terug  begin  verderprepost
[p. 268]

XIV naar de emancipatie der slaven.

De culturele elite van Europa had reeds lang begrepen, dat de slavernij onverenigbaar was met de Europese ideeën omtrent natuur, vrijheid en recht. Theorieën maken echter geen einde aan een gevestigd economisch systeem, dat nog steeds vruchten afwerpt. Het volk moet zelf in beweging komen en een oordeel vellen. Het kundigste theoretische vertoog blijkt niet half zoveel invloed uit te oefenen als de romantisch gekleurde voorstelling van het slavenleed. In de Angelsaksische landen werd dit getoond door de opgang van Uncle Tom's Cabin.

Toen Nederland serieus over emancipatie begon te denken was reeds ieder overtuigd, dat emancipatie op zijn minst onvermijdelijk was. Dit ontnam de emancipatiebeweging veel van haar élan1. Dit wil echter niet zeggen, dat het Nederlandse mededogen met het lot der slaven geen schone vruchten heeft opgeleverd. De schoonste is wel het grote geschiedwerk van J. Wolbers, Geschiedenis van Suriname. Amsterdam, 1861. Wolbers, een fervent voorstander van emancipatie, werd door zijn enthousiasme gedreven tot grondig onderzoek van de archieven. Het resultaat vindt men in dit prachtig, beeldend geschiedwerk, dat accuraat is met behoud van de subjectieve instelling van de auteur. Nu de meeste andere geschriften vergeten zijn, grijpt ieder die belang stelt in het verleden van Suriname nog naar zijn Wolbers.

Ook in Nederland is de publieke opinie wakker geschud door een romantisch geschrift. Ondanks de schijn van zakelijkheid, kan men het werk van W.R. van Hoëvell, Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (Zaltbommel, 1854) moeilijk anders betitelen. Zo werd het door de lezers ook begrepen. Het werk maakte dadelijk grote opgang. Het werd heftig bestreden en verdedigd, en inspireerde de romantische dichteres Anna (Ampt) tot een bundel van drie dichtwerken Schaduwbeelden uit Suriname (Amsterdam, 1858). Wij

[p. 269]

geven hier een verhaal uit Van Hoëvell (deel I, pp. 57-64) met een deel van het daarop geïnspireerde en daarop voortbordurende dramatische gedicht Moeder en Christin van Anna (pp. 46-60).

Tekst.

2Een jaar of vier geleden meldde zich, tegen 't vallen van 3 den avond, eene vrouw, die een veertigtal jaren oud kon 4 wezen, aan eene zijdeur van een niet onaanzienlijk huis in 5 Paramaribo. Gelijk men weet zijn de woningen daar alge-6meen van hout vervaardigd, en ieder huis bezit, behalve den 7 hoofdingang, eene afzonderlijke zijdeur, onder den naam van 8 ‘negerpoort’ bekend. Door deze laatste alléén mogen de 9 slaven uit en ingaan; de hoofdingang is slechts voor vrije 10 menschen bestemd. De vrouw verlangde de meesteresse van10 11 het huis, wier eigenlijken naam wij onder dien van mevrouw 12 Eliza zullen verbergen, een oogenblik te spreken. Ze werd 13 toegelaten, en eerbiedig en schroomvallig naderende, zei ze 14 met eene bevende stem:

15- ‘Mevrouw, ik heb veel gehoord van uwe goedheid; en 16 dit geeft mij den moed, om met een verzoek tot u te komen.’

17- ‘Wat verlangt gij?’

18- ‘Ik was de slavin van den heer Philip, maar gij zult uit de 19 courant gezien hebben, dat ik gemanumitteerd ben. Mijne19 20 dochter, een meisje van dertien jaren, is echter nog niet vrij; 21 en daar ik haar zoo hartelijk liefheb, kunt gij begrijpen, hoe 22 hard het mij valt, haar niet bij mij te hebben.’

23- ‘Dat begrijp ik, maar wat kan ik daaraan doen?’

24- ‘Ach, mevrouw, nu wilde ik u verzoeken, haar te koopen, 25 en haar zoo lang te houden, tot het mij gelukt zal zijn, de 26 som te verdienen, die gij voor haar zult betalen. Willigt gij 27 mijne bede in, dan staat gij haar aan mij af, zoodra ik, door

[p. 270]

1 vlijt en de inspanning van al mijne krachten, haar van u kan 2 inlossen.’

3- ‘Ik moet zeggen, dat dit een zonderling voorstel is.’

4- ‘De wanhoop heeft mij tot u gebragt. Ach! verstoot mij 5 niet!’ zoo snikte de arme moeder aan de voeten van mevrouw 6 Eliza.

7- ‘Ik zal er over nadenken’, antwoordde deze, ‘kom 8 morgen terug, dan zult gij mijn antwoord vernemen.’

9Toen de heer Eliza te huis kwam, deelde zijne gade hem 10 het verzoek mede. Ze had er over nagedacht, ze zou nog wel 11 een slavenmeisje van zulk een leeftijd willen hebben, en ze 12 stelde daarom haren echtgenoot voor, het kind van den heer 13 Philip te koopen, indien deze geen al te hoogen prijs er voor 14 eischte. De heer Eliza, die gaarne zijne vrouw genoegen 15 deed, dewijl hem dit de rust en kalmte in zijn huis verzekerde, 16 spoedde zich om aan haar verlangen te voldoen; en toen de 17 arme moeder den volgenden dag terugkwam, vernam zij, 18 dat mevrouw Eliza hare dochter Sylvia zou koopen. Ze 19 was buiten zich zelve van blijdschap, bij het vernemen van 20 dit berigt, want ze begreep, dat de voorwaarde, die ze bij 21 haar verzoek had gevoegd, de voorwaarde, om haar kind 22 voor diezelfde som vrij te koopen, stilzwijgend was ingewil-23ligd. Tranen der vreugde stonden haar in de oogen.

24- ‘Ik dank u, mevrouw! Spoedig hoop ik Sylvia van u 25 weder in te lossen! Nogmaals hartelijke dank!’ en zoo verliet 26 ze, met een opgeruimd gemoed, het huis, waarin weldra hare 27 dochter zou worden opgenomen. Het vooruitzigt van dat 28 geliefde kind te kunnen vrijkoopen, zoodra ze de daarvoor 29 benoodigde som zou hebben verdiend, verdubbelde hare 30 krachten; ze arbeidde van den vroegen morgen tot den laten 31 avond; niets viel haar te zwaar; nachtrust gunde ze zich 32 weinig - en langzamerhand zag ze den kleinen schat aan-33groeijen, en het tijdstip naderbij komen, waarop ze den zegen 34 der vrijheid, waarvan ze thans eerst regt de groote waarde 35 gevoelde, ook aan haar kind zou schenken. Wèl viel het 36 voorregt haar slechts zelden te beurt, van Sylvia te zien en

[p. 271]

1 zich in hare liefkozingen te baden, want mevrouw Eliza 2 wilde ‘dat geloop aan haar huis’ niet toestaan - maar geen 3 nood, het uur zou spoedig, slaan, dat ze altoos en onafscheid-4baar met hare lieveling zou wezen.

5Ondertusschen groeide Sylvia op tot eene schoone maagd, 6 wier blanke kleur en blaauwe oogen en haviksneus aanduid-7den, tot welken landaard haar vader behoord had. Ze was nu 8 zestien jaren oud. De sierlijke slavinnenkleeding deed hare8 9 bevalligheden nog meer schittteren. He korte jakje, waaronder 10 het sneeuwwitte hemd, dat den zwellenden boezem bedekt, 11 in het oog viel; de wijde van neteldoek vervaardigde rok; 12 de losjes om de welgevormde schouders geslagen, levendig 13 gekleurde, zijden doek; het om den slanken hals gewonden 14 snoer vergulde kralen; de hoofddoek, die de weerspannige 15 ravenzwarte hairlokken met moeite bijeen houdt en bedekt, 16 en met veelbeteekenende deviesen doorwerkt is - dat alles,16 17 gevoegd bij het levendige harer bewegingen en het weg-18slepende van haar ongekunsteld onderhoud, was wel in staat,18 19 om indruk te maken en harten te winnen.

20Maar die schoonheid was haar ongeluk. De duivel der 21 jaloezy nestelde zich in 't hart harer meesteres. Te regt of 22 ten onregte, wij weten het niet; maar zij hield het voor zeker, 23 dat haar echtgenoot begeerige blikken op Sylvia wierp. Had 24 ze het kind vroeger, indien al niet met toegenegenheid, dan 25 toch welwillend bejegend, thans begon ze het meisje te haten.

26Daar diende zich op zekeren avond de moeder weder aan, 27 die drie jaren geleden de ‘goedhartige’ mevrouw Eliza ge-28beden had, haar kind te koopen, ten einde haar in de gelegen-29heid te stellen het later van haar terug te nemen.

30- ‘Mevrouw!’ zoo riep ze, terwijl de vreugde haar uit de

[p. 272]



illustratie
Verkoop van een slaaf

[p. 273]

1 oogen schitterde, ‘hier heb ik de som die gij voor Sylvia 2 hebt besteed; geef mij haar thans, gelijk wij overeen zijn ge-3komen.’

4- ‘Hoe komt gij aan dat geld?’ vraagt mevrouw Eliza, 5 met vlammende blikken, waarin toorn en hartstogt gloeijende 6 stralen schieten.

7Eene koude rilling vaarde de moeder plotseling door de 8 leden.

9- ‘Hoe ik aan dat geld kom?’ stamelde zij, ‘ik heb het 10 verdiend. Dag en nacht heb ik gearbeid, om aan mijn kind 11 eenmaal de vrijheid te kunnen schenken.’

12- ‘Gij liegt. In alle geval, ik behoud Sylvia. Ik doorgrond 13 uwe listen. Men wil het voorwerp van een verboden hartstogt 14 van mij verwijderen, om ongestraft te boeleren en mij te be-1415driegen. Maar ik zal wijzer zijn..’

16- ‘Ik bid u mevrouw’, zeide bevende de moeder, die van 17 dit alles niets begreep, ‘denk aan uwe belofte! Ik smeek u, 18 verkoop mij mijn kind, hier is het geld!’

19- ‘Verwijder u! Ik blijf er bij, ik behoud Sylvia!’ en ze 20 wierp het aangeboden geld de moeder voor de voeten.

21Geen smeeken, geen zuchten, geen tranen - niets kon 22 baten. Met neergebogen hoofd keerde de ongelukkige vrouw 23 naar hare nederige woning terug, zonder zelfs het voorwerp 24 harer moederlijke toegenegenheid gezien te hebben.

25Maar van dat oogenblik wierd het huis voor Sylvia eene 26 hel. De vrouw, die in de zamenleving voor eene zachte, 27 beminnelijke dame doorging, werd voor hare slavin meer 28 dan eene tijgerin. Geen oogenblik van rust wordt haar ge-29laten. Van den morgen tot den avond wordt ze aan den arbeid 30 gezet. Geen oogenblik verpozing. Altoos bewaakt haar de 31 furie met eigen oogen of door die van anderen. Midden in 32 den nacht wordt ze gewekt en moet ze vliegen op de wenken 33 der onbarmhartige vrouw, en wee! haar, zoo een enkel 34 oogenblik de slaap haar overvalt. De slechtste spijzen zijn 35 haar deel, en tot hare bereiding wordt haar bijna geen tijd

[p. 274]

1 geschonken. Gedurig klimt het lijden van het onschuldige 2 kind. Ligchamelijke kastijdingen blijven niet uit. Eerst wordt 3 hare teedere huid, op het zoogenaamde ‘piket van justitie’3 4 (later zullen wij het bezoeken), door zweepslagen van de4 5 Nederlandsche policie te Paramaribo, verscheurd. Maar dat 6 is niet genoeg. Met eigen hand kastijdt haar de vreesselijke 7 vrouw ten bloede toe. Nieuwe pijnigingen worden voor haar 8 uitgevonden. Zoo werd ze op zekeren dag aan een paal 9 opgeheschen, terwijl hare voeten, die even den grond raakten, 10 op scherpe schelpen stonden.

11De jaloezy was de oorzaak van al deze martelingen. 12 Mevrouw Eliza meende, dat haar echtgenoot door de be-13koorlijkheden van Sylvia was betooverd. Mevrouw Eliza 14 veronderstelde, dat hij aan de moeder de som had gegeven, 15 om de dochter vrij te koopen en dan in 't geheim met haar 16 te leven. Daarom moest Sylvia slavin, hare slavin, in hare 17 onmiddellijke nabijheid blijven; daarom moesten die be-18koorlijkheden, door zweepslagen en mishandelingen, door 19 kommer en ellende vernietigd worden; daarom moest er 20 van dat schoone meisje een geraamte worden gemaakt, dat 21 walging en afschuw inboezemde. Reeds sedert lang waren 22 de schoone lokken verdwenen en de hoofdharen kort af-23geschoren. Reeds sedert lang had de bevallige kleeding plaats 24 gemaakt voor een ‘pantje’, dat is: een om de lendenen ge-25slagen stuk grof lijnwaad. Reeds sedert lang was het hare 26 taak geworden, om het verachtelijkste werk te verrigten en 27 de vernederendste diensten te bewijzen, opdat ze tot spot 28 mogt zijn van al de huisgenooten.

29En de heer Eliza? Hij was een zwak man, die zijne vrouw 30 vreesde. Ofschoon het hem aan het hart ging, dat de arme 31 slavin in zijn huis zoo lijden moest, hij liet zijne vrouw doen 32 wat zij verkoos, om des vredes wil.

33En de moeder? Twee jaren was het nu geleden, dat ze de

[p. 275]

1 som voor de vrijheid harer dochter aan Eliza had aangeboden, 2 en ze had haar dierbaar kind in al dien tijd niet weder gezien. 3 Hoe gewoon het verschijnsel te Paramaribo ook zij, dat 4 slaven een bitter lot hebben en zware ligchamelijke kastij-5dingen ondergaan, toch was deze marteling zoo aanhoudend, 6 zoo hevig, dat het publiek gerugt er zich meester van maakte. 7 Ook de moeder kwam er iets van ter ooren. Hoe dikwijls had 8 ze reeds hare schreden naar de straat gewend, waar hare 9 lieveling woonde, in de hoop van haar eens te zullen zien; 10 hoe duizendwerf had ze in den avond om de woning ge-11dwaald, of het haar misschien gelukken zou het beminde kind 12 te bespieden, al kon ze het dan ook niet spreken en omhelzen 13 - maar alles te vergeefs. Maar nu ze hoorde mompelen van 14 eene jonge slavin, die door mevrouw Eliza mishandeld werd, 15 nu werd het haar te bang om het hart; nu ging er geen avond 16 voorbij, of ze stond onder een der oranjeboomen waarmede16 17 de straten van Paramaribo omzoomd zijn, of in de schaduw 18 der huizen, te staren en te gluren naar die woning, die altoos 19 gesloten was, maar waarin haar lieveling zich bevond. Op 20 zekeren avond, toen 't reeds laat was geworden, en ze zich 21 tot digt bij het huis gewaagd had, wilde ze zich weder trooste-22loos, als zoo menigmalen, verwijderen, toen ze plotseling een 23 zacht en onderdrukt gekerm meende te vernemen. Ze bleef 24 als aan den grond genageld. Ze spitste de ooren. Daar klonk 25 het hoorbaarder in de stilte van den nacht. Het ging over 26 in een luid geschreeuw en gegil. O God! het is de stem van 27 hare Sylvia. Neen! eene moeder vergist zich niet!

28Eene moeder? Maar dat kind, dat daarbinnen gekastijd 29 wordt, is immers eene slavin, en zij is eene vrije vrouw. Wat29 30 betrekking kan tusschen die twee bestaan? Zij is immers 31 vrij en gelukkig?

Vrij en gelukkig? en daar binnen wordt haar kind door 32 eene barbaarsche meesteres gepijnigd! Is in zulk eene vrij-33heid geluk?

[p. 276]

1Maar gij begrijpt de zaak niet; ze heeft geen kind meer; 2 de wet zegt het immers; slaven hebben geen bloedverwanten; 3 zij is vrij en dat kind, dat daar binnen gilt van smarten, is eene 4 slavin - het is dus hare dochter niet meer, zegt de wet, de 5 Nederlandsche wet!

6Hoe is die moeder te moede, die daar buiten het jammeren 7 van haar kind verneemt? Beschrijf het, zoo gij moed hebt. 8 Tot diep in den nacht bleef ze aan dezelfde plek genageld. 9 De klaagtoonen en het gegil nemen eindelijk af. Alles wordt 10 weder stil - en de moeder keert ten laatste naar hare woning 11 terug. Geen slaap drukt hare oogen. De tranen zijn opge-12droogd; het schroeit en brandt in de borst; 't is of een gloeijend 13 staal haar in het hart is gedrukt; en met de strakke blikken ten 14 hemel geslagen ligt ze wakend op hare legerstede, tot de 15 morgen aan de kimmen gloort. Dan verlaat ze haar huis en 16 begeeft ze zich op nieuw naar mevrouw Eliza. Ze had nu door 17 rustelooze vlijt en spaarzaamheid, die zich zelve het noodige 18 niet gunde, het dubbelde bijeen van de som, waarvoor Sylvia 19 gekocht was. Dat biedt ze voor de vrijheid van haar kind.

20- ‘Hoe komt ge aan dat geld?’ vraagt weder, gelijk twee 21 jaren te voren, met helsche wraaklust in de oogen, de wreed-22aardige vrouw. ‘Is hem nog de lust niet vergaan? Heeft hij 23 nog meer over voor het walgelijke schepsel? Goed, dat ik 24 het weet!’

25En zoo wordt de arme moeder, in weerwil van haar zuch-26ten en snikken en handen wringen, op nieuw afgewezen.

27Ondertusschen werd ook dit geval ruchtbaar. Een hoog 28 geplaatst ambtenaar kwam tusschen beiden, - om het mon-29ster te straffen en het slagtoffer te redden? Neen, hij gaf een 30 wenk, dat men zich, zoo voortgaande, onaangenaamheden 31 op den hals zou halen, en het beter was de slavin te ver-32wijderen. Hij had dien wenk op de meest bescheiden wijze 33 voorgedragen en zoodanig ingekleed, dat ze mevrouw Eliza, 34 eene in de zamenleving te Paramaribo zeer gevierde en als 35 zacht en teeder van gestel bekende dame, niet kon grieven 36 of krenken.

[p. 277]

1De wenk werd opgevolgd. Sylvia werd naar eene, aan 2 mevrouw Eliza behoorende, ver verwijderde plantage ge-3zonden, en als eene slavin, die streng behandeld moest worden 4 en waarop men niet genoeg het oog kon houden, aan den 5 direkteur aanbevolen. Daar is ze op dit oogenblik (December 6 1852) nog. Wat daar het lot eener slavin is, zal ons later 7 blijken.

 

8Begrijpt gij nu wat het beteekent, dat kinderen niet van 9 hunne moeder mogen gescheiden worden? Gevoelt ge nu 10 al het menschlievende, dat er in dat verbod gelegen is? Zijt 11 ge als Nederlander niet trotsch op zulk eene Nederlandsche 12 wet?12

 

De dichteres Anna voert naast de hier Leda genoemde vrije negerin nog een christen slavin Malvina in, die met haar levensverhaal en christelijk voorbeeld Leda tenslotte weet te troosten over het verlies van haar dochter. Want in dit gedicht sterft Sylvia. Malvina komt tussenbeide op het moment, dat Leda haar dochter wil wreken door het huis in brand te steken.

Tekst.

 
Malvina:
 
Wat wilde razernij!
5
Wat ijselijk gezicht! ... Hoor, Leda! 'k wil
 
Hier bij u blijven - met u sterven. - Stil!16
 
O laat me spreken! Jaag me niet van hier -
 
Ik beef niet voor dien vuurgloed! niet voor 't vier18
 
Van uwe woede! Luister slechts! Bedaar,
20
Uit eerbied, Leda! voor die doode dáár!20
[p. 278]
 
Hoor me aan! één enkel oogenblik ... indien
 
Ge een moeder, even wreed beroofd, misschien
 
Eens even diep rampzalig, hier zaagt, die
 
Geen wrake nam, maar d' Eeuwgen God omhoog
5
Heur wraak vertrouwde ... 'k lees het in uw oog,
 
Gij zoudt haar hooren ...
 
Leda: (woest)
 
Bragt gij mij bij haar,
 
Ik zoû haar zeggen: vrouw! dat is niet waar!
10
Dat kunt gij nimmer ... of gij hebt uw kind
 
Niet lief gehad ...
 
Malvina: (weenend)
 
Voelt gij op deze handen,
 
Zoo koud en klam, als vuur mijn tranen branden?
15
O, als mijn afgod heb ik hem bemind,
 
Mijn eenige!
 
Leda:
 
Gij zijt die moeder dan!
 
Malvina:
20
Ja, ja! ik ben die wreed beroofde! ... en ik kan
 
Vergeven, maar mijn kind vergeten ... nooit!
 
(Beide vrouwen zwijgen; dan leidt Malvina hare vriendin naar het bed, waarop het lijk ligt.)
 
.....................
 
Kom, zet u neder, geef me uw hand, en luister ...
25
Zóó ... werp die fakkel weg ... 't gesternte strooit25
 
Daar boven licht en glansen door het duister
 
Der donkre hemelen - en niemand hoort
 
Ons hier, noch slaat ons gade ...
 
Leda:
30
Dan ... ga voort ...
[p. 279]
 
Malvina: (diep weemoedig)
 
Ja! ik was eenmaal moeder! 'k had een zoon!
 
Hij was mijn donkre, vreugdelooze jeugd
 
Het eerst genot, en de ongekende vreugd ...
5
En geen der blanke kindren was zoo schoon
 
Als Isidoor. - Geen had dat stralend oog,
 
Vol dartelheid en onschuld, geen die tint,
 
Wier frischheid 't van het wit der blanken wint,
 
Zoo zacht doorschijnend, noch dien wenkbraauwboog,
10
Zoo fijn gewelfd, dat donker weeldrig haar -
 
Het scheen een engelkopje ... Nog geen jaar,
 
Was ik gelukkig, kende ik zaligheid,
 
Die slechts de Hemel de armen ook bereidt;
 
O, als ik 's nachts hem aan mijn hart mogt prangen,
15
Zijn handjes voelde glijden langs mijn wangen -
 
Dat onbewust, maar godlijk liefdeblijk!
 
Wat was ik zalig, onuitspreeklijk rijk!
 
En daagde 't, o, wat staarde ik diep en lang
 
In 't stralend oog van mijnen zuigeling -
20
Wat sloeg mij 't hart dan wondervol ... en bang,
 
Terwijl op eens een kille huivering,
 
Een koû des grafs, door al mijn leden ging;
 
Dan zag 'k zoo angstig 't dierbaar kindjen aan
 
En wischte van zijn voorhoofd soms een traan, -
25
Want, ach, ik dacht aan 't leed, de folterpijn,
 
Het slavenjuk, dat hier zijn deel zou zijn.
 
En was ik daags aan d'arrebeid, en ik zag
 
Hoe 't ginds in 't gras te spartlen lag,
 
Dan werkte ik vlugger, de arbeid viel mij ligt,
30
Ik had van ver mijn oog op 't spelend kind gericht.
 
En was 'k gereed, en mocht ik tot hem snellen,
 
Hem innig, lang aan mijnen boezem knellen,
 
En zalig zijn, zoo als een moeder 't is,
 
Die 't reinst genot met volle teugen zwelgt,
35
Dan voelde ik 't meest hoe 't dubbelgroot gemis
 
Der vrijheid iedre levensvreugd verdelgt; -
[p. 280]
 
Want aan mijn zijde stond de drijver ... hij,1
 
Die met zijn booze lagen me overal
 
Vervolgde, had zijn slangeblik op mij
 
Gerigt, een blik dien 'k nooit vergeten zal,
5
Zoo diep heb ik dien man verafschuwd! - Ja,
 
Waar 'k stond of ging sloop hij mijn schreden na.
 
Eens, 'k had mijn knaapjen aan de borst, 'k genoot
 
Den wellust, dien het groot en lagchend oog
 
Deed tintelen, terwijl zijn mondje zoog
10
Met volle, volle teugen - en ik sloot
 
Mijn lievling digter aan mijn hart, en dacht,
 
Terwijl me op eens een naamlooze angst deed trillen:
 
‘God, die zoo goed is en zoo groot van magt,
 
Zal toch mijn kind, mijn eenige niet willen’,
15
En in mijn armen klemde ik weêr mijn schat,
 
'k Verborg hem met mijn ligchaam. God! ik had
 
De kracht, waardoor 'k deez' zwakke vrouwenarmen
 
Tot sterke Serafs-vleuglen maken mocht,
 
Om overal mijn lievling te beschermen,
20
Toen tot mijn laatsten droppel bloeds gekocht.
 
'k Zag op! En zie, daar stond de woesteling,
 
En grijnsde me aan met wilde, vlammende oogen!
 
O, 'k wist wel wat het ondier eischen ging,
 
En voelde 't hart van doodlijke angst bewogen,
25
Ik gaf een gil en wilde vlugten ... Heer!
 
Wat zonk zijn hand verplettrend op mij neêr!
 
Hij greep mijn kind, ik weerde d' aanval af,
 
Terwijl de schrik mij reuzekracht verleende,
 
En aadlaarsvleuglen aan mijn voeten gaf.
30
'k Ontsprong zijn tijgerklaauw, - 'k vereende
 
Mijn krachten tot een forschen ruk, en vlood,
 
Terwijl 'k mijn kind in siddrende armen sloot.
[p. 281]
 
Maar 'k hoorde lang zijn kreten, en ik wist,
 
Ook dat zijn hand geen offer had gemist.2
 
En toen ik buiten adem, uitgeput,
 
Des avonds weerkeerde in mijn donkre hut,
5
Dreef de angst den sluimer uit mijn brandende oogen,
 
En als de rijkaard over zijnen schat,
 
Zoo waakte ik over 't slapend kind gebogen,
 
En sidderde bij 't ritslen van een blad
 
Omdat ik wist wien ik tot vijand had.
10
Ik voelde niet hoe 't angstzweet kil en klam
 
Langs 't voorhoofd parelde ... O, 't was mij als kwam
 
De morgen nimmer ... als zoû 't nimmer dagen ...
 
Het zonlicht nooit den angst en schrik verjagen.
 
Zoo ging 't eene pooze. En afgetobd en zwak,
15
Viel 't dagwerk me ongelooflijk bang en zwaar;
 
Maar zag ik op, dan stond de drijver dáár,
 
Het hoofd gefronsd, de vonklende oogen strak
 
Gevestigd op zijn offer ... 'k werkte voort,
 
Door vrees gedreven ... want die man hield woord ...
20
Hij zoû zich wreken ... 'k las het uit zijn blik ...
 
Mijn hart versmolt bij 't martlend duchten ... Ik,
 
Ik kan niet meer, 'k vermag niet uit te spreken
 
Wat eens gebeurde ... 't doet mijn wang verbleeken ...
 
En 't harte trilt me, alsof de kille dood
25
Het aangrijpt en doet stilstaan ... God! hij sloot
 
Mij op ... alleen ... ver van mijn kind ... Ik zag
 
(En duivlenvreugd gilde in zijn schaterlach)
 
Hoe hij 't onnoozle bloedje nedersmeet ...
 
Nog, nog trilt in mijn oor de raauwe kreet,
30
Die toen zoo ijslijk door mijn ziele sneed!
 
En toen een gil ... een zuchtje nu en dan,
 
Een dof gekreun ... dat kermen ... ach! ik kan
 
Dat kermen niet vergeten ... O die nacht
 
Vol wanhoop ... en verscheurend zielelijden -
[p. 282]
 
Zulk een heeft nooit een stervling doorgebragt.
 
.....................
 
Mijn kind, mijn kind was alles wat ik dacht!
 
Ja! 'k moest het redden ... 'k liet mijn handen glijden,
 
Langs iedre reet ... Ja, 'k moest mijn kind bevrijden ...
5
Ik wrong en duwde ... en spleet mijn nagels stuk,
 
En beet in 't hout, en wond mijn lange lokken
 
Om de uitgehaalde schroef ... En ... met een ruk
 
Had ik de zwakke grendels losgetrokken ...
 
Ik smoorde een gil van blijdschap ... Zachtkens sloop
10
Ik zoekend rond, vol vreeze en ook vol hoop.
 
Daar treft een zucht en weêr een zucht mijn oor,
 
Mijn hart springt op ... ik dring 't geboomte door,
 
Alleen geleid door 't kwijnende geluid ...
 
Wat gaf ik om ontdekking of gevaar?!
15
Mijn kind, mijn kind, mijn Isidoor lag dààr!
 
En als waanzinnig, gilde ik telkens 't uit -
 
Ten lesten ... onder 't loof der tamarinden,
 
In 't hooge gras ...
 
Leda: (schielijk)
20
Mocht gij hem wedervinden?
 
Malvina: (snikkend)
 
Ik vond hem! 'k vond hem!
 
Leda:
 
Ha!
 
Malvina:
 
Maar stervend, dood ...
 
Scheen 't ligchaam, dat ik aan het harte sloot,
 
Om 't aan mijn borst, en in mijn bevende armen
 
En met mijn gloeijende' adem te verwarmen,
30
En, met mijn tranen, kussen overdekt,
 
Scheen 't even uit den doodslaap opgewekt.
 
O nimmer! nimmer zal mijn hart vergeten,
 
Hoe hij nog eenmaal de oogjes op mij sloeg,
[p. 283]
 
Als had hij in zijn stervensuur geweten,
 
Wat toen zijne moeder in heur wanhoop vroeg ...
 
.....................
 
O Leda! 's nachts, als aan de hemeltransen
 
De sterren weemlen, lichte flonkerglansen
5
Zacht scheemren over 't bloembed ... ô dan straalt
 
Die blik nog in mijn siele ... en vrede daalt
 
Als daauw des hemels zacht en vloeijend neêr,
 
En 't ruischt mij toe: Gij ziet hem ginds eens weêr!
 
.....................
 
Toen sloot hij de oogjes digt, voor eeuwig ... 'k zag,
10
Zoo meende ik toen, om 't bleeke mondje een lach ...
 
O dat was godlijk! ... toen een zuchtje ... een snik.
 
En toen niets meer ... Maar 'k zag niets dan zijn blik,
 
En 't lijkje klemde ik aan mijn boezem vast,
 
Maar zag niets ... dacht niet in dien stond ... ik snelde
15
Voort met mijn ligten, marmerkillen last,
 
Dien 'k digter, digter aan mijn boezem knelde,
 
Tot eindelijk - de dageraad brak door -
 
Het rijzend licht, en de eerste morgengloed
 
Het vaal gezichtje van mijn kind bescheen ...
20
Toen voelde ik eerst de waarheid ... 'k was alleen,
 
Voor altoos, altoos!
 
(Zij slaat de handen voor 't gezigt en zwijgt).
 
Leda:
 
En wat deedt gij? Spreek!
25
Gij trilt en guivert. Gij ziet doodlijk bleek.
 
Malvina:
 
O niet om niet ontscheurt de erinnering
 
Zich aan de groef van 't hart der moeder ... Ja!
 
Het was een stonde van vertwijfeling ...
30
Daar gaapte 't meir ... ik sprong de bloesems na,
 
Die op de golfjens wiegden ... 't kinder-lijk
 
Geprest in de armen ... 'k voelde hoe de dood
[p. 284]
 
Met kille hand het graf der golven sloot ...
 
En in mijn ooren suiste 't als muzijk ...
 
Meer weet ik niet.
 
Leda:
5
En toch, gij werdt gered?
 
Malvina: (afgetrokken)
 
Ja! ja! 'k herleefde.
 
Leda:
 
En waar?
 
Malvina:
 
Een blanke, een heer
 
Boog, naar mijn adem luistrend over 't bed,
 
En droogde 't klamme voorhoofd keer op keer,
 
Toen 'k bijkwam ... en ontsteld in 't ronde zag.
15
Ik wist niet of ik waakte of droomde! Er lag
 
Iets onbeschrijflijk droevigs in zijn oogen,
 
Iets dat gevoel en innig mededoogen
 
Verried, een ernst, die kalmte schonk en rust.
 
Herlevend, doch van 't leven onbewust,
20
Lag ik daar neder - lange, lange dagen,
 
Staroogend, ongevoelig, zonder klagt
 
En zonder naar 't gebeurde zelfs te vragen,
 
Heb 'k wezenloos, en droomend doorgebragt.
 
Eens 's avonds dat zijn diepe stem een bede
25
Ten hemel opzond, luisterde ik en bad,
 
Geroerd tot in het diepst der ziele, mede,
 
En 'k voelde 't oog voor 't eerst van tranen nat.
 
En na dien stond herstelde ik! Hij heeft leven
 
En hoop, en licht aan mijne ziel hergeven,
30
Ja hij, de trouwe zendling van zijn Heer,
 
Gaf mij, verlaatne een God, een hemel weêr.
 
En, stil berustend in mijn needrig lot,
 
Stijgt iedren dag mijn dankgebed tot God,
 
Die, wat ook de aard mij jammers heeft bereid,
35
Mij roept tot licht, en tot onsterflijkheid!
[p. 285]
 
Leda:
 
En zijt gij dan gelukkig? Kunt gij 't kind,
 
Het kind van uwen schoot vergeten?
 
Malvina:
 
Neen!
5
Maar 'k weet dat ik het eenmaal wedervind,
 
Bij de Englen Gods dáár boven. Ik beween
 
Mijn lievling niet; wat hem een hemel biedt
 
Benijdt hem hier zijn arme moeder niet.
 
Leda:
10
Wie zegt u dat? ... waar? waar vondt gij dien troost?
 
Malvina:
 
Bij Christus, die den armen heil verkondt,
 
En den verdrukten vrijheid. Onverpoosd
 
Deelt zijne hand en vrede en zegen rond
15
Aan slaven en nietswaardigen. Zijn leven
 
Heeft Hij tot aller redding prijs gegeven.
 
Zijn naam is Redder, liefde is zijn gebod,
 
Zijn hoogst bevel: ‘Vergeeft, gelijk uw God,
 
Vergeeft den vijand, die uw rust verstoorde
20
Wiens woeste wraak uw lieveling vermoordde,
 
En zegent wie u vloekten!’
 
Leda, hoor!
 
Ach! drong die Godsstem in uw boezem door!
 
Zeg, kunt gij niet gelooven?
 
Leda:
 
Wederzien!
 
Ik wederzien mijn Sylvia! indien
 
'k Geloof ... indien ...
 
Malvina:
30
Ge uw vijandin vergeeft ...
[p. 286]
 
Leda: (Na lang stilzwijgen)
 
Nog kan ik niet ... 't oproerig harte beeft
 
Bij zulk een eisch ... Ach! kon ik dat gelooven ...
 
U wederzien, mijn eenige! daar boven
5
De sterren ...
 
Malvina: (biddend)
 
God! maak gij dat harte stil
 
Leer haar geloven en berusten!
 
Leda: (met gevouwen handen)
10
'k Wil!

1Zie Johanna Maria van Winter. De openbare mening in Nederland over de afschaffing der slavernij. West-Ind. Gids jrg. XXXIV (1953), pp. 61-90.

10Lees: blanke mensen; immers, deze vrouw is vrij en meldt zich toch aan de ‘negerpoort’.
19gemanumitteerd = vrijgelaten met officiële brieven van vrijdom. Er bestond ook nog een andere, niet-officiële status van vrijheid, piki-njan genoemd. Ook de gemanumitteerden waren nog wel aan bepaalde voorwaarden gebonden en konden hun vrijheid weer verliezen. In de courant werd gepubliceerd, wie gemanumitteerd werden.
8De kleding der huisslavinnen in Paramaribo was inderdaad dikwijls sierlijk en rijk. Men las aan hun kleding de welstand der eigenaars af.
16Het is nog wel een gewoonte onder Surinaamse vrouwen om hoofddoeken te dragen, waarvan het patroon (en trouwens ook de wijze van binden) bloemrijke namen dragen, vaak spreekwoorden, zoals bijvoorbeeld: switi foe mi smeri meki mi goedoe lasi hem hoso pasi (zoetheid van mijn geur maakt dat mijn geliefde de weg naar zijn huis verliest).
18onderhoud = spreken, gebabbel.
14boeleren = in ontucht leven.
3piket van justitie = de plaats waar de slaven officieel gestraft worden. De slaven-meesters zonden hun slaven met opgave van overtreding en strafmaat hiernaartoe.
4In een ander deel van zijn boek spreekt de schrijver hier nog uitvoerig over.
16oranjeboomen = een soort citrusbomen.
29Namelijk de moeder.
12Hij doelt hier op de slavenreglementen die door voorstanders van de slavernij wel worden aangehaald, om te betogen, dat de slavernij niet zo hard was als men vertelde. Hoe het reglement wordt toegepast en uitgelegd toont hij in bovenstaand verhaal.

16Leda is van plan zelf ook in de vlammen om te komen.
18vier, dichterlijk voor ‘vuur’.
20Deze scène speelt zich af in de kamer, waarin de dode Sylvia op een bed ligt. Het was Leda gelukt in het geheim hier binnen te komen.
25De fakkel waarmee Leda deze kamer en daarmee het gehele huis in brand had willen steken.
1Waarschijnlijk bedoelt de dichteres hier de negeropzichter of bastiaan. Er zijn tekenen, die er op wijzen, dat zij Van Hoêvell een al te eenzijdig tegen de blanken gerichte toon verwijt. Zij is er in elk geval op uit ook de goede kanten van de blanken meer naar voren te halen Zie ook op p. 284 de uitdrukkelijke vermelding, dat de redder een blanke was.
2Ik wist, dat hij zich zeker zou wreken.
prepostterug  begin  verder