bij uitstek satirisch talent als Schouten blijkt op verzoek een lofdicht te kunnen schrijven, waarin de lof zo weinig gemeend behoeft te zijn, dat hetzelfde feit hem ook kan inspireren tot een satire op de dood van Quassi.

Welkomst groet aan den Hoog-Edelen Gestrengen Heer1 Mr. J.G. Wichers by deszelfs aankomst in dit Wingewest.2
 
Zyt welkom Wichers als Bestuurrer van dit Land!
 
De Hemel zy uw Steun en Raadsman in 't regeeren.
5
Zo bloeijen Land en Volk, zo ziet Ge uw Roem vermeeren!
 
Zo blyve uw braave Naam gezegend aan dit Strand!
 
Zo worde Eeuw in Eeuw uit door aller Burgren Tongen
 
Uw wel verdiende Lof ter Starren ingezongen!
 
H. Zwartenhoff9

[Eeuw-getyde der Joodsche Synagogue]

Op het eeuw-getyde der Joodsche Synagogue. op de Savanne, gevierd den 12 October 1785.11
 
Myn Zangnimph treedt verheugd, ô Zaad van Abraham!
 
Met een eerbiedig hart in uwe Tempel chooren,
 
En vierende deez dag, zo heuglyk voor uw Stam,
15
Laat zich, schoon stamelend, nogthans welmeenend hooren.
[p. 177]
 
Hun Godsdienst, zo zy blyft naar 't spoor der deugd gericht,
 
Zie nooit, door tegenspoed zich in haar recht besnoeijen!
 
Gun dat hun Tempelchoor, door Voorzaats zorg gesticht,
 
Een reeks van Eeuwen lang, in dit Gewest moog bloeijen.
5
Uit achting,
 
N.C. Lemmers.

[Op het huwelijk van den Heere Emanuel Fredrik Wirth, en Mejufvrouwe Anna Wijthoff]

Op het huwelijk van den Heere Emanuel Fredrik Wirth, en Mejufvrouwe Anna Wijthoff binnen Amsteldam den7 14 Augustus 1785.
 
Algoedheid, die den echt zoo wijs hebt ingesteld,
10
Vergun, dat mijn gebed, 't geen U word opgedragen,
 
Mijn waare zielzucht, aan uw' wijsheid moog' behaagen,
 
En dat mijn swakke stem, uit dank, Uw' lof vermeld'!
 
 
 
'T is thans niet voor mij zelv dat ik al biddend kniel'
 
Voor U, die mij zoo vaak vertroost hebt in mijn lijden,
15
Wen ik op mijn Gebed mij zag van ramp bevrijden,15
 
En menigwerf mijn oog een dankbre traan ontviel,
 
 
 
O Neen, mijn smeekgebed is voor mijn Vriend gericht,
 
Die met eerbiedigheid, bezeffende zijn plicht,
20
In kuischeid leeven wil met het Juweel der Vrouwen,
 
 
 
Voor Hem en zijn Vriendin bid ik U zegen af!
 
Algoedheid blijf hun bij, tot aan het sombre Graf!
 
Laat Wirth en Wijthof, weer vereend, Uw Heil aanschouwen.
 
C. Smit.
[p. 178]
Bij het afsterven van Cornelia Adriana, dogtertje van1 den Heere J. Voegen van Engelen in den Ouderdom van2 ruim 5 Jaaren.
 
Lieve Keetje, teeder bloempje,
5
Leidens kindje, Leidens roempje,5
 
Kroontje van ons Westerland!
 
Bij het klimmen uwer Jaaren,
 
Strooij ik vast nog Mijrthe blaren
 
Op uw huwlijks ledikant!
10
Word mijn wensch mij niet ontzegt
 
Door den dood die alles slegt!
 
 
 
Lieve Keetje, welk een oordeel12
 
Heeft uw Kindsheid tot haar voordeel!
 
Alles leevt wat aan U is!
15
Vol van blijdschap zijn uw' lachjes!
 
Vol van droevheid zijn uw' klachjes!
 
Heil word vast uw ervenis!
 
Word mijn wensch mij niet ontzegt
 
Door den dood die alles slegt!
 
 
20
Maar wat hoor ik! gij roept ... Vader!...
 
Lieve Moeder ... helpt ... treedt nader!
 
Helpt ... uw' dogter is niet wel!
 
Straks komt elk U bijstand bieden,
 
Vader doet uw' zorgjes vlieden,
25
Daar hij werkt op uw herstel,
 
Word zijn hulp maar niet ontzegt
 
Door den dood die alles slegt!
[p. 179]
 
Ach! mijn Keetje raakt aan 't kwijnen!
 
'K zie haar leevzon flaauwer schijnen!
 
'K zie haar schoon, haar blos niet meer!
 
'T lijfje trilt en krimpt van stuipen,
5
'K zie den dood naar 't ziekbed sluipen,
 
Ach! ... daar velt hij Keetje neer!
 
O! de dood, die alles slegt,
 
Heeft mij mijnen wensch ontzegt!
 
 
 
Maar ... gij schuuwt deez' aardsche kringen,
10
Daar gij, 't zoet der Hemelingen
 
In uw lente leeftijd plukt!
 
'K treur dan niet ... in dat vertrouwen,
 
Om U naamaals daar t' aanschouwen,
 
Waar geen bange zorg U drukt,
15
Schoon de dood hier alles slegt,
 
Heeft hij daar op U geen regt.
 
P.F. Roos

Tot slot volgen hier nog drie gedichten naar aanleiding van de dood van Quassi (1787), een destijds in en buiten Suriname beroemde ‘dresiman’ en ‘loekoeman’ (geneeskundige en helderziende). Officiële belangstelling bij de dood van een neger was in het Suriname van de 18de eeuw verwonderlijk. Quassi was echter een bijzondere persoonlijkheid, waarvoor ook de Europeanen respect hadden. Men schat zijn geboorte in Afrika op ca. 1690. In 1712 bevond hij zich reeds in Suriname. Hij werd in later tijd aangekocht door gouverneur Mauricius, voor wie hij vredesonderhandelingen voerde met de marrons. Als beloning werd hij in 1755 vrij verklaard. Hij had zich toen al grote roem verworven als kruidkundige door de ontdekking van het naar hem genoemde koortswerende bitterhout (Quassi-bitter). Hij ontving uit het buitenland brieven, geadresseerd aan: De Hoog Edelen en Hoog Geleerden Heer de Heere Philippus van Quassi, Professor in de Kruidkunde in Suriname. Zijn tijdgenoten meenden, dat hij zichzelf van de gevreesde lepra genezen had.

In 1776 maakte hij een reis naar Nederland, waar hij door stadhouder Willem V ontvangen en met eerbewijzen overladen werd. Toch bezat hij

[p. 180]



illustratie
De beroemde Granmam Quassi

[p. 181]

geen onverdeeld gunstige naam. Uit de literatuur zijn verschillende gevallen bekend, waarbij hij als helderziende ontmaskerd werd. Velen bleven echter in zijn bovennatuurlijke gaven geloven, niet alleen Negers en Indianen, maar ook de Europese kolonisten. Quassi vormde daardoor natuurlijk een dankbaar doelwit voor satirici. Toch menen wij zelfs in de hieronder geciteerde satirische ‘Rouwklagt’ een zeker respect te horen klinken.

Grafschrift voor Gran Mama Quassie1
 
Hier rust een Grysaart, die in d' omkreits van zyn leeven2
 
Aan 't Land van goed en kwaad veel blyken heeft gegeeven,
 
Die en den Neger, en den woesten Indiaan,
5
Om zyne Tover-Konst, steeds deedt verwondert staan!
 
Indien dit Volk die konst naar waarde wist te roemen,
 
Het zou hem thans Apol in plaats van Quassie noemen.
 
P.F. Roos
Grafschrift voor de Neeger Quassi van Timotibo9
10
Hier rust een wonder onzer eeuw
 
In Kruyd, en Heelkonst zoo ervaaren,
 
Dat hoe de Faculteid ook Schreeuw,12
 
Zij nooit dit Ligt zal evenaaren.
 
Hij heeft al Rottend zig gered,
15
Den val der Leeden stout belet.15
 
 
 
Dat dus 's mans naam bij ons een reeks van Eeuwen Schitter
 
Beroemd bij 't gansch heelal door 't Heilzaam Quassie Bitter.17
 
H. Schouten

[Rouwklagt over den onverwagten en Smertelyken Dood van den Neger Quassie van Timotibo]

[p. 182]
Rouwklagt over den onverwagten en Smertelyken Dood1 van den Neger Quassie van Timotibo, by genaamd Gran Mama, in den Ouderdom van ruym Hondert Jaaren, alhier aan Paramaribo overleden den 11 Mey 1787.
 
ô Neen! dat kan niet mooglyk wezen,
 
Mama is niet van hier verrezen.
 
Waar kreeg de wreede Dood die magt?
 
Heeft ook die Knaap hem onverwagt9
10
Verrast, en dus gebragt om 't leeven?10
 
Hy heeft wel meer dien kuur bedreven.
 
Och Ja, daar ligt dat dierbaar Hoofd,
 
Die Kroeskop, van het Licht beroofd!
 
Ach! troost ons nu in 't bitter klaagen!
15
Ach! helpt ons onze droefheid schraagen,
 
Wiens wederga men zelden vind.
 
Thans schreit een elk zyn oogen blind.
 
Ja, Harten zelfs als Marmer-Steenen,
 
Ziet men by 't Praalbed bitter weenen,
20
Waarop het Lyk lag uitgestrekt.
 
Wat Dood heeft meer misbaar verwekt?
 
Koomt Voete-booys met zwarte broeken22
 
Gy moet geen ander rouw-pak zoeken,
 
Natuur gaf U een passend kleed,
25
Dat nooit te klein word of te breed.
 
Wilt Floers om Uwen lenden gorden!
 
Eet nu Tom-Tom uit zwarte borden!27
[p. 183]
 
Viert Quassies uitvaard na den trant!
 
Geen Gran Mama komt meer in 't Land!
 
Hy hielp U, als gy waard verlegen,
 
En diende wel eens voor en tegen,4
5
Een daad, daar hem de nood toe dwong.
 
Wie kreukelt niet wel eens de Tong?6
 
Schreeuwd balkend thans met oopen keelen,
 
Zomtyds zal het den Dood verveelen,8
 
Die, moede van dit naar geluid,
10
Jaagt Quassie fluks het Graf weer uit.
 
Zwartinnen koomt! ei! wilt niet draalen,
 
Laat Neteldoekse rokken haalen,
 
Doorweeven met het zwartste zwart;
 
Toont, dat gy innig zyt benard,
15
Wilt Uw Banannen zwarter roosten,
 
Ten blyk dat gy niet zyt te troosten;
 
En wen gy Braf in potten kookt,17
 
Zy 't vuur met Houtskool aangestookt.
 
Uw Banjaards moet gy groots vercieren,19
20
Een rouw-band om den steel doen zwieren,
 
Al dansend op een zwarten grond,
 
En draayend hand aan hand in 't rond.
 
Een zwerm van zwarte Marrabonsen23
 
Moet vliegend U om d' ooren gonsen,
25
U klaagen, dat zy zyn in nood,
 
Al Jammerend om Quassies dood.
 
Gy Indiaan met roode Veeren
[p. 184]
 
Wilt U voortaan met zwartsel smeeren,1
 
Bekleed Uw moordtuyg ook met zwart,
 
Houd Pyl en Boog in 't Floers verward;
 
Doet, daar gy mikkend komt te heffen,
5
Uw schigt een zwarte voogel treffen,
 
Die, vallend in het rulle Zand,
 
U vraagd, waar Quassie is beland;
 
Maakt los de Kuiten, styf bewonden,8
 
Voortaan zy alles ongebonden.
10
Behangt geen Oorlel met gewigt,
 
Den plaat word' uit Uw neus geligt.11
 
De leden moeten treurig hangen,
 
Gedoogt geen styfheid in Uw gangen,
 
Gaat, dus verandert, na de kuil,
15
Wekt Quassie door Uw naar gehuil.
 
Gy Apothecars met Uw Kruiden
 
Wilt stampende den Doodklok luiden,
 
Uw Vyzel wek een kreet door 't land,
 
Uw Bitter-kenner is van kant.
20
De Planten zyn met hem verlooren,
 
Men zal geen mensch meer niezen hooren.21
 
Vaartwel, gy Pillen, Zeeneblaen!
 
Vaartwel, 't is met de Kunst gedaan!
 
Komt al wat leeven heeft ontfangen,
25
Verdubbeld uwe treurgezangen!
 
Gy Doctors heft het klaaglied aan!
 
Laat vry de beste Kruiden staan!
 
De Faculteid is nu bedorven!
 
De groote Quassie is gestorven!
30
Dat blinkend Licht is nu ontzield,
 
'T geen rottend zig in 't leeven hield.31
[p. 185]
 
Heeft Esculaap dit ooit geweeten,1
 
Off zy, die na hem Letters - vreeten?
 
Bewyst my zulks uit Hypocraat,
 
In Grieks, Latyn of waar het staat.
5
Laat Ludeman, laat Titsing spreeken!5
 
Elk Toover-Doctor heeft zyn streeken,
 
Dan geen van allen was zoo leep.7
 
Helaas! die Konst die is om zeep!
 
'K zal willens geen Geneesheer hoonen,
10
Maar laat men my een tweeden toonen,
 
Of zeggen, waar die Man dog leeft,
 
Die Böasie geneesen heeft.12
 
Die kwaal is reeds voor lang beschreven,
 
Maar nog geen middel opgegeven.
15
Vond men wel ergens gryzer vent
 
Die beeter Bitter heeft gekend?
 
Hy dagt nog meerder aan te wyzen,17
 
Maar d'ouwde kop begon te gryzen.
 
Zyn voosig lichaam kon pas staan,19
20
De voeten weygerden te gaan,
 
En wandelend, belaên met plaaten,21
 
Schoof hy al stompl'end langs de straaten
 
En hinkte altyd op en neer.
 
Hy leek natuurlyk Ruiten Heer!24
25
Myn droefheid is niet te beschryven.
 
Ik moet hem eind'lyk laaten blyven,
[p. 186]
 
En rusten in het donk're Graf,
 
Beroofd van 't licht, dat hy ons gaf.
 
Ik zal zyn kuuren nooit vergeeten.
 
Wat heeft hy Wichlaary bezeeten!
5
Men schenk' zyn Graf ter eer een zuil van zwart Albast,
 
En bytele daar op, hier rust een groote quast.
 
H. Schouten.

1Een volkslied, waarschijnlijk van een Amsterdammer. De fouten zijn dikwijls zo grappig, dat men onwillekeurig aan opzet denkt.
1De dichter, liggend aan het strand (en dus niet als zeeman op een schip) bezingt zijn heimwee naar vaderland en meisje.
3Volksetymologisch uit vriend en maag (= bloedverwant).
6Men moet voor heil de ontkenning geen denken.
1De plantage werd dikwijls in Suriname lustplaats genoemd.
2weer is een stoplap zonder betekenis.
3Wellicht mogen wij hier de verkeerd begrepen uitdrukking 't Chams geslacht (de nakomelingen van Cham, dus de negers) achter vermoeden.
10Lente staat hier voor ‘bloemen’. Dus een rand van bloemen.
12Daar is hier een bijwoord: op die plaats (op mijn lustplaats).
myn ongeval is een lievelingsnaampje met de betekenis: oorzaak van mijn verdriet.
13De herinnering komt tot hem op de vleugelen der winden.
15dat = zodat.
zo waar ik gaa of staa = of ik ga of sta.
20afscheid is hier een werkwoord. Betekenis dus: die mij scheidt van uw rede (= kust, de plaats waar gij woont).
1Letterk. uitspan. I, 3
2Gouverneur van Suriname van 1784-1790.
9De hier geciteerde dichters waren allen lid van de Surinaamsche Lettervrienden.

11Beschrijving van de plechtigheden nevens de Lofdichten en Gebeden, uitgesproken op het eerste Jubelfeest. van de synagogue der Portugeesche Joodsche Gemeente, op de savane in de Colonie Suriname, genaamd zegen en vrede. Op den 12 den van Wynmaand des jaars 1785. Amsterdam, z.j. (Amsterdam U.B., Ros. 19 G 37 p.p. 25-26). De joodse kolonisten vestigden zich vroeger hoofdzakelijk op een plaats aan de Surinamerivier, die nu nog Jodensavanna (zie kaart II) genoemd wordt. Daar werd in 1685 de grote synagoge Beracha we Shalom (Zegen en Vrede) ingewijd.

7Letterk. uitspan. II, 38.
15wen = wanneer.
1Letterk. uitspan. II, 39-40 [nb. de verkeerde paginering van het boek is aangehouden].
2J. Voegen van Engelen was een arts in Suriname, die in 1785 president was van de Surinaamsche Lettervrienden. Hij was uitgever en schrijver van een periodiek De Surinaamsche Artz. Paramaribo, 1786-1788 (?).
5Waarschijnlijk werd zij in Leiden geboren.
12oordeel = vermogen tot oordelen, verstand.
1Letterk. uitspan. IV, 8. Een variant komt voor in: P.F. Roos, Eerstelingen van Surinaamsche Mengel-poëzy III (Amsterdam, 1789) (UB Amsterdam 318 D 29); granmama of ook wel mama betekent letterlijk grootmoeder of moeder. Hier dient echter het woord als erenaam voor de Surinaamse medicijnman, ongeacht zijn geslacht. Men kan deze titel ook voor een man gebruiken.
2d'omkreits van zyn leeven = gedurende zijn gehele leven. Meestal wordt het woord omkreits alleen in ruimtelijke zin gebruikt.
9Timotibo (een toponym) wordt vaak als achternaam toegevoegd aan deze Quassi. Het was waarschijnlijk de naam van de plantage, waar hij vandaan kwam.
12Hiermee wordt bedoeld de gehele artsenstand.
15Dit slaat op het feit, dat hij zich van de lepra zou hebben genezen.
17De Surinaamsche Nieuws vertelder, 17 maij 1787.

1Letterk, uitspan. IV, 5-8.
9Het is heel goed mogelijk, dat ook hier een speciale bedoeling heeft. Men heeft namelijk Quassi wel meer onverwacht verrast, bijvoorbeeld door hem als helderziende te ontmaskeren. Men liet hem zo eens raadplegen over het verlies van enkele zilveren lepels. Hij wees de schuldige aan die daarop ook bekende, hoewel de eigenaar zelf de lepels verborgen had.
10Men meende namelijk, dat Quassi niet dood kon gaan, omdat hij over bovennatuurlijke gaven beschikte.
22Voete-booy, tegenwoordig foetoeboi gespeld, noemde men de huisslaven.
27Tom-Tom = een gerecht bestaande uit gestampte bananen.
4Hij probeerde wel eens van beide partijen te profiteren.
6zijn tong kreukelen kan komen van de Surinaamse uitdrukking drai hen tongo = zijn tong draaien (met twee tongen spreken).
8zomtijds = misschien. Wellicht een letterlijke vertaling van het Surinaamse sonten dat alleen misschien kan betekenen.
17Braf = brafoe = soep.
19Bij Anthony Blom, Verhandeling van den landbouw, in de colonie Suriname (Amsteldam, 1787), p. 334, vindt men de volgende beschrijving van de banja (een muziekinstrument): ‘zijnde een ronde calbas in 't midden doorgesneden, en de opene zijde met een schaapsvel overtrokken, met een stok daar door en vier snaaren daar op, daar zij op de wijze als een Cieter op speelen; geevende dit een zeer flaauw geluid, daar zij dan zeer zagt bij zingen en danssen.’ Later werd banja de naam voor een zang- en dansspel (zie hoofdstuk XV).
23Marrabonsen = een soort wespen.
1Met zwartsel in plaats van de rode verfstof, waarmee de Indianen zich plegen in te smeren.
8De Indianen plegen zich een touw boven de enkel en onder de knie te binden.
11Hij doelt hier op Indiaanse versieringen van neus en oor.
21Quassi heeft waarschijnlijk ook een soort nieskruid in Suriname gevonden.
31Zie p. 181, noot 15.
1dit, namelijk het geheim om lepra te genezen.
5Twee artsen, die de gaven van Quassi betwijfelden.
7dan = maar.
12boasie is de Surinaamse naam voor lepra.
17Meerdere geneeskruiden namelijk.
19pas = ternauwernood, amper.
21plaaten = geld. Het is echter ook mogelijk, dat wij hieronder ordetekenen of medailles moeten verstaan.
24Waarschijnlijk werd Quassi wel meer vergeleken met deze speelkaart. Wij kennen nog recente voorbeelden in Suriname, waarbij men bestaande personen associeert met speelkaarten Ruitenheer is de enige heer onder de speelkaarten die maar de helft van zijn gezicht toont. Misschien hield de lepreuze Quassi de helft van zijn gezicht bedekt. Verder zou men kunnen vermoeden, dat dit een spotnaam is voor de zeer donkere Quassi. Ruitenheer geldt bij kaartleggers voor een hoogblonde man.
prepostterug  begin  verder