Het laatste hoofdstuk over de plantersletterkunde is geheel gewijd aan de poëzie van Paul François Roos (geboren in Amsterdam 1751, gestorven in Suriname 1805). Hij was zeker de begaafdste dichterlijke kolonist uit de 18de eeuw. In zijn vrij omvangrijk oeuvre vindt men vele gelegenheidsgedichten en heldenliederen. Hij is ons echter het liefst om zijn pastorale poëzie. Hierin onderscheidt hij zich ook van alle andere Surinaamse dichters uit die tijd. Zo ergens dan hebben wij in Roos een kolonist gevonden met ‘attachement’ voor zijn woongebied. Hij heeft als eerste de pastorale schoonheid ontdekt in dit materiële wingewest. Men vindt deze ontdekking niet verscholen in enkele losse regels, maar in prachtige, breed opgezette beschrijvingen van plantages, rivieren en kreken. Financieel ging het hem in de Surinaamse crisistijd aanvankelijk niet goed. Pas na zijn definitieve terugkeer uit Nederland en zijn huwelijk in datzelfde jaar (1785) brak een betere tijd voor hem aan. Hij werd een hooggeplaatst ambtenaar en verwierf zich een vermogen. Dat zijn talent in Suriname erkenning vond toont het feit, dat hij van 1786 tot ca. 1790 president was van het genootschap De Surinaamsche Lettervrinden. Erkenning in Nederland is tot nog toe, naar wij menen ten onrechte, uitgebleven1.

