terug  begin  verderprepost
[p. 187]

X De plantersletterkunde. 2. De satire.

De Surinaamse kolonist van hoger ontwikkeling werd al heel licht tot de satire gebracht. De corruptie, het gedrag der nouveaux-riches, het zedelijk leven der planters, de rassenwaan - de satiricus had in Suriname zijn stof voor het grijpen. Wanneer een onbevooroordeelde lezer doordringt tot de petite-histoire van de plantersaristocratie (men zie een voorbeeld daarvan op p. 153), wordt in hem zelfs nu nog de satiricus wakker. Het is dus begrijpelijk dat de anonieme dichter, zich verschuilend achter de naam Don Experientia, in zijn directe omgeving stof genoeg gevonden heeft voor zijn toneelspel: Het Surinaamsche leeven, Toneelschwyse verbeeld z.pl.,z.j. (UB Amsterdam 690 E 67) waarin de corrupte praktijken der Surinaamse planters worden gehekeld. Met zoveel oprechte verontwaardiging zelfs, dat men hem er van verdenkt zelf dupe geweest te zijn van de Surinaamse toestanden (p. 19):

 
O Land vol list en schelmeryen,
 
Die Eerlyk is koomt in den noot,
 
Opregte deugt loopt hier om broot,
 
Genoopt van honger luydt te schryen.

Don Experientia schreef zijn stuk in 1771 (nog voor de Beurscrisis) en vermeldt: 't Spel speeld, en word nog gespeelt van 't eene Jaar in 't ander, in alle de Rivieren en Creecquen1. Hij gaf zijn spel een zinrijk Negerengels motto: Diese Soesoe fietie Pottie hem na foete (wie de schoen past trekke hem aan). Het stuk zelf is niet bijzonder helder gecomponeerd. De liederen er in hebben ons het meest van de poëtische kwaliteiten van de schrijver overtuigd. Hier volgt één dezer (p. 11-13):

[p. 188]

Tekst

 
Waar siet men het Fortuyn so blind
 
Haar gaaven slegts uyt deelen,
 
Als men in Surinamen vind?
5
Of men verstand heeft als een Kind,
 
Maar geld! dan kan 't niet scheelen.
 
 
 
Hier siet men hoe Fortunaas gunst
 
Tot Plompaarts is geneegen;
 
Daar meenig een vol geest en kunst
10
Moet soeken by een Esel gunst:
 
O armoede aller weegen!
 
 
 
Wat siet men meenig Fransen vent
 
Braveeren door 't vals speelen,13
 
Wyl sy 't van jongs op syn gewent;
15
En Bankroetiers seer wel bekent
 
Fortunaas gaaven deelen.
 
 
 
Wat siet men menig kaalen Haan
 
En ander soort Lantloopers
 
Voor Adels en Barons hier staan,
20
Daar hun de honger dreef te gaan
 
Tot hier, door Sielverkoopers.21
 
 
 
Hier siet men hoe het blind Fortuyn
 
Een eerlyk treet met voeten,23
 
Daar men die met geschooren Kruyn24
25
Hun Kappen hingen op den Tuyn,25
 
Voor Protestants moet groeten.
[p. 189]
 
So dat het door bedriegery
 
Hier alles word verkreegen.
 
Een aardigheid is schelmery,
 
Een handigheid de dievery,
5
't Geen men hier staag siet pleegen.

De belangrijkste satiricus uit deze tijd lijkt ons Hendrik Schouten (geboren in Amsterdam 1745). Op enkele gelegenheidsgedichten in de Surinaamse kranten na, publiceerde hij zijn werk in de vier bundels van het genootschap De Surinaamsche Lettervrinden (Paramaribo, 1783-1785). Hij heeft zich gericht tegen alle voze plekken in de Surinaamse samenleving. Zo vinden wij bij hem een prachtige beschrijving van de economische ineenstorting als gevolg van de Beurscrisis in Amsterdam. Wij hebben hem echter het meest gewaardeerd om zijn strijd tegen de rassenwaan. Hier strijdt hij duidelijk voor een eigen zaak. Schouten huwde in 1772 met de kleurlinge Suzanna Johanna Hanssen, een nichtje van de vrije en rijke Negerin Nanette Samson, die in 1767 als eerste kleurlinge een wettig huwelijk sloot met een blanke. De correspondentie over dit eerste gemengde huwelijk tussen de Raden van het Hof van Politie en de Directeuren van de Sociëteit in Holland toont duidelijk, hoe men in Suriname over een dergelijk huwelijk dacht. Men schrijft vanuit Suriname:

6De reeden teegen zoodaanige Trouwe is, dat het repugnant6 7 en afschuwelijk is, schandelijk ten hoogsten voor een blanke, 8 dat hij, het zij uit een verkeerde wellust of om voedsel, sodaa-9nig huwelijk aangaat, alsoo sulx altoos in minachting hier is 10 geweest. Het is ook zeeker, dat Wij meerder door een ge-11voele die de Negers hebben van onse Praeminentie boven11 12 hun, dat Wij Lieden zijn van een beetre en edelder Natuur als 13 zij, Ons moeten in 't midden van so een verkeert en verdraaijt13 14 geslacht staande houden, als door onse wezentlijke magt. En 15 wat sullen Sij van die Exellente Natuur al veel meer gelooven,

[p. 190]

1 als sij Sien, dat Sij maar Vrij hebben te weezen, om sig te1 2 verbinden door een Solemneele huwelijksband met Ons, en 3 dus hunne kinderen pair en compagnion met de Onse Sijn.3 4 Sal die Lacheusiteit van Blanken, die Sig so verneederen,4 5 niet in aanmerking komen?5

 

Uit enkele gedichten van Schouten blijkt hoe hij eronder leed, dat zijn vrouw niet als een volwaardig lid van zijn kring werd beschouwd. Zo werd hij door omstandigheden een strijder tegen de rasdiscriminatie (en dat nog wel, terwijl de voorstellingen van de door hem gefinancierde toneelvereniging Pro Excolenda Eloquentia niet voor joden toegankelijk waren!).

Wisselvalligheid der Surinaamsche Zaaken
 
Aan Den Heere P.F. Roos.
 
 
 
Hoe wisselvallig zijn de tijden
 
Vriend Roos! Hoe kort is 't nog geleen,
10
Dat men geen Sterv'ling zag ter been!
 
'T moest al in Koets of Chaisen rijden!11
 
Elk reed ten blijk van overvloed,
 
Maar nu loopt alles weer te voet.
 
 
 
De Planter, trots op zyn vermoogen,
15
Joeg hollend door het rulle zand.
 
Men vond geen nooddruft in ons Land.
 
Die was met al de zorg vervloogen.
 
Een ijder sprak maar even stout:
 
'T is slecht dat gij geen Rijtuijg houd!19
[p. 191]
 
Ach! d'ondervinding doet mij spreeken.
 
Mijn paardtjes draavden ook vooruijt,
 
Doch haastig wierd hun loop gestuijt.
 
Wat is die weelde ras ontweeken!
5
Ik krijg daar nu belooning voor
 
En draav te voet naar mijn Kantoor.
 
 
 
Waar is al 't Zilver, die Juweelen?
 
Hoe schitterde dat schoon in 't oog8
 
Ter Dans-zaal als een Reegenboog!
10
Wat kon die glans den hoogmoed streelen!
 
Maar ach! wat is 't nu naar gesteld,
 
Men zoekt zich blind aan eenen speld.
 
 
 
De Wind-negotie, hoog geklommen,13
 
Blies moed in 't hart van ijder een.
15
Men vroeg geen Borg nog geld ter leen.
 
Men naderde met groote Sommen.
 
De Snijder, groots op s' Planters eer,17
 
Gooijt spoedig schaar en naald ter neer.
 
 
 
Zoo liet zich d'ambachtsman bedriegen,
20
Die, niet te vreeden met zijn Lot,
 
Onnoozel en op schijn verzot,
 
Zig roekeloos in slaap doet wiegen.
 
'T vermoeijend Handwerk laat hij staan:
 
De Baas moet na Plantadie gaan.
 
 
25
Met weelde wierd men overgooten,
 
Papier en Inkt dat was ons Geld,26
 
Dus Hondert Duijzend ras gesteld.
 
De nedrigheid wierd stout verstooten;
 
En had men al een weinig schuld,
30
Een Wissel was gaauw ingevuld.
[p. 192]
 
Wie liet zich door dit Aas niet lokken?
 
Ja de Provoost zelf, die tot straf2
 
De Slaaven Spaansche Bokken gaf,3
 
Die vriend der Tamarinde stokken
5
Scheen met medoogendheid belaan,
 
En staakte 't Ambt van Billen-Slaan.
 
 
 
Och Roos, wie had oijt kunnen denken
 
Dat het geld-leenend Vaderland,
 
Daar haave en goed aan was verpand,
10
Dit Land zoo deerlijk zoude krenken?
 
Geen Wissel wierd betaald ô pijn!
 
'T moest alles Wisselvallig zijn.
 
 
 
Nu ziet men 't fraaije Rijtuijg sloopen.
 
Men zorgt voor ruijming in de stal,
15
Die men wel haast verhuuren zal,
 
En al dat Rommel-goed verkoopen.
 
'T is op! de boel is in de war!
 
De Koets word thans een Schulpen-Kar.
 
 
 
Ons Holland wierd bedagt op listen,
20
En zond met vreugd 't benoodigt goed,
 
Wel weetende wat voordeel doet:
 
Geen Planter zou den Prijs betwisten.
 
Het Reek'nen is men daar gewoon:
 
Men steld voor Baalen Kuiperloon.24
 
 
25
Dog dank zij 't Lot, dat mij kwam leeren,
 
En mij al speelende deed zien,
 
Hoe het met ons al Waereld-Lien
 
Kan ras verand'ren en verkeeren:
 
Nu rijden wij nog rijk in goed,
30
Maar morgen gaan wij arm te voet.
[p. 193]
De verdubbelde achting
 
Een kundig Directeur in zijn Plantadie Werken,
 
Wiens Meester in het Hof van 's Lands Justitie zat,3
 
Wilde altoos, wen hij schreef, zijn eerbied doen bemerken,4
5
Dus hij het Tijtelwoord van Achtbaar nooijt vergat.
 
Naauw werd zijn Baas tot Raad van Politie verheeven,6
 
Off 'sLandmans achting vind zich in verlegenheid;
 
En pijnzend welk een Naam van Eer hem nu te geeven,
 
Bedagt zijn breinloos hoofd dit volgend onderscheid:
10
Dat hij den tweeden Rang nu dubbeld zal verhoogen,
 
Opdat d'aanzienlijkheid door eenmaal agt vermeer,11
 
En schreef (beschouwt met regt de domheid van zijn poogen):
 
Wel edel Hooggeacht en sestienbaare Heer.
Een huishoudelyke twist14
15
Kind lief, laat voort de Coffij geeven!15
 
Tan Baija, jusno a sa kom.
 
Maak met de Slaaven dog geen leeven!
 
Den booijs den de toe moessie dom!
 
Spreek zagtjes! waarom zoo te schreeuwen?
20
Te mie no balie, den no doe.
 
'T was best jou bek maar toe te breeuwen!21
 
Mekkie den tappou vo jou toe.
[p. 194]
 
Kan een Creoole smoel wel zwijgen?
 
Da ogrie te mie pikkie dan?
 
Moet men dan altoos woorden krijgen?
 
Mie sabie, haksie tarawan.
5
Wat middel om die kop te breeken?
 
Jou no kan nak em langa ston.
 
Waar moet ik dan het vuilnis steeken?7
 
Mie swerie Gado loekoe bon!
 
Wat zullen wij van middag eeten?
10
Na dienatem jou no sa sie?
 
Ik zeg, ik wil het aanstonds weeten!
 
Mie takkie jou no balie mie.
 
Wat schielijk, en niet lang te draalen!
 
Jou memmere mie fredde dan?
15
Moet ik de Bullepees ook haalen?15
 
Fom mie, effe jou da wan man!
 
Zie daar ... wijl gij mij dwingt te straffen!
 
De Diebrie moese nakkie jou!
 
Wilt nu maar Neeger-Engelsch blaffen!
20
Jou da wan schurke, dattie trou!
 
Moet ik dan hier de Baas niet weezen?
 
Nou mie no wannie gie jam jam.
 
De Slagter heeft meer Bullepeezen!
 
Eff jou goo Baij, jou moesse lam!
25
Hoor eens dat schelden! is 't geen schanden?
 
Jou memmere mie sa kaba?
 
Pas op! 'k heb 't stuur nog in mijn handen!
 
Kaka vo soo wan Bakkera!
 
Wat schepzel zal dat wijf bedwingen?
30
Doe san jou wannie, mie no kee!
 
Men breekt wel eerder staale klingen!31
 
Jou no sa brokke mie ti dee.
[p. 195]
 
't Hart is door haat reeds ingenoomen!
 
Jou takkie reijtie, da no kij.
 
Zij zal nog Hel nog Duivel schroomen!
 
Da vo da hede wie sa scheij.
Het vrouwelijk avond gezelschap.5
 
Verschoont mij, Vrouwtjes, het te waagen,
 
Dat ik in 't Kaakl'end Heiligdom,
 
Alvoorens eerst belet te vraagen,
 
Op eens zoo stout maar binnen kom.
10
'K heb lang geloert om regt te weeten
 
Wat d'eene d'and're wel verteld,
 
En luistrend meenig uur versleeten,
 
Dan alles dient juist niet gemelt.13
 
Eerst komt men staatig binnen treden
15
En neigt al sleepend op en neer;
 
'T gelaat vertoond de reine zeeden,
 
Men draait de Waajer keer op keer.
 
Na lang vertoefd en stil gezweegen,
 
Vraagt men: Wie heeft wat nieuws gehoord?
20
Men ziet dan elk op 't hoogst verleegen,
 
Als of dit voorstel niet bekoord.
 
Dan t'zijn de tongen die nog kleeven,
 
Men wagt den slaaf met Chocolaê,
 
Die ginder al word rond gegeeven,
25
Opdat dan t'spraaklid gladder slaa.
 
De Vrouw van t' Huijs zal eerst beginnen!
 
Zij schikt haar stoel dus wat voor uit,
 
En spreekt van 't Bont en fijne Linnen,
 
Gekogt in 't Pakhuis voor de Bruid.
30
‘God beterd!’ zegt zij ‘zoo te trouwen;
 
Die Vrouw word morgen vijftig jaar,
 
En hij kan nog geen twintig houwen:
[p. 196]
 
Wat voegd zig niet al bij elkaar!
 
Nooit zal ik kwaad van iemand spreeken!
 
Daar hoede mij de Hemel voor!
 
Maar t'oude wijf heeft slegte streeken!
5
Ze' is een bedriegster door en door!’
 
Ginds hoord men dra een and're snappen.
 
Deez' heeft een groot geheim in 't hoofd.
 
Zij zegt het, maar, mits niet te klappen.8
 
Dit word op hand en mond beloofd.
10
Men steekt de hoofden digt tezaamen,
 
Al brandend van nieuwsgierigheid.
 
‘Mevrouw’, zegt zij, ‘die moet haast kraamen;
 
De luiermand word reeds bereid.’
 
Een andre, met die zaak verleegen,
15
En oorzaak zijnde van t'verhaal,
 
Spreekt ras haar eigen vonnis teegen,
 
Zegt: foeij! Vriendin! gij spreekt brutaal!
 
Die stof is daarom niet voldongen;18
 
Ligt word ze naderhand beslegt.19
20
Men word tot snappen schier gedwongen,
 
Of men daar liegt of waarheid zegt.
 
Geen' kaaken-werk kan daar verflaauwen:
 
Die niet kan babb'len word gestoord23
 
En zal inmiddels koekjes kaauwen,
25
Dan gaat tog t' maalend mondwerk voort!
 
Dus heeft men wel terecht geschreeven:
 
Een Vrouw is met geen baard versierd,
 
Te zwijgen zou haar moeite geeven
 
Terwijl dat zij geschooren wierd.
30
T'gebeurde moet men openbaaren!
 
'T word alles vuil in t'licht gestelt!
 
Gelukkig! die zijn naam ziet spaaren
 
In 't nieuws-verhaalend babbelveld!
[p. 197]
 
Het laatst gebeurde doet mij beeven!
 
'T geheel salet was als geraakt!
 
Een zwarten Christ is d'eer gegeven!3
 
Zijn dood was rond bekend gemaakt!
5
Deez maar deedt haar van gramschap springen!5
 
Men sloeg de handen in elkaar!
 
Men zal het Negerrot wel dwingen!7
 
Jaa, 't gansch Heelal scheen in gevaar!
 
Lijs Fijnbuik, in de schrift ervaren,
10
Was wel het meest hier door gestoord.
 
Zij zal uit Godes Woord verklaren,
 
Dat Chams geslagt geen eer behoort.12
 
‘Moet men 't gekleurde Menschdom achten?’
 
Vroeg zij, al dribb'lend op haar stoel,
15
‘Kan 't kleurig vel de deugd betragten?
 
Het is ontbloot van 't waar gevoel!’
 
Deez snapster zag ik klaar in d'oogen,
 
Zij rimpelde van ouderdom.
 
'K had graag al spreekend toegevloogen,
20
Dog 't volgend denkbeeld hield mij stom:
 
‘Uw witte vagt is zonder vlekken.
 
Het is schijnheilig, 't geen gij denkt.
 
Dus doet g' een Valsche kleur ontdekken,
 
Daar haar Natuur de zuivre schenkt!24
25
Vormt men 't weldenkend hart door vellen?
 
Schuilt waar geluk dan in de huid?
 
Wat wilt gij, Schijndeugd, ons vertellen,
 
Wiens zwart gemoed uit laster spruit!’
 
'K vond goed dit effen aan te halen
[p. 198]
 
En wagt de waarheid, tot mijn deel.
 
'K hoor, dunkt mij, reeds t' eenvoudig smalen:2
 
Zijn eigen wijf is immers geel!
 
Maar, Vrouwtjes lief! ik ben te vreden,
5
'T is net een kolfje naar mijn hand.
 
Haar Eerbaarheid wierd nooit bestreden,
 
Veel min haar kuischheid ooit verpand.
 
Maar laat ons nu al verder hooren,
 
Wat meer word op 't bezoek verhaald.
10
De Klok van negen mogt mij stooren,
 
Want dan is het vertrek bepaald!
 
'K geloof, 't zal nu de mannen gelden!
 
Zij spreeken van de buiten buurt;13
 
En dit gesprek verneemt men zelden,
15
Of daar is vast al rond getuurt.15
 
‘Wat zijn wij Vrouwen te beklagen!’
 
Dus sprak de langste van 't salet,
 
Wij moeten alles maar verdragen.
 
Wat Vrouw die ooit den man belet!
20
Wij zijn geduldig in het lijden,
 
Ja zoo, dat, word een man verklapt,
 
Wij fluks voor deez' zijn misslag strijden,
 
Al wierd hij zelfs door ons betrapt.’
 
‘Wie drommel zal dit dog gedoogen!’
25
Riep driftig een uit gindsche hoek,
 
‘Wie geeft haar vent dit groot vermoogen!26
 
Wat Wijf ontdoet zig van den broek!
 
Zal men dat goed hun wil maar laaten,28
 
En 't spoor niet volgen, waar zij gaan?
30
'T is waarlijk schande zoo te praaten!
 
Men moet hun gangen gade slaan!
[p. 199]
 
De mijne mag geen voet verzetten,
 
'K moet altijd weeten waar hij is.
 
Zoo kan men ras het kwaad beletten
 
En stuiten hun geheimenis.
5
Des avonds buijten rond te zwerven,
 
Vermoeijt en mat somtijds hun Leên,
 
Waardoor wij immers 't eelste derven.
 
Dit stelt mij niet zo ligt te vreên!
 
'K heb reeds zoo dikwerf ondervonden,’
10
Sprak zij, met trekken vol geweens,
 
‘Het Huwlijks bed word meest geschonden,
 
Door veel te planten buiten beens!12
 
Bekruipen hun de Minne Vlaagen,
 
Dan heeft men waarlijk veel te doen.
15
'K zou hier getuigens kunnen vraagen,
 
Maar elk' houd gaarne haar fatsoen!’
 
T' Gezelschap dagt nu te vertrekken,
 
Vermits de tijd op handen was.
 
Dog door t'gedurig draajen, rekken,
20
Scheen zulks geheel nog niet van pas.
 
Dan zagt! ... het kaarsligt kwam verschijnen!
 
Waarop men staatig afscheid nam.
 
Toen zag men neigende elk verdwijnen,
 
Zoo als men neigend binnen kwam.
De geele Vrouw25
 
Een' vrouw die deugden mint en past op haare plichten,
 
Uijt gulle vrolijkheid wel eens een deuntje zingt,
 
Op 't Clavecimbel speelt en zomtijds lugtig springt
 
Om 't afgesloovde brein haar's egas te verligten,
[p. 200]
 
Die kloek in 't huijsbestier en rein in keuken wetten,
 
Daar zij de vrekheid schuwt, dog echter spaarzaam leevt,2
 
En, als de nooddruft klaagt haar giften mildlijk geevt,
 
Die men met wijs bestier op alles naauw ziet letten,
 
 
5
Die echter word nogtans versmaad, veracht, benijd,
 
Door snoode lasterzucht in eer gekrenkt uit spijt,
 
En door kwaadaardigen voor onkuisch uitgekreeten,
 
 
 
Omdat ... mijn tong verstijft, verschrikking word mijn deel!
 
Ik zwijg die schendaad niet, elk stervling moet die weeten:
10
Die braave Vrouw, in plaats van Blank te zijn, was Geel!

1Creecquen = kleine zijrivieren.
13Braveeren = weelderig leven pronken.
21Sielverkoopers = ronselaars.
23Een eerlyk = een eerlijk man.
24Daar = terwijl.
25De kap (= kloosterkleed) op de tuin (=omheining) hangen is een uitdrukking voor het verzaken van de monniksstaat.
6zoodaanige Trouwe = zulk een huwelijk.
repugnant = weerzinwekkend.
11Praeminentie = uitmuntendheid.
13so een verkeert en verdraaijt geslacht, ongeveer in de betekenis: zo'n bedorven ras, zulke rare mensen.
1Letterk. Uitspan. I, 15-18.
3pair en compagnion = gelijken.
4Lacheusiteit, waarschijnlijk een eigen vorming van fra. lacheur = iemand die zich niet aan zijn taak houdt, de zaak dus in de steek laat. Hier zou het woord dan betekenen: de nalatigheid van blanken ten opzichte van hun plicht als superieur ras.
5in aanmerking komen = een ongunstige indruk wekken, bloot staan aan kritiek.
11Chaisen = sjeezen, lichte tweewielige rijtuigen.
19slecht = ordinair, gewoontjes.
8dat schoon = al dat moois.
13Wind-negotie, de mogelijkheid dus om geld te krijgen op nog niet geleverde goederen.
17groots = trots.
26Papier en Inkt. Men had een vrijwel onbeperkt crediet en kon dus met wisselbrieven betalen.
2Provoost = gerechtsdienaar.
3Spaansche Bokken. Het slachtoffer werd vastgebonden aan een paal en met een zweep van tamarindetwijgen op de blote huid geslagen.
24Men brengt dingen in rekening, die er niet aan te pas zijn gekomen: men berekent het loon van de kuiper voor goederen, geleverd in zakken.
3Hof van 's Lands Justitie = rechtbank voor civiele zaken.
4wen = wanneer.
6Raad van Politie = strafrechter.
11vermeer = vermeerdere.
14Letterk. Uitspan. II, 33-37 Wij geven hier in een noot de (zeer vrije) vertaling van de Negerengelse antwoorden:
 
Stil maar, 't komt direct.
 
Ze zijn vreselijk dom, die jongens!
 
Als ik niet schreeuw, dan helpt het niet.
 
Laat ze die van jou dan meteen dicht maken.
 
Mag ik zelfs niet meer antwoorden?
 
Weet ik 't, vraag 't een ander
 
Probeer het met een steen.
 
Bij God, nou is 't genoeg!
 
Dat zie je vanmiddag wel.
 
Ik zeg je man, schreeuw niet tegen me.
 
Denk je dat je me bang kunt maken?
 
Rammel me, als je een vent bent.
 
De duivel mag je halen.
 
Je bent werkelijk een schoft!
 
Nou krijg je geen eten ook.
 
Ik hoop dat je lam wordt, als je hem durft kopen.
 
Denk je dat ik op zal houden?
 
Ik heb scheit aan zo'n blanke!
 
Doe maar, 't kan me niet schelen.
 
Vandaag krijg je mij er niet onder.
 
Je hebt gelijk, dat lijdt geen twijfel (?).
 
Daarom gaan we scheiden.
15voort = dadelijk.
21toe te breeuwen = dicht te stoppen.
7nl. het vuilnis, dat uit haar hoofd zou komen, wanneer hij dat stuk sloeg.
15Bullepees = zweep.
31klingen = zwaarden.
5Letterk. Uitspan. III, 30-34.
13Dan = maar.
8mits niet te klappen = mits men het niet over vertelt.
18voldongen = uitgeput.
19beslegt = afgedaan, afgehandeld.
23gestoord, nl. door een knecht, die hen versnaperingen aanbiedt.
3Een zwarten Christ is d'eer gegeven = de dood van een zwarte christen is officieel bij buren en kennissen aangezegd.
5maar = tijding, nieuws.
7het Negerrot = die negertroep.
12Chams geslagt = de nakomelingen van Cham. Men dacht in die tijd en excuseerde daarmee de slavernij, dat de negers nakomelingen waren van Cham en dus naar Noachs vervloeking gedoemd waren de andere rassen te dienen.
24Daar haar Natuur de zuivre schenkt = terwijl de natuur hun (de negers) de zuivere (nl. de voor hen zuivere of passende kleur) schenkt.
2eenvoudig smalen = smalen zonder meer, alleen maar smalen.
13buiten buurt = buitenwijk; misschien een beruchte plaats voor rendez-vous.
15Men heeft om zich heen gekeken of men niet werd afgeluisterd.
26dit groot vermoogen = deze grote macht. Het nadert hier tot de betekenis: zoveel vrijheid.
28dat goed = die kerels (verachtelijk gezegd).
12Door veel te planten buiten beens = door veel buitenbeentjes (onechte kinderen) te verwekken.
25Letterk. Uitspan. II, 22.
2Daar = terwijl.
prepostterug  begin  verder