terug  begin  verderprepost
[p. 287]

XV De stem der slaven.

De stem der slaven dringt slechts zwak en onderdrukt tot ons door. Wij mogen ook niet anders verwachten. De slaven bezaten een orale cultuur en weinig blanken hadden voldoende belangstelling en waardering daarvoor om die voor het nageslacht vast te leggen. Dat er onder de slaven gecompliceerde culturele vormen bestaan hebben, toont ons de bloei van de Doe (een dans- en zangdrama met meestal satirische bedoelingen) in het oude Suriname1. De Doe werd uitgevoerd door een gezelschap met een organisatie, vergelijkbaar met die van de rederijkerskamers in Europa. De Doe stond onder beschermheerschap van een aanzienlijk persoon, Jobo genoemd. Zij werd geleid door een vrije negerin, de Sisie, die ongeveer de functie had van de factor in de rederijkerskamers. Het gezelschap droeg namen als Boenhatti gi ondrofenni (Barmhartigheid leidt tot ondervinding) of Lavender (Lavendel), die een rederijker ook vertrouwd in de oren zouden klinken. Het beschikte over een rijke montering, waaronder een grote voorstellingstent, plaats biedend aan soms een 150 personen. De Europeanen gebruikten de Doe (tegen betaling uiteraard) om hun tegenstanders te laten ridiculiseren. Uit mondelinge mededelingen2 bleek ons, dat ook in de 20e eeuw Banja-avonden worden gehouden (de Banja is een verwante cultuurvorm). Op zulk een avond zongen en dansten de deelnemers op een vooraf opgegeven thema, als bijvoorbeeld Siki de pori ala (ziekte verwoest alles)3.

Waar zulke gecompliceerde cultuurvormen bestaan, moet een rijke achtergrond van literaire (uiteraard orale) cultuur aanwezig zijn. Tot vandaag bezit de Surinaamse Creool een voor hem nog levende schat aan odo's (spreekwoorden), tori's (verhalen en sprookjes) en singi's (volksliederen). Wij hebben er naar gestreefd zo mogelijk te putten uit oude etnologische verzamelingen en slechts waar dit niet mogelijk was hebben wij een voorzichtige keuze

[p. 288]

gedaan uit moderne verzamelingen. Vooral die specimina werden gekozen waarin ervaringen uit de slaventijd meespraken. Bij de odo's was de keuze niet moeilijk. Wij konden putten uit een vroege verzameling van 707 odo's, bijeengebracht door de Duitse zendeling H.R. Wullschlägel1.

Tekst.

 
Boesi-ningre sabi, hoe pranasi a de broko.2
 
A no babariman de broko pranasi.
 
 
 
San firi-ningre sabi vo man-kow?4
5
Joe sabi vo ron: joe moe sabi vo kibri.5
 
Efi ronwei no kabá, koti jesi no sa kabá toe.
 
 
 
Mi da koti-jesi, mi no ha wroko nanga ringa-man trobi.
 
 
 
Tangi vo spansi boko mi si binfoto.8
 
Te wan goedoeman dede, dem taki: da siki a siki; ma te wan
10
mofinawan dede, dem taki: a njam doti.10
[p. 289]
 
De bosneger weet wel, welke plantage hij overvalt.
 
't Zijn niet de schreeuwers (druktemakers) die plantages ver-
 
woesten.
 
Wat weten veldnegers van stieren?
5
Als je kunt weglopen, moet je je ook kunnen verbergen.
 
Zolang het weglopen niet ophoudt, komt er geen einde aan
 
het orensnijden.
 
Mijn oren zijn afgesneden, ik heb niets te maken met de
 
zorgen van een oorringendrager.
10
Dank zij de Spaanse bok heb ik het fort gezien.
 
Als een rijke sterft is hij ziek geweest, maar als een arme sterft
 
heeft hij aarde gegeten.
[p. 290]
 
Joe lafoe, leki dem platie bakjàu na Domboergoe, dem no gi1
 
joe hafoe.
 
Na mi mofo joe wani jeri, Abram Parra njam speki, tron
 
Duisiman?4
5
Meti de vo ala soema njam, ma boeba no de vo ala soema
 
weri.6
 
Ningre wani fri, vo weri soesoe hede: a no sabi, taki, da
 
líkdoren a de go kisi.
 
Maka soetoe friman; a poeloe hem na slafoe.
10
Ben de ben de, bifo ben de ben kom.
 
Dram kabá, navoe kabá.
 
Liebisoema meki barki, ma Gado de meki sipi.12
 
Mi seli hede, mi bai hatti gi kni.13
 
 
 
Loango si pop'ki, a taki, da Gado.14
15
Sranàm-kondre da hasi -tere: tidèi a wai so, tamara a wai so.

In het letterkundig tijdschrift Braga. Dichterlijke mengelingen uitgegeven door een dichtlievend gezelschap, onder de nooit gebruikte zinsrpeuk:utile dulci’ jrg. I (Utrecht, 1843), pp. 70-72, vonden wij een merkwaardig Negerengels gedicht met vertaling door J.J.L. ten Kate. Het werd daar gedateerd op 1843, maar Ten Kate heeft met opzet te laat gedateerd. Wij kennen het bestaan van twee pamfletten onder dezelfde titel als dit gedicht uit 1836 en 1837. Het is dus meer dan waarschijnlijk, dat Ten Kate een dezer pamfletten in handen heeft gehad. Behalve de datering stelt het gedicht ons voor andere en moeilijker problemen. Het is een poëtische nieuwjaarswens, waarschijnlijk door de neger Cesaari (die volgens de aantekeningen van Ten Kate stom

[p. 291]
 
Je lacht alsof ze op Domburg zoute vis hebben uitgedeeld en
 
jou niets gegeven hebben.
 
Wil je uit mijn mond horen, dat Abraham Parra spek ge-
 
geten heeft en Hollander (Christen) geworden is?
5
Ieder mag vlees eten, niet ieder leer dragen.
 
 
 
Negers willen vrijheid om schoenen te kunnen dragen, maar
 
zij beseffen niet, dat ze alleen maar likdorens krijgen.
 
Als de doorn een vrije steekt, trekt hij hem bij de slaaf eruit.
 
Geweest is geweest voor geweest is gekomen.
10
Als de rum op is houdt het ‘goeienavond!’ op.
 
Mensen maken hulkjes, God maakt schepen.
 
Ik heb mijn hoofd verkocht om een hoed voor mijn knieën
 
te kunnen kopen.
 
Als de Loangoneger een pop ziet, zegt hij dat het God is.
15
Suriname is een paardenstaart: waait vandaag zus en morgen
 
zo.
[p. 292]

was) ten verkoop aangeboden. Cesaari zal niet zelf de auteur zijn geweest. Het gedicht vertoont een gecompliceerde strofenbouw, vele coupletten worden afgesloten op kunstige wijze met een odo. De orale literatuur wordt hier dus op geraffineerde wijze gebruikt in een gedicht, dat een hogere poëtische cultuur verraadt. Wij kennen de poëtische techniek der Doe-dichters en dichteressen niet, maar vermoeden dat hun poëzie nog dicht bij het volkslied stond. Het lijkt ons daarom niet uitgesloten, dat dit gedicht geschreven werd door een Europeaan of sterk Europees beïnvloed Creool. Dit vermindert onze bewondering voor de licht ironiserende toon van dit gedicht niet. Al werd het gedicht waarschijnlijk niet door een slaaf geschreven, het levert ons een bewijs, hoe men vanuit de volkscultuur der slaven en wezenlijk daardoor beïnvloed subtiele poëzie wist te schrijven. Daarom meenden wij dit gedicht hier toch te kunnen opnemen.

Njoe-jaari-singi voe Cesaari.1
 
Soema de jompo janna so?
 
Mi bribi na Cesaari;
 
Pooti, a no man voe go,
5
Moffina fa a haari!5
 
Wan soro no hati toe soema, loekkoe fa a mangrie,6
 
Daggoe habi foeloe masra a slibi nanga hangrie.7
[p. 293]
Nieuwjaarslied van Cesar.1
 
Wie hinkt zo humplend op en neêr?
 
't Is Cesar, zou ik meenen.
 
Wat schreeuwt die arme duivel weêr!
5
Hij waggelt op zijn teenen.
 
Eén zeer doet geen twéé menschen pijn. De bloed schijnt van honger te gapen.6
 
Een hond die veel meesters bedient, die moet wel met honger gaan slapen.
[p. 294]
 
Tangie Masra! Tangie Missie!
 
Ti dée mi de njan jaari;2
 
San joe gi mi, joe sa kissie
 
Dobbroe na tra jaari!
5
Wan sreng sa tron toe sreng, effi Masra Gado prissie,5
 
 
 
Da sanie joe lassie na vaja, joe sa venni na inni assissie.6
 
 
 
Da ouloe jaari go agéen,
 
Da njoe wan de na doro;
 
Effi a tjari son, ef' a tjari aréen
10
Gaddo sabie; o soema moro!
 
A fitti mi voe takki joe houdi, na alla mi klanti mi go,
 
 
 
Bonjo no de soekkoe daggoe, daggoe de soekkoe bonjo.12
 
 
 
Effi a tjari wi geluk effi no,
 
Datti wi sa venni na bakka;
15
Mi no de baari jette: Ho!
 
Soema baai poess-poessi na sakka?
 
O njoe jaari bissi mi? voe monni na inni sweeti mi ron,
 
 
 
Respekki voe switti braffoe mi njan soewa ton-ton.18
 
 
 
Tokkoe té wan sippi kon
20
Fa mi de wakka wakka;
 
Nanga briefie mi de ron
 
Na alla soema bakka;
[p. 295]
 
Verpligt, Mijnheer! Verpligt, Mevrouw!
 
Het nieuwjaarsfeest moog' leven!
 
Wat me ook uw goedheid geven woû,
 
't Wordt dubbeld U hergeven:
5
Een schellingsken wordt er U twee, al brachten 't U wolken en winden,5
 
En wat gij verliest in het vuur, dat zult gij in d' aschpot hervinden.
 
 
 
Het nieuwe jaar met vluggen voet
 
Is voor de deur getreden:
 
Of 't regen brengt of zonnegloed,
10
Wie weet dat hier beneden?
 
Mijn plicht jaagt mij wenschend en wel naar al mijn begunstigers henen:
 
Het been zoekt de hondjens niet op, maar de hondekens zoeken de beenen.
 
 
 
Zal 't goed of slecht gaan op ons pad?
 
't Moet eerst ten eind geloopen.
15
'k Hoera zoo gaauw niet, om de kat
 
Mij in den zak te koopen.
 
Wat is toch het nieuwe jaar mij? Ik zweet om wat monney te winnen,
 
En sla om den lekkeren braf de zure tomtom wel naar binnen.18
 
 
 
Hoe ik bij de aankomst van een schip
20
Toch links en rechts moet loopen,
 
Om ieder, springende als een kip,
 
Het briefjen te doen koopen!22
[p. 296]
 
Shjah! na troe san bijblie takki, na troe san Domine leesie,1
 
 
 
Wi njan wi switti-moffo nanga sweeti voe wi veesie.
 
 
 
Na bakkra-kondre wan njoe sanie
 
Bakkraa ben prakkiseeri;
5
Mi mamma dissie meeki mi!
 
Wan toori joe moesso jeeri!
 
Sippi na inni winti lijki vriegrie de go vlij
 
 
 
Bakkraa de go haari den, en gi den teitij.8
 
 
 
Derappée sippi na wi tappo de vlij
10
Lampoe sondro olie de bron;
 
Sjeesi sondro haasi de rij,
 
Na tappoe iesri paasi den ron;
 
Ai ba! kondre draai, poess-poessi jan slaa,13
 
 
 
Adjoosi vlagra-tikki, boda kabaa!14
 
 
15
Ma, awassi wi no de konniman,
 
Wi no habi trobbie;
 
Wie Koning nanga wi Gramman,
 
Wie Kondre wi lobbie;
[p. 297]
 
't Is waar wat de bijbel ons zegt, en wat ons de dominees leeren:
 
Gij zult met het zweet uws gezichts uw vleesch en uw haring verteeren.2
 
 
 
Die blanken in het Blankenland3
 
Zijn dan toch wondre heeren!
5
Ze zijn, 't gaat boven elks verstand,5
 
Aan 't nieuwheên praktizeeren.
 
Daar gaan de fregatten te lucht, en laten de winden maar knorren.
 
Dan halen de blanken hen in, en doen ze weêr schieten als torren.
 
 
 
Daar vliegen schepen hemelwaart;
10
Geen pit brandt in de lampen;
 
Daar ziet men wagens zonder paard
 
Langs ijzre lijnen dampen.
 
Ja, man! 't gaat er alles hot her: de kat eet de slâ met de kroten...13
 
Mijn vlaggestok, 'k zeg u adé: de bron van mijn brood is vervloten.14
 
 
15
Maar zijn we al zulke pieten niet,
 
Daar 's vrede in onze woning;
 
Voor Gramman klinkt ons vreugdelied,17
 
Wij minnen Land en Koning.
[p. 298]
 
Wi no leeti vaja nanga gaasi, wie no sabie boekkoe,
 
 
 
Wi de wrokko na Pranaasi na dati gi den koekkoe!2
 
 
 
Mi wensi geluk na ibrie wan,
 
Na inni da jaari dissie;
5
Alla oeman sa venni man,
 
Den jonkman sa venni missie;
 
Joe sa maala soekkroe ibrie dée, koffi sa repi na bon,
 
 
 
Katoen-pranaasi sa meeki so tée, a no sa kissi woron.
 
 
 
Ma mi teeki Gaddo beggi joe,
10
No forgitti Cesaari!
 
Awassi mi pooti, tokkoe na troe,
 
Mi habi mi libbi voe tjaari;
 
Mi no habi foeloe voe wensi, mi no habi foeloe voe fredde,
 
 
 
Mi no habi noffo voe libbie, ma mi habi toe moessie voe dedde.

De verhalen van Suriname hebben voor een deel als hoofdfiguur de slimme spin Anansi, een figuur uit de Afrikaanse folklore. Deze Anansi, die zich wonderwel thuis gevoeld moet hebben in de slavernij, waarin slechts de gewiekste tegen alle verdrukking en rechteloosheid in aan zijn trekken kan komen, werd ook de held van latere verhalen. Het is echter verwonderlijk, hoe gering de invloed van de slavernij is op de Surinaamse verhalenschat. Wij moeten ons echter hier niet laten bedriegen door verzamelingen van etnologen met een beperkte Afrikaans-gerichte belangstelling. Er zijn zeker veel verhalen over de slavernij als ondrofenitori (ondervindingsverhalen)

[p. 299]
 
Wij maken geen lichtjens met gaz, we zijn ook niet ver in de boeken;
 
Maar op de plantaadjes is werk, en dat geeft ons meel voor de koeken.
 
 
 
Geluk en heil en zegen dan!
 
Dat wenscht ik vroeg en spade.
5
'k Gun alle maagdekens een man,
 
En allen mans een gade.
 
Maalt suiker zoo veel je maar kunst; de koffieboon rijpe aan de boomen,
 
En zelfs niet één vlokjen katoen worde u door de wormen ontnomen.
 
 
 
Maar och, ik bid, heb medelij,
10
Wil Cesar niet vergeten!
 
Al ben ik arm, 't geldt ook voor mij:
 
Wie leven wil, moet eten!
 
Ik heb niet veel hoop om te winnen, ik heb niet veel vrees om te derven:
 
Ik heb niet genoeg om te leven, maar toch nog te veel om te sterven.
[p. 300]

van vader op zoon oververteld. Een aanwijzing hiervoor vonden wij in de beschrijving van een vertelavond door W. Campagne in de West-Ind. Gids jrg. XXXIII (1953), waarin op p. 159 de volgende passage voorkmot:

Daar staat Soekim (Joachim) op. Hij verelt niet van de spin, maar van de lotgevallen der slaven. Hoe hingen wij aan zijn lippen. als hij ons vertelde, hoe de hele slavenmacht van een plantage dicht bij Georgetown1, de eigenaar fopte gedurende een feest en er vandoor rok.

Wij nemen hier een verhaal op uit de verzameling van M.J. en F.S. Herskovits, Suriname Folk-Lore (New York, 1936), pp. 242-244. De fonetische spelling is gewijzigd2.

Anansi ben de slaf.

2Anansi ben de slaf. Ma noo, hen mama no wani foe bai 3 hen poeroe na ini slaf, bika Anansi ben hogri toemoesi. Wan 4 dee Anansi prakser taki: Mi e go soekoe wan koni foe mek 5 mi mama bai mi.

6Anansi weri wan wet japon gi hen nanga wan free. Dan 7 a neti a go na na kamra pe hen mama de sribi. Nomo a taki: 8 ‘Mi na Engel Kebriel. Gado seni mi foe kon taigi Ma Akoeba 9 foe a bai na boi poeroe na slaf. Dan Mama Akoeba sa kisi 10 wan boen presi na hemel.’

11Di Ma Akoeba opo hen ai foe loekoe, a si na weti. A kon 12 frede. A tap hen ai baka. Dan a kon bribi, taki na Gado ben 13 seni wan Engel kon. Di a wiki mamanten, a go taigi hen 14 birfroo taki: na so wan sani ben pasa nanga hen. Dan hen 15 birfroo taigi hen taki: ‘We, di na Gado srefi seni kon begi 16 joe foe bai na boi, dan joe moe bai hen.’

17Na mama go, a bai na boi. Ma te na boi doe hogri, dan 18 na mama de kos hen taki: ‘Joe denk taki na foe boen foe 19 joe mi bai joe? Ma na Gado srefi ben seni begi mi.’

20Ma noo, Anansi ben wani foe hen mama bai hen wefi toe.20 21 Dan a doe na sref fasi leki fa a ben doe kaba. Ma di a go, a

[p. 301]

Anansi was slaaf.

2Anansi was slaaf. Maar zijn moeder wilde hem niet los-3kopen uit de slavernij, omdat Anansi heel ondeugend was. 4 Eens op een dag dacht Anansi na: Ik ga een list bedenken, 5 dat mijn moeder mij vrij koopt.

6Anansi trok een witte jurk aan en vleugels, en in de nacht 7 ging hij naar de kamer waar zijn moeder sliep. Hij zei: ‘Ik 8 ben Engel Gabriël. God heeft mij gezonden om vrouw 9 Akoeba te zeggen, dat zij haar jongen uit de slavernij moet 10 loskopen. Moeder Akoeba zal dan een mooi plaatsje in de 11 hemel krijgen.’

12Toen vrouw Akoeba de ogen opsloeg, zag zij al dat wit. 13 Ze werd bang. Ze sloot haar ogen weer. Toen is ze gaan 14 geloven, dat God een Engel gezonden had. Toen ze de vol-15gende morgen wakker werd, ging ze haar buurvrouw ver-16tellen wat haar overkomen was. Haar buurvrouw zei: ‘Nou, 17 als God zelf je laat vragen de jongen vrij te kopen, dan moet 18 je hem maar vrij kopen.’

19De moeder ging en kocht de jongen. Maar toen de jongen 20 ondeugend was, schold zijn moeder hem uit en zei: ‘Denk je 21 dat ik je voor jouw plezier vrij gemaakt heb? God zelf liet 22 het me vragen.’

23Anansi wou toen dat zijn moeder ook zijn vrouw kocht. 24 Hij deed hetzelfde wat hij tevoren gedaan had. Maar toen

[p. 302]

1 ben hab ferkootoe. Nomo a taki: ‘Ma Akoeba, Gado seni 2 mi kon agen, taigi joe taki, joe ben doe so leki fa a ben seni 3 taigi joe.’ Ma te Anansi de taigi, dan a e koso, bika a ben 4 habi ferkootoe. Anansi taki: ‘Ma Akoeba, Gado seni mi taki, 5 meki mi taig joe taki, ef joe sa bai na oema gi na boi, dan hen 6 sa seni sori joe pe wan moni beri na joe presi.’ Ma di a taki 7 so, nomo a koso agen.

8Nomo na mama taki: ‘Fa na sten gersi na sten foe Anansi’. 9 Nomo Anansi taki: ‘Mi mama, mi no sa doe moro!’ Dan 10 na mama leti faja, a kon loekoe, a si na eegi pikin foe hen ben 11 weri leki Engel. Nomo a taki: ‘Joe ferfloektoe Engel! Na 12 moni di beri na mi presi, teki hen go bai oema, joe foefoeroe-13man!’ A taki: ‘Engel Kebriel! Na joe moi so, joe didibri 14 Engel! Komopo na mi tapoe, joe foefoeroeman!’

15Dan na mama hati kon bron. Mamanten a begin kosi ala 16 den soema, di ben taigi hen foe bai na boi, di na Engel ben 17 kon na hen. A taki, den ben miti mofo makandra.

 

W.R. van Hoëvell publiceerde in zijn reeds genoemde werk: Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (Zaltbommel, 1854), op pp. 54-58 een volkslied, een ballade, dat in zijn eenvoud een ontroerend beeld geeft uit de slaventijd. Wij hebben gemeend een nieuwe vrije vertaling in de volkstoon te moeten beproeven. Het lied is in Suriname nog steeds bekend, al kent men niet altijd de gehele tekst.

[p. 303]

1hij bij haar kwam was hij verkouden. Hij zei: ‘Vrouw 2 Akoeba, God heeft mij weer uitgezonden om je te zeggen, 3 dat je gehandeld hebt zoals hij je bevolen had.’ Maar onder 4 het praten kuchte Anansi, want hij was verkouden. Anansi 5 zei: ‘Vrouw Akoeba, God zond me een boodschap om je 6 aan te zeggen dat hij je, als je de vrouw vrij koopt voor die 7 jongen, dat hij je dan zal laten zien waar er geld verborgen 8 ligt op je erf.’ Maar toen hij dat zei, kuchte hij weer.

9Toen zei de moeder: ‘Wat lijkt die stem toch op de stem 10 van Anansi!’ Toen zei Anansi: ‘Moeder, ik zal het nooit 11 weer doen!’ De moeder deed het licht op, keek en zag dat 12 haar eigen kind zich als Engel verkleed had. Ze zei: ‘Jij 13 vervloekte Engel! Neem het geld dat op mijn erf begraven 14 ligt om vrouwen te kopen, jij dief!’ Ze zei: ‘Engel Gabriël! 15 Wat ben je mooi, jij duivelse Engel. Pak je weg, jij dief!’

16Toen werd de moeder boos. De volgende dag begon ze 17 alle mensen uit te schelden, die haar hadden aangeraden de 18 jongen vrij te kopen, toen de Engel bij haar gekomen was. 19 Zij zei dat ze dat samen afgesproken hadden.

[p. 304]
Bastian fon.1
 
Meneri, meneri, da piekien, pardon.
 
Membrie wan tem, membrie wan tron,
 
Fa joe ben lobbie mie so té,
5
En fa mie lobbie joe jette.
 
 
 
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron!
 
 
 
Té na condré joe kon fo scrifiman,
 
Mie no ben sabie san na wan man;
10
Fa joe ben lobbie mie so té,
 
En fa mie lobbie joe jette.
 
 
 
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron!
 
 
 
Mie ben dé kalli joe mooi scrifiman,
15
Joe poeloe mie na mie nenne Anan;15
 
Fa joe ben lobbi mie so té,
 
En fa mie lobbi joe jette.
 
 
 
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron!
[p. 305]
Bastiaan sla!
 
Mijnheer, mijnheer, heb medelij!
 
Denk aan het kind, en hoe ge mij
 
in vroeger tijd beminde zeer,
5
En hoe ik nog u min, mijnheer.
 
 
 
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
 
 
 
Toen gij als blankof'cier hier kwam,
 
Toen wist ik nog niet van een man.
10
Hoe gij mij toen beminde zeer,
 
En hoe ik nog u min, mijnheer.
 
 
 
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
 
 
 
Ik noemde u mijn schoon blankof'cier.
15
Gij nam mij van mijn moeder hier.
 
Hoe gij mij toen beminde zeer,
 
En hoe ik nog u min, mijnheer.
 
 
 
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
[p. 306]
 
Té joe ben bossi joe Jaba,1
 
Mie ben takki: kaba! kaba!
 
Da falsie lobbie, joe no ké,
 
Ho fassi joe doe so to dé.4
 
 
5
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron!
 
 
 
Pardon Meneri! Pardon! pardon!
 
Joe ben lobbi da skien wan tron.
 
Mie beggi joe! mie beggi: ké!
10
Meneri a no noffo jette?
 
 
 
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron!
 
 
 
Meneri, meneri, membrie da piekien,
 
Da sorri joe mie lobbi krien.
15
Mie beggi joe, mie beggi: ké!
 
Bastian a no noffo jette?
 
 
 
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron.
 
 
 
Hoe fassi? mie takki fon!19
20
Da oeman meekie mie hatie bron!
 
Mie takki fon! fon hin so té,
 
Al wassi a fal don deddé.
 
 
 
Bastian fon! bastian fon!
 
Da oeman meekie mie hatie bron!
[p. 307]
 
Toen gij mij in uw armen nam
 
Heb ik weerstreefd met: Laat mij dan!
 
't Was valse liefde, 't scheelt u niet!
 
Waarom doet gij mij dit verdriet?
 
 
5
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
 
 
 
Gena mijnheer, gena, gena!
 
Eens minde gij toch uw Jaba.
 
Ik. smeek u dan, ik smeek u: Ach,
10
Mijnheer is het nog niet genoeg?
 
 
 
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
 
 
 
Mijnheer, mijnheer, denk om het kind,
 
Dat toont hoe zuiver ik u min.
15
Ik smeek u dan, ik smeek u: Ach,
 
Bastiaan is het nog niet genoeg?
 
 
 
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
 
 
 
Wat nu? Ik zeg je: sla!
20
Voor deze vrouw is geen gena!
 
Sla, zeg ik, sla! Geef haar nog meer!
 
Al valt ze er ook dood bij neer!
 
 
 
Sla bastiaan, sla!
 
Voor deze vrouw is geen gena!
[p. 308]

In hoofdstuk VI werd reeds uitvoerig gesproken over de bekeerde bosneger Johannes King uit de 19e eeuw. Daar werden twee werken van groter omvang genoemd. Uit het laatste (over zijn moeilijkheden in Maripastoon)1 werd hier een fragment geput.

Het werd geschreven na de emancipatie door een vrije bosneger. De slaven hebben nooit hun reacties op de emancipatie neergeschreven. De vrije bosneger Johannes King werd in leven en denken diep beïnvloed door de slavernij (men zie de reprodukrie van een door hem getekend helvisioen bij dit hoofdstuk), heeft ook de emancipatie zo bewust ondergaan en doordacht, dat wij zijn stem hier niet kunnen missen.

Tekst.1

2Ke loekoe, wan sari tori vo dem lobbi blara en sissa vo wi 3 Anitri gemeente. Oen ala sabi heeli boen, fa da gemeente 4 vo wi kom bigi noja. En na srafoe tem ala ningre ben de 5 nanga watra na hai. Oenoe ben taki: efi fri ben kom, oen ben 6 sa dini Masra Gado nanga oen heeli hatti. We doro oenoe 7 ben krei en bari na Masra Gado nem tapoe, dei nanga neti, 8 na firi wroko, na sribi plesi en na miri wroko, na ken pondo, 9 na wai wiwiri, na tjapoe gron, na diki skop en gotro, na9 10 haksi wroko, na ouroe wroko en na bori soekloe; dem soekloe 11 gron ningre so weel leki dem katoen gron ningre nanga dem 12 hoedoe gron ningre, ala dem koffi en kakawoe gron ningre.

[p. 309]

1Ach zie, welk een droef verhaal voor de geliefde broeders en 2 zusters van onze Hernhutter gemeente. Gij weet allen heel 3 wel, hoe onze gemeente tegenwoordig zo groot geworden 4 is. In de slaventijd hadden alle negers tranen in de ogen. 5 Toen zeide gij, dat ge de Here God zou dienen met geheel 6 uw hart, wanneer de vrijheid kwam. Steeds maar weende gij 7 en riep de naam van de Here God aan, dag en nacht, onder 8 het werk op het veld, op de slaapplaatsen en bij het werk aan 9 de suikermolens, bij het transport van het riet, onder het wie-10den en hakken, bij het graven van sloten, bij het hakken en 11 houwen en bij het suiker koken; zowel de negers der suiker-12gronden als die der katoengronden en houtgronden, die der 13 koffie- en cacaogronden.

[p. 310]

1En ala dei, ala neti oenoe ben krei pasa doezen tron na wan 2 dei na nem vo Masra Gado. En loekoe, na Maripastoon2 3 srefi, di da Santa Jeje vo Gado ben kom na Maripastoon,3 4 ha ben taki vo da pina krei vo dem slafoe ningre toe. En 5 loekoe fa da pina krei vo dem katibo ningre ben seki en trobi 6 Gran Gado nanga hem Jeje tee na da laast Hemel, en tee na6 7 hem glori troon fesi; en da begi krei vo dem, nanga dem 8 foeroe bloedoe vo ningre, disi bakla ben trowe na gron; en 9 ibri dropoe vo dem ningre bloedoe disi ben dropoe fadom 10 na gron. En gron ben hopo mofo dringi hem troe, ma tog 11 da dampoe vo dem ningre bloedoe hopo flei go tee na Hemel. 12 En no wan soema ben man vo tapoe dem, en dem ben moesoe 13 nomo vo tjari da klagi go tee na da grori troon fesi vo Gado, 14 vo klagi dem weeti man nanga watra na hai gi Masra na 15 Hemel. We Masra Gado ben jeri da poti begi vo dem. En 16 alwasi dem slafoe ben moesoe vo hooli pasensi foeroe jari 17 vo jari, wakti da leti tem vo Masra Gado, tog Masra Gado 18 ben helpi dem: ha seni da fli gi ala dem slafoe ningre na foto, 19 na dem planasi toe. We jeri now: ha ben fiti vo ala ningre 20 na Suriname kondre dia moese prijze Masra Gado nanga 21 dem heeli hatti, tee dem boesi kondre toe. En wi alamala 22 moe plijze Gado gi hem bigi nem. Ma oenoe masipasi fliman, 23 oen alamala ben prijze Gado nanga tangi en nanga oen heeli 24 hatti, so leki ha fiti oenoe? En no no, vo taki leti, kweti 25 kweti! Wi no ben taki hem wan leti tangi. En plesi vo oenoe 26 taki hem tangi, oen alamala gi hem bigi sjem nanga sari, 27 bikasi foeloe hondro masipasi fliman de, oeman nanga man,

[p. 311]

1Alle dagen, alle nachten weende gij in de naam van Here 2 God meer dan duizend keer per dag. En zie, zelfs in 3 Maripastoon, toen de Heilige Geest van God in Mari-4pastoon kwam, sprak hij ook over het lijden en wenen der 5 slaven. Zie hoe het lijden en wenen der slaven de grote 6 God en zijn Geest tot in de laatste Hemel en tot voor zijn 7 glorie troon geschokt en geroerd heeft; het biddend wenen 8 van hen, en het vele bloed der negers, dat blanken vergoten 9 hadden; iedere druppel van het negerbloed dat op aarde 10 viel. De aarde dronk het inderdaad in met opgesperde muil, 11 maar toch vloog de damp van het negerbloed ten Hemel. 12 Geen mens kon hen tegenhouden, zij moesten hun klacht voor 13 de glorie troon van God brengen, om de blanken aan te 14 klagen met tranen in de ogen bij de Heer in de Hemel. Wel, 15 de Here God verhoorde het arme gebed van hen. En al moes-16ten de slaven jaar op jaar geduld hebben en de juiste tijd van 17 de Here God afwachten, toch hielp de Here God hen: hij 18 zond de vrijheid aan alle slaven in de stad en ook op de 19 plantages. Wel hoort nu: alle negers hier in Suriname, ook 20 zij in het bosland, behoorden de Here God te prijzen met hun 21 gehele hart. Wij allen moeten God prijzen en zijn naam ver-22hogen. Maar gij emancipatie vrijen, hebt gij allen God ge-23prezen en gedankt met geheel uw hart, zoals het behoorde? 24 Neen, om eerlijk te zijn, allerminst! Wij hebben hem niet 25 op de juiste wijze bedankt. In plaats van hem te danken, hebt 26 gij allen hem grote schande en groot verdriet gedaan, want er 27 zijn vele honderden emancipatie vrijen, vrouwen en mannen,

[p. 312]

1di tron kiriman en wisiman. Nanga dati som vo dem de prijze1 2 Gado vo kiri soema, bikasi dati de da moro switi sani na dem 3 goutoeman mofo. Tee dem go na boesi kondre, dan dem3 4 sidom de taki hoemeni soema dem ben kiri na foto. We 5 sontem som vo oenoe, dem joem masipasi fliman, sa wani 6 haksi vo san hede dem moese sklifi dati, taki oenoe, dem 7 maspasi friman no de taki Masra Gado grantangi, so leki fa 8 ha de fiti vo taki hem tangi. We jeri, mi Johannes King srefi 9 de wan moro zondoe soema en blendi zondoe soema, moro 10 ogri leki dem weelder meti di de liebi na ini boesi. En mi no 11 ben leri sabi noti leki oenoe de sabi. Ma tog, nanga Jeje tranga 12 Masra Gado gi mi fli pasi vo mi getuige dati. En da getuigenis 13 vo mi de troe. En mi sabi, kondre ofoe lanti no de blibi ofoe 14 teki wan enkri soema getuige, en ha moese de toe efi dri 15 soema, dan fosi da getuige sa de troe getuige. Ma mi dati, 16 Masra Jesus de mi getuige. Na vo dati hede da getuigenis vo 17 Johannes King de troe. We oen jeri now, fa dem joem bolgoe17 18 fliman de pori da wroko vo Gado, tee dem go na boesi kondre, 19 vo go diki ofoe poeroe goutoe. En dem alamala tron da moro 20 ogri heiden soema, leki dem soema disi de liebi tee na dem 21 moro falawe boesi kondre. En tee dem bolgoe go na dem 22 soema mindri, en dem no habi no wan pikin maniri en sjem 23 srefi. En da so dem de kloetoe, dem de kosi dem na dem ala23

[p. 313]

1die misdadigers en tovenaars werden. Daarmee prijzen 2 sommigen God, dat zij mensen doden, want daarover spreken 3 de goudzoekers bij voorkeur. Als zij in het bosland komen, 4 dan zitten zij te bepraten hoeveel mensen zij in de stad 5 hebben gedood. Wellicht vraagt een enkele van u, nieuwe 6 emancipatie vrijen, zich wel af waarom men moet schrijven, 7 dat gij, de nieuwe emancipatie vrijen, de Here God niet 8 danken zoals het hoort. Luister dan: ik Johannes King ben 9 zelf de meest verblinde zondaar, erger dan de wilde dieren 10 die leven in het bos. En ik heb niet zoveel geleerd als gij. 11 Maar toch heeft de Here God mij door de kracht van 12 de Heilige Geest vrijheid gegeven om dit te getuigen. 13 En mijn getuigenis is waarachtig. Ik weet wel dat het 14 landsbestuur het getuigenis van een enkele persoon niet ge-15looft of accepteert, er moeten twee of drie getuigen zijn, 16 dan pas zal het getuigenis waarachtig zijn. Maar wat mij 17 betreft, de Heer Jezus is mijn getuige. Daarom is het getuigenis 18 van Johannes King waarachtig. Wel hoort nu, hoe de nieuwe 19 burger vrijen het werk Gods bederven, wanneer zij in het 20 bosland komen om goud te winnen. Zij allen worden erger 21 heidenen dan de mensen die in de verst afgelegen streken van 22 het bosland wonen. Als de burgers tussen de mensen komen 23 dan hebben zij zelfs niet een beetje manieren en schaamte-24gevoel. Zij ruzieën en schelden elkaar met allerlei schaamte-

[p. 314]

1soltoe sjem kosi-kosi. En som joeroe, te dem doro na lanplesi, 2 dem no de komopo na sjolo srefi, nomo dem bigin nanga 3 oploeloe kosi-kosi en feti. En nofo tron dem Goenka srefi3 4 moese lom go na dem vo go tapoe dem, vo dem no kom na 5 ini ongelok. En ala ogri sjem taki dem de teki taki gi dem 6 na dem, nomo vo gi dem srefi sjem na tra vrendri soema fesi. 7 En da sani disi dem boesi ningre no wani vo doe na fesi vo 8 dem bolgoe: dem de sjem vo kosi dem na dem srefi so. 9 Ma tog, dem masipasi bolgoe fliman, dem no habi sjem vo 10 dati kweti-kweti. Ma tog, foeroe vo dem leri boekoe, dem 11 leri sabi Gado tori boen-boen. Ma tokoe, te dem go na boto11 12 vo go na goutoe, na liba tapoe srefi, a tan so leki dem ala-13mala tron weelder meti, di de liebi na ini boesi. Di ibri dei 14 so dem de kloetoe de kosi dem srefi doro nomo. Ma oenoe 15 lobbi blara, Koning gi oen fli vo skin, ma na oenoe srefi15 16 moe soekoe da fli vo zieli. A fiti vo oen leri bakla maniri16 17 noja, bikasi na bakla kweki oenoe. En bakla no de gi dem na17 18 dem sjem so na tra soso soema mindiri, en dem habi sjem vo 19 dem srefi. We na so srefi dem Goenka en Salamaka en 20 Matoewari ningre toe. En wi alamala leri fa wi moe gi wi20 21 na wi lespeeki na tra soema fesi. We oenoe masipasi bolgoe 22 fliman, oenoe moe doe ala moeiti vo oen kan leri

[p. 315]

1 loze scheldwoorden. Soms als zij bij de landingsplaats komen 2 dan zijn ze nog niet aan wal of ze beginnen met hun oproerige 3 scheldpartijen en ruzies. Dikwijls moeten de Djoeka's zelfs 4 bij hen komen om ze tegen te houden, dat er geen ongeluk 5 van komt. En met allerlei slechte, schaamteloze taal spreken 6 ze tot elkaar, alleen om elkaar te schande te maken voor 7 andere, vreemde mensen. Bosnegers willen dit niet doen in 8 het bijzijn der burgers: zij schamen zich elkaar zo uit te 9 schelden. Toch hebben velen van hen boeken geleerd en 10 het evangelie zeer goed leren kennen. Maar als zij in de boot 11 stappen om naar de goudvelden te gaan, al op de rivier 12 zelfs, lijkt het alsof zij wilde beesten geworden zijn, zoals 13 die leven in het bos. Bijna iedere dag ruzieën en schelden 14 zij bij voortduring. Maar geliefde broeders, de koning heeft 15 u wel lichamelijke vrijheid geschonken, maar zelf moet gij 16 de vrijheid der ziel zoeken. Gij behoort nu de manieren 17 der blanken aan te leren, want blanken hebben u opge-18voed. Blanken beschamen elkaar niet temidden van wille-19keurig wie, zij hebben wel schaamtegevoel. Wel, zo ook de 20 Djoeka, Saramaccaners en Matoewari. Wij hebben allen ge-21leerd hoe wij elkaar moeten respecteren in het bijzijn van 22 anderen. Wel gij emancipatie burger vrijen, gij moet alle 23 moeite doen u ook zo'n goede gedragsregel eigen te maken,

[p. 316]

1 so wan boen fasi toe, en oenoe moese kaba nanga dem 2 weelder meti maniri. Ala so sani de hendri da wroko vo 3 Gado na foeloe plesi.3

4en gij moet ophouden met die wilde dieren manieren. Al 5 die dingen hinderen Gods werk op vele plaatsen.

[p. 317]


illustratie
Tekening van Johannes King bij een van zijn helvisioenen.

1Men zie hierover onder meer Theod. A.C. Comvalius, Het Surinaamsche negerlied: de banja en de doe. West-Ind. Gids jrg. XVII (1935/36), pp. 213-220.
2Mededeling van de heer L. Lauriers te Amsterdam.
3Hierin ligt al het principe van de Landjuwelen der Rederijkers.
2. Boesi-ningre. Tekst: Boesi-mingre.
4. firi-ningre. Tekst: firi-ningri.
9. dem taki: da siki a siki. Tekst: da taki: dem siki a siki.
1H.R. Wullschlägel, Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch. Nebst einem Anhang Negerenglische Sprüchwörter enthaltend. Löbau, 1856. Uit deze verzameling kozen wij, in deze volgorde, de volgende nummers: 107, 51, 192, 534, 537, 307, 622, 232, 61, 169, 434, 459, 412, 80, 163, 227, 273, 400 en 597.

2De bosnegers, voortgekomen uit naar het binnenland gevluchte slaven, overvielen en verwoestten de ver van de stad gelegen plantages. Soms schijnen dit repressaillemaatregelen te zijn geweest, vaak echter ook levensnoodzaak. Bepaalde goederen als wapens, munitie en kook-gerei konden de weggevluchte slaven slechts op deze wijze bemachtigen. Zie ook hoofdstuk VI.
4De firi-ningre (veldnegers) schijnen als typische landbouwarbeiders weinig verstand van veefok gehad te hebben.
5Met ron en ronwei bedoelt men hier het ontvluchten van de slaven naar de bossen. Men noemde hen ook wel ronweiman. De straf op ontvluchten was het afsnijden der oren. Kans om te vluchten was er natuurlijk genoeg, vooral op grote plantages. De grote kunst was uit handen der achtervolgers te blijven.
8De Spaanse bok was een zware straf, waartoe de slaven dikwijls werden opgezonden naar de stad, om hem op het piket van Justitie in het Fort Zeelandia (binfoto) te ondergaan. Als je daar straf kreeg zag je dus nog eens iets van de wereld.
10Zieke slaven gingen wel eens over tot aard-eten, waaraan men placht te sterven. Zij hadden dan de dood zogenaamd aan zichzelf te wijten.
11. navoe kabá. Tekst: navoe kaba.
1Domburg is een plantage dicht bij Paramaribo. De bedoeling van de odo is natuurlijk: je lacht als een boer die kiespijn heeft.
4De bedoeling schijnt te zijn: Wil jij mij de schuld geven van je eigen loslippigheid?
6Het was de slaven verboden schoenen te dragen.
12Het aardige van deze odo is de woord-speling in meki barki = scheepjes maken of afspraakjes maken.
13Men kocht de hoed dus om hem bij deftige visites op schoot te kunnen houden.
14Loangonegers zijn slaven, behorend tot een bepaalde volksstam in Afrika.
1Ten Kate heeft vele aantekeningen gegeven, die wij onder zijn vertaling hebben opgenomen. De aantekeningen bij de Negerengelse tekst zijn van ons.
5Ten Kate heeft vertaald of er baari (= schreeuwen) stond. Letterlijk vertaald staat hier: Stakker, hoe trekt hij (nl. met zijn been)!
6Zie odo no. 682 bij Wullschlägel.
7Zie odo no. 126 bij Wullschlägel.
1Wij geven dit stukjen alleen, om ons talloos tal vertalers en navolgers, uit den brand te helpen, die, met hongerige magen, zich nu bijna al het gras voor de voeten zien weggemaaid. De Neger-Engelsche Litteratuur is een rijke mijn, die nog niet ontgonnen is. Aan 't werk dus! Sapienti sat.
Cesar een neger van omtrent 30 jaren; stom en, ten gevolge daarvan akelige geluiden uitschreeuwende, om zijn blijdschap, verwondering of droefheid uit te drukken, alles zeer goed verstaande wat men hem zegt. Hij leeft in een huisjen aan de rivierzijde, van waar hij de seinen kan bespeuren, welke er bij de aankomst van een schip gemaakt worden. Zoodra bij zoodanig sein verneemt, loopt hij bij ieder ingezeten rond, om die tijding te melden en ontfangt gewoonlijk daarvoor een kleine belooning. Ik had vergeten te zeggen, dat hij met het rechterbeen sterk trekt, op de toonen loopt, en alzoo ook slecht te been is. (TK)
6Wij zeggen: ieder voelt het beste waar hem de schoen wringt. (TK)
8. de. Tekst: dée.
9. aréen. Tekst: a réen.
2Letterlijk: Vandaag vier ik nieuwjaar.
5De laatste bijzin luidt letterlijk: als het God belieft.
6Zie odo no. 177 bij Wullschlägel.
12Tegenwoordig hoort men wel: Dagoe no de soekoe bonjo, bonjo de soekoe dagoe. Maar dan wordt het gebruikt voor een vrouw, die achter een man aanloopt.
18Zie odo no. 91 bij Wullschlägel.
5[sreng =] Oud-Surinaamsche benaming voor 8 Centen. (TK)
18De tonton of tomtom wordt altijd in den braf gegeten. De eerste is een meel van met kracht fijn gestampte bananen, waarvan een groote bal gemaakt wordt, gelijk aan een bal gehakt. De braf is een Surinaamsche soep, waarin verscheiden Inlandsche planten of vruchten, en vooral zout vleesch, kip, ook wel gelijkelijk visch. (TK)
22Het sein briefjen, waarop met nummers staat uitgedrukt wat soort van schip geseind is, hoe het heet, en van waar het komt. (TK)
7. de. Tekst: dé.
1Shjah! (een uitroep van afkeuring of gruwel) is bij Ten Kate onvertaald gebleven.
8Dit gehele couplet werd zeer vrij vertaald. De laatste regels luiden letterlijk: Schepen gaan in de wind als vliegers vliegen, blanken halen hen in en geven ze touw (laten ze vieren). Er is een mogelijkheid dat Ten Kate vriegrie (= vlieger fout vertaald heeft.
13Zie odo no. 347 bij Wullschlägel.
14boda is een verouderd woord voor: feest, banket, bruiloft. Men kent nog wel de uitdrukking boda kabaa ('t is uit met de pret).
2Woordelijk: wij eten onzen zoeten mond met het zweet enz. De zoete mond is bij de Negers zoutvleesch en haring. (TK)
3Europa in het bijzonder. (TK)
5Hier heeft het oorspronkelijke nog den uitroep: Mijn moeder, die mij gebaard heeft! waarmede de negers gewoon zijn hunne verwondering uit te drukken. (TK)
13Een neger-spreekwoord, 't welk beteekent dat alles sens dessus dessous is. (TK)
14Naast het huisjen van Cesar staat een lange stok, waaraan hij de hollandsche vlag heischt, als er een schip geseind is. Hij wil dus zeggen dat, indien de schepen door de lucht komen, zij reeds aan de stad zouden zijn, voor er sein kon gemaakt worden, waardoor zijn beroep nutteloos worden en zijn broodwinning vervallen zou. (TK)
17De Gramman is de Gouverneur. (TK)
13. voe fredde. Tekst: vo fredde.
14. voe libbie ... voe dedde. Tekst: foe libbie ... vo dedde.
2De vertaling van Ten Kate houdt geen rekening met de ironische bijbetekenis: wij werken op de plantages en dat levert hun (de blanken) de koek (het beste deel).
1De hoofdstad van Brits Guyana.
2Enkele malen moest de tekst geïnterpreteerd worden, vooral bij de analyse van samentrekkingen.

20In de tekst stond bai na hen wefi toe. Dit moet echter een fout bij het spreken of noteren geweest zijn.

4. joe. Tekst: yoe.
8 joe ... scrifiman. Tekst: yoe ... srifiman.
10. joe. Tekst: yoe.
11. joe. Tekst: yoe.
14. Mie ben dé kalli joe. Tekst: Mie ben dékalli yoe.
15. Joe. Tekst: Yoe.
16. joe. Tekst: yoe.
17. joe. Tekst: yoe.
1De vele tekstkritische aantekeningen bij de Negerengelse tekst tonen aan, dat men moeite had zonder een strenge schrijftraditie de woorden steeds gelijk te spellen. Wij hebben eenheid in spelling gebracht.
15Het woord Anan is een nu verouderd vraagpartikel dat in oude woordenboeken wordt geschreven ‘Anaa’. Vertaling: heb je me niet zó van mijn moeder?
3. joe. Tekst: yoe.
4. joe Tekst: yoe.
8. Joe. Tekst: yoe.
14. joe mie. Tekst: yoe me.
20. bron. Tekst: bon.
1Jaba is de naam van de slavin.
4Het is mogelijk dat dit een drukfout is voor ti dé.
19Deze uitval tot de bastiaan is te verklaren uit de smeekbede rechtstreeks tot de bastiaan hiervoor. De bastiaan sloeg dus minder hard en wordt aan zijn plicht herinnerd.
11. katoen. Tekst: kantoe.
1Maripastoon is de woonplaats van Johannes King In Maripastoon ontwikkelde zich een strijd tussen kerkelijk gezag (in handen van King) en wereldlijk gezag (in handen van zijn oudere broer Noa). King werd tenslotte door zijn oudere broer uit zijn woonplaats verbannen. Aanleiding en oorzaak van deze strijd worden in dit boek uiteengezet.

1Johannes King was een autodidact, die zichzelf grotendeels lezen en schrijven had geleerd en bovendien in een hem niet vertrouwd dialect moest schrijven. Hij bezit een geheel eigen spelling en interpunctiesysteem. Om deze tekst leesbaar te maken voor groter publiek moesten wij talrijke wijzigingen aanbrengen in spelling en interpunctie. De interpunctie werd essentieel gewijzigd, in de spelling werd alleen meer eenheid gebracht. Zie voor niet in de tekstkritische noten verantwoorde spellingswijzigingen p. 102, noot 9 en p. 104, noot 5.
Zie voor enkele eigenaardigheden in spelling en taal p. 102, noot 5 en 9. Het fragment werd geput uit cahier no. 10 in pakket met archiefsignatuur II B. 7B. VIII van de Evang, Broedergemeente te Zeist.
9De preciese betekenis is onduidelijk. In verband is deze passage echter duidelijk genoeg.
1. doezen. Tekst: doenze.
10. hopo. Tekst: hoopo.
13. troon. Tekst: tron.
27. hondro masipasi fliman de, ... Tekst: ondro masipasi fliman, ...
2Zie ook p. 308, noot 1. Maripastoon is een dorpje aan de Saramaccarivier (zie kaartje).
3Dit duidt op de tijd, toen Johannes King zonder tussenkomst der zendelingen bekeerd werd. King en vele anderen met hem hebben dit altijd gezien als een direct ingrijpen van de Heilige Geest in het leven van Maripastoon.
6King bezat een nogal middeleeuws aandoende kosmologie. Hij onderscheidt in elk geval verschillende hemelen.
16. hede. Tekst: heede.
21. bolgoe. Tekst: boolgoe.
1kiriman en wisiman (letterlijk: moordenaars en bedrijvers van zwarte magic) worden door King vaak in één adem genoemd. Met kiriman bedoelt hij meestal ‘misdadiger’ in het algemeen. De wisiman is voor King en alle bosnegers de ergste soort misdadiger. Het lijk van een wisiman wordt door de bosnegers niet begraven.
3goutoeman (gouddelvers), vertrekken op eigen gelegenheid voor een lange periode naar het bos, waar zij onder zeer primitieve omstandigheden moeten werken. Zij brachten het eerst contact tot stand tussen bosnegers en stadsnegers, een contact dat niet altijd plezierig verliep. De bosneger (en dus ook Johannes King zelf, al wordt dit bij hem getemperd door een christelijke levenshouding) staat van nature zeer kritisch tegenover stadsnegers en de stadsneger voelt zich verheven boven de volgens hem provinciale en achterlijke bosnegers.
17bolgoe = burgers, stadsnegers dus.
23Typerend voor de uiterst conventionele bosneger is, dat de kritiek zich in de eerste plaats richt op de slechte omgangsvormen van de stadsnegers.
3Hiermee bedoelt hij de Aucaner bosnegers (Djoeka's).
11Het is voor de autodidact King onbegrijpelijk, dat de zoveel knapper en geleerder stadsnegers in menselijk opzicht zo tekort schieten.
15Men zag in Suriname de vrijheid als een persoonlijk geschenk van koning Willem III aan de negers.
16Ook tegenwoordig hoort men weer over een tweede emancipatie spreken: de vrijwording van de Surinaamse mens uit de hem door slavernij en kolonialisme opgedrongen waarden en normen van buiten, die een eigen ontwikkeling belemmeren. In dit opzicht is King dus merkwaardig modern.
17King ziet de stadsnegers als een produkt van de blanken. De culturele afstand tussen bosnegers en stadsnegers is zo groot, dat King de stadsnegers wel als een soort blanken moet zien. Hij houdt hun daarom in de eerste plaats de blanke conventies voor en daarna pas de conforme levenshouding der bosnegers.
20Hier noemt hij de drie grote bosnegergroepen: Aucaners (aan de Marowijne), Saramaccaners (aan de Suriname) en Matoewari (aan de Saramacca). King zelf is een Matoewari. Zie ook de kaart.
3. Gado. Tekst: Gadoe.
3Dit is de grootste grief van King. De bosnegers zijn heidenen, de stadsnegers voor een groot deel christenen. Wanneer de bosnegers zien hoe onchristelijk de christelijke stadsnegers leven, dan zullen zij weinig genegenheid hebben tot het christendom over te gaan. In het hier niet opgenomen volgende verhaal geeft hij daarvan merkwaardige staaltjes.
prepostterug  begin  verder