terug  begin  verderprepost
[p. 201]

XI De plantersletterkunde. 3. De pastorale.

Het laatste hoofdstuk over de plantersletterkunde is geheel gewijd aan de poëzie van Paul François Roos (geboren in Amsterdam 1751, gestorven in Suriname 1805). Hij was zeker de begaafdste dichterlijke kolonist uit de 18de eeuw. In zijn vrij omvangrijk oeuvre vindt men vele gelegenheidsgedichten en heldenliederen. Hij is ons echter het liefst om zijn pastorale poëzie. Hierin onderscheidt hij zich ook van alle andere Surinaamse dichters uit die tijd. Zo ergens dan hebben wij in Roos een kolonist gevonden met ‘attachement’ voor zijn woongebied. Hij heeft als eerste de pastorale schoonheid ontdekt in dit materiële wingewest. Men vindt deze ontdekking niet verscholen in enkele losse regels, maar in prachtige, breed opgezette beschrijvingen van plantages, rivieren en kreken. Financieel ging het hem in de Surinaamse crisistijd aanvankelijk niet goed. Pas na zijn definitieve terugkeer uit Nederland en zijn huwelijk in datzelfde jaar (1785) brak een betere tijd voor hem aan. Hij werd een hooggeplaatst ambtenaar en verwierf zich een vermogen. Dat zijn talent in Suriname erkenning vond toont het feit, dat hij van 1786 tot ca. 1790 president was van het genootschap De Surinaamsche Lettervrinden. Erkenning in Nederland is tot nog toe, naar wij menen ten onrechte, uitgebleven1.

Lierzang1
 
Ik, ik zing Suriname's strand,
 
Myn heil, myn lust, myn levensstand!3
 
Een ander zing' het vaderland
5
Een lied ter eere!
[p. 202]
 
Ofschoon men hier geen lente voelt,
 
Geen zomer brand, geen herfsttyd koelt,
 
Geen barre winter vreeslyk woelt,
 
Als in Europe;
5
Ofschoon men hier geen hiacinth
 
Of tulp aan teedre staakjes bind,
 
Vioolen noch renonkels vind,
 
Met frissche geuren;
 
Ofschoon men hier geen Philomeel9
10
Hoort gorglen uit eene orgelkeel,
 
Op 't kruintje van een lustprieel,
 
In schoone hoven;
 
Schoon op geen malsche klaverplant
 
Of boterbloem, in 't grasryk land,
15
Het rundervee als watertand
 
In onze dreeven;
 
Schoon hier de smaak niet word gestreeld
 
Door karper, die in 't water speelt,
 
Door hombaars, tarbot, schol of zeelt,
20
En andre visschen;
 
Ofschoon geen persik, abrikoos,
 
Geen peer, geen appel, geen flamboos,22
 
Geen pruimpje, met een purpren bloos,
 
Hier willen groeijen;
25
Ofschoon hier, in den jagttyd, niet
 
De vink door 't vinkje word bespied,26
 
De lyster zich verschalken ziet
 
Door looze strikken;
 
Ofschoon men dit hier missen moet,
30
Vervult natuur, in overvloed,
 
Dit al door ons ontbeerde zoet
 
Op andre wyzen.
 
Ik, ik zing Suriname's strand,
[p. 203]
 
Myn heil, myn lust, myn levensstand!
 
Een ander zing' het vaderland
 
Een lied ter eere!
 
Want hier, hier heerscht een eeuwig groen:
5
Geen boom zien wy van 't loof ontdoen
 
Door 't woeden van een bar saisoen,
 
Als in Europe.
 
Tjo! Tjo! het orglen van uw keel,8
 
By de aankomst van het daggareel,9
10
Beschaamt de stoutste Philomeel,
 
In onze huizen.
 
Bannielje langs den zilvren stroom,12
 
De bloeisem van d'oranjeboom,13
 
Verspreiden langs den gantschen zoom
15
Een keur van geuren.
 
Ons rundvee, kiesch op kruidgewas,16
 
Kent geen bevrozen waterplas,
 
Maar smaakt, jaar uit jaar in, het gras
 
In onze dreeven.
20
Een keur, een' schat van blanken visch,
 
Tot sieraad van den gullen disch,
 
Verschaffen beek en wildernis
 
In duizend soorten.
 
Nooit, nooit word hier de boom beroofd
25
Van rinsch, van zoet, van smaaklyk ooft;25
 
ô Neen! want ieder dag belooft
 
Ons nieuwe vruchten.
 
De jager heeft zyn' vollen zin:
 
Ons bosch heeft hier een' wildschat in;29
[p. 204]
 
De jagttyd heeft hier geen begin,
 
Noch ook een einde.
 
Dus zing ik Suriname's strand,
 
Myn heil! myn lust! myn levensstand!
5
Een ander zing' het vaderland
 
Een lied ter eere!
Schets van het Plantaadjeleven.7
 
Myn broeder, die uw' tyd, in andre waerelddeelen,8
 
Al schetsende besteed met verw en kunstpenseelen,
10
Ontfang een dichttafreel van my, die, verr' van u,
 
Aan 't Commewynsche vocht, het fortgewemel schuw,11
 
En 't land bebouwende bemin het eenzaam leven,
 
Van welks vermaak myn pen u tracht een schets te geeven.
 
Want, u ontrukt, hebt gy toch geen gedachtenis
15
Dat hier uw broeder nog op de aarde aanwezig is.
 
Doch lees dees lettren, die, schoon spraakloos, tot u spreeken.
 
De Jonge Bykorf, die in de aangenaamste streeken17
 
Van dit myn wingewest zich opdoet, is de hof
 
Alwaar uw broeder woont, die nimmer zynen lof
20
Naar waarde roemen kan: omzoomd van mangroeboomen,20
 
Omheind van dyken, en besproeid van waterstroomen,
 
Vol van vermaaken, die steeds de eenzaamheid my geeft.
 
Hy heeft een' schat op de aard', die 't waar genoegen heeft!
 
Des morgens, eer de zon aan Suriname's stranden
[p. 205]
 


illustratie
Een Surinaamse Planter in zijn ochtendjas.

[p. 206]
 
Den nuchtren daauw ontrukt aan loof- en bloemwaranden,1
 
Ontwaak ik, en begroet den lieven dageraad.
 
Myn moestuin is het eerst waaraan zich 't oog verzaad,
 
Terwyl een waassem van verkwikkelyke geuren,
5
Uit duizend bloessemen van zilvren, gouden kleuren,
 
Den reuk verfrisschende, my lokt naar 't lustprieel,6
 
Bedekt door schomlend loof, waarin een zacht gestreel
 
Van tedre gorgels schynt den uchtend aan te konden.8
 
'k Zie rondom van my, of de endyvie is omwonden,9
10
Of wel de seldery met zand is aangevuld.10
 
ô Ja! 't staat alles wél: myn bedden zyn gehuld
 
Met kiesche groenten, daar en kruis- en middenpaden12
 
Met veelerhande soort van bloemtjes zyn beladen.
 
Ik geef den tuinman hier zyn werk, en, bly' te moê,
15
Treede ik aan d'andren kant naar 't luchtig kweekhuis toe.15
 
't Is rondom afgeperkt met dunne palisaaden.16
 
Hier is een vyver, waar myne eenden zich in baaden;
 
Daar loopen hoeners en kalkoenen, dik en vet;
 
Ginds is het hokje, waar men 't vee te broeijen zet;19
20
Daar staat een karsenboom, dien 'k onlangs zag ontluiken,
 
Waaronder 't vee den gloed van Phoebus weet te ontduiken.21
 
Nu ga ik verder naar het varkenskot en let,
 
Of wel reeds versche kost daarin is neêrgezet.
 
'k Zie, in 't voorbygaan, naar de vaderlandsche knynen,24
25
Die vrolyk in het hok als in de vryheid schynen.
 
Nu treede ik binnen, waar myn oog in 't ryk verschiet
 
De blyde schaapen naar de weide dryven ziet:
[p. 207]
 
Dees graast, die blaat, terwyl de tedre lamren springen.
 
Het nooitverzadigd oog smaakt beurtverwisselingen.2
 
Hier drink ik koffi en in rook een pyp tabak,
 
Terwyl myn duivenvlugt te kirren zit op 't dak.
5
Een wyl gezeten, komt een stoet van zieke slaaven:5
 
Deeze is behebt met koorts, en die met Venusgaaven;6
 
De een klaagt van beljak, en een ander heeft de koek.7
 
Ik spoor hun ziekten naar door vlytig onderzoek,
 
En schaf hen middelen opdat zy ras genezen.
10
En tyd en pligt leert my op 't land geneesheer wezen.
 
Nu ryze ik op, om eens de werken naar te zien
 
Der luie kuipers en der traage timmerliên:
 
Die zaagt een plank af, en een ander maakt paneelen;
 
Hier dislen zy een vat, daar ziet men schaaven, kweelen;14
15
Wat zyn zy vlytig! ja! het werk gaat als een spil;
 
Maar, zet ik voet van honk, dan staan de hamers stil.
 
Van daar al verder naar de koffiloots getreden,17
 
Vind ik de slaaven in verscheiden bezigheden:
 
Die wascht, dees veegt, die schrobt, een ander keert de vrucht,
20
Die waait, en deeze schuift de bakken in de lucht.
 
Hier huilt een meisje, ginds hoor ik een' jongen zingen.
[p. 208]
 
Men vind in deeze loots altyd veranderingen,
 
Naar dat de tyd en ook 't veranderlyk saisoen
 
Den lootsöppasser leert wat werk hy heeft te doen.
 
Dit keurig naargezien, en alles wél bevonden,
5
Dan wandel ik, vernoegd, naar myne vruchtbre gronden,
 
Langs paden voort, wier zoom met koffiboomen pronkt.
 
Al wandelende word en hart en ziel ontvonkt
 
Tot overpeinzing, daar gewas en boom en kruiden
 
't Volmaaktste samenstel vermogen aan te duiden.
10
Ja! 't is of de Almagt van den Vormer der natuur,
 
Gedrukt op ieder blad, vernieuwt van uur tot uur.
 
ô Landbouw! Eenzaamheid! Myn lusthof! Koffiboomen!
 
Wat doet gy myn gemoed al denkensstof bekomen!
 
Zo denkende, genaak ik langzaam by het werk:
15
De bastiaan geeft hier aan ieder' slaaf zyn merk.15
 
Ik laat het gretig oog langs alle bedden waaren,
 
En zie of wel de boom van taaije klimöpblaêren
 
En ander vuilnis is gezuiverd; of men 't gras
 
Schoon afwied; of men ook een jeugdig plantgewas
20
Aan 't hoofd beschadigd heeft, door 't onkruid af te rukken.20
 
Een naarstig landman kruist gestadig door de stukken21
 
En let op alles wat de kunst en pligt hem leert;
 
Want, als hy zulks niet doet, dan gaat zyn werk verkeerd.
 
De vuige slaaf is loom, genegen om te liegen,24
25
En acht het fraai als hy zyn' meester kan bedriegen.
 
Van daar roept my de zorg naar myn banannenwoud,
 
En naar den teijergrond, den wachter toebetrouwd.27
 
'k Zie of hy oppast om het drooge blad te kappen,
 
En of hy my misleid door slinksche wetenschappen;
30
Of 't koorn ook armoê lyd door 't al te gulzig wied,30
[p. 209]
 
En duizend dingen meer, die my de pligt gebied.
 
Myn werk verricht, zo neem ik 't jagtgeweer in handen
 
En trek naar 't bosch, versierd met eedle kruidwaranden,3
 
Nog nat van morgendaauw. De honden gaan my vóór,
5
En spooren 't wild op dat, hoe fyn ook van gehoor,
 
Door hen bespied, my als de wind voorby komt snellen:
 
Ik schiet, en weet door 't lood het hert ter neêr te vellen.
 
't Zy pingo, buffel, knyn, pakkier, of sabakkaar,8
 
Zoras ik hem bespeur, is hy in doodsgevaar.
10
Wanneer het water my somtyds het bosch doet vlieden,
 
Dan ga ik aan den kant de duiven eens bespieden.
 
Ik licht den leguaan, hoe hoog ook, uit den boom,12
 
En doe den kauwerier omkantlen in den stroom.13
 
Zo moeten anamoes, maraaijen en pauwisen14
15
Door kracht van 't aaklig kruit het levenslicht verliezen.
 
Geen schelle papegaai is veilig in zyn vlugt:
 
Ik heb 'er honderden doen tuimlen uit de lucht.
 
Dit kan de schulpenrits van Vlaardingen getuigen,18
 
Wiens bosschen door 't geknal der jagtgeweeren juigchen.
20
Vermoeid van dit vermaak, treede ik met trek tot spys
 
Te rug. De disch, gedekt, vertoont my knolradys,
 
Met versche boter, kaas, en jonge ramenassen;
 
Daar staat een haasje, dat ik gistren ging verrassen.
 
Waart gy, myn broeder! hier, zo zoude ik u gewis
25
Op heimaar nooden, die deez' nacht gevangen is.25
[p. 210]
 
De wandling geeft my lust om smaakelyk te ontbyten.
 
Verzadigd, sta ik op, en weet den tyd te slyten,
 
Dan eens met knutslen, dan met leezen in een boek,
 
Dan in de dichtkunst, dan in 't snedig onderzoek
5
Van vrouw natuur, wier kunst geen dichtpenseel kan treffen,
 
Wyl onvolmaaktheid nooit volmaaktheid kan bezeffen.
 
Wanneer het my somtyds behaagt om uit te gaan,
 
Gebied ik in 't korjaar met riemen klaar te staan.8
 
Dit vaartuig vliegt met my langs 't lommerryk bosschaadje
10
Naar Acconoribo, naar Mocha's lustplantaadje,
 
Of wel naar L'Avantuur, by onzen landgenoot!11
 
'k Schud dan de zorgen af in Commewyne's schoot.
 
Maar vind ik my verpligt om t'huis te moeten blyven,
 
't Zy om het dagwerk, of de maandlyst uit te schryven,14
15
Of om de logge pont te zenden naar het fort,15
 
Of 't zy myn byzyn by een werk gevorderd word,
 
Dan gaat het nodige voor dertele vermaaken.
 
De vreugd vermengt zich in het achtslaan op zyn zaaken;
 
Een schrander landman voegt de reden by zyn' pligt,
20
En noemt het meer vermaak dan werk 't geen hy verricht.
 
Zoras de Vriesche klok het tweetal heeft geslagen,21
 
Zie ik het eeten op de middagtafel draagen.
 
Een stoet van meisjes staat geschaard rondom den disch,
 
Terwyl de voetebooi met schenken bezig is.24
25
Gegeeten, tracht dit volk op zynen pligt te passen:25
 
De een geeft my 't bekken om de vingren af te wassen,
 
Terwyl een ander, met den handdoek voor de borst,
 
Op zy' staat. Ja, myn vriend! ik leef gelyk een vorst:
 
De slaaf past op myn' wenk; myn woorden zyn bevelen.
30
Een landman zou de rol van koning kunnen speelen.
[p. 211]
 
Ik eisch een schoone pyp, tabak, een glaasje wyn:
 
Dit moet, zoras ik 't vraag, reeds in gereedheid zyn.
 
Nu onder 't donker loof der gulde oranjeboomen,
 
Die, in den ry geschaard, den kant des tuins bezoomen,
5
Wat lucht geschept: hier sla ik de oogen, vry en bly,
 
Naar jaashuis, timmerloots, naar weide, of droogery,6
 
Waar 't kleine volk om 't werk schynt met elkaêr te kampen.7
 
Daar brengt men koffi, die men t'avond af zal stampen.8
 
Myn pyp is uitgerookt, zodat ik statig roep
10
Om my een' leuningstoel te plaatsen op de stoep.
 
Daar lees ik dit of dat, of 'k zit op 't werk te denken,
 
Terwyl een Mulattin my groene thee komt schenken.12
 
Gedronken, zie ik hoe de lucht staat in het west':
 
Myn jongens houden reeds het oog op my gevest.
15
Ik eisch myn' rotting, zo als 't viertal is geslagen,
 
En geef hen last geweer en jagtzak na te draagen.16
 
Ik ga voorby het werk, en zie ter zyde eens af
 
Of 't merk haast door is, 't geen men hen deez' morgen gaf.18
 
Nu snuffel ik zo wat, en loop eens door de stukken,19
20
Om naar te zien wanneer 'er koffi is te plukken;
 
Of de katoenknop breekt, en diergelyke meer.
 
Ik wandel dit pad op en 't ander weder neêr.
 
Zo gaat de middag heen, en de avond komt genaaken.
 
Maar wil ik my somtyds met hengelen vermaaken,
25
Ik heb een watergat, dat grimmelt van de visch.25
 
Hier zit ik aangenaam, doordien 't belommerd is.
[p. 212]
 
Ik weet 'er slag op slag waarappers uit te haalen,
 
Vetjakkies en quiquies. 'k Herdenk hier menigmaalen2
 
Hoe ik voordeezen, in de stille Wetering,
 
Of in de Molensloot, met u het baarsje ving;
5
Hoe, achter Landzigt's tuin, wy speelden op de weiden.
 
Wie kon toen denken dat ons de oceaan zou scheiden?
 
Wie had toen ooit verwacht dat Gomar en Armyn
 
My van Rosinde en u tot scheurers zouden zyn?8
 
Verrukt in dit gepeins, begint de zon haar straalen
10
Te dooven, achter 't woud, in zilte waterzaalen.
 
Dus keer ik t'huiswaards, waar myn koffi op den disch,
 
Met suiker en met melk, reeds ingeschonken is.
 
Ik eisch myn nachtjapon, musquitenbroek en muilen,13
 
Om voor het ongediert' my in dit kleed te schuilen.
15
Daar komen bastiaans, en arts en timmerliên.15
 
Ik maak my sterk om hen eens deftig aan te zien.
 
Ik ga den merkstok na en zeg hen 't werk voor morgen.17
 
Ik zet de wacht op, en gebied hen om te zorgen18
 
Voor vaartuig, kweek en bleek, voor 't oopnen van de sluis.
20
Elk krygt een' slok, en gaat genoeglyk naar zyn huis.
 
Ik, wel te vreden, ga een uur of twee wat schryven;
 
Ik maak een dichtstukje, en mag d'avond zó verdryven.
 
'k Lees in Germanicus, als my de schryflust stuit,23
 
En roep daarby den lof van zyne zangster uit.24
[p. 213]
 
Zodra het negental is door de klok geslagen,
 
Gebied ik eene kaars in 't slaapvertrek te draagen,
 
Waar my een Venus in de koele hangmat wacht.
 
'k Ga slaapen, broeder! en wensch u een' goeden nacht!
Tuingedachten5
 
Gistrenmiddag, by het daalen
 
Van de lieve zonnestraalen,
 
Zat ik in myn tuintje neêr,8
 
Waar de bloemtjes fleurig bloeijen,
10
Waar de groenten welig groeijen:
 
'k Sloeg myne oogen, ginds en weêr,
 
Naar myn pakhuis, naar myn woning.
 
'k Dacht, ik leef hier als een koning,
 
Maar al denkend trok de band
15
My naar 't dierbaar vaderland.
 
'k Dacht, kon ik eens zo veel gaêren,16
 
Om, na een of twee paar jaaren,
 
Heen te vaaren naar Euroop'.
 
Deventer! uw buitenvlekken19
20
Zouden my tot woning strekken.
 
Denkend voed men groote hoop.
 
'k Zou, by komst, geen tyd verliezen,
 
Maar my straks een woonplaats kiezen
 
By het dorpje Diepeveen;
25
'k Zag dan, door myne eiklaan heen,
 
Naar de Roôbrug, die, voordeezen,
 
Plag de hof myns heils te weezen.
 
'k Waar' dan daaglyks wellekoom
 
By myn moeije en by myn' oom.29
[p. 214]
 
'k Zou des avonds, als een baasje,
 
Met twee paardjes voor myn chaasje,2
 
Ryden, dat het gonst en gudst,
 
Naar myn hofplaats Roozenlust.
5
Wat zoude ik daar vreugde raapen!
 
'k Zou 'er als in roozen slaapen;
 
Echter sliep ik nooit te laat:
 
'k Waakte met den dageraad.
 
'k Zou dan naar myn hengels zoeken,
10
Om het vischje te verkloeken10
 
In den vyver, die het huis
 
Rondom kuscht met zagt geruisch.
 
'k Zou 'er snoeken, karpers, aalen,
 
En een zootje baars uit haalen,
15
Die 'k daarna dan, rap en vlug,
 
Met een sneê zo op den rug,
 
Klaar zou maaken om te kooken.
 
Helder zou ik 't vuurtje stooken,
 
Wyl zelfklaargemaakte visch
20
Nog wel eens zo lekker is.
 
Had ik juist geen lust tot visschen,
 
'k Zou my 's morgens dan verfrisschen
 
By het boschje, welkers zoom
 
Door een' kleinen waterstroom
25
Word besproeid; 'k zou 't oog verzaaden
 
In een reeks van bloemsieraaden,
 
Blinkende van morgennat,
 
Eêl van geuren, schoon en prat.28
 
'k Zou me op 't bankje laaten vinden,
30
Onder gindsche groene linden,
 
Waarin zangster Philomeel
 
Orgelt uit eene orgelkeel,
 
En het zoet van 't buitenleven
[p. 215]
 
Fluitend wil te kennen geeven.
 
'k Zou van daar my voorts begeeven
 
Langs de velden, langs de dreeven,
 
Waarin 't koeitje, wel te moê,
5
Graast tot aan den enkel toe.
 
Wandelend met zagte schreden,
 
Zoude ik 't lusthuis binnentreeden,
 
Daar myn gade my ontmoet
 
Met een' kusch tot morgengroet.
10
'k Zou met smaak dan koffi drinken,
 
En door room dat vocht doen zinken.11
 
't Wierd dan tevens ook ras tyd
 
Om te denken aan 't ontbyt.
 
'k Zei' dus tot myn dienstmaagd: ‘Styntje!
15
Sny me een stuk van 't mastelyntje,15
 
En breng daadlyk op den disch
 
Knolradys, die jeugdig is.’
 
Dat is boter om te roemen!
 
'k Proef 'er klaver, gras en bloemen,
20
Ja de Mei uit, dat smaakt eêl!
 
Kyk die kaas: hoe varsch, hoe geel!
 
Eigenmaaksel van myn boeren,
 
Die op zulke heeren loeren,
 
Welken, ryk, van 't westerstrand
25
Keeren naar hun vaderland.
 
Na 't ontbyt zou 'k Jansje vraagen26
 
Of zy, met een koets of wagen,
 
Wilde ryden naar de stad;
 
Dan of zy ook liever had
30
Om in 't schuitje meê te vaaren,
 
Langs het loof der beukelaaren,
 
Naar Philotus onzen vrind,
[p. 216]
 
Die, schoon ryk, het land bemint?
 
Wilde ze op de lustplaats blyven
 
En met werk haar' tyd verdryven,
 
Ja, 'k had dan ook blyvenslust,
5
En zocht straks myn werk in rust.
 
'k Vond, als Cats, dan geen bekwamer6
 
Daartoe dan myn boekenkamer.
 
'k Las daar 't geen myn hart en ziel
 
Op dat pas het meest geviel.9
10
'k Zou de lieve zanggodinnen
 
Daar zowel als hier beminnen.
 
'k Schreef soms brieven, bly te moê,
 
Hier naar Suriname toe.
 
'k Zou myn vrienden brieven schryven,
15
Hen vermaanen om de schyven15
 
Te bewaaren met verstand,
 
Om daarmeê naar 't vaderland
 
Heen te kruijen, en hun dagen,
 
By ons, naar hun welbehagen,
20
Door te brengen op het veld.
 
'k Wou zo veel, ... maar 'k heb geen geld.
 
'k Zou hen melden, hoe wy leefden,
 
En gestaâg naar wellust streefden,
 
Hoe zich de allereêlste visch
25
Dagelyks op onzen disch
 
Kwam in overvloed vertoonen.
 
'k Sprak van doppers, boerenboonen,
 
Met een kalfsschyf, hagelwit,
 
Waar en ziel en sap in zit;
30
Sap dat, houd men 't één' dag over,
 
Lilt en beeft gelyk een lover.
 
Zulk een disch is wél gesteld.
 
'k Wou zo veel, ... maar 'k heb geen geld.
[p. 217]
 
'k Zou hen weeten uit te breiên,
 
Hoe wy lekkere aardebeien,
 
Zo als 't nagerecht op kwam,
 
Hoopten op een' boterham,
5
Die dan, wit van 't suikerstrooijen,
 
Keurig smaakte; voorts aan 't pooijen6
 
Van een glas met druivennat,
 
Afgetapt uit paters vat,
 
Op het welzyn van de vrinden,
10
Die zich in het west bevinden,
 
Dat zy schielyk, net als wy,
 
Ryk belanden aan het Y,
 
En by d'Ysel, op hun hoeven,
 
't Vaderlandsche leven proeven,
15
Waar noch vrees noch zorg hen kwelt.
 
'k Wou zo veel, ... maar 'k heb geen geld.
 
Gistren middag, by het daalen
 
Van de lieve zonnestraalen,
 
Zat ik in myn tuintje neêr,
20
Waar de groenten welig groeijen,
 
Waar de bloemtjes fleurig bloeijen.
 
'k Sloeg myne oogen, ginds en weêr,
 
Naar myn pakhuis, naar myn woning.
 
'k Dacht, hier leef ik als een koning,
25
Daarom, wat verlang ik meer!
[p. 218]


illustratie
Plantaadje Directeur met huismeid en huisjongen.

1Zie verder over leven en werk van Roos J. Voorhoeve, Paul François Roos (1751-1805). De Surinaamse plantersletterkunde uit de 18e eeuw. Nwe Taalgids 48 (1955), pp. 198-203.
1P.F. Roos, Surinaamsche mengel-poëzy (Amsteldam, 1804), pp. 7-10.
3Suriname heeft hem tot dezen ‘stand’ (hier bijna naderend tot levensstaat) gebracht. In het vaderland zou hij het niet zo ver gebracht hebben.
9Philomeel = dichterlijke benaming voor ‘nachtegaal’.
22flamboos = framboos.
26Dit duidt waarschijnlijk op een bepaalde wijze van jagen met behulp van lokvinken.
8Tjo! Tjo! = een soort winterkoninkje, dat bij de huizen nestelt en ook wel Gadofooroe (Godsvogeltje) genoemd wordt.
9daggareel = lett. het juk van de dag = dagtaak.
12Bannielje = vanille, een orchideeënsoort.
13Oranjeboom = een citrusboom met witte bloesem.
16Kiesch op kruidgewas = tuk op gras, planten.
25rinsch = zuur.
29heeft ... in = bevat.
7P.F. Roos, Surinaamsche mengel-poëzy (Amsteldam, 1804), pp. 49-58.
8Hij bedoelt zijn jongere broer Cornelis Sebille Roos, schilder en kunsthandelaar te Amsterdam.
11't Commewynsche vocht = de Commewyne (zie kaart II).
Met het fort wordt fort Zeelandia bedoeld, dat aan de rand van Paramaribo lag en hier tevens de stad zelf aanduidt. fortgewemel = stadsdrukte.
17De Jonge Bykorf (zie kaart II) is een plantage aan de Cottica (door Roos Commewijne genoemd). Ook uit andere gedichten blijkt dat Roos op deze plantage zijn prettigste jaren doorbracht. Hij was hier directeur (geen eigenaar dus). Later, toen hij in goeden doen kwam, kocht hij aan de Motkreek een andere plantage, of buitenplaats, die hij Landzigt noemde (zie kaart II). Zo heette ook een buiten, waar hij zich als jongen vermaakt had (zie hierna).
20Zo dicht bij zee waren de rivieroevers begroeid met mangroven, bomen met luchtwortels vroeger door de Nederlanders ook wel oesterboom genoemd (zie noot regel 20 p. 51).
1Warande = park, lusthof.
6lustprieel = tuinhuisje.
8gorgel = dichterlijk woord voor ‘keel’ (hier dus vogelkeel).
9rondom van my - rondom mij.
De andijviekroppen zijn met touwtjes dichtgebonden.
10De selderyknollen moeten onder zand bewaard worden. Het moet steeds gecontroleerd worden of zij niet boven het zand uitsteken.
12kiesche groenten = heerlijke, fijne groenten.
15kweekhuis, hier een afgeperkte ruimte, waar kippen, eenden en kalkoenen gehouden worden.
16palisaaden = stokken, paaltjes, die in een rij als omheining in de grond zijn geslagen.
19vee = hier pluimvee.
21Phoebus = zonnegod, zon.
24knynen = konijnen.
2beurtverwisselingen = voortdurende variatie.
5De plantagedirecteur heeft ook de taak van arts op de afgelegen plantages.
6Venusgaaven = venerische ziekten.
7beljak (<Eng. belly ache) is een droge koliek. In de Heedendaagsche historie, of tegenwoordige staat van Amerika, dl. II (Amsterdam, 1767), p. 375, vonden wij de volgende beschrijving:
Onder de Sleepende Ziekten mag men de Beillac wel voor een der ergsten houden; alzo het een zeer geweldige kolyk is, met geduurig Braaken zonder Afgang en dikwils met Stuipen gepaard, die den Lyder somtyds uit het Leven rukken.’
koek (Negerengels koekoe) is een hypertrofie van de milt. In de Heedendaagsche historie, of tegenwoordige staat van Amerika, dl. II (Amsterdam, 1767), p. 375, vonden wij de volgende beschrijving:
Dan heeft men 'er een Ziekte die de Koek genaamd wordt, bestaande zo het schynt in een Verstopping van de Lever, Milt of andere Ingewanden: ten minsten wordt geduurende eenige Dagen, een zwelling, zo hard als Steen, omtrent of onder den Middel gevoeld.’
14dislen = glad schaven.
kweelen (Negerengels kweeri), tegenwoordig zegt men in Surinaams Nederlands kwijlen = de boom van zijn schors ontdoen en ruw bewerken.
17koffiloots = loods, waar de geplukte koffie verder verwerkt wordt. In de volgende regels worden de verschillende handelingen met de koffie beschreven: de vruchten worden gewassen en van de schil ontdaan (geschrobt) en dan in bakken gefermenteerd, waardoor het vruchtvlees verteert en loslaat, daarna weer gewassen en gedroogd.
15bastiaan = negeropzichter op de plantage.
merk = taak.
20hoofd = top, nieuw uitspruitsel.
21stukken. De plantage is ingedeeld in stukken, die ten opzichte van de waterlozing een eenheid vormen.
24vuige = gemene, slechte.
27teijergrond = akker, waarop tajers gekweekt worden, (planten waarvan de verdikte onder- en bovengrondse stengelgedeelten geraspt en gegeten worden).
30koorn = maïs.
3Zie p. 206, noot 1
8Hier worden enkele Surinaamse dieren genoemd: pingo en pakkier zijn twee variëteiten van de dycotyles (alleen in Amerika voorkomende, 't meest op varkens lijkende dieren), de tapir wordt in Suriname buffel genoemd, voor knyn zie p. 206, noot 24, sabakkaar is een grote hagedis (tegenwoordig sapakara genoemd).
12leguaan = soort hagedis, die een goed vlees oplevert.
13kauwerier = een soort vis, uit de familie der schurideën.
14In deze versregel worden enkele vogels genoemd: anamoe (een alleen in Zuid-Amerika voorkomende vogelsoort), maraaijen en pauwisen zijn wilde hoenders.
18Vlaardingen = ligt in het Commewijne district in de buurt van de Motkreek (zie kaart II). Een schulpenrits is een in vroeger rijd aangespoelde, aan de kustlijn evenwijdige schelpenwal, waarop in later tijd de wegen zijn aangelegd in Suriname.
25heimaar = waarschijnlijk bedoelt hij de vissoort, die tegenwoordig anjoemara genoemd wordt, en als een delicatesse beschouwd wordt.
8korjaar = korjaal, boot.
11Roos noemt hier enkele in zijn buurt gelegen plantages (zie kaart II).
14Waarschijnlijk het maandelijks verslag aan de eigenaar of administrateur.
15pont = de boot, waarmee de produkten naar de stad verscheept worden.
21Vriesche klok = staartklok.
24Voetebooi = huisbediende, huisslaaf.
25Gegeeten = wanneer ik klaar ben met eten.
6Jaashuis, misschien wordt bedoeld een barak voor lijders aan de zeer besmettelijke huidziekte (jassi genoemd), die veel voorkwam onder de plantageslaven.
droogery = een aparte plaats (ook wel steen genoemd), waar de koffle gedroogd werd.
7't kleine volk = de slavenkinderen.
8afstampen. Om de Surinaamse koffie van de schil te ontdoen werd ze gestampt.
12Mulattin = een menging tussen blanke en Neger.
groene thee = een ongefermenteerde thee, die via een andere bereidingswijze gemaakt werd van dezelfde soorten als de zwarte thee. Zij raakte al in de 18de eeuw in onbruik.
16jagtzak = jachttas.
18Zie p. 208, noot 15.
19Zie p. 208, noot 21.
25watergat = visgat, een gegraven gat met verbinding naar een visrijke sloot. In de regentijd komen, met het water, vissen mee, die na de regentijd niet meer terug kunnen en zich daar in stil water ververmenigvuldigen.
2Hij noemt hier drie bekende moerasvissen op: waarappers (= warapa), Vetjakkies (= djaki), quiquies (= kwikwi).
8Dat de godsdiensttwisten (tussen de richtingen van Gomarus en Arminius) mij zouden noodzaken naar Suriname te gaan (Roos was eerst van plan predikant te worden) en te scheiden van mijn beminde (door hem steeds met een woordspeling Rosinde genoemd) en familieleden.
13musquietenbroek = een soort tulen hansop tegen de muggen. Een ander schrijver deelt mee, dat men deze broeken ook droeg, opdat de kakkerlakken niet aan de tenen zouden knagen.
15arts = waarschijnlijk de dresneger, zelf een slaaf, belast met de verzorging van de zieken in de plantagehospitalen (die Roos hiervoor jaashuis noemt).
17merkstok = een stok, waarop aangegeven is hoe vol de manden die dag geplukt moeten worden.
18Aan het einde van de dag werden door de directeur de wachtposten verdeeld over de op de plantage aanwezige blanken.
23Heldendicht (1779) van Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789).
24zangster = muze.
5P.F. Roos, Surinaamsche mengelpoëzy (Amsteldam, 1804), pp. 180-186.
8Wanneer hij dit schrijft is hij geen plantagedirecteur meer, maar handelaar te Paramaribo.
16gaeren = vergaren, opsparen.
19In de omgeving van Deventer (in het dorp Diepeveen) had hij op de buitenplaats van zijn oom en tante (de Roobrug) de prettigste tijd van zijn leven doorgebracht.
29moeije = tante.
2chaasje = rijtuig.
10Verkloeken = verschalken, bemachtigen.
28prat = fier.
11Hij zal waarschijnlijk bedoelen, dat hij eerst zwarte koffie drinkt en daarna room om de bittere smaak weg te nemen.
15mastelyntje = brood.
26Jansje werd waarschijnlijk zijn vrouw, Johanna Francina Seonnet door hem genoemd.
6bekwamer = geschikter.
9pas = tijdstip.
15schyven = geld.
6pooijen = drinken.
prepostterug  begin  verder