Inleiding
Wat men onder ‘Nederlandse taal’ verstaat, is voor ieder duidelijk: het is de taal die in het Koninkrijk Nederland en in een groot deel van België in mondeling en schriftelijk gebruik als norm gangbaar is. In dat gebied wordt ook andere taal gesproken, namelijk de verschillende streektalen of dialekten waaruit en waarboven het Nederlands als eenheidstaal ontstaan is. Daartoe is niet het Fries te rekenen, dat, van andere oorsprong als kultuurtaal en letterkundige taal een zelfstandig karakter gekregen heeft en dus in dit boek alleen in zoverre ter sprake zal komen, als er tussen Fries en Nederlands wisselwerking plaats gehad heeft. Nauwer verwant, als dochtertaal, is het Afrikaans, maar ook dit heeft zich zelfstandig verder ontwikkeld.
De begrenzing van ons taalgebied is nauwkeurig aan te geven: in het Zuiden bestaat een scherpe grens tegenover het Romaans; in het Oosten, waar de streektalen geleidelijk in het Nederduits overgaan, valt de grens tussen het hedendaagse Nederlands en de Hoogduitse ‘Gemeinsprache’ samen met de staatkundige grens.
Anders was de toestand in het verleden. Wat wij ‘Nederlandse taal’ noemen, is een produkt van langzame ontwikkeling. De geschiedenis van de Nederlandse taal is dus eigenlijk de geschiedenis van de wording van de Nederlandse taaleenheid: algemeen-beschaafd gesproken, algemeen schriftelijk en traditioneel of individueel letterkundig gebruikt.
De term ‘Nederlands’ is betrekkelijk jong: de oudste bewijsplaats komt voor in een inkunabel van 1482. In de Middeleeuwen had elke streek zijn eigen ‘diets’ of ‘duuts’1, waarmee men eenvoudig de volkstaal bedoelde, in tegenstelling met het Latijn van de geleerden. Aan een kollektieve naam voelde men geen behoefte2.
Wie zich verdiept in het verleden van een taal, dient zich bewust te zijn, en moet er in leren berusten, dat een volledige reconstructie onmogelijk is. Een taal in zijn levensvolheid kan men slechts leren kennen in de eigen tijd. Uit het verleden kent men alleen geschreven,