De Surinaamse kolonist van hoger ontwikkeling werd al heel licht tot de satire gebracht. De corruptie, het gedrag der nouveaux-riches, het zedelijk leven der planters, de rassenwaan - de satiricus had in Suriname zijn stof voor het grijpen. Wanneer een onbevooroordeelde lezer doordringt tot de petite-histoire van de plantersaristocratie (men zie een voorbeeld daarvan op p. 153), wordt in hem zelfs nu nog de satiricus wakker. Het is dus begrijpelijk dat de anonieme dichter, zich verschuilend achter de naam Don Experientia, in zijn directe omgeving stof genoeg gevonden heeft voor zijn toneelspel: Het Surinaamsche leeven, Toneelschwyse verbeeld z.pl.,z.j. (UB Amsterdam 690 E 67) waarin de corrupte praktijken der Surinaamse planters worden gehekeld. Met zoveel oprechte verontwaardiging zelfs, dat men hem er van verdenkt zelf dupe geweest te zijn van de Surinaamse toestanden (p. 19):
Don Experientia schreef zijn stuk in 1771 (nog voor de Beurscrisis) en vermeldt: 't Spel speeld, en word nog gespeelt van 't eene Jaar in 't ander, in alle de Rivieren en Creecquen1. Hij gaf zijn spel een zinrijk Negerengels motto: Diese Soesoe fietie Pottie hem na foete (wie de schoen past trekke hem aan). Het stuk zelf is niet bijzonder helder gecomponeerd. De liederen er in hebben ons het meest van de poëtische kwaliteiten van de schrijver overtuigd. Hier volgt één dezer (p. 11-13):
De belangrijkste satiricus uit deze tijd lijkt ons Hendrik Schouten (geboren in Amsterdam 1745). Op enkele gelegenheidsgedichten in de Surinaamse kranten na, publiceerde hij zijn werk in de vier bundels van het genootschap De Surinaamsche Lettervrinden (Paramaribo, 1783-1785). Hij heeft zich gericht tegen alle voze plekken in de Surinaamse samenleving. Zo vinden wij bij hem een prachtige beschrijving van de economische ineenstorting als gevolg van de Beurscrisis in Amsterdam. Wij hebben hem echter het meest gewaardeerd om zijn strijd tegen de rassenwaan. Hier strijdt hij duidelijk voor een eigen zaak. Schouten huwde in 1772 met de kleurlinge Suzanna Johanna Hanssen, een nichtje van de vrije en rijke Negerin Nanette Samson, die in 1767 als eerste kleurlinge een wettig huwelijk sloot met een blanke. De correspondentie over dit eerste gemengde huwelijk tussen de Raden van het Hof van Politie en de Directeuren van de Sociëteit in Holland toont duidelijk, hoe men in Suriname over een dergelijk huwelijk dacht. Men schrijft vanuit Suriname:
6De reeden teegen zoodaanige Trouwe is, dat het repugnant6 7 en afschuwelijk is, schandelijk ten hoogsten voor een blanke, 8 dat hij, het zij uit een verkeerde wellust of om voedsel, sodaa-9nig huwelijk aangaat, alsoo sulx altoos in minachting hier is 10 geweest. Het is ook zeeker, dat Wij meerder door een ge-11voele die de Negers hebben van onse Praeminentie boven11 12 hun, dat Wij Lieden zijn van een beetre en edelder Natuur als 13 zij, Ons moeten in 't midden van so een verkeert en verdraaijt13 14 geslacht staande houden, als door onse wezentlijke magt. En 15 wat sullen Sij van die Exellente Natuur al veel meer gelooven,
1 als sij Sien, dat Sij maar Vrij hebben te weezen, om sig te1 2 verbinden door een Solemneele huwelijksband met Ons, en 3 dus hunne kinderen pair en compagnion met de Onse Sijn.3 4 Sal die Lacheusiteit van Blanken, die Sig so verneederen,4 5 niet in aanmerking komen?5
Uit enkele gedichten van Schouten blijkt hoe hij eronder leed, dat zijn vrouw niet als een volwaardig lid van zijn kring werd beschouwd. Zo werd hij door omstandigheden een strijder tegen de rasdiscriminatie (en dat nog wel, terwijl de voorstellingen van de door hem gefinancierde toneelvereniging Pro Excolenda Eloquentia niet voor joden toegankelijk waren!).