Nederlandse spraakkunst

C.G.N. de Vooys

verantwoording

GEBRUIKT EXEMPLAAR

exemplaar universiteitsbibliotheek Leiden, signatuur: VGB Ned 17 1700

 

ALGEMENE OPMERKINGEN

Dit bestand biedt, behoudens een aantal hierna te noemen ingrepen, een diplomatische weergave van de zevende druk van de Nederlandse spraakkunst door C.G.N. de Vooys, herzien door M. Schönfeld uit 1967. De eerste druk dateert uit 1947.

 

REDACTIONELE INGREPEN

p. 191: paragraafnummer 85 toegevoegd voor ‘Bepalende samenstelling.’

 

Bij de omzetting van het oorspronkelijke tekstverwerkingsbestand naar deze publicatie in de dbnl is een aantal delen van de tekst niet overgenomen. Hieronder volgen de tekstgedeelten die wel in het origineel voorkomen maar hier uit de lopende tekst zijn weggelaten. Ook de blanco pagina's zijn niet opgenomen in de lopende tekst.

 

[pagina ongenummerd (p. I)]

NEDERLANDSE SPRAAKKUNST

 

[pagina ongenummerd (p. III)]

NEDERLANDSE SPRAAKKUNST

door

Dr. C.G.N. DE VOOYS

 

herzien door

Dr. M. SCHÖNFELD

 

ZEVENDE DRUK

J.B. WOLTERS - GRONINGEN

1967

 

[pagina ongenummerd (p. VII)]

  INHOUD.  
  HOOFDSTUK I.  
  INLEIDING.  
    Blz.
§1. Het wezen van taal 1
§2. Psychologische en sociologische taalbeschouwing 1
§3. Dialektgeografie 3
§4. Ontstaan en bestaan van de Nederlandse taaleenheid 6
§5. De beoefening van grammatika 8
§6. Indeling van deze grammatika 11
     
  HOOFDSTUK II.  
  KLANKLEER.  
  FONETIEK EN FONOLOGIE, TAAL EN TEKEN.  
§7. Tweeërlei opvatting van klankleer 15
§8. Fonetiek 17
§9. Accent, ritme, intonatie, tempo 22
§10. Fonologie 25
§11. Beginselen en praktijk van de Nederlandse spelling 30
§12. Spellinguitspraak 34
§13. Ritme-aanduiding en interpunktie 35
     
  HOOFDSTUK III.  
  WOORDLEER.  
  HOOFDSTUK IIIA.  
  WOORDSOORTEN.  
  I. Interjekties (§14-18) 37
§14. Klanken en woorden rondom de grenzen van taal 37
§15. De interjektie als gevoelsontlading 37
§16. Imperatieve interjekties 40
§17. Verblekende interjekties 41
§18. Interjekties bij klanknabootsing of klankexpressie 42
     
  II. Zelfstandige naamwoorden (§19-24) 44
§19. Algemene opmerkingen 44
§20. Genus en Sekse 46
§21. Numerus 50
§22. Meervoudsvorming in hedendaags Nederlands 51
§23. Hoe de hedendaagse toestand uit het oudere Nederlands ontstaan is 53
§24. Casus 58
     
  III. Bijvoeglijke naamwoorden (§25-27) 60
§25. Algemene opmerkingen 60
§26. Flexie 62
§27. Trappen van vergelijking 66
     
  IV. Lidwoorden (§28-29) 70
§28. Algemene opmerkingen 70
§29. Buigingsvormen in oudere taal en nog in biezondere taalkringen 71

 

[pagina ongenummerd (p. VIII)]

    Blz.
  V. Voornaamwoorden (§30-43) 73
§30. Algemene opmerkingen 73
§31. Persoonlijke voornaamwoorden 1e persoon 74
§32. Persoonlijke voornaamwoorden 2e persoon 77
§33. Persoonlijke voornaamwoorden 3e persoon 82
§34. De funktie van de voornaamwoorden: hij, zij, het 83
§35. Meervoud 3e persoon 87
§36. Het wederkerige voornaamwoord 89
§37. Het wederzijdse voornaamwoord 91
§38. Het bezittelijk voornaamwoord 91
§39. Het aanwijzend voornaamwoord 94
§40. Het betrekkelijk voornaamwoord 99
§41. Het vragende voornaamwoord 102
§42. Het uitroepende voornaamwoord 104
§43. Het onbepaalde voornaamwoord 104
     
  VI. Telwoorden (§44-48) 108
§44. Algemene opmerkingen 108
§45. Hoofdtelwoorden 108
§46. Hedendaagse en oudere vormen van de hoofdtelwoorden 109
§47. Rangschikkende telwoorden 111
§48. Onbepaalde telwoorden 112
     
  VII. Werkwoorden (§49-69) 113
§49. Algemene opmerkingen 113
     
  Vervoeging  
  (Vorming van het praeteritum en het participium perfecti) 115
§50. De zwakke werkwoorden 115
§51. De sterke werkwoorden 117
§52. Verschuivingen van sterke werkwoorden naar een andere klasse 121
§53. Gehele of gedeeltelijke overgang van sterke werkwoorden tot zwakke 121
§54. Gehele of gedeeltelijke overgang van zwakke werkwoorden tot sterke 123
§55. Betekenisovergang en vermenging bij sterke en zwakke werkwoorden 125
§56. ‘Grammatischer Wechsel’ 125
§57. De praeterito-praesentia en willen 126
§58. Defektieve werkwoorden 128
§59. Werkwoordelijke kategorieën. Algemene opmerkingen 129
§60. Persoon en getal 130
§61. Aspekt en Aktionsart 137
§62. Tempus 144
§63. Modus. Algemene opmerkingen 148
§64. Indicatief 150
§65. Conjunctief 152
§66. Imperatief 157
§67. Genus 158
§68. De infiniete vormen. Infinitivus en gerundium 161
§69. De participia 164
     
  VIII. Bijwoorden 168
§70. Karakter en soorten 168
§71. Voornaamwoordelijke bijwoorden 171
     
  IX. Voorzetsels 172
§72. Karakter en soorten 172

 

[pagina ongenummerd (p. IX)]

    Blz.
  X. Voegwoorden 175
§73. Karakter en soorten 175
§74. Kongruerende voegwoorden 175
     
  HOOFDSTUK IIIB.  
  WOORDVORMING.  
  I. Samenvoeging (samenkoppeling en samenstelling) (§75-95) 177
§75. Algemene opmerkingen 177
     
  Samenstelling van substantieven (§76-82) 180
§76. Substantief als eerste lid 180
§77. Adjektief als eerste lid 183
§78. Verbale stam als eerste lid 185
§79. Adverbia als eerste lid 186
§80. Possessieve samenstellingen 186
§81. Zinwoorden (imperatieve samenstellingen) 187
§82. Samenstellingen met een bepalend tweede lid 188
     
  Samenstelling van adjektieven (§83) 189
     
  Samenstelling van werkwoorden (§84-90) 190
§84. Kopulatieve samenstelling 190
§85. Bepalende samenstelling 191
§86. Werkwoord met substantief, dat op een of andere wijze bepalend is 191
§87. Werkwoord met voorzetselbepaling 192
§88. Werkwoord met een adjektief als praedikatief attribuut 192
§89. Werkwoord met adverbium 193
§90. Werkwoordelijke stam, gevolgd door een bepalend substantief 194
     
  Samenstelling van voornaamwoorden (§91) 194
     
  Samenstelling van bijwoorden (§92) 195
     
  Samenstelling van telwoorden (§93) 196
     
  Samenstelling van voorzetsels (§94) 197
     
  Samenstelling van voegwoorden (§95) 198
     
  II. Afleiding van substantieven (§96-107) 199
§96. Algemene opmerkingen 199
§97. Afleiding door suffixen: verkleinwoorden 200
§98. Mannelijke persoonsnamen 203
§99. Vrouwelijke persoonsnamen 209
§100. Voorwerps- en stofnamen 212
§101. Kollektieven 214
§102. Abstracta 214
§103. Hybridische vorming 219
§104. Afleiding door praefixen 222
§105. Verouderde praefixen 223
§106. Hybridische praefixen 224
§107. Praefixen in wording, uit samenstellingen 226
     
  Afleiding van adjektieven (§108-118) 226
§108. Algemene opmerkingen 226
     
  Afleiding door suffixen (§109-113) 227
§109. Het suffix -en 227
§110. Het suffix -ig 227
§111. De suffixen -s en -er 231

 

[pagina ongenummerd (p. X)]

§112. De suffixen -zaam, -baar, -lijk 232
§113. De suffixen -loos, -vol, -rijk, -ziek 236
     
  Afleiding door praefixen (§114-118) 238
§114. Ontkennende en pejoratieve praefixen 238
§115. Echte en schijnbare participia (participia praeverbalia) 239
§116. Versterkende praefixen 240
§117. Hybridische praefixen 242
§118. Afleiding door praefixen, uit verbleekte substantieven ontstaan 242
     
  Afleiding van werkwoorden (§119-125) 244
§119. Denominativa 244
§120. Deverbatieven 246
§121. Frequentatieven, Iteratieven 247
§122. Werkwoorden van andere woordsoorten afgeleid 248
§123. Werkwoorden met praefixen gevormd: be-, ge-, ont-, ver-, veront- 249
§124. Werkwoorden met praefixen gevormd: er-, her-, en wan- 253
§125. Werkwoorden met praefixen gevormd: vol-, weg- en af- 255
     
  Afleiding van pronomina (§126) 255
     
  Afleiding van telwoorden (§127) 256
     
  Afleiding van bijwoorden (§128) 256
     
  Afleiding van voorzetsels (§129) 260
     
  HOOFDSTUK IIIC.  
  WOORDBETEKENIS.  
§130. Het woord bij spreker en hoorder. Bemiddelde en onbe- middelde betekenis 262
§131. Het woord en de taalsfeer 263
§132. De gevoelswaarde van het woord 265
§133. Klank en betekenis 266
§134. Overschatting van de etymologie 267
§135. Verbleking en verlevendiging van de etymologie 268
§136. Betekenisontlening 269
     
  Naamgeving.  
§137. Klanknabootsing en klanksymboliek 270
§138. De naamgeving berust op een onderdeel van de voorstelling 273
§139. Naamgeving naar een opvallende eigenschap 274
§140. Naamgeving naar de stof waarvan een voorwerp gemaakt is 275
§141. Eigenschappen benoemd naar substanties 275
§142. Naamgeving van een produkt naar de plaats van afkomst 276
§143. Naamgeving van een produkt naar de uitvinder of de fabrikant 277
§144. Willekeurige naamgeving met reklamebedoeling 277
§145. Geleerde naamgeving voor internationaal gebruik 278
§146. Naamgeving op grond van gelijkenis 278
     
  Verandering van betekenis.  
§147. Woorden handhaven zich, terwijl de zaken veranderen 280
§148. Verdichting van betekenis door ellips 282
§149. Verdichting van betekenis door veelvuldig voorkomen in bepaalde omgeving of taalkring 284
§150. Betekenisovergang ten gevolge van associaties 286
§151. Associaties op grond van tijdsverband 287
§152. Associaties tussen plaats, tijd en causaliteit 287

 

[pagina ongenummerd (p. XI)]

§153. Associaties op grond van causaliteit 288
§154. Associaties tussen abstrakte begrippen en konkrete voorstellingen 288
§155. Wisseling van betekenis op grond van bijwaarneming (synaesthesie) 289
§156. Overdracht van bewegingswoorden op innerlijke gevoelens en funkties van het verstand 290
§157. Verandering van betekenis door verbleking van metaforen 292
§158. Verschuivingen van de gevoelswaarde 294
§159. Betekenisontwikkeling in gunstige of in ongunstige zin 295
§160. Reaktie op eufemisme 296
§161. Reaktie op ironie en scherts 297
§162. Reaktie op hyperbolen en krachttermen 298
§163. Invloed van emfatisch gebruik 299
§164. Betekenisverzwakking door deklassering 300
§165. Differentiëring van betekenis 300
§166. Betekenisverandering door klank- en begripsassociatie 301
     
  Synonymiek.  
§167. De beschouwing van synoniemen 303
§168. Verschil van begripsinhoud 304
§169. Verschil van taalkring 304
§170. Verschil van gevoelswaarde 306
§171. Individuele en usuele betekenis 307
     
  HOOFDSTUK IV.  
  DE WOORDGROEP.  
§172. Algemene opmerkingen 309
     
  I. Het substantief als kern van een groep (§173-183) 309
§173. Artikel + substantief 309
§174. Substantief + substantief 310
§175. Groepering van twee substantieven door middel van flexie (genitief) 313
§176. Substantieven verbonden door praeposities 315
§177. Verbinding van twee substantieven door het vergelijkende voegwoord als, en door gelijk 317
§178. Verbinding van twee substantieven door het verzwakte possessieve pronomen z'n, d'r 317
§179. Verbinding van substantief en adjektief 318
§180. Verbinding van het substantief met voorafgaande of volgende verbale nomina: participia en infinitieven + te 320
§181. Verbinding van het substantief met andere adjektivische woorden: voornaamwoorden, telwoorden 321
§182. Verbinding van substantief met adverbium 321
§183. Verbinding van een substantief met een zin 322
     
  II. Het adjektief als kern van een groep (§184-192) 323
§184. Algemene opmerkingen 323
§185. Verbinding van een adjektief met een adverbium 323
§186. Verbinding van een adjektief met een voorafgaand onverbogen substantief 324
§187. Verbinding van een adjektief met een substantief of voornaamwoord, dat oudtijds in de genitief stond, maar nu onverbogen toegevoegd wordt 325

 

[pagina ongenummerd (p. XII)]

§188. Verbinding van een adjektief met een substantief of voornaamwoord, in dezelfde verhouding als een verbum tot een indirekt voorwerp, dus uit een oude datief ontstaan 326
§189. Verbinding van een adjektief met voorzetsel-bepalingen 326
§190. Verbinding van een adjektief met een infinitief + (om) te 327
§191. Verbinding van een adjektief in comparatiefvorm met een substantief door middel van als of dan 327
§192. Verbinding van een adjektivisch gebruikt participium praeteriti met een ander adjektief of adverb 328
     
  III. Het verbum als kern van een groep (§193-206) 328
§193. Algemene opmerkingen 328
§194. Het verbum dat aanvulling behoeft, verbonden met substantief, substantiefgroep of adjektief 329
§195. Het transitieve verbum verbonden met een substantief als direkt objekt 329
§196. Het verbum dat geen aanvulling behoeft, verbonden met een substantief als bepaling 331
§197. Het verbum verbonden met een substantief of persoonlijk voornaamwoord als indirekt objekt 332
§198. Het verbum verbonden met een substantief door middel van een praepositie 334
§199. Het verbum rechtstreeks verbonden met een infinitief 335
§200. Het verbum door middel van een praepositie (meestal te of om te) verbonden met een infinitief 335
§201. Het verbum verbonden met een adjektief 336
§202. Het verbum verbonden met een participium praesentis 337
§203. Het verbum verbonden met een participium praeteriti 337
§204. Het verbum verbonden met een adverbium 337
§205. Onscheidbare verbinding van een verbum met een voornaamwoordelijk-adverbiale groep, of met het als schijnbare bepaling 337
§206. Het verbum verbonden met een adverbiale bepaling in zinsvorm 338
     
  IV. De andere groepen (§207-212) 338
§207. Het zelfstandig pronomen als kern van een groep 338
§208. Groepvorming bij de telwoorden 340
§209. Groepvorming bij het adverbium 342
§210. Groepvorming bij het voorzetsel 343
§211. Groepvorming bij het voegwoord 344
§212. Groepvorming bij interjekties 344
     
  HOOFDSTUK V.  
  DE ZIN.  
§213. Definitie van de zin 347
§214. Eenledige zinnen 348
§215. Zinsaequivalenten: ja en nee (n) 350
§216. Imperatieve zinnen 351
§217. Schijnbaar eenledige zinnen 353
§218. Schijnbaar tweeledige zinnen: impersonalia 355
§219. Tweeledige zinnen 360
§220. Kongruentie tussen subjekt en praedikaat 361
§221. De vorm van de enkelvoudige zin 363
§222. De mededelende zin: de woordorde 366
§223. De mededelende zin: de ritmische en melodische vorm 371
§224. De vragende zin: algemene opmerkingen 371
§225. De vragende zin: de woordorde 372

 

[pagina ongenummerd (p. XIII)]

§226. De vragende zin: de melodische vorm 373
§227. De uitroepende zin: de woordorde 374
§228. De uitroepende zin: de ritmische en melodische vorm 376
     
§229. Nevenschikking van zinnen 376
§230. Van nevenschikking tot samenstelling 378
§231. De infinitief met bepalingen als schijnbare ondergeschikte zin, de zogenaamde ‘beknopte bijzin’ 382
§232. Onderschikking: hoofdzin en bijzin 383
§233. Indeling van de bijzinnen naar de funktie 385
§234. Indeling van de bijzinnen naar de betekenis 388
§235. De vorm van de afhankelijke zin 393
§236. Ontstaan van onderschikking uit nevenschikking en de middelen ter aanduiding 394
§237. De plaats van de bijzin 398
§238. Zinsverkorting 400
§239. Zinsvermenging 400
§240. De relatieve bijzin 402
§241. Relatieve participium-konstrukties 405
§242. Absolute konstrukties 407
§243. De ‘accusativus cum infinitivo’ 411
§244. Bijzinnen ingeleid door dat 412
§245. Bijzinnen ingeleid door of 415
§246. Ingewikkelder zinsbouw; de periode 416
     
  Lijst van meermalen aangehaalde geschriften en afkortingen 421
     
  Zaakregister 423

 

copyright 2003 dbnl / erven C.G.N. de Vooys

 

DBNL-nr vooy001nede01_01

bron

C.G.N. de Vooys, Nederlandse spraakkunst. J.B. Wolters, Groningen 1967 (zevende druk).

 

codering DBNL-TEI 1

logboek

  • 2003-10-13 IH colofon toegevoegd