De stem der slaven dringt slechts zwak en onderdrukt tot ons door. Wij mogen ook niet anders verwachten. De slaven bezaten een orale cultuur en weinig blanken hadden voldoende belangstelling en waardering daarvoor om die voor het nageslacht vast te leggen. Dat er onder de slaven gecompliceerde culturele vormen bestaan hebben, toont ons de bloei van de Doe (een dans- en zangdrama met meestal satirische bedoelingen) in het oude Suriname1. De Doe werd uitgevoerd door een gezelschap met een organisatie, vergelijkbaar met die van de rederijkerskamers in Europa. De Doe stond onder beschermheerschap van een aanzienlijk persoon, Jobo genoemd. Zij werd geleid door een vrije negerin, de Sisie, die ongeveer de functie had van de factor in de rederijkerskamers. Het gezelschap droeg namen als Boenhatti gi ondrofenni (Barmhartigheid leidt tot ondervinding) of Lavender (Lavendel), die een rederijker ook vertrouwd in de oren zouden klinken. Het beschikte over een rijke montering, waaronder een grote voorstellingstent, plaats biedend aan soms een 150 personen. De Europeanen gebruikten de Doe (tegen betaling uiteraard) om hun tegenstanders te laten ridiculiseren. Uit mondelinge mededelingen2 bleek ons, dat ook in de 20e eeuw Banja-avonden worden gehouden (de Banja is een verwante cultuurvorm). Op zulk een avond zongen en dansten de deelnemers op een vooraf opgegeven thema, als bijvoorbeeld Siki de pori ala (ziekte verwoest alles)3.
Waar zulke gecompliceerde cultuurvormen bestaan, moet een rijke achtergrond van literaire (uiteraard orale) cultuur aanwezig zijn. Tot vandaag bezit de Surinaamse Creool een voor hem nog levende schat aan odo's (spreekwoorden), tori's (verhalen en sprookjes) en singi's (volksliederen). Wij hebben er naar gestreefd zo mogelijk te putten uit oude etnologische verzamelingen en slechts waar dit niet mogelijk was hebben wij een voorzichtige keuze
gedaan uit moderne verzamelingen. Vooral die specimina werden gekozen waarin ervaringen uit de slaventijd meespraken. Bij de odo's was de keuze niet moeilijk. Wij konden putten uit een vroege verzameling van 707 odo's, bijeengebracht door de Duitse zendeling H.R. Wullschlägel1.
In het letterkundig tijdschrift Braga. Dichterlijke mengelingen uitgegeven door een dichtlievend gezelschap, onder de nooit gebruikte zinsrpeuk: ‘utile dulci’ jrg. I (Utrecht, 1843), pp. 70-72, vonden wij een merkwaardig Negerengels gedicht met vertaling door J.J.L. ten Kate. Het werd daar gedateerd op 1843, maar Ten Kate heeft met opzet te laat gedateerd. Wij kennen het bestaan van twee pamfletten onder dezelfde titel als dit gedicht uit 1836 en 1837. Het is dus meer dan waarschijnlijk, dat Ten Kate een dezer pamfletten in handen heeft gehad. Behalve de datering stelt het gedicht ons voor andere en moeilijker problemen. Het is een poëtische nieuwjaarswens, waarschijnlijk door de neger Cesaari (die volgens de aantekeningen van Ten Kate stom
was) ten verkoop aangeboden. Cesaari zal niet zelf de auteur zijn geweest. Het gedicht vertoont een gecompliceerde strofenbouw, vele coupletten worden afgesloten op kunstige wijze met een odo. De orale literatuur wordt hier dus op geraffineerde wijze gebruikt in een gedicht, dat een hogere poëtische cultuur verraadt. Wij kennen de poëtische techniek der Doe-dichters en dichteressen niet, maar vermoeden dat hun poëzie nog dicht bij het volkslied stond. Het lijkt ons daarom niet uitgesloten, dat dit gedicht geschreven werd door een Europeaan of sterk Europees beïnvloed Creool. Dit vermindert onze bewondering voor de licht ironiserende toon van dit gedicht niet. Al werd het gedicht waarschijnlijk niet door een slaaf geschreven, het levert ons een bewijs, hoe men vanuit de volkscultuur der slaven en wezenlijk daardoor beïnvloed subtiele poëzie wist te schrijven. Daarom meenden wij dit gedicht hier toch te kunnen opnemen.
De verhalen van Suriname hebben voor een deel als hoofdfiguur de slimme spin Anansi, een figuur uit de Afrikaanse folklore. Deze Anansi, die zich wonderwel thuis gevoeld moet hebben in de slavernij, waarin slechts de gewiekste tegen alle verdrukking en rechteloosheid in aan zijn trekken kan komen, werd ook de held van latere verhalen. Het is echter verwonderlijk, hoe gering de invloed van de slavernij is op de Surinaamse verhalenschat. Wij moeten ons echter hier niet laten bedriegen door verzamelingen van etnologen met een beperkte Afrikaans-gerichte belangstelling. Er zijn zeker veel verhalen over de slavernij als ondrofenitori (ondervindingsverhalen)
van vader op zoon oververteld. Een aanwijzing hiervoor vonden wij in de beschrijving van een vertelavond door W. Campagne in de West-Ind. Gids jrg. XXXIII (1953), waarin op p. 159 de volgende passage voorkmot:
Daar staat Soekim (Joachim) op. Hij verelt niet van de spin, maar van de lotgevallen der slaven. Hoe hingen wij aan zijn lippen. als hij ons vertelde, hoe de hele slavenmacht van een plantage dicht bij Georgetown1, de eigenaar fopte gedurende een feest en er vandoor rok.
Wij nemen hier een verhaal op uit de verzameling van M.J. en F.S. Herskovits, Suriname Folk-Lore (New York, 1936), pp. 242-244. De fonetische spelling is gewijzigd2.
2Anansi ben de slaf. Ma noo, hen mama no wani foe bai 3 hen poeroe na ini slaf, bika Anansi ben hogri toemoesi. Wan 4 dee Anansi prakser taki: Mi e go soekoe wan koni foe mek 5 mi mama bai mi.
6Anansi weri wan wet japon gi hen nanga wan free. Dan 7 a neti a go na na kamra pe hen mama de sribi. Nomo a taki: 8 ‘Mi na Engel Kebriel. Gado seni mi foe kon taigi Ma Akoeba 9 foe a bai na boi poeroe na slaf. Dan Mama Akoeba sa kisi 10 wan boen presi na hemel.’
11Di Ma Akoeba opo hen ai foe loekoe, a si na weti. A kon 12 frede. A tap hen ai baka. Dan a kon bribi, taki na Gado ben 13 seni wan Engel kon. Di a wiki mamanten, a go taigi hen 14 birfroo taki: na so wan sani ben pasa nanga hen. Dan hen 15 birfroo taigi hen taki: ‘We, di na Gado srefi seni kon begi 16 joe foe bai na boi, dan joe moe bai hen.’
17Na mama go, a bai na boi. Ma te na boi doe hogri, dan 18 na mama de kos hen taki: ‘Joe denk taki na foe boen foe 19 joe mi bai joe? Ma na Gado srefi ben seni begi mi.’
20Ma noo, Anansi ben wani foe hen mama bai hen wefi toe.20 21 Dan a doe na sref fasi leki fa a ben doe kaba. Ma di a go, a
2Anansi was slaaf. Maar zijn moeder wilde hem niet los-3kopen uit de slavernij, omdat Anansi heel ondeugend was. 4 Eens op een dag dacht Anansi na: Ik ga een list bedenken, 5 dat mijn moeder mij vrij koopt.
6Anansi trok een witte jurk aan en vleugels, en in de nacht 7 ging hij naar de kamer waar zijn moeder sliep. Hij zei: ‘Ik 8 ben Engel Gabriël. God heeft mij gezonden om vrouw 9 Akoeba te zeggen, dat zij haar jongen uit de slavernij moet 10 loskopen. Moeder Akoeba zal dan een mooi plaatsje in de 11 hemel krijgen.’
12Toen vrouw Akoeba de ogen opsloeg, zag zij al dat wit. 13 Ze werd bang. Ze sloot haar ogen weer. Toen is ze gaan 14 geloven, dat God een Engel gezonden had. Toen ze de vol-15gende morgen wakker werd, ging ze haar buurvrouw ver-16tellen wat haar overkomen was. Haar buurvrouw zei: ‘Nou, 17 als God zelf je laat vragen de jongen vrij te kopen, dan moet 18 je hem maar vrij kopen.’
19De moeder ging en kocht de jongen. Maar toen de jongen 20 ondeugend was, schold zijn moeder hem uit en zei: ‘Denk je 21 dat ik je voor jouw plezier vrij gemaakt heb? God zelf liet 22 het me vragen.’
23Anansi wou toen dat zijn moeder ook zijn vrouw kocht. 24 Hij deed hetzelfde wat hij tevoren gedaan had. Maar toen
1 ben hab ferkootoe. Nomo a taki: ‘Ma Akoeba, Gado seni 2 mi kon agen, taigi joe taki, joe ben doe so leki fa a ben seni 3 taigi joe.’ Ma te Anansi de taigi, dan a e koso, bika a ben 4 habi ferkootoe. Anansi taki: ‘Ma Akoeba, Gado seni mi taki, 5 meki mi taig joe taki, ef joe sa bai na oema gi na boi, dan hen 6 sa seni sori joe pe wan moni beri na joe presi.’ Ma di a taki 7 so, nomo a koso agen.
8Nomo na mama taki: ‘Fa na sten gersi na sten foe Anansi’. 9 Nomo Anansi taki: ‘Mi mama, mi no sa doe moro!’ Dan 10 na mama leti faja, a kon loekoe, a si na eegi pikin foe hen ben 11 weri leki Engel. Nomo a taki: ‘Joe ferfloektoe Engel! Na 12 moni di beri na mi presi, teki hen go bai oema, joe foefoeroe-13man!’ A taki: ‘Engel Kebriel! Na joe moi so, joe didibri 14 Engel! Komopo na mi tapoe, joe foefoeroeman!’
15Dan na mama hati kon bron. Mamanten a begin kosi ala 16 den soema, di ben taigi hen foe bai na boi, di na Engel ben 17 kon na hen. A taki, den ben miti mofo makandra.
W.R. van Hoëvell publiceerde in zijn reeds genoemde werk: Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (Zaltbommel, 1854), op pp. 54-58 een volkslied, een ballade, dat in zijn eenvoud een ontroerend beeld geeft uit de slaventijd. Wij hebben gemeend een nieuwe vrije vertaling in de volkstoon te moeten beproeven. Het lied is in Suriname nog steeds bekend, al kent men niet altijd de gehele tekst.
1hij bij haar kwam was hij verkouden. Hij zei: ‘Vrouw 2 Akoeba, God heeft mij weer uitgezonden om je te zeggen, 3 dat je gehandeld hebt zoals hij je bevolen had.’ Maar onder 4 het praten kuchte Anansi, want hij was verkouden. Anansi 5 zei: ‘Vrouw Akoeba, God zond me een boodschap om je 6 aan te zeggen dat hij je, als je de vrouw vrij koopt voor die 7 jongen, dat hij je dan zal laten zien waar er geld verborgen 8 ligt op je erf.’ Maar toen hij dat zei, kuchte hij weer.
9Toen zei de moeder: ‘Wat lijkt die stem toch op de stem 10 van Anansi!’ Toen zei Anansi: ‘Moeder, ik zal het nooit 11 weer doen!’ De moeder deed het licht op, keek en zag dat 12 haar eigen kind zich als Engel verkleed had. Ze zei: ‘Jij 13 vervloekte Engel! Neem het geld dat op mijn erf begraven 14 ligt om vrouwen te kopen, jij dief!’ Ze zei: ‘Engel Gabriël! 15 Wat ben je mooi, jij duivelse Engel. Pak je weg, jij dief!’
16Toen werd de moeder boos. De volgende dag begon ze 17 alle mensen uit te schelden, die haar hadden aangeraden de 18 jongen vrij te kopen, toen de Engel bij haar gekomen was. 19 Zij zei dat ze dat samen afgesproken hadden.
In hoofdstuk VI werd reeds uitvoerig gesproken over de bekeerde bosneger Johannes King uit de 19e eeuw. Daar werden twee werken van groter omvang genoemd. Uit het laatste (over zijn moeilijkheden in Maripastoon)1 werd hier een fragment geput.
Het werd geschreven na de emancipatie door een vrije bosneger. De slaven hebben nooit hun reacties op de emancipatie neergeschreven. De vrije bosneger Johannes King werd in leven en denken diep beïnvloed door de slavernij (men zie de reprodukrie van een door hem getekend helvisioen bij dit hoofdstuk), heeft ook de emancipatie zo bewust ondergaan en doordacht, dat wij zijn stem hier niet kunnen missen.
2Ke loekoe, wan sari tori vo dem lobbi blara en sissa vo wi 3 Anitri gemeente. Oen ala sabi heeli boen, fa da gemeente 4 vo wi kom bigi noja. En na srafoe tem ala ningre ben de 5 nanga watra na hai. Oenoe ben taki: efi fri ben kom, oen ben 6 sa dini Masra Gado nanga oen heeli hatti. We doro oenoe 7 ben krei en bari na Masra Gado nem tapoe, dei nanga neti, 8 na firi wroko, na sribi plesi en na miri wroko, na ken pondo, 9 na wai wiwiri, na tjapoe gron, na diki skop en gotro, na9 10 haksi wroko, na ouroe wroko en na bori soekloe; dem soekloe 11 gron ningre so weel leki dem katoen gron ningre nanga dem 12 hoedoe gron ningre, ala dem koffi en kakawoe gron ningre.
1Ach zie, welk een droef verhaal voor de geliefde broeders en 2 zusters van onze Hernhutter gemeente. Gij weet allen heel 3 wel, hoe onze gemeente tegenwoordig zo groot geworden 4 is. In de slaventijd hadden alle negers tranen in de ogen. 5 Toen zeide gij, dat ge de Here God zou dienen met geheel 6 uw hart, wanneer de vrijheid kwam. Steeds maar weende gij 7 en riep de naam van de Here God aan, dag en nacht, onder 8 het werk op het veld, op de slaapplaatsen en bij het werk aan 9 de suikermolens, bij het transport van het riet, onder het wie-10den en hakken, bij het graven van sloten, bij het hakken en 11 houwen en bij het suiker koken; zowel de negers der suiker-12gronden als die der katoengronden en houtgronden, die der 13 koffie- en cacaogronden.
1En ala dei, ala neti oenoe ben krei pasa doezen tron na wan 2 dei na nem vo Masra Gado. En loekoe, na Maripastoon2 3 srefi, di da Santa Jeje vo Gado ben kom na Maripastoon,3 4 ha ben taki vo da pina krei vo dem slafoe ningre toe. En 5 loekoe fa da pina krei vo dem katibo ningre ben seki en trobi 6 Gran Gado nanga hem Jeje tee na da laast Hemel, en tee na6 7 hem glori troon fesi; en da begi krei vo dem, nanga dem 8 foeroe bloedoe vo ningre, disi bakla ben trowe na gron; en 9 ibri dropoe vo dem ningre bloedoe disi ben dropoe fadom 10 na gron. En gron ben hopo mofo dringi hem troe, ma tog 11 da dampoe vo dem ningre bloedoe hopo flei go tee na Hemel. 12 En no wan soema ben man vo tapoe dem, en dem ben moesoe 13 nomo vo tjari da klagi go tee na da grori troon fesi vo Gado, 14 vo klagi dem weeti man nanga watra na hai gi Masra na 15 Hemel. We Masra Gado ben jeri da poti begi vo dem. En 16 alwasi dem slafoe ben moesoe vo hooli pasensi foeroe jari 17 vo jari, wakti da leti tem vo Masra Gado, tog Masra Gado 18 ben helpi dem: ha seni da fli gi ala dem slafoe ningre na foto, 19 na dem planasi toe. We jeri now: ha ben fiti vo ala ningre 20 na Suriname kondre dia moese prijze Masra Gado nanga 21 dem heeli hatti, tee dem boesi kondre toe. En wi alamala 22 moe plijze Gado gi hem bigi nem. Ma oenoe masipasi fliman, 23 oen alamala ben prijze Gado nanga tangi en nanga oen heeli 24 hatti, so leki ha fiti oenoe? En no no, vo taki leti, kweti 25 kweti! Wi no ben taki hem wan leti tangi. En plesi vo oenoe 26 taki hem tangi, oen alamala gi hem bigi sjem nanga sari, 27 bikasi foeloe hondro masipasi fliman de, oeman nanga man,
1Alle dagen, alle nachten weende gij in de naam van Here 2 God meer dan duizend keer per dag. En zie, zelfs in 3 Maripastoon, toen de Heilige Geest van God in Mari-4pastoon kwam, sprak hij ook over het lijden en wenen der 5 slaven. Zie hoe het lijden en wenen der slaven de grote 6 God en zijn Geest tot in de laatste Hemel en tot voor zijn 7 glorie troon geschokt en geroerd heeft; het biddend wenen 8 van hen, en het vele bloed der negers, dat blanken vergoten 9 hadden; iedere druppel van het negerbloed dat op aarde 10 viel. De aarde dronk het inderdaad in met opgesperde muil, 11 maar toch vloog de damp van het negerbloed ten Hemel. 12 Geen mens kon hen tegenhouden, zij moesten hun klacht voor 13 de glorie troon van God brengen, om de blanken aan te 14 klagen met tranen in de ogen bij de Heer in de Hemel. Wel, 15 de Here God verhoorde het arme gebed van hen. En al moes-16ten de slaven jaar op jaar geduld hebben en de juiste tijd van 17 de Here God afwachten, toch hielp de Here God hen: hij 18 zond de vrijheid aan alle slaven in de stad en ook op de 19 plantages. Wel hoort nu: alle negers hier in Suriname, ook 20 zij in het bosland, behoorden de Here God te prijzen met hun 21 gehele hart. Wij allen moeten God prijzen en zijn naam ver-22hogen. Maar gij emancipatie vrijen, hebt gij allen God ge-23prezen en gedankt met geheel uw hart, zoals het behoorde? 24 Neen, om eerlijk te zijn, allerminst! Wij hebben hem niet 25 op de juiste wijze bedankt. In plaats van hem te danken, hebt 26 gij allen hem grote schande en groot verdriet gedaan, want er 27 zijn vele honderden emancipatie vrijen, vrouwen en mannen,
1di tron kiriman en wisiman. Nanga dati som vo dem de prijze1 2 Gado vo kiri soema, bikasi dati de da moro switi sani na dem 3 goutoeman mofo. Tee dem go na boesi kondre, dan dem3 4 sidom de taki hoemeni soema dem ben kiri na foto. We 5 sontem som vo oenoe, dem joem masipasi fliman, sa wani 6 haksi vo san hede dem moese sklifi dati, taki oenoe, dem 7 maspasi friman no de taki Masra Gado grantangi, so leki fa 8 ha de fiti vo taki hem tangi. We jeri, mi Johannes King srefi 9 de wan moro zondoe soema en blendi zondoe soema, moro 10 ogri leki dem weelder meti di de liebi na ini boesi. En mi no 11 ben leri sabi noti leki oenoe de sabi. Ma tog, nanga Jeje tranga 12 Masra Gado gi mi fli pasi vo mi getuige dati. En da getuigenis 13 vo mi de troe. En mi sabi, kondre ofoe lanti no de blibi ofoe 14 teki wan enkri soema getuige, en ha moese de toe efi dri 15 soema, dan fosi da getuige sa de troe getuige. Ma mi dati, 16 Masra Jesus de mi getuige. Na vo dati hede da getuigenis vo 17 Johannes King de troe. We oen jeri now, fa dem joem bolgoe17 18 fliman de pori da wroko vo Gado, tee dem go na boesi kondre, 19 vo go diki ofoe poeroe goutoe. En dem alamala tron da moro 20 ogri heiden soema, leki dem soema disi de liebi tee na dem 21 moro falawe boesi kondre. En tee dem bolgoe go na dem 22 soema mindri, en dem no habi no wan pikin maniri en sjem 23 srefi. En da so dem de kloetoe, dem de kosi dem na dem ala23
1die misdadigers en tovenaars werden. Daarmee prijzen 2 sommigen God, dat zij mensen doden, want daarover spreken 3 de goudzoekers bij voorkeur. Als zij in het bosland komen, 4 dan zitten zij te bepraten hoeveel mensen zij in de stad 5 hebben gedood. Wellicht vraagt een enkele van u, nieuwe 6 emancipatie vrijen, zich wel af waarom men moet schrijven, 7 dat gij, de nieuwe emancipatie vrijen, de Here God niet 8 danken zoals het hoort. Luister dan: ik Johannes King ben 9 zelf de meest verblinde zondaar, erger dan de wilde dieren 10 die leven in het bos. En ik heb niet zoveel geleerd als gij. 11 Maar toch heeft de Here God mij door de kracht van 12 de Heilige Geest vrijheid gegeven om dit te getuigen. 13 En mijn getuigenis is waarachtig. Ik weet wel dat het 14 landsbestuur het getuigenis van een enkele persoon niet ge-15looft of accepteert, er moeten twee of drie getuigen zijn, 16 dan pas zal het getuigenis waarachtig zijn. Maar wat mij 17 betreft, de Heer Jezus is mijn getuige. Daarom is het getuigenis 18 van Johannes King waarachtig. Wel hoort nu, hoe de nieuwe 19 burger vrijen het werk Gods bederven, wanneer zij in het 20 bosland komen om goud te winnen. Zij allen worden erger 21 heidenen dan de mensen die in de verst afgelegen streken van 22 het bosland wonen. Als de burgers tussen de mensen komen 23 dan hebben zij zelfs niet een beetje manieren en schaamte-24gevoel. Zij ruzieën en schelden elkaar met allerlei schaamte-
1soltoe sjem kosi-kosi. En som joeroe, te dem doro na lanplesi, 2 dem no de komopo na sjolo srefi, nomo dem bigin nanga 3 oploeloe kosi-kosi en feti. En nofo tron dem Goenka srefi3 4 moese lom go na dem vo go tapoe dem, vo dem no kom na 5 ini ongelok. En ala ogri sjem taki dem de teki taki gi dem 6 na dem, nomo vo gi dem srefi sjem na tra vrendri soema fesi. 7 En da sani disi dem boesi ningre no wani vo doe na fesi vo 8 dem bolgoe: dem de sjem vo kosi dem na dem srefi so. 9 Ma tog, dem masipasi bolgoe fliman, dem no habi sjem vo 10 dati kweti-kweti. Ma tog, foeroe vo dem leri boekoe, dem 11 leri sabi Gado tori boen-boen. Ma tokoe, te dem go na boto11 12 vo go na goutoe, na liba tapoe srefi, a tan so leki dem ala-13mala tron weelder meti, di de liebi na ini boesi. Di ibri dei 14 so dem de kloetoe de kosi dem srefi doro nomo. Ma oenoe 15 lobbi blara, Koning gi oen fli vo skin, ma na oenoe srefi15 16 moe soekoe da fli vo zieli. A fiti vo oen leri bakla maniri16 17 noja, bikasi na bakla kweki oenoe. En bakla no de gi dem na17 18 dem sjem so na tra soso soema mindiri, en dem habi sjem vo 19 dem srefi. We na so srefi dem Goenka en Salamaka en 20 Matoewari ningre toe. En wi alamala leri fa wi moe gi wi20 21 na wi lespeeki na tra soema fesi. We oenoe masipasi bolgoe 22 fliman, oenoe moe doe ala moeiti vo oen kan leri
1 loze scheldwoorden. Soms als zij bij de landingsplaats komen 2 dan zijn ze nog niet aan wal of ze beginnen met hun oproerige 3 scheldpartijen en ruzies. Dikwijls moeten de Djoeka's zelfs 4 bij hen komen om ze tegen te houden, dat er geen ongeluk 5 van komt. En met allerlei slechte, schaamteloze taal spreken 6 ze tot elkaar, alleen om elkaar te schande te maken voor 7 andere, vreemde mensen. Bosnegers willen dit niet doen in 8 het bijzijn der burgers: zij schamen zich elkaar zo uit te 9 schelden. Toch hebben velen van hen boeken geleerd en 10 het evangelie zeer goed leren kennen. Maar als zij in de boot 11 stappen om naar de goudvelden te gaan, al op de rivier 12 zelfs, lijkt het alsof zij wilde beesten geworden zijn, zoals 13 die leven in het bos. Bijna iedere dag ruzieën en schelden 14 zij bij voortduring. Maar geliefde broeders, de koning heeft 15 u wel lichamelijke vrijheid geschonken, maar zelf moet gij 16 de vrijheid der ziel zoeken. Gij behoort nu de manieren 17 der blanken aan te leren, want blanken hebben u opge-18voed. Blanken beschamen elkaar niet temidden van wille-19keurig wie, zij hebben wel schaamtegevoel. Wel, zo ook de 20 Djoeka, Saramaccaners en Matoewari. Wij hebben allen ge-21leerd hoe wij elkaar moeten respecteren in het bijzijn van 22 anderen. Wel gij emancipatie burger vrijen, gij moet alle 23 moeite doen u ook zo'n goede gedragsregel eigen te maken,
1 so wan boen fasi toe, en oenoe moese kaba nanga dem 2 weelder meti maniri. Ala so sani de hendri da wroko vo 3 Gado na foeloe plesi.3
4en gij moet ophouden met die wilde dieren manieren. Al 5 die dingen hinderen Gods werk op vele plaatsen.
