VII. Werkwoorden. 1)  

 1)  Literatuur:
O. Jespersen: Philosophy of Grammar: 139 vlg., 254 vlg., 313 vlg.
H. Sweet: English Grammar I, 87 vlg.
L. Sütterlin: Deutsche Sprache der Gegenwart, 226 vlg.
H. Paul: Deutsche Grammatik IV § 315 vlg.
O. Behaghel: Deutsche Sprache II, 93.
J.G. Talen, R.A. Kollewijn, F. Buitenrust Hettema: Nederlandse Taal § 216 vlg.
Den Hertog: Nederlandsche Spraakkunst III § 74 vlg.

49 Algemene opmerkingen.

Een afdoende definitie van het werkwoord stuit op allerlei moeilijkheden. De oudste vertaling van de Latijnse term verbum met ‘woord’ werd al spoedig verduidelijkt door de samenstelling werkwoord, maar als men zegt: benaming van een werking als werking voorgesteld (Terwey) dan blijkt het begrip ‘werking’ wel wat ruim genomen, tenzij men met Den Hertog daaronder

[p. 114]

ook een zijn of blijven in een toestand, een bewegen, veranderen en gebeuren verstaat, maar dat is wel een geforceerde uitbreiding van de term. In zinnen als: ‘de hond blaft, het kind slaapt, sneeuw is wit, het regent’ hebben we telkens een ander soort ‘werkwoord’. Bovendien zijn substantieven als wandeling, het gewandel ook namen van werkingen. Gerlach Royen wil verheldering brengen door de benaming gebeurwoord, dat intussen ook niet alle mogelijkheden insluit 1)  . De toevoeging van Wundt: werking, voorgesteld als gebonden aan tijd en plaats en aan een zelfstandigheid, laat ook nog een bezwaar, want daaronder zou ook vallen een substantief als: De val van Napoleon in 1813 2)  . Het voornaamste kenmerk moet dus gezocht worden in vorm en funktie. Doordat het werkwoord ‘een element van tijd bevat’ (Wundt), heeft het de geschiktheid om door vormverandering (finitieve vormen) persoon en tijd van de handeling aan te geven. Doordat het een zelfstandigheid veronderstelt bezit het zin-vormend vermogen, is het het meest werkzame bestanddeel - het ‘leven brengende element’ (Jespersen) ‘de ruggegraat van onze zinnen’ (Kruisinga) - bij de opbouw van de zin. De naam van de veronderstelde substantie kan zelfs in het werkwoord geincorporeerd zijn, b.v. vissen, fietsen, witten. Het werkwoord kan verbleken, enerzijds tot copula (b.v. dat is of valt moeilijk), anderzijds tot hulpwerkwoord (hebben, zijn, worden). De vraag blijft, of de infiniete vormen (infinitief, participia) nog onder de rubriek van het werkwoord vallen, dan wel tot de nomina gerekend moeten worden. Ongetwijfeld behoren ze op het terrein van beide thuis, want het verbale karakter blijft bewaard als de infinitief - zelfs met het lidwoord - door een bijwoord bepaald wordt (b.v. het vroeg opstaan), als het deelwoord dient als tijdvorm bij het werkwoord.

Tegenover de zelfstandige werkwoorden staan de hulpwerkwoorden, die men kan onderscheiden in hulpwerkwoorden van tijd (hebben, zijn, zullen), van de lijdende vorm (worden). causale hulpwerkwoorden (doen, laten) en modale hulpwerkwoorden (mogen, kunnen, zullen). Een eigenaardige funktie, vooral vervangend, heeft het hulpwerkwoord doen, 3)   dat in ouder Nederlands een belangrijker funktie had als nu, maar nog bewaard is na een vooropgeplaatste infinitief (b.v. Kaartspelen

 1)  Evenmin de term phenomena, d.i. verschijnselen, waaraan Sweet de voorkeur geeft.
 2)  Wundt's definitie wordt vollediger, als men er aan toevoegt: terwijl de gebondenheid door vormverandering uitgedrukt wordt.
 3)  Vgl. het Engelse to do. In het Mnl. is het zonder eigen betekenis met als enige funktie de tijdsaanduiding. Vgl. nog in het Wilhelmus: Daer na so doet verlanghen mijn vorstelijc ghemoet.’ Gewoon in het Mnl. is de vervangende funktie. Daarnaast doet het ook nog dienst als koppelwerkwoord (Alst noot doet).


[p. 115]

doe ik niet) voorts herhalend-vervangend (b.v. Hij ziet beter dan ik doe), en in volkstaal b.v. na een verzekering ‘Het regent’ als vraag: Doet het?

De vormverandering van het werkwoord vertoont zich, behalve in de persoons- en meervoudsvormen, die met het subjekt korresponderen, ook in de tijdsaanduiding, en wel op tweeërlei wijze: door het suffix -de of -te in de verleden tijd, samengaand met het verleden deelwoord op t (geschreven t of d), de zogenaamde ‘zwakke’ vervoeging, of door klinkerwisseling in de verleden tijd, samengaande met een verleden deelwoord op -en (-e), de zogenaamde ‘sterke’ vervoeging. Van Haeringen 1)   stelt de twee groepen tegenover elkaar als stamvaste en stamveranderende werkwoorden. Voor ons taalgevoel is de eerste de regelmatige, de normale. Dat blijkt uit het feit, dat alle nieuwe of ontleende werkwoorden ‘zwak’ vervoegd worden, en dat in kindertaal en volkstaal de neiging bestaat om werkwoorden van de tweede groep tot de eerste te doen overgaan. Al zijn dus - zoals blijken zal - de sterke werkwoorden, van historisch standpunt beschouwd, regelmatig te noemen, voor de tegenwoordige spreker heeft de grillige wisseling van klinkers nòch noodzakelijkheid nòch doel. Toch heeft een grote groep van de sterke werkwoorden, ondanks afbrokkeling, zich met ‘taaie levenskracht’ gehandhaafd, en zich zelfs door analogie hier en daar uitgebreid. De oorzaak is dat er zoveel onder zijn, die tot de meest gebruikelijke woorden behoren, die men dagelijks gebruikt en hoort gebruiken, zodat een afwijking bij ongeoefende jongeren (b.v. geefde, neemde in kindertaal) onmiddellijk als fout gevoeld en dus gekorrigeerd wordt. Toch blijft het aantal sterke werkwoorden in de tegenwoordige levende taal, ruim 160, ver in de minderheid, vergeleken met de zeer talrijke en zich steeds uitbreidende groep van de zwakke werkwoorden. Daarnaast staat dan nog een kleinere groep die meestal in de spraakkunsten onregelmatig genoemd worden: gemengd sterk en zwak, uit verschillende stammen samengesteld, of met afwijkingen die weer alleen door hun voorgeschiedenis in oud-Germaanse tijd te verklaren zijn.

 1)  Zie zijn Nederlands tussen Duits en Engels blz. 50.

Vervoeging.
Vorming van het praeteritum en het participium perfecti.

50 De zwakke werkwoorden.

Bij de overgrote meerderheid van de zwakke werkwoorden heerst dus regelmaat. Deze kunnen dus bij een zuiver synchro-

[p. 116]

nische taalbeschrijving de regelmatige genoemd worden. terwijl dan de kleine groep, die historisch verklaarbare afwijkingen vertonen, met de zogenaamde ‘sterke’ werkwoorden als de onregelmatige kunnen gelden. De wisseling van -de en -te hangt af van de voorafgaande consonant. Toen van de oudere uitgang -ede de ə gesynkopeerd werd, veranderde de d na een stemloze consonant in t, dus b.v. werkte tegenover diende, speelde. Een omgekeerde assimilatie ontstond in sommige dialekten, b.v. in het Maastrichts, waar de slotconsonant van 't verbum aan het volgende -de gelijkgemaakt is (praodde, danzde). Na een stam op d of t is de uitgang alleen -e, na een dubbel geschreven d of t: rĕd (d)e, wacht(t)e.

Onregelmatig door klankwijziging, die alleen historisch verklaarbaar is, zijn enige werkwoorden, die ook de slot-e missen, zoals denken - dacht, dunken - docht, brengen - bracht, zoeken - zocht, in het Vlaams ook werken - wrocht. Daarnaast staat nog hebben - had. In het Middelnederlands hadden deze werkwoorden nog de slot-ə: door de grote verandering werd reeds voldoende het karakter als praeteritum aangeduid; ze vielen daardoor buiten het kader van de zwakke werkwoorden. Moonen rangschikte ze dan ook grotendeels onder de ‘ongelijk vloeiende’. 1)  

Afwijkende vormen vertonen ook zeggen en leggen, nl. zei(de) en lei(de), gezeid en geleid, naast de schijnbaar regelmatige vormen zegde en legde. De ei is hier ontstaan uit ege. Bewijsplaatsen dat ze reeds oud zijn, tekende Heinsius (§ 99) al op uit de 16de en 17de eeuw. 2)  

De synkopering van de middenvokaal heeft in het Oud-germaans door ritmische oorzaken - na lange stamsyllabe - reeds plaats gehad. Deze toestand is in het Mnl. niet bewaard: hier vindt men -ede en -de (-te) zowel bij lang- als bij kortsyllabige verba, met dien verstande, dat de eindmedeklinker van de stam invloed uitoefent, dus een andere differentiëring: synkope treft men dan gewoonlijk aan na enkele liquida en nasaal, na d, t en enkele s, dus: haelde, gebaerde, woonde, betaemde, scade, haette, vreesde en steeds na een syllabe met ə (wandelde, veranderde), zelden na rr en ll (merrede, callede), maar dubbelvormen zijn verre van zeldzaam. Na de Middeleeuwen gaan de langere vormen steeds meer verdwijnen Reeds

 1)  De wisseling van klinker in brengen: bracht e.d. is historisch verschillend van die van Mnl. kende-cande-gecant, e.d. Zie Schönfeld § 80.
 2)  In het Mnl. zijn er bij de zwakke werkwoorden verschijnselen die alleen uit de oudere taalgeschiedenis te verklaren zijn, als keriën naast keren, du leges naast ic legghe, temen naast temmen, en nog in de zeventiende eeuw verweent dat, hoewel versmolten met verwaand, een bijvorm van verwennen geweest moet zijn. Voor de verklaring verwijzen wij naar Schönfeld § 115 Opm. 4; § 122 met Opm. 2.


[p. 117]

in de zestiende en de zeventiende eeuw is synkope regel geworden (zie Lubach § 56, Vgr. § 59). In strijd daarmee schijnt dat juist in de zestiende eeuw plotseling tal van gevallen voorkomen waar aan stammen, uitgaande op t of d wordt toegevoegd -ede en -et: b.v. settede, gesettet, hoedede, gehoedet e.d., die juist in het Mnl. zelden of niet voorkomen. Lubach (§ 56*) geeft daarvan lange reeksen voorbeelden, vooral uit kerkelijke en bijbelse teksten. Wellicht is hier de oorsprong te zoeken, want in een late Mnl. bijbelvertaling vond ik eenmaal, hyperkorrekt gespeld: settetde. Bij Marnix komen ze veel voor en later nog in de Statenbijbel. Maar ook de letterkundige taal van de vroege renaissance toont er een duidelijke voorliefde voor, om ritmische redenen in het jamberitme en als welluidende rijmklanken. Dat verklaart ook het gebruik in Vondel's oudere periode; later vermijdt deze dichter ze, als strijdig met het gangbare, levende taalgebruik.

Een dubbel praeteritum vertoont begonde en begonste (begoste), waarnaast een participium begonst (begost): hier zal aan analogie naar de vormen van de praeterito-praesentia connen en onnen te denken zijn. In het Brabantse begost leeft die oude vorm voort, die in de Noordelijke gewesten wel nooit inheems geweest zal zijn.

51 De sterke werkwoorden.

De sterke werkwoorden zijn, onafhankelijk van de wording, door Van Haeringen 1)   streng synchronisch gerangschikt; in hoofdzaak aan de hand van zijn schema geven wij de volgende indeling:

 

A. Eenzelfde klankverandering in verleden tijd en verleden deelwoord.


I. bijten - beet - gebeten   47
       
II. {a. bieden - bood - geboden
{b. buigen - boog - gebogen
(13)}
(19)}
32
       

III.
{a. 1. binden - bond - gebonden
{a. 2. schrikken - schrok - geschrokken
{b. bergen - borg - geborgen
{c. treffen - trof - getroffen
(23)}
  (1)}
(11)}
  (4)}

39
       
IV. {a. scheren - schoor - geschoren
{b. tijgen - toog - getogen
  (3)}
  (1)}
4

 

 1)  N. Tg. XLIII, 20 v.v.; 103. Reeds vroeger hadden Talen, Kollewijn en Buitenrust Hettema een rangschikking beproefd.


[p. 118]

B. Klankverandering alleen in de verleden tijd.


V. {1. genezen - genas - genazen - genezen
{2. komen - kwam - kwamen - gekomen
  (8)}
  (1)}
9
       
VI. {a. vallen - viel - gevallen
{b. vangen - ving - gevangen
  (2)}
  (1)}
3
       


VII.
{a. 1. dragen - droeg - gedragen
{a. 2. slaan - sloeg - geslagen
{b. blazen - blies - geblazen
{c. lopen - liep - gelopen
{d. houden - hield - gehouden
  (3)}
  (1)}
  (4)}
  (2)}
  (2)}


12

 

C. Klankverandering anders in de verleden tijd dan in het verleden deelwoord.




VIII.
{a. bidden - bad - baden - gebeden
{b. bederven - bedierf - bedorven
{c. bevelen - beval - bevalen - bevolen
{d. zweren - zwoer - gezworen
{e. heffen - hief - geheven
  (3)}
  (6)}
  (6)}
  (1)}
  (2)}


18

 

De bovengenoemde getallen, in totaal 164 werkwoorden, zijn betrekkelijk. Immers sommige werkwoorden weifelen, en dan is het de vraag, of ze behoren te worden meegeteld (zoals met krijsen wel, met vrijen niet is gebeurd). Ook zijn niet meegerekend de half zwakke, half sterke w.w. die in § 53 worden genoemd (bakken en dgl.). Maar duidelijk is, dat de eerste drie groepen (in 't biezonder de eerste groep) de krachtigste zijn; zij omvatten bijna drie kwart (118) van het gehele getal. De andere zijn afgebrokkelde resten, soms zelfs tot één enkel geval verschrompeld. Hoe dit alles zo gekomen is, kan alleen uit de voorgeschiedenis verklaard worden.

Het aantal sterke werkwoorden dat men in het Middelnederlands aantreft, mag men veilig op tenminste ⅓ meer schatten, 1)   Verder was er meer verschil, doordat er vaker onderscheid van klinker in praeteritum sg. en pl. was; b.v. in de eerste groep, waar de tweeërlei e's in de Zuidelijke streektalen ook toen verschillend klonken en in de groepen van binden en bergen, waar het enkelvoud een a had (bant, barch). Veel talrijker was de onder VIIa genoemde groep (a-oe-a), maar het verloop was reeds in de M.E. groot, niet alleen doordat sommige in onbruik geraakten, maar ook door de afwijkende infinitieven als lachen.

Voor de tussenliggende periode, de zestiende eeuw, heeft Lubach lijsten van sterke werkwoorden opgemaakt: uit de door

 1)  Zie de lijsten bij Van Loey I § 55 v.v.


[p. 119]

hem geraadpleegde bronnen tekende hij er ± 175 aan, dus reeds vrijwat minder dan in het Middelnederlands. Voor de Statenbijbel deed Heinsius hetzelfde: hij kwam tot een aantal van ± 146; maar dit betreft een bepaald soort taal. In Van Helten's Vondelgrammatica mist men zulke lijsten; eveneens bij Nauta uit de taal van Bredero; de taal van Hooft, Cats, Huygens is in dit opzicht nog niet bestudeerd. Een verschijnsel dat vooral in de zestiende eeuw opvalt, is de neiging om een groot aantal oorspronkelijk sterke werkwoorden te doen overgaan naar de klasse van de zwakke. Talrijk zijn de gevallen bij Lubach, uit allerlei teksten van rederijkers, maar ook uit bijbelse en stichtelijke teksten in vroeg-zestiende-eeuwse drukken, als de Liesveld-bijbel (1526), het N. Testament (1524), Den Wijngaert van Sinte Franciscus (1518) enz.; later ook uit Coornhert en Marnix. Daar vindt men b.v. blijcte, verdwijnde, kijcte, vermijde, buigde, druypte, berchde, swelgde, swemde, sweerde. beveelde, weechde, steelde, e.d. Daar staat tegenover, dat de oude Mnl. vormen met a (bant, began) naast de analogische met o (bont, begon) nog verre van zeldzaam zijn. Dat geldt ook voor de oudere periode van Vondel (b.v. sanck, span, spranck), bij wie ook dergelijk ver gaand verloop van sterke werkwoorden naar de zwakke voorkomt (b.v. buigde, bergde, delfde, vermijdde), en zelfs nog voor de taal van de Statenbijbel (buigde, verberghde, swerfde, overtrefte, krijghde = voerde oorlog, pijpte). Bredero's taal, die dichter bij de volkstaal staat, gaat soms nog verder (spruytte, ontduyckte, trefte, schelde, graefde, houde = hieuw), al kent hij ook nog oude vormen als ontbant, began, beklam, starf, track, wart, mogelijk aan oudere litteratuur ontleend, maar wellicht deels ook resten uit de voorafgaande taalperiode.

Tot in het begin van de achttiende eeuw konden de grammatici in de sterke werkwoorden niet anders zien dan een raadselachtige onregelmatigheid. Moonen (1710) spreekt van een ‘ongelijkvloeiende Tytvoeginge’, en geeft in zijn XXVIIIste Kapittel eenvoudig een alfabetische opsomming, waarbij ook brengen - braght, zoeken - zocht als ‘ongelijk vloeiend’ in deze groep terecht komen. Sewel (1708) was met zijn ‘acht veranderingen’ al op de betere weg, toen hij een rangschikking naar de stamklinker beproefde, maar dan ziet hij weer vreemde ‘uitzonderingen’ in andere - namelijk oorspronkelijk zwakke - werkwoorden met dezelfde klinker, die regelmatig veranderen. Waarom - vraagt hij zich af - verandert ik byt wel in ik beet, maar ik hijg in ik hijgde, of ik breek in ik brak. maar ik beef in ik beefde?

Dit raadsel was inderdaad onoplosbaar zonder bekendheid met het oudere Germaans. Het werd verrassend opgelost door de

[p. 120]

scherpzinnige en geleerde Lambert ten Kate, vooral doordat hij het oudst overgeleverde Germaans, het Gotisch, had leren kennen. Hij ontdekte de wetmatigheid van de ‘ablaut’ en werd de voorloper van de Germanisten die taalvergelijkend vaststelden dat er zes klassen met eigen ablaut-reeksen bestonden, terwijl in een zevende klasse samengevat werden de verschillende zogenaamde reduplicerende werkwoorden, met overeenkomende klinker in de verleden tijd, als rest van een onherkenbare samentrekking van twee lettergrepen, alleen op te helderen door de overeenkomstige vormen in Grieks en Latijn en in het oudste Germaans, waarvan alleen in het Nederlandse dede een spoor bewaard is. De zeven aldus op historische gronden vastgestelde klassen, die ook in de latere Nederlandse spraakkunsten meestal als indeling van de sterke werkwoorden dienst doen zijn:


  Middelnederl. Hedendaags Ned.  
Eerste klasse: î - ee - e - e ij - ee - e - e (bijten)
Tweede klasse: ie - oo - o - o
uu
ie - oo - o - o
ui
{bieden
{buigen
Derde klasse: i - a - o - o
e
i - o - o - o
e
{binden
{bergen
Vierde klasse: e - ă - ā - o e - ă - ā - o (nemen)
Vijfde klasse: e - ă - ā - e e - ă - ā - e (geven)
Zesde klasse: a - oe - oe - a a - oe - oe - a (dragen)
Zevende klasse:      

 


1o. {vallen - viel - gevallen
{houden - hield - gehouden
en een klein aantal andere
en een klein aantal andere
2o. blazen -blies -geblazen en een klein aantal andere
3o. heten - hiet - geheten en een klein aantal andere
4o. lopen - liep - gelopen en een klein aantal andere
5o. roepen -riep -geroepen en een klein aantal andere
6o. houwen - hieuw - gehouwen en een klein aantal andere

 

Keren wij nu terug tot de hedendaagse vervoeging, waarvan hiervóór een ontleding gegeven is, en vergelijken we die met deze indeling op grond van de historische indeling, dan valt de overeenkomst op. Neemt men echter niet één voorbeeld, maar de gehele groep, dan blijkt dat er in de loop der eeuwen vrijwat, soms ingrijpende veranderingen en verschuivingen plaats gehad hebben. In het voorafgaande is al gewezen op de vereenvoudiging van de klinkers in het praeteritum, doordat die van het meervoud in het

[p. 121]

enkelvoud doordrong, op de talrijke overgangen naar de zwakke vervoeging, maar ook tussen de klassen hebben verschuivingen plaats gehad. 1)  

 1)  Na te gaan hoe de oude ablautreeksen allengs veranderd zijn en grotendeels verdwenen, ligt buiten het bestek van deze grammatika. Daarvoor verwijzen wij dus naar Schönfeld § 13-15. In de volgende paragrafen zal dus alleen de ontwikkeling sinds de 13de eeuw nagegaan worden, en dat slechts in hoofdzaken; voor biezonderheden verwijzen wij naar Van Loey t.a.p.

52 Verschuivingen van sterke werkwoorden naar een andere klasse.

Opmerkelijk zijn de lotgevallen van het ww. spuwen, dat naast spiën (1ste klasse) stond, maar ten gevolge van de afwijkende vokaal naar klasse II (type bluwen) verliep, waarbij dan, onder invloed van tien-toog, Mnl. spooch (naast speech) ontstond. Uit dit spoog ontwikkelde zich weer een nieuwe infinitief spugen, dat naast de sterke ook een zwakke vervoeging kreeg.

Bevelen, in het oud-Germaans tot de derde klasse behorende, was door het verlies van de oorspronkelijke h na l al vroeg overgegaan tot klasse IV. Treden (klasse V, maar got. trudan behoorde tot kl. IV) werd in het Mnl. ten gevolge van de metathesis (terden - tart - getorden) naar de derde klasse overgebracht. Steken, dat in het Mnl. zo goed als altijd naar klasse V gaat, en dat ook in de zestiende eeuw nog gesteken als normale vorm heeft (Lubach § 29e), is naar klasse IV overgegaan (gestoken).

Enige ww. van klasse VI (b.v. heffen) gingen reeds vroeg over naar klasse VII (Mnl. hief). Omgekeerd kreeg het reduplicerende w.w. waaien (klasse VII) een praeteritum woei naar de zesde klasse.

53 Gehele of gedeeltelijke overgang van sterke werkwoorden tot zwakke.

De reeds besproken machtige invloed van zwakke werkwoorden, op grond van hun regelmatigheid en overgrote meerderheid, kan ook uit het verleden van onze taal met tal van voorbeelden geïllustreerd worden. De afbrokkeling van de minderheidsgroep is niet altijd duurzaam geweest: dat bleek ons reeds uit de vermelde gevallen uit de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw. In het algemeen kan men zeggen dat bij verloop van sterk naar zwak het participium meer weerstand biedt dan het praeteritum, beschermd als het is door de infinitief, waarmee het vaak - afgezien van het praefix ge - in vorm geheel overeenstemt. Ook het nominale karakter van de infinitief biedt daarbij steun. Wat het gebruik van de ene of de andere

[p. 122]

vorm betreft, zijn er vrij sterke gewestelijke verschillen, veel meer dan uit de volgende opsomming zal blijken. Uit de hedendaagse dialekten zou deze lijst ook met verscheiden gevallen aan te vullen zijn; eveneens met sporadisch opkomende vormen, waarvan de levenskracht nog niet gebleken is, maar die, gepropageerd door een jonger geslacht, in elk geval toekomstkansen hebben. Scherpe scheiding tussen reeds algemeen gebruikelijke en opkomende vormen, is dan ook niet te maken. Gerangschikt naar de klassen zijn de volgende oorspronkelijk sterke ww. geheel of gedeeltelijk (met sterk gebleven participium) tot de zwakke vervoeging overgegaan:

Klasse I: vlijen, grijnen (grienen), beklijven, bezwijmen (bij Vondel nog steeds bezweem), dijen (als geïsoleerd adj.: gedegen), krijsen (in het Mnl. meestal sterk, gelijk nog in Zuid-Nederland, maar soms al zwak), krijgen (met de betekenis: oorlog voeren; anders sterk), krijten (o.a. bij J. van Looy: ‘krijtte hij zachtkens’).

Klasse II: klieven, kruien (Mnl. cruden is sterk; in sommige streken hoort men nog krooi, gekrooien; vgl. eveneens dialektisch gelooien als participium van luien (Mnl. luden), rouwen (door de afwijkende praesens-vokaal buiten het kader vallend), brouwen (gedeeltelijk).

Klasse III: belgen (naast gebelgd het geïsoleerde verbolgen), dorsen (met afwijkende praesens-vokaal: Mnl. derscen), (ver)warren (Mnl. werren en warren), breien (uit Mnl. breiden, in minder beschaafde taal sterk gebleven door overgang naar de eerste klasse: bree, gebreeën). Verder nog gedeeltelijk: barsten, kerven, zwelgen, delven, bergen (het laatste bij Vondel, met een vermoedelijk willekeurige differentiëring van betekenis, sterk in de oorspronkelijke betekenis, zwak in die van behouden, redden: Vgr. § 39d).

Klasse IV: baren (met afwijkende praesens-vokaal en gesioleerd deelwoord geboren), helen (met een geïsoleerd deelwoord, adjektief geworden verholen). Gedeeltelijk ook wreken.

Klasse V: kneden, (ver)plegen (maar plegen = gewoon zijn, met sterke vorm in het praeteritum placht, onregelmatig door de t, die wellicht te verklaren is uit samensmelting met het gewoonlijk volgende voorzetsel te, door analogie naar bracht, dacht, of hyperkorrekt; vgl. dach(t), brach(t). Een deelwoord ontbreekt in hedendaagse taal. Verder geschieden Mnl. gescien, evenals begien ‘bekennen, belijden’, steeds zwak, gevolg van de afwijkende praesens-vokaal. De sterke vorm gescach, in Oostelijke teksten, kwam in gebruik onder Duitse invloed. Gedeeltelijk ook weven en wezen (met het geïsoleerd gewezen, dat adjektief geworden is).



[p. 123]

Klasse VI: schaven, waden, waken, gewagen, beseffen. Gedeeltelijk: lachen (in het Vlaams nog de sterke vorm loeg) laden, malen, bakken (Vlaams boek en ook Noordbrabants biek als sterke vormen), wassen (Vlaams en in archaïstisch-litterair gebruik: wies(ch)).

Klasse VII: zaaien, vloeken. Gedeeltelijk: spannen, bannen, zouten, vouwen, spouwen, waaien (met woei naar de zesde klasse), raden (waarnaast ook ried), braden (in het Vlaams ook nog bried), heten, scheiden, stoten (met het verouderde en deftige praeteritum stiet).

54 Gehele of gedeeltelijke overgang van zwakke werkwoorden tot sterke.

Het omgekeerde verschijnsel van de afbrokkeling der sterk vervoegde werkwoorden is de uitbreiding van deze kleine groep tengevolge van analogie, een bewijs van ‘De taaie levenskracht van het sterke werkwoord’, waarop Van Haeringen de aandacht gevestigd heeft. 1)   Ter illustratie van deze reeds boven opgemerkte overgangen geven wij ook daarvan een opsomming, naar de klassen gerangschikt, waaruit zal blijken dat vooral de talrijkste klassen, de eerste en de derde, de meeste veroveringen hebben gemaakt. Van Haeringen heeft reeds opgemerkt: ‘Dat de klasse van grijpen de sterkste werfkracht heeft betoond, zal wel liggen aan de grote getalsterkte van deze groep, alsook misschien aan de betrekkelijke talrijkheid van zwakke verba die hetzelfde stamvocalisme hadden en daardoor voor annexatie in aanmerking kwamen’. Maar hij noemt ook een andere oorzaak: ‘Deze opmerkelijke expansieve kracht moet wel voornamelijk gelegen zijn in de onderlinge gelijkmaking van de secundaire vormen, waardoor deze onregelmatige werkwoorden een zekere regelmaat verkregen, en in de scheiding tussen de hoofdvormen dezelfde systematiek vertoonden als de regelmatige zwakke verba.’

Klasse I. Waarschijnlijk is het in de Romeinse tijd ontleende schrijven het oudste voorbeeld. Van vroege datum zijn ook de aan het Romaans ontleende werkwoorden prijzen, kwijten, spijten. Oorspronkelijk zwak zijn ook wijzen (met het relict gewijsde in de rechtstaat) en (ge)lijken. Belijden (Mnl. beliën) ‘is sterk geworden langs de merkwaardige omweg van de hypercorrect ingevoerde d’. Verder nog benijden (ook zwak), vermijden, hijsen, hijgen, stijven (in de alledaagse konkrete betekenis, wellicht onder invloed van strijken) en in minder beschaafde taal vrijen, vijlen. Ook werkwoorden met ei - merkt

 1)  N. Tg. XXXIV, 241.


[p. 124]

Van Haeringen op - worden begrijpelijkerwijze in deze sfeer getrokken. Vandaar schee uit en uitgescheeën van uitscheiden, en dialektisch: reizen - rees - gerezen, dweilen - gedwelen.

Klasse II: schuilen, spuiten, pluizen, fluiten (eerst sedert de 18de eeuw), soms ook kluiven, wuiven, dialektisch ruilen en in studententaal als ‘opzettelijke’ schertsende formatie fuiven - foof - gefoven.

Klasse III: zenden, schenden, schenken en in minder beschaafde taal: erven (wellicht invloed van sterven) en wenken (intussen ook in Gorter's Mei) - dingen, blinken (uit blenken, bij blank), schrikken (intransitief), hinken (in Brabant honk, gehonken (vgl. WNT).

Klasse IV: scheren (toedelen), samenvallend met scheren: snijden, en dan de lotgevallen hiervan delend.

Klasse VI. Gedeeltelijk bij jagen en vragen.

In dialekten zijn er meer gevallen, b.v. Vlaams miek naast maakte, rok, gerokken naast rekte, gerekt, Hollands twefel naast twijfelde; de klok heeft gelooien naast geluid.

Sterke en zwakke vervoeging bij homoniemen.

In de meeste spraakkunsten wordt opgemerkt dat sommige werkwoorden sterk of zwak vervoegd worden met differentiëring van de betekenis, b.v. prijzen: in de uitstalling staan de waren geprijsd; de winkelier heeft de kwaliteit van zijn waar geprezen. Deze beschouwing is taalkundig onjuist. Dit is niet één werkwoord met tweeërlei betekenis, maar het zijn homoniemen, al zijn ze etymologisch denominatieven van een Romaans substantief prijs. Datzelfde geldt voor krijgen = ontvangen en krijgen = oorlog voeren, al zijn ook deze hogerop verwant (Mnl. crighen), voor plegen = uitvoeren (b.v. een diefstal) en plegen = gewoon zijn, voor wijzen - tonen en (een vonnis) uitspreken, voor malen = schilderen en fijn maken.

Scheppen = putten en scheppen = te voorschijn brengen zijn twee werkwoorden die alleen gelijk van klank zijn. Dat is ook het geval met wassen: met was bestrijken, wassen met water reinigen en wassen = groeien. Dichter bij elkaar staan pluizen = uitpluizen en pluizen: pluizen afgeven; stijven: met stijfsel behandelen en figuurlijk: stijven in 't kwaad, maar ook daar voelt de tegenwoordige gebruiker geen rechtstreeks verband, evenmin als b.v. in streken waar ij = ie is, piepen (van een vogel) en pijpen (piepen) (van een fluit), kieken (fotograferen) en kijken (kieken) als één werkwoord met tweeërlei betekenis beschouwd zullen worden. Eigenlijk is dus verschil van vervoeging door differentiëring van betekenis zeldzaam, en wellicht beperkt tot gevallen van willekeurig ingevoerd onderscheid, gelijk te voren bij Vondel's gebruik van bergen ondersteld werd.



[p. 125]

55 Betekenisovergang en vermenging bij sterke en zwakke werkwoorden.

Wanneer naast een sterk intransitief werkwoord een zwak causatief gevormd was, dan gebeurde het herhaaldelijk dat het tweede de betekenis van het eerste overnam. Rennen b.v. is een causatief van een niet overgeleverd sterk werkwoord *(ge)rinnen, met een geïsoleerd deelwoord geronnen (b.v. zo gewonnen, zo geronnen), maar heeft de betekenis van zich snel bewegen gekregen. Zwemmen en brengen zijn formeel causatieven, met het praeteritum en participium van de sterke verba *zwimmen en *bringen. Het causatieve trekken verdrong het Mnl. treken, maar nam daarvan de sterke vormen trac, getrocken over. In bederven vloeiden beide verba klankwettig samen, maar nu heeft het sterke werkwoord beide betekenissen. Dit is ook het geval met Mnl, bernen, barnen (thans branden). Genezen, wegen en bewegen nemen reeds in het Mnl. ook causatieve betekenis aan. Smelten is nu steeds sterk, met beide betekenissen.

De versmelting van liggen en het causatieve leggen, vooral in het Hollands, reeds sedert de Middeleeuwen, is bevorderd doordat de 2de en 3de persoon enkelvoud klankwettig samenvielen, namelijk: du leges, hi leget > hi leit. Herhaaldelijk vindt men dan ook in de volkstaal van de 17de en 18de eeuw, in de kluchten en scheepsjournalen leggen voor liggen en omgekeerd lag = legde, gelijk uit de plaatsen in het WNT blijkt. In de achttiende eeuw hebben Huydecoper en Ten Kate de strijd daartegen aangebonden, later gesteund door het onderwijs, maar in de levende volkstaal van Holland wordt het onderscheid nog steeds niet in acht genomen. Heyermans schrijft b.v. ‘Daar lee ik over te piekeren’, en ‘Vader lei 'm in 't kermisbed en stopte 'm zoo stevig in, dat je vastgesnoerd op je laken lee’ (Droomkoninkje), en Jac. van Looy: ‘Weelsen ... lag papier en bril naast zich weg’ (De verjaardag).

56 ‘Grammatischer Wechsel’.

Bij sommige sterke werkwoorden vindt men, behalve wisseling van klinker, een wisseling van medeklinker, waarbij de ene consonant oorspronkelijk eigen was aan de twee eerste kategorieën (praesens, praeteritum sing.), de andere aan de twee laatste (praeteritum plur. en participium praeteriti), maar waarbij analogie de oorspronkelijke verhoudingen soms verstoord heeft. Voor de verklaring van dit verschijnsel uit het Oud-Germaans verwijzen wij naar de historische grammatika. Wij bepalen ons tot de feitelijke toestand in het hedendaagse Nederlands; met een terugblik tot het Middelnederlands. Op te merken zijn:



[p. 126]


verliezen: verloren. Analogisch verloor.
vriezen: vroren. Analogisch vroor.
wezen: waren. Het analogische gewezen is alleen als adjektief bewaard en als deelwoord verdrongen door geweest.
[be]tijen   Analogisch tijgen (Mnl. tien): trekken.
slaan: sloegen.  
zien: zagen. Analogisch gezien.

 

Bij kiezen behoort geïsoleerd (uit)verkoren; bij (ge)dijen: gedegen. Indien twee vormen naast elkaar voorkomen, de oorspronkelijke en de analogische, dan strijden ze om de voorrang, waarbij de ene het wint, de andere allengs op de achtergrond geraakt en dan als de minder gebruikelijke in de ‘dichterlijke taal’ zich handhaaft, b.v. bevrozen als archaïstische vorm, reeds in de zeventiende eeuw, naast bevroren. Hooft toont een zekere voorkeur voor bevrozen; in de Batavische Arcadia: vervrosenste. Volgens het WNT (II, 2360) waar men meer plaatsen vindt, behoort bevrozen in Zuid-Nederland tot de gewone omgangstaal. In de Noordbrabantse Kempen zijn vroos en verloos nog veel in gebruik 1)  .

In het Mnl. treft men meer resten van dergelijke consonant-wisseling, b.v. bij dwaen, vlaen enz. Het verdwijnen ervan kan plaats hebben ten gunste van de consonant van de twee eerste kategorieën, als bij genezen, lezen, rijzen, bevelen, vlijen (nu zwak geworden), lachen (nu met zwak praeteritum), of ten gunste van die der twee laatste, als bij rijgen (Mnl. riën), zijgen (Mnl. siën), tijgen (Mnl. tien: beschuldigen), zwelgen, gewagen (nu zwak geworden), plegen (Mnl. plien), hangen (Mnl. haen), vangen (Mnl. vaen).

 1)  Vgl. Corn. - Vervliet, (Inleiding, blz. 83).

57 De praeterito-praesentia en willen.

Een aantal werkwoorden vertonen onregelmatigheden, namelijk meestal klinkerwisseling in het praesens, terwijl het praeteritum gevormd wordt als bij de zwakke werkwoorden. Van tegenwoordig standpunt beschouwd, zijn deze onregelmatigheden onverklaarbaar. Ze zijn alleen op te helderen door de voorgeschiedenis - als praeteritum-vormen met praesensbetekenis, voorzien van een nieuwe, zwakke verleden tijd zonder bindvokaal - die hier niet besproken zal worden, en waarvoor we naar de historische grammatika verwijzen. Het zijn:

weten: wist,

kunnen, kan: kon (kost)

zullen, zal: zou (< zoude)



[p. 127]

mogen, mag: mocht

moeten, moet: moest.

De derde persoon enkelvoud heeft geen uitgang -t; (hij kan, zal, mag) die bij weet en moet vanzelf ontbreekt. Onder invloed daarvan en van de eerste persoon eveneens vaak in de tweede persoon: je kan, zal, mag, naast: je kunt, zult, moogt. De eerste persoon kenmerkte zich ook in het Mnl. door 't ontbreken van de uitgang, toen de andere verba nog -ə hadden. In het participium praeteriti vindt men, voorzover dat voorkomt, allerlei nieuwe vormingen, b.v. geweten, dat onder invloed van de infinitief in de plaats gekomen is van 't nog als adjektief bewaarde (ge)wis.

In het Mnl. was deze groep uitgebreider: er behoorden nog verscheiden werkwoorden bij, die zich geleidelijk tot regelmatig zwakke werkwoorden ontwikkeld hebben, namelijk deugen uit Mnl. dooch - dochte - ghedocht en ghedoghen; gunnen uit Mnl. (ge)onnen: ic an - wi onnen - onde en onste - gheonnen; durven, ontstaan door de versmelting van twee praeteritopraesentia, namelijk dorren (ic dar - wi dorren - dorste - ghedorst en ghedorren) waarvan het de betekenis overnam, en dorven = nodig hebben, behoeven (vgl. Hd. dürfen) (ic darf - wi dorven - dorfte en dorste - het participium komt niet voor), waaraan het de vorm ontleende. De vermenging zal voornamelijk veroorzaakt zijn doordat beide werkwoorden dezelfde verleden tijd hadden. De aanpassing aan regelmatige vormen begint al vroeg, o.a. ic darre in het gedicht Van den levene ons heren. In Vondel's taal vindt men naast vormen met abnormale a (infinitief darren, hij dart, wij darren, ghij dart) ook dorven, en weer naast elkaar hij durf en hij durft, met een verleden tijd durfte, durfde en dorst (Vgr. § 47). In hedendaagse taal heeft zich dorst naast durfde gehandhaafd, al schijnt het laatste de overhand te krijgen.

Bij kunnen (Mnl. connen - conde - en conste - gheconnen, zelden gheconst) is kon de afgekorte vorm van konde. Het andere praeteritum, dat in het Mnl. ook reeds voorkomt als coste, is in het Brabants-Limburgse kost of kos (waarnaast analogisch ook wos = wist) bewaard. De Brabander Vondel kende naast elkaar kost en kon.

Bij zullen, dat in het Mnl., naar het dialekt afwisselende klinkers heeft (sullen, solen; selen, sellen) is zou eveneens een afkorting van soude (uit solde). Een herinnering aan een oude persoonsuitgang van het praeteritum bewaarde het Mnl. in de vorm du salt of du sout. Een participium praeteriti is ook in het Mnl. niet aangetroffen.

Moeten had reeds in het Mnl. naast moeste een Brabants-Hollandse bijvorm moste, die bij Vondel voorkomt als most

[p. 128]

naast een minder gewoon moest. Het Mnl. participium was ghemoeten, dat nu zelden voorkomt (o.a. nog in het Brabants) b.v. ‘Hij had niet veel zin, maar hij heeft wel gemoeten’.

Willen behoort niet tot de praeterito-praesentia, maar heeft daarmee de overeenkomst dat in de derde persoon geen uitgang t voorkomt: hij wil. De analogische vorm hij wilt komt al in 't Mnl. voor, in Brabant 1)   (bij Vondel volgens Van Helten slechts op één plaats; Vgr. § 47). In Holland schijnt die jongere vorm geen sukses gehad te hebben. Een gebruikelijke verleden tijd is wou, uit woude (< wolde). De optatief wille is verschoven naar de indicatief. Gewoonlijk verklaart men deze opschuiving als uitvloeisel van bescheidenheid (conjunctivus modestiae: ‘ik zou willen’ werd: ‘ik wil’), maar deze verklaring treft alleen doel voor de eerste persoon, en is daarom niet geheel bevredigend. Daarom gaan o.a. Behaghel en Wackernagel uit van het feit dat de optatief van willen normaliter in de hoofdzin gebruikt werd, doordat de erbij behorende zin regelmatig een optatief bevatte, die dan de indicatief verdrongen zou hebben.

 1)  Van Loey I § 75.

58 Defektieve werkwoorden.

Sommige werkwoorden zijn vanouds defektief, d.w.z. er komen slechts een deel van de normale vormen voor, terwijl de overige vormen - voorzover die nodig zijn - ontleend worden aan werkwoorden met verwante of niet verwante stammen. Het bekendste voorbeeld is zijn, dat aangevuld wordt door ben en wezen Begrijpelijk is het, dat de taal pogingen doet om die onregelmatigheid door allerlei analogie op te heffen of te verminderen. Al vroeg is dat het geval in de infinitief. Het Oudgermaans kent als zodanig alleen wezen; eerst in 't Ohd. ontstaat onder invloed van andere (n)-vormen een onbep. wijs sīn; in 't Hgd. is dan later wesen tot substantief geworden. Het Mnl. kent beide infinitieven; thans is zijn de kultuurvorm. die in 't Zuiden de alleenheerschappij en in 't Noorden duidelijk de voorkeur heeft. Wezen is voor 't grootste deel van ons land een gemeenzaam woord, maar in oostelijke dialekten is het alléén in gebruik. 2)   Andere analogische vormen vindt men in de Amsterdamse kluchtentaal van de zeventiende eeuw, b.v. in de eerste persoon sin ick (Hooft's Jan Saly), dat overeenkomt met het tegenwoordige Brabantse en Vlaamse ik sen, sin en si. In de tweede persoon ook jij sint naast het oudere en nog gewestelijke (Limburgse en Groningse) best

 2)  Dit alles is door Van Haeringen (T.e.T. 6, 167 vlg.) duidelijk uiteengezet. Zie voor de begrijpelijke uitzondering ik ben eens wezen kijken de volgende alinea.


[p. 129]

en bist. Het meervoud had in de zeventiende eeuw ook: zij zinnen, o.a. in een klucht van Boelens rijmende op binnen, maar daarnaast ook reeds: ‘de Meysjes benne’, een vorm die nu in minder beschaafd en familiaar gebruik in alle personen gebruikelijk is (wij, jullie, zij bennen).

Wezen is in het praesens verdrongen. Ook het participium praesentis Juidt nu zijnde (vgl. echter: nu ter tijd wezende). Daarentegen heeft het in de imperatief (wees, weest), in het participium praeteriti (geweest) de overhand gekregen (vgl. ook: ‘ik ben eens wezen kijken’), terwijl het in het praeteritum was - waren door alle tijden heen gebruikelijk bleef. Ook de conjunctief weze is in Zuid-Nederland nog in gebruik.

Het Mnl. bezat nog een overoude vorm: ic bem, een regelmatig participium gewesen (nu geïsoleerd als adjektief) naast een analogisch gevormd ghesijn (vooral West-Vlaams) en een imperatief si, die nog voortleeft in de Noordbrabantse Kempen (zε = zij), b.v. ‘Hendrik, zε braaf!’

De werkwoorden gaan en staan werden aangevuld door gangen en standen: vandaar ging en stond. Door wederzijdse invloed ontstonden de dialektische en minder beschaafde vormen gong en sting.

Werkwoordelijke kategorieen.

59 Algemene opmerkingen.

We zullen nu achtereenvolgens nagaan, in hoeverre het tegenwoordige Nederlands en dat van oudere perioden het vermogen bezit of bezat om bij het werkwoord tot uitdrukking te brengen:

  • 1o. de persoon, d.w.z. de spreker, de aangesprokene en de derde persoon (nòch spreker nòch aangesprokene);
  • 2o. numerus, het ‘getal’ (singularis en pluralis), de enige kategorie die het verbum met het substantief gemeen heeft, en berustend op kongruentie met een enkelvoudig of meervoudig subjekt. Pluraliteit bij de handeling is ook mogelijk, maar die leidt tot de vorming van iteratief of frequentatief (door herhaling, omschrijving of toegevoegde adverbiale bepaling), b.v. huppelen, trappelen; toevoeging van: herhaaldelijk, telkens, iedere dag e.d. Ook zijn er werkwoorden die dadelijk de voorstelling van iets meervoudigs wekken (verba pluralia tantum) b.v. wemelen, omsingelen, zich verzamelen, samenscholen, vergaderen. Dan is het subjekt vanzelf meervoudig, maar evengoed sluit de werkwoordvorm zich daarbij door kongruentie aan;
  • 3o. aspekt en ‘Aktionsart’ d.w.z. de aard van de handeling of de wijze van voorstelling: beginnend (inchoatief), voortdurend (duratief), tot resultaat voerend (perfektief);


[p. 130]

  • 4o. tempus: de verhouding van de handeling tot de tijd waarin die geschiedt of van de opgemerkte toestand;
  • 5o. modus: de verhouding van de handeling tegenover de werkelijkheid (b.v. mogelijk, wenselijk, waarschijnlijk);
  • 6o. genus: de richting van de handeling (aktief en passief).

De middelen om dit alles tot uitdrukking te brengen, zijn van verschillende aard; in allerlei talen wisselend naar tijd en taal: wisseling van stamklinker (geef, gaf), gebruik van synonieme stammen (ben - was), uitgangen en praefixen (geeft - gegeven), toegevoegde pronomina (ik geef), omschrijving door hulpwerkwoorden (hebben, zijn, zullen, worden). Soms door meer dan één middel (hij geeft) en vaak ook door andere woorden (modale bijwoorden).

60 Persoon en Getal.

Het hedendaagse beschaafd gesproken Nederlands kent maar twee persoonsuitgangen: -t en -en, de laatste met twee regionale varianten, als men bedenkt dat in het grootste deel van ons land wel -en geschreven, maar -e gezegd wordt. Dat deze n al vroeg verdwenen was, blijkt uit de plaatsen die Lubach (§ 79d) uit zestiende-eeuwse bronnen optekende (vgl. ook de infinitieven, aldaar § 81). De Oostelijke provincies kennen òf -en òf sonantische n; in sommige dialekten aldaar hebben de drie personen meervoud dezelfde uitgang t. Doordat de pronomina of het nominale subjekt reeds de persoon aangeven, is de uitgang eigenlijk funktieloos, en zou dus - als de t na een stam op t: jij, hij zet - zonder schade kunnen verdwijnen. Door het veelvuldig gebruik en herhaalde navolging heeft echter de uitgang in de meeste gevallen grote vastheid gekregen, al is in andere gevallen afbrokkeling merkbaar. In de geschreven taal, vooral in litterair gebruik, werkt de traditie dan vaak nog lang door.

Praes. Indicatief. De eerste persoon heeft in het algemeen-beschaafd geen uitgang. Het Vlaams daarentegen - o.a. de taal van Guido Gezelle - heeft de oude Mnl. uitgang-e tot op heden bewaard. Archaïstisch komt deze vorm, zonder pronomen, in enige vaste briefstijl-formules nog voor: verblijve, verzoeke; zegge (in een kwitantie); in koopmansstijl soms: zende.

Door de invloed van Zuidelijke letterkundige taal, vooral in kerkelijk gebruik, zijn de vormen met -e in geschriften tot diep in de negentiende eeuw verre van zeldzaam. In de levende taal van Holland zijn ze stellig reeds in de late Middeleeuwen verdwenen: - volgens Van Helten (blz. 251) niet vóór de 15de eeuw - ook in de volkstaal van de zeventiende-eeuwse kluchten ontbreken ze. Waar ze nog voorkomen, verraden ze de Zuidelijke afkomst van hun auteurs, b.v. in twee te Vlissingen en te Middelburg

[p. 131]

gedrukte kluchten, waarschijnlijk dus van Zeeuwse oorsprong: de klucht van de half-backen Fop (ick bedancke u, ick raede. ick antwoorde) en Klaerbout's klucht van 't kalf (ick kome, ick houde mijn mont en segge al heymelijc).

In de zestiende eeuw konkurreren vormen met en zonder -e, in bijbelvertalingen, souters, bij Marnix overheersen de eerste (zie de statistiek bij Lubach § 61). Vondel gebruikt ook afwisselend: ick gun en gunne, ick bemin en beminne (Vgr. § 50). Van belang is, dat de Statenvertaling, behalve in hiaat, in de regel de vormen met e gebruikt, want voor veel auteurs was de taal van de Staten-bijbel toongevend. In zeventiende-eeuws proza vindt men b.v. bij Van Beverwijck: ‘Dat exempel hebbe ick voor te volgen, ende make dat ...’ Bij Valentijn: ‘Hoe meer ick toeschiet, en de strant nadere’, en in een reisbeschrijving van Struys: ‘gelijk ik daarvan noch op heden veele lidteekens drage, en deselve... getoont hebbe’. In de negentiende eeuw is deze -e nog niet ongewoon in deftige stijl, b.v. bij Staring: ‘Wat u smaakt hoeve ik niet te weten’, in de archaïserende stijl van Potgieter: ‘Ik leide geen louter Nabob's leven’ (Jan Jannetje), en onder Potgieter's invloed bij Bosboom-Toussaint en Schimmel. Hyperkorrekt komt de vorm een enkele maal voor bij een praeterito-praesens: ick derve (bij Huygens; vgl. reeds ick derre (in Mar. v. Nieum.).

In dialekt en in minder beschaafde taal komt een n voor bij de werkwoorden: gaan, staan, doen, zien, mogelijk onder invloed van: ik ben, vooral bij enclise van ik. Als ‘onorganische’ n komt hij in de latere M.E. ook voor bij een aantal andere werkwoorden o.a. in bidden (Franck § 125, Van Helten § 206, waar vooral Duits gekleurde teksten vermeld worden). Bij de werkwoorden gaan, staan, doen is de n verklaarbaar als rest van een overoude vorm; bij zien werkte dan reeds de analogie. Noemt men de n een ‘overgangsklank’, in de geïnverteerde vormen ontstaan, dan is dat meer het konstateren van een feit, dan een verklaring. In de 16de eeuw vindt men herhaaldelijk ic sien en sien ic (Lubach § 62), hoogst zelden de n bij andere werkwoorden: ic hebben een enkele maal bij Coornhert en bij Jan van Hout. In de volkstaal van de zeventiende-eeuwse klucht ook doen ick, sien ick, waarbij zich dan analogisch het ww. slaen, aansluit: slaen ick, ick slaender vast op (in Breughel's kluchten (begin 17de eeuw). Dat ik kan, zal, mag pok in oudere taal nooit de uitgang -e gehad hebben, is begrijpelijk door hun oorsprong als praeterito-praesentia.

Dialektisch hoort men in Holland en Utrecht soms: ik gaat, ik hoort, waarschijnlijk als hypercorrect te verklaren (vgl. ik dach voor: ik dacht).

2de persoon enkelvoud. In aanmerking komen de vormen die zich aanpassen bij de drie gangbare pronomina: jij (je), u in algemeen-beschaafd gebruik, gij (ge) in vormelijke en schriftelijke

[p. 132]

taal. In deze drie gevallen is de uitgang t (jij, u, gij geeft), die echter in familiaar Nederlands ontbreekt in: je heb, je ben en regelmatig bij enclisis van je verdwijnt (geefje), terwijl ww. met een stam eindigend op t vanzelf deze uitgang missen (jij, u, gij zet 1)  . Naar analogie van geefje ontstond ook wor-je, vin-je, verbeel-je, hiel-je (in geschreven taal met d) waarbij dus de t van de stam (uit -t of -d ontstaan) wegvalt. Dit komt dus voor, indien de stam op liquida of nasaal + oorspronkelijke d uitgaat. In dit geval hoort men in familiaar Nederlands ook wel ik wor, ik vin.

Talrijk zijn in het Mnl. de vormen bij du, met en zonder synkope (du hebs naast du sittes; enclitisch: slaepstu) in zestiendeeeuwse teksten, vooral bij Marnix en in andere hervormingsgeschriften, al behoorden ze toen al niet meer tot de levende taal. Ook de uitgang -est, -st, uit de enclitische vorm -ste (< estu) ontstaan en in het Mnl. bekend (Franck § 125, 2, Van Helten § 208) zet zich in de zestiende eeuw voort (du behoudest - du neemst), evenals de tussenvorm: du verwinste. Dat ze kunstmatig waren, reeds in de latere Middeleeuwen en in de zestiende eeuw, blijkt uit allerlei verwarringen en zonderlinge vormen als du hebt, gij oordeels e.d. waarvan men bij Van Helten (§ 210) en Lubach (§ 65 Opm.) tal van voorbeelden kan vinden.

Bij Vondel is het gebruik van ligstu, hebstu, beperkt tot zijn oudste gedichten (Gulden Winckel, Helden Godes: Vgr. § 51). Talrijker zijn bij hem nog in diezelfde periode enclitische vormen van gi (ji) als hebdy, brenghdy, die in het Mnl. zeer gewoon waren, en die hem als Brabander vertrouwd klonken. Ze leven in de Zuidelijke dialekten nog voort als hedde en, versterkt met het pronomen: heddegij, heddege (klinkend als: heddegɛ); vgl. hiervóór § 32. Wanneer ook Hollanders als Coornhert en Bredero zulke enclitische vormen gebruiken, dan is dat navolging van litterair-Brabantse voorbeelden. De Hollandse volkstaal kende ook toen slechts de enclitische vorm met wegvallen van de t: hebje, wilje etc., gelijk blijkt uit de taal van de klucht. Als Bredero dan schrijft of laat drukken wil gy, dan zal stellig wil jij bedoeld zijn.

Op te merken valt nog dat bij de praeterito-praesentia naast de oude vormen met t: gij kunt, moogt, zult diezelfde vormen bij jij (je) in gebruik zijn, maar dat naar analogie van de 1ste

 1)  Historisch hebben we in geen van deze gevallen te doen met een uitgang die bij het enkelvoudige pronomen behoorde: gij en jij zijn historisch meervoudig, u uit UE een derde persoons-pronomen, alle uit beleefdheids-vormen ontstaan. Bij het Mnl. pronomen du paste de uitgang -es (du geves). De ondergang van deze vormen is in het hoofdstuk over de pronomina besproken.


[p. 133]

en 3de persoon ook je kan, je mag, je zal, en enclitisch kan je, mag je, zal je (bij Vondel reeds mooghje) in beschaafd taalgebruik doorgedrongen zijn.

3de persoon enkelvoud. Behalve bij de praeterito-praesentia en het w.w. willen heeft de 3de persoon als uitgang t. 1)   De oorspronkelijke volle uitgang -et was in het Mnl. al in veel gevallen gesynkopeerd. Zowel voor de 2de als voor de 3de persoon werd de ongesynkopeerde vorm weer toegepast in de letterkundige taal van de zestiende-eeuwse rederijkers en vroeg-renaissancisten, vooral ter wille van een vloeiend jambisch ritme en als rijmklanken. Ook Vondel's taal van de oudere periode toont er voorkeur voor (Vgr. § 57), terwijl ook Bredero er ruim gebruik van maakt (Nauta § 116). Daarna verdwijnen ze spoorloos. De Mnl. vokaalverkorting voor dubbele consonant b.v. hi et, hi stect treft men nog aan in de zestiende eeuw (Lubach, § 66), maar die vormen hebben zich evenmin kunnen handhaven als sporen van de umlaut (b.v. hi geet, steet, e.d.), die trouwens reeds in het Mnl. tot Oostelijke (Oost-Brabantse en West-Brabantse tot de Dender) of dialektisch-Duits gekleurde teksten beperkt waren (Van Helten § 185).

Omgekeerd als bij de eerste persoon verdwijnt in Hollandse dialekten soms de t (hij komp, hij zoek, hij zeg).

1ste, 2de en 3de persoon meervoud. De 1ste en 3de persoon hebben als uitgang -en (-e); voor de 2de komen weer de vormen in aanmerking bij de drie pronomina: jullie, u, gij, waarbij de werkwoordvorm op -t past, maar bij jullie is daarnaast op zijn minst even gebruikelijk de vorm op -en, dus zowel jullie spelen (spelen jullie) als jullie speelt. Daardoor zijn dan de drie meervoudsvormen tot op zekere hoogte gelijk geworden.

 

Praesens conjunctief. Het enige verschil met de indicatief is de 3de persoon enkelvoud op -e, die echter, behalve in archaïsche taal (bijbelse taal), in geschriften (vooral bij men, b.v. in recepten: Men neme ....), mondeling op de kansel, en in enkele overblijfsels, uitgestorven is. Soms is dan de -e geapokopeerd (God bewaar me) of opgegaan in de voorafgaande klinker ('t Ga je goed). In letterkundig taalgebruik heeft de conjunctief zich lang gehandhaafd. In de zeventiende eeuw, b.v. bij Huygens, zijn die vormen talrijk. De achttiende eeuw hield ze in ere, en in de negentiende eeuw zijn ze in Potgieter's taal nog zeer gebruikelijk.

 

Imperatief. In het Algemeen Beschaafd wordt geen onderscheid gemaakt of men zich richt tot één of tot meer personen. In de meeste streken heeft de imperatief geen uitgang; in andere

 1)  De jongere vorm hij wilt is reeds in § 57 besproken.


[p. 134]

heeft de oorspronkelijke pluralis-vorm op -t gezegevierd. In weer andere streken (Gelderland, Limburg) is het onderscheid tussen singularis en pluralis bewaard, evenals dat in geschriften, naar schools voorschrift, in acht genomen wordt. Bij een beleefd verzoek, gesteund door toevoeging van u, hoort men steeds de t (Dames, komt u maar binnen. - Mijnheer, neemt u hier plaats). De oorzaak daarvan is waarschijnlijk dat in het praesens zowel bij enkelvoudig als meervoudig u de werkwoordvorm gelijk is. Deze vormen heeft Verdenius 1)   gekarakteriseerd als Congruerende imperatieven. Hij wijst daarbij op: Trekken jullie wat harder. Wezen jullie voorzichtig. 2)  

De meervoudsvorm had als uitgang -et of -t. Doordat men zich, uit beleefdheid, ook tot één persoon richtte met het oorspronkelijk meervoudige pronomen ghi, ontstond de mogelijkheid dat ook de imperatief singularis een t kreeg, b.v. Ferguut, blijft hier ende slapet met gemake. - Weest gegroet, coninc der Joden (Stoett § 349; dat dit zelfs geschiedt, wanneer men iemand met du aanspreekt, blijkt niet uit de door Stoett aangetekende voorbeelden!). De zestiende-eeuwse taal staat nog op het Mnl. standpunt, ook wat de enkelvoudsvormen met en zonder -e en wat de stamvorm betreft - vormen als nem, sich komen nog voor - maar de enkelvoudige vorm is reeds grotendeels door de meervoudsvorm vervangen (Lubach § 80). In de Statenbijbel is de vorm zonder t vrijwel verdwenen; als renaissancetaal-kultuur komt naast een enkelvoud op -t herhaaldelijk een meervoud op -et (Heinsius § 107). Ook bij Vondel vindt men vaak de meervoudsvorm bij het enkelvoud, maar de beide vormen komen ook naast elkaar voor, b.v. ‘Bedwing uw wesen wat; wilt uw gebaer betoomen’. Omgekeerd bezigt hij de vorm zonder uitgang bij de aanspraak van velen, b.v. ‘Ay, feestgenooten, Ay, schrey niet meer’. Dat komt overeen met de zeventiende-eeuwse volkstaal, blijkens de kluchten, waar herhaaldelijk de pluralis-vorm staat voor de singularis en evenzeer beide vormen naast elkaar voorkomen, b.v. ‘Gae heen en vraecht mijn Man’. - ‘Ay Trijntje, wees te vreen en wilt doch soo niet schreyen’. - ‘Hoor, hier, blijft noch een weynigh staen’. Voorbeelden van vormen zonder t bij meervoud zijn ‘Kom in Mesjeurs!’ of: ‘Wel vrinde... heb wat geduldt’. Omgekeerd weer de pluralis-vorm bij De Veer: ‘Gerrit geeft mij eens te drinken’. Ook Huygens gebruikt, zowel in Voorhout als in Dag-

 1)  N. Tg. XXXIV, 312.
 2)  In het Mnl. werd aanvankelijk verschil gemaakt tussen de imperatief van sterke ww., in de stamvorm (nem, sich van sien, dwach van dwaen) en die van zwakke ww. op -e (soeke), maar weldra zijn door analogie in beide klassen dubbele vormen ontstaan, zonder en met -e, waarvan de laatste, vooral in het Noorden weer de -e prijsgegeven hebben.


[p. 135]

werck, enkelvoudige imperatieven met t. Zoals reeds opgemerkt werd, kan de voorkeur voor de ene of de andere vorm berusten op dialektverschil, maar daar staat tegenover dat b.v. in de hedendaagse Zuidnederlandse dialekten in dezelfde zin vormen met en zonder t kunnen voorkomen. Dat blijkt uit de fonetisch getransponeerde teksten in de verzameling van Frings-Van den Heuvel, b.v. bij een Limburger (Tongeren) en een Brabander (Herenthals). Het is niet onmogelijk dat behoefte aan emfase aanleiding geeft tot het gebruik van imperatieven met t. Overdiep heeft in elk geval opgemerkt dat in het tegenwoordige Katwijks, waar de vorm zonder t de normale is, sterke nadruk en belangstelling voorwaarden zijn voor de verzwaring met t.

Het schoolse voorschrift, door de meeste spraakkunsten en het officieel gezag sinds Siegenbeek voortgeplant, dat het enkelvoud zonder t en het meervoud met t onderscheiden behoren te worden, gaat terug op het gezag van Huydecoper, die het ‘klassiek’ gebruik van onze ‘Oudheid’ meende te moeten herstellen. 1)  

 1)  Paardekooper (blz. 256; 264) stelt het Duits (met het Latijn) verantwoordelijk voor die ‘zinloze gewoonte’.

Persoonsuitgangen bij de praeterita van de sterke werkwoorden.

De 1ste en 3de persoon hebben van ouds geen uitgang. Als zeldzame vorm treft men in het Mnl. een -e aan, vooral bij verba waarvan de stam op d of t eindigt, b.v. ic bevande, hi hiete, maar ook wel ginghe, gheviele, hieuwe. Franck (§ 126) schrijft dat toe aan de invloed van naburige Duitse dialekten, en denkt aan een analogie naar de optatiefvorm, maar waarschijnlijker is de invloed van de zwakke konjugatie: dan is het dus in wezen geen persoonsuitgang, maar een verdubbeling van de tijdsaanduiding. Ook later, in de 16de eeuw (Lubach § 73), en in de zeventiende eeuw komen dergelijke vormen nog voor, b.v. bij Gerrit de Veer: ‘als hij ons ghewaer werde’, - ‘'t weer werde hoe langher hoe mottigher’. Vondel kent zulke vormen nog in zijn oudere periode, b.v. hij wierde (Vgr. § 55; vgl. Hd. wurde naast ward, met ‘Angleich’ aan de pluralis).

2de persoon: deze is bij jij (je) en u gelijk geworden aan de 1ste en 3de: jij, je, u nam en daarnaast in biezonder, steeds meer verdwijnend officieel en schriftelijk taalgebruik: gij naamt. Vrijwel onmogelijk geworden zijn b.v. gij aat, maat, zaat, baadt (van bidden). Minder bezwaar voelt men tegen: gij kwaamt, omdat daar de t als zodanig nog fungeert, wat in de eerste voorbeelden niet het geval is. De Mnl. oude enkelvoudsvorm du names (naems) is al niet overoud, want men zou de uitgang t verwachten, die in het Mnl. alleen bewaard is bij de praeterito-praesentia: du sout (< salt), macht, naast analogisch du sals (salst),

[p. 136]

machs (machts); zelden du cont, dat intussen nog bij Cats voorkomt (WNT VIII, 546).

1ste, 2de en 3de persoon meervoud: de 1ste en 3de persoon gaan uit op -en (e); de 2de heeft zich daarbij aangepast: jullie kwamen (kwamen jullie) is m.i. gebruikelijker dan: jullie kwam. Daar naast, evenals bij het enkelvoud, in biezonder gebruik: gij kwaamt.

Optatief: het enige verschil met de indicatief is in het Mnl. de uitgang -e in de 1ste en 3de persoon enkelvoud: ic, hi name, die later steeds meer ongebruikelijk geworden is. De enige resten zijn het deftige tenware (naast tenzij) en in de levende taal: als 't ware.

Het praeteritum van de zwakke werkwoorden.

In allerlei hedendaagse dialekten, zowel Noord- als Zuidnederlandse 1)  , hoort men in de 1ste en 3de persoon enkelvoud -den of -ten, zowel wanneer het voornaamwoord voorafgaat als wanneer het volgt. Dit verschijnsel is al waar te nemen in het latere Middelnederlands (Van Helten § 217), en in toenemende mate in de zestiende eeuw (Lubach § 75, ook uitgebreid tot de 2de persoon § 76). Bij Vondel vindt men het in de oudere periode (Vgr. § 56), b.v. ick laefden, hy schuylden, en ook bij Hooft in zijn oudste gedichten, b.v. in de oorspronkelijke tekst van de Granida, maar later ‘verbeterd’. Blijkbaar begon men het als plat te beschouwen. Het breidt zich dan ook voornamelijk uit in de volkstaal, bij Bredero (Nauta § 113), en in de kluchten: ‘Daar grimmelden 't van dronke bloets’. - ‘Ik lachten me schier doodt’. Soms in dezelfde passage: Men speelde, men veelde ... men dansten, men kansten’. Evenzo in volkseigen proza, als dat van Bontekoe: ‘Hierdoor branden de Brandewijn’. - ‘Ik troosten het Volk’. Dit is te opmerkelijker, omdat Bontekoe in de pluralis de n niet schrijft. Men vindt bij hem dus b.v. ‘Hoewel ik haer dit of raden, so consenteerden ik het ten langen leste.’ Maar daartegenover: ‘dat zij het wilde avonturen’ - ‘dat wij kwalijk sien konde.’

Een afdoende verklaring van deze, vooral bij Hollanders, zo eigenaardige voorkeur voor de slot-n, is nog niet gegeven. Van Helten (§ 217) dacht aan invloed van het naburige Middelduits en spreekt van ‘grotendeels Oostelijk-Mnl.’, wat niet klopt met zijn aanhalingen, grotendeels uit inkunabels zonder Oostelijke kleur. Dat geldt ook niet voor de proza-Reinaert, waar J.W. Muller, in zijn inleiding, dit verschijnsel bespreekt, en op de verbreiding, juist in Hollandse volkstaal wijst. Dat het begonnen is in de geïnverteerde vorm: seide-n-ic. sette-n- ie vóór de klinker, en

 1)  Zie de teksten in Winkler's Idioticon en bij Frings en Van den Heuvel, blz. 109.


[p. 137]

eerst later - vooral in geschreven vorm - als het voornaamwoord voorafging, is wel waarschijnlijk. Dan is ook de uitbreiding tot hef gebruik bij gij secundair, maar daarmee is de n nog niet verklaard. Aan invloed van de meervoudige vorm zou men kunnen denken, als aangenomen mocht worden dat het aanvankelijk veel voorkwam na men, dat in oudere taal vaak door een meervoudige werkwoordsvorm gevolgd werd. Mogelijk is dit een van de factoren geweest, die de verbreiding bevorderden.

Bij gij zou men historisch de persoonsuitgang t verwachten, dus: gij speeldet, gij verwachttet, maar deze t ontbreekt reeds dikwijls in het Mnl. van de 14de en 15de eeuw, wat Van Helten (Vgr. § 54) wil verklaren uit de enclitische vormen, ook in het praesens. Die veronderstelling wordt versterkt door de vele zestiendeeeuwse plaatsen die Lubach in § 41 bijeengebracht heeft (vgl. aldaar § 72). Bij Vondel ontbreekt de t regelmatig: slechts éénmaal tekende Van Helten (Vgr. § 54) ‘strecktet ghij’ aan. Vandaar ook dat Moonen als paradigma voor het enkelvoud Gij hoorde, woonde geeft, waarnaast dan deze grammaticus een speciaal meervoudig Gij hoorden, woonden fabriceert. De latere ‘schrijftaal’ -grammatica's hebben getracht, de vormen met t in ere te herstellen, en als uitsluitend korrekte vorm gij hooptet, maaktet aanbevolen, maar zonder veel sukses: uit het hedendaagse gebruik zijn ze vrijwel verdwenen.

Na de meervoudige vorm jullie zegt men ook in de streken waar de n gehoord wordt zowel -de (-te) als, onder invloed van de 1ste en 3de persoon, -den (-ten).

61 Aspekt en Aktionsart.

Aspekt, een term uit de Slavische grammatika, drukt de wijze uit waarop de handeling plaats heeft: of men de handeling ziet als voortdurend of op een bepaald punt, of dat het begin of eindpunt is, of de handeling eens of vaker plaats heeft, of die tot een resultaat leidt. Duitse taalgeleerden gebruiken daarvoor ook de term Aktionsart, maar Van Wijk meent dat het gewenst is, een onderscheiding te maken, en aspekt te beperken tot het imperfektieve en perfektieve, terwijl dan Aktionsart gebruikt wordt voor allerlei gevallen waar een buiten het kader van perfektief en imperfektief staande bijbetekenis of nuance van het werkwoord tot uiting gebracht wordt, b.v. het intensieve, het inchoatieve, het iteratieve, het effektieve of resultatieve. Voor dit alles heeft J.H. Kern als Nederlandse term ‘karakter’ voorgesteld.

In een artikel ‘Aspect en Aktionsart’ 1)   heeft Van Wijk in het licht gesteld van hoeveel belang deze kategorieën voor de

 1)  N. Tg. XXII.


[p. 138]

Slavische talen zijn, en daarbij gewezen op ‘de algemene waarheid, dat degenen die een taal spreken slechts die syntaktische kategorieën als werkelijk bestaand voelen, die zich door formele eigenaardigheden kenmerken, m.a.w. die tevens formele kategorieën zijn.’ De fijnere onderscheidingen die de Rus bij zijn velerlei werkwoordvormen onmiddellijk aanvoelt, leveren voor de vreemdeling tal van moeilijkheden, omdat zijn taalgevoel hem in de steek laat, doordat dergelijke onderscheidingen niet of zelden tot uitdrukking komen. Dat behoeft bij die aan werkwoordvormen armere talen geen onvermogen te betekenen: waar het verband op zich zelf al niet duidelijk genoeg is, bestaan er nog andere middelen, b.v. zinsaccent, samenstelling bij het verbum, adverbia (Plotseling liep hij weg. - Voortdurend sloeg hij, - Herhaaldelijk klopte hij); omschrijvingen (Hij bleef maar praten. - Hij kwam te vallen, enz.).

De invloed van de Aktionsart op de taalvormen loopt niet alleen uiteen in de verschillende talen en taalperioden, maar er kan ook in een bepaalde periode een kategorie bestaan die zelden gebruikt wordt. Een voorbeeld daarvan levert werden + participium praesentis met inchoatieve betekenis b.v. Mitridates wart jagende in foreeste’, of door beginnen, gaen, varen + participium praesentis, b.v. Een groot here ginc singende’. - ‘Hi voer liggende in een eylant’. Maar daarnaast ook, gebruikelijker, de infinitief in plaats van het participium b.v. Mnl. hi ginc sien, en in de zeventiende eeuw (bij staan): ‘door sware en barbarische pijnen stonden omgebracht te werden’, evenals nu nog beginnen of gaan + infinitief. Behalve dit min of meer vaste uitdrukkingstype kwam het ingressieve tot uiting door het praefix ver-, b.v. Mnl. verruken: er de lucht van krijgen, versien: in het oog krijgen, verhoren: beginnen te horen; Nieuw-Ned. verlieven. Of door een omschrijving aan een bepaald verbum verbonden: in lachen uitbarsten naast lachen, in slaap vallen naast slapen.

Bij aspekt: het moment of de periode van de handeling waarop men de aandacht richt, onderscheidt men dus de door het verbum uitgedrukte handeling niet naar de tijd (b.v. verleden of heden), maar naar het gezichtspunt van waaruit men de handeling ziet (b.v. voltooid of onvoltooid). Toch is er tussen aspekt en tijd verband, en ook historisch hebben de uitdrukkingsmiddelen voor de tijdaanduiding zich ontwikkeld uit die van het aspekt, terwijl ook nu nog de grens niet altijd scherp te trekken is, en overgang van het een in het ander mogelijk blijft. 1)   Dat is een voldoende reden om aspekten - al zijn ze dan op zich zelf voor onze taal van minder belang - en tempora niet afzonderlijk te behandelen. Wij beginnen dus met de aspekten en de daaruit

 1)  Zie Van Es Ts. LXXII, 241 v.v.


[p. 139]

voortgekomen tijden, om dan een bespreking te wijden aan de andere tempora, waar het tijdsbegrip overwoog en overweegt.

Belangrijk is de onderscheiding van de twee aspekten, het imperfektieve (duratieve) en het perfektieve. Bij het imperfektieve aspekt wordt de handeling voorgesteld met het oog op de duur. Daarbij maakt het principieel geen verschil of er een werkelijke duur of een herhaling (iteratief) is, b.v. het horloge tikt, de steenhouwers kloppen. Bij het perfektief aspekt wordt de handeling voorgesteld met het oog op de begrenzing, waarbij men onderscheiden kan: inchoatief en resultatief. De meeste simplicia waren en zijn niet-perfektief. Perfektieve simplicia waren en zijn meestal brengen (tegenover duratief: dragen), komen (tegenover gaan), worden (tegenover zijn) vinden (tegenover zoeken), sterven, barsten, smelten, geven (b.v. iemand een stoel geven = aanreiken, maar niet b.v. in schaduw geven). Overigens wordt in de regel het perfektieve aspekt tot uitdrukking gebracht door een praefix, dat dan perfekterende kracht verkrijgt. Daarvoor diende in het Mnl. nog duidelijk ge-, b.v.

bidden: gebidden = door bidden verkrijgen.

crighen = streven: gecrighen = verwerven.

gevallen = ineenstorten; gehoren = ten einde horen, vernemen.

gedoen = tot stand brengen.

In de jongere taal is dit niet meer het geval, misschien mede doordat in het Fries-Holl. ge- afviel (vgl. lijken, lukken, enz.). Eigenaardig is, dat de vorm met ge- bij de infinitief in bepaalde gevallen ingedrongen is, ook waar het aspekt daarmee niet overeenstemt; 't eerst bij moghen en connen, dan ook bij andere hulpwerkwoorden, vooral bij ontkenningen, b.v. ‘Cume mach hi ghespreken van moede’. - ‘Meer dan ic ghenomen can’ (Stoett § 283a I). Vgl. nog: iets niet kunnen gebeteren, zich niet laten gezeggen, iemand laten geworden, en Zuid-nederlands: hij en kan 't niet geloochenen.

Bij de andere verbaalcomposities, die perfektieve betekenis ontwikkelen, is de oorspronkelijke betekenis van het praefix veel meer behouden dan bij ge-. Het praefix ver- kan dezelfde funktie krijgen als ge-, b.v. verwerven = door werven verkrijgen, verteren. Zo ook be- in begrijpen (vgl. Hd. ergreifen), behalen, bereiken. Daarnaast perfektivering door samenstelling met adverbia, b.v. opeten, afmaken.

Het verband tussen aspekt en tempus komt ook nu nog te voorschijn bij het perfectum, dat bij alle werkwoorden perifrastisch gevormd wordt door middel van een der hulpwerkwoorden hebben of zijn. Dit hangt niet samen met de wijze van vervoegen (sterk of zwak), maar met het aspekt van het verbum. Eerst door een terugblik in de ingewikkelde voorgeschiedenis is dit geheel te verduidelijken, maar wij gaan weer uit van de hedendaagse

[p. 140]

toestand, waar, ondanks latere verschuiving en versmelting, nog duidelijke sporen van het oude verband op te merken zijn.

Bij de transitieve werkwoorden is de splitsing eenvoudig: in het aktief vervoeging met hebben, in het passief met zijn: de bakker heeft het brood gebakken; het brood is gebakken. Maar bij de intransitieve werkwoorden bemerkt men de invloed van het aspekt. Bij het duratieve aspekt, het voortdurend doen, het verkeren in een bepaalde toestand gebruikt men hebben b.v. ‘wij hebben de hele morgen gewandeld’; bij werkwoorden die de overgang van de ene toestand in de andere aanduiden - J.H. Kern koos daarvoor de term mutatieven - of een bereikt eindpunt (perfektieven) gebruikt men zijn: ‘wij zijn naar het bos gewandeld’, In de tegenwoordige taal schijnt het gevoel voor de onderscheiding minder vast te worden, en daarmee de neiging om hebben en zijn dooreen te gebruiken toe te nemen. In menig geval bestaat een dubbele mogelijkheid, doordat een intransitief verbum nu eens als mutatief, dan weer als niet-mutatief opgevat kan worden. In het eerste geval duiden ze meestal een beweging aan, b.v. dalen, glijden, klimmen, klauteren, lopen, rijden, varen, zwemmen, vliegen. Verder: liggen, zitten, staan, die mutatief ‘gaan of blijven liggen’ betekenen; vergelijk gelegen, gezeten zijn en samenstellingen als opzitten, opstaan en Vlaams rechtstaan. Weinig scherp is b.v. de grens bij volgen, dat reeds in het Mnl. met hebben en met zijn vervoegd werd. Evenzo ophouden, b.v. de regen heeft of is opgehouden. De vervoeging met zijn neemt niet alleen toe bij intransitieve werkwoorden, maar dringt soms door bij gewezen transitieve werkwoorden, zonder objekt, die daardoor voor het taalgevoel mutatief geworden zijn, b.v. beginnen, oorspronkelijk transitief met hebben, maar daarnaast vanouds intransitief, in betekenis niet veel verschillend van het natuurlijk met zijn vervoegde passief (Mnl. wert begonnen). Vandaar b.v. ‘Wat ben ik begonnen!’ naast oorspronkelijk ‘Wat heb ik begonnen!’

Onder de niet-mutatieve intransitiva is het treffendst voorbeeld van verloop in deze richting het werkwoord zijn zelf, dat nu met zijn, maar op grond van het aspekt oudtijds met hebben vervoegd werd (vgl. Frans: j'ai été, Eng.: have been). Hoewel Maerlant soms reeds zijn gebruikt, is in de zeventiende eeuw geweest hebben in de volkstaal van de kluchten lang niet zeldzaam, dit in overeenstemming met de meeste tegenwoordige dialekten. Het zijn vermoedelijk de renaissancisten, allereerst Hooft, die, teneinde orde te scheppen, hebben getracht, de vervoeging met zijn als de juiste vorm ingang te doen vinden; die met hebben werd gedegradeerd tot ‘onbeschaafde taal’. 1)   Maar de natuur was

 1)  Zie Kooiman N. Tg. XLVII, 209 v.v.


[p. 141]

vaak sterker dan de leer; zo schrijft in de 18de eeuw de Amsterdamse advokaat Hermannus Noordkerk: ‘heeft... de... wetgevende magt gedurig werkzaam geweest’. 1)  

De omgekeerde vervanging van zijn door hebben vindt men in het Nederlands in geringere mate, in tegenstelling met het Engels, waar hebben zijn zo goed als verdrongen heeft (I have come enz.), b.v. bij verblijven in de betekenis van verblijf houden. Ook bij impersonalia heeft meermalen een verschuiving ten gunste van hebben plaats gevonden. Vergelijk b.v. Mnl. ‘het is mi gedromet’ (ook wel: heeft mi gedroomt) met: ‘ik heb gedroomd’. Of Mnl. ‘het is mi berouwen’ met: het heeft mij berouwd.

Een afwijking in de richting van hebben vertoont vaak de optatief praeteriti, voorzover die een irrealis uitdrukt. Dit geldt voor het Middelnederlands, maar ook voor latere tijd, en nog in dialekt en dagelijkse omgangstaal, b.v. ‘Dat had wel gebeurd als....’; ‘Anders had dat wel in orde gekomen’ (naast was), en vooral: ‘Had dan wat eer gekomen’. Mogelijk is daarbij invloed uitgegaan van konstrukties met mogen, willen e.d. (hi hadde mogen, connen, willen + infinitief, die meestal in de irrealis voorkomen), dus zou b.v. ‘hadden si langer bleven’ een kontaminatie kunnen zijn van ‘hadden si langer mogen bliven’ en ‘waren si langer bleven’.

Ten slotte valt nog op te merken dat soms zijn gebruikt wordt waar men hebben zou verwachten, namelijk wanneer op durven, moeten, mogen, willen een infinitief volgt, die in betekenis overheerst, b.v. hij is (naast heeft) niet durven komen. Vergelijk reeds in de zestiende eeuw: ‘nu bem ic niet connen gevolgen’.

Uit de bovenstaande voorbeelden van de toenemende onvastheid in de vervoeging met zijn en hebben, ontleend aan de zeer uitvoerige, rijk gedokumenteerde verhandeling van J.H. Kern (De met het Participium Praeteriti omschreven Werkwoordsvormen in 't Nederlands, 1912), blijkt dat een historische beschouwing nodig is om de hedendaagse toestand te kunnen begrijpen, maar ook dat reeds in het oudste Nederlands de verhoudingen ingewikkeld geworden waren en, ondanks de nog duidelijk merkbare faktoren van het aspekt, allerlei gevallen een afzonderlijk onderzoek en een eigen verklaring vereisen. 2)  

 1)  Van Vloten blz. 207.
 2)  Ter inleiding gaat Kern nog verder in de voorgeschiedenis terug: daaruit stippen we slechts een paar hoofdpunten aan. De omschrijving met zijn is het oudst; het verbale adjektief, dat wij verleden deelwoord noemen, drukte uit dat iemand of iets in een bepaalde toestand gekomen was, en werd met de copula zijn verbonden. Maar een verbinding als: ‘het geweer is geladen’ kon licht in passieve betekenis tot perfectum worden. De jongere verbinding met hebben is oorspronkelijk een verleden deelwoord met een zelfstandig werkwoord hebben = houden, bezitten, wat b.v. nog uitkomt in de Mnl. verbinding met praesensbetekenis belegert hebben = belegerd houden, belegeren, en daarnaast b.v. gemint of vercoren hebben = liefhebben (vgl. nu nog: ik heb gedaan = ik ben klaar; het niet begrepen hebben op, het gemunt of voorzien hebben op). Aanvankelijk richtte zich het participium in geslacht en getal naar het objekt, maar reeds in het Oudgermaans vindt men de onverbogen vormen, waardoor de verbinding geschikt werd om ook op te treden bij transitieve werkwoorden zonder uitgedrukt objekt, dus schijnbare intransitiva, en ten slotte ook bij niet-mutatieve intransitiva, die langs deze omweg hun omschreven perfectum kregen.


[p. 142]

Verschil van praeteritum en perfectum.

Het perfectum Hij is gek geworden betekent dat hij nù gek is; het praeteritum hij werd gek zegt nog niets van zijn tegenwoordige toestand. Heb je de brief geschreven? is een vraag over de tegenwoordige tijd. Schreef je de brief? is een vraag over het verleden. Vandaar ook dat bij het perfectum de bepaling nu kan staan: Nu heb ik genoeg gegeten. Duidelijk komt de tegenstelling ook uit in de volgende zinnen: ‘Ik ben gisteren in de schouwburg geweest’ (vermelding van een toestand die nu afgelopen is). ‘Je broer was er ook’ (vermelding van een toestand, gelijktijdig met de eerst vermelde). Uit dit verschil in aspekt vloeit een stilistisch verschil voort: het praeteritum verkiest men bij een levendige, aanschouwelijke voorstelling; het perfectum bij de koele konstatering van een feit. 1)  

Intussen is dit verschil niet overal even scherp. Er zijn oude resten en er is een jongere ontwikkeling. Evenals in de Zuid-Duitse volkstaal is ook in ons land vaak het praeteritum door het perfectum verdrongen. Gewoon klinkt b.v.: Gisteren heeft het de hele dag geregend. Ook in de Hoogduitse omgangstaal is het onderscheid minder scherp dan in het Engels. Aardig karakteriseert Jespersen dat verschil in het volgende voorbeeld: wanneer een Duitser zou zeggen: Waren sie in Berlin? zou een Engelsman dadelijk vragen: When? Hij zelf is namelijk vertrouwd met: Have you been in Berlin? Het Nederlands staat in dit opzicht dichter bij het Duits.

Voor het Middelnederlands heeft Overdiep in de inleiding op zijn Ferguut-uitgave het verschil met duidelijke voorbeelden toegelicht. ‘Gisteren so sat hi bi mi allene, Hine sprac te mi waert niet een twint’. Maar: ‘Van den live heft hi gherovet Menighen ridder, menigen seriant’. En naast elkaar, in één zin: ‘Wie es die man die heft beseten Ende teblouwen minen garsoen, Daer ic sliep in mijn pauwelioen?’ Toch wordt ook reeds in het Mnl.

 1)  Het Germaanse praeteritum had zich uit een ouder perfectum ontwikkeld. Toen daarnaast een nieuw perfectum ontstond, kon aanvankelijk ook het praeteritum nog als perfectum dienst doen, maar naar mate zich de nieuwe vorm ontwikkelde, beperkte zich het praeteritum tot de taak om een handeling te beschrijven die voor het heden van de spreker afgesloten is; het perfectum daarentegen werd gebruikt, wanneer de nawerking in het heden tot uitdrukking moest komen: het omvat het begrip van voltooiing. Vgl. nog Rompelman Neophil. XXXVII, 64 vlg. (‘Form und Funktion des Präteritums im Germanischen’).


[p. 143]

het raeteritum met de betekenis van het perfectum gebruikt, b.v. ‘in dede noit man no wive quaet’. In de latere tijd neemt een dergelijk gebruik sterk toe, vooral in journalistieke taal. Daarentegen beschouwt Overdiep terecht het stereotiepe Heden overleed.... als een oude rest.

De omgekeerde neiging: het perfectum als praeteritum te gebruiken valt op te merken in de Mnl. epische poëzie. Mede onder invloed van maat en rijm ontstond uit een rekapitulerend perfectum een aoristisch perfectum (passé défini) b.v. ‘Daer die witte ridder was. Hi ginc hem meyen in dat gras. Lunetten heft hi saen versien’. En naast elkaar, met dezelfde betekenis: ‘Ende stakene so ende heft teblouwen. Dezelfde verbinding vindt men nog in Vondel's taal (Vgr. § 171). Voor het toenemend gebruik van het perfectum, waar men een praeteritum zou verwachten, in de hedendaagse taal, heeft Overdiep een groot aantal voorbeelden bijeengebracht in Een opmerking over het Nederlandse perfectum 1)  , deels ongemotiveerd in journalistiek gebruik, deels uit goede moderne auteurs, met litteraire bedoeling.

 1)  N. Tg. XVII, 26 vlg.

Het plusquamperfectum en het praeteritum als plusquamperfectum.

Het plusquamperfectum is eigenlijk het praeteritum van het perfectum. Soms kan men in het Mnl. nog de oorspronkelijke betekenis, waarbij dus hadde of was nog geen hulpwerkwoord is, terugvinden, b.v.: ‘als die lieden tpaert versagen, dat den here adde gedragen’: hield gedragen, d.i. ‘droeg’, bij gedragen hebben = dragen. Vandaar dat ook nog perfecta en plusquamperfecta van deze vormen konden - en nog dialektisch kunnen - voorkomen, b.v. ic hebbe gevangen gehadt. Sy hadden al dlant ghedestruweert gehadt (Stoett § 250 en 252).

Intussen kon, langer dan voor het perfectum, het praeteritum als plusquamperfectum gebruikt worden. De behoefte om de tijdsverhouding tussen twee gebeurtenissen duidelijk aan te geven, is lange tijd niet gevoeld. Vooral in de bijzin handhaaft zich het praeteritum, omdat hier van onduidelijkheid geen sprake kan zijn, b.v. Doe quam Pertsevale ridende op een hoge paert, dat hi den roden ridder nam. In het biezonder met het perfektiverende ge-, b.v. Doe hi ghesprac dese woort, beval hi jongen ende ouden dat si vigelien singhen souden. En evenzo bij Vondel: Naulix sprack d'oude man dit, of de donder gaf terstont eenen slagh, en vooral na nadat, b.v. Nadat de hongersnood hen drong, verkochten se al het groote vee (Vgr. § 173).

In de tegenwoordige taal maakt men meestal onderscheid: als de handeling van de bijzin onmiddellijk aan die van de hoofdzin

[p. 144]

voorafgaat, kan men het praeteritum gebruiken, b.v. Toen hij klopte, riep ik: binnen! Maar ook: pas had hij geklopt, of ik riep: binnen!

62 Tempus.

Een voornaam kenmerk van het werkwoord - in het Duits daarom ‘tijd’-woord (Zeitwort) genoemd - is dat het de tijd van de werking of het gebeuren door vormverandering of door verbinding met hulpwerkwoorden aan kan geven, waarbij dan formeel het hulpwerkwoord domineert, semantisch de infinitief of het participium. Het eerste middel is in de moderne Germaanse talen sterk ingekrompen: alleen de verleden tijd wordt nog òf door ‘ablaut’ òf door suffixen gevormd; het tweede middel is in de plaats gekomen van de rijke verscheidenheid die b.v. het Grieks en Latijn nog kenden, maar in geen taal is er volledige kongruentie tussen de logisch mogelijke kategorieën en de grammatische onderscheidingen, omdat de tijdvorm een terrein kan bestrijken dat ten dele buiten zijn oorspronkelijk gebied ligt. Bovendien komen - gelijk uit het voorafgaande gebleken is - in de oorspronkelijke tijdvormen ook andere momenten tot uitdrukking, namelijk de aspekten. Om verwarring en misverstand te voorkomen, is het dus gewenst, onderscheid te maken tussen de werkelijke tijd en de grammatische vorm die voor tijdsaanduiding kan dienen. Jespersen koos daarvoor ‘time’ en ‘tense’; wij zouden ‘tijd’ en ‘tempus’ kunnen gebruiken. Hierdoor wordt dan b.v. praesens als een der ‘tempora’, niet synoniem met ‘tegenwoordige tijd’.

Theoretisch heeft Madvig voor de Latijnse spraakkunst negen tijden gekonstrueerd. Hij ging uit van drie gezichtspunten: verleden - heden - toekomst. Bij elk van die kan men weer terugzien of vooruitzien; dientengevolge ontstaan er negen mogelijkheden, waarvoor echter zelfs het Latijn geen negen onderscheiden verbale vormen ontwikkeld heeft. Jespersen, dit logisch systeem aan kritiek ontwerpend, gaf de voorkeur aan zeven ‘tijden’, in het volgende schema samengevat:


 

Jespersen begaat daarbij een kleine inkonsekwentie, door onder A twee verleden tijden te plaatsen, al of niet omschreven, terwijl hij elders betoogt dat die omschreven tijd, als ‘perfectum’ een ‘retrospective variety of the present and not of the past’ is.



[p. 145]

Welk een verscheidenheid van betekenissen de tempora vertegenwoordigen heeft Van Ginneken met een vloed van voorbeelden toegelicht in zijn artikel over De tijden van het werkwoord. 1)   Terecht verwerpt hij de Nederlandse termen die grammatici als vertaling van de gangbare Latijnse termen voor de tempora bedacht hebben, waarin ‘voltooid’ en ‘onvoltooid’ die betrekking hebben op het aspekt, wisselen met ‘verleden’, ‘tegenwoordig’ en ‘toekomend’. Die benamingen wekken de schijn, definities te zijn, terwijl ze juist verwarrend kunnen werken. Van Ginneken gaf de voorkeur aan ‘terugblik’ en ‘verwachting’, zonder een nieuwe terminologie voor te stellen: de Latijnse termen als ‘louter lege aanduidingen’ acht hij nog verkieselijker.

Nu de ‘verleden’ tijden bij de aspekten reeds ter sprake gekomen zijn, kunnen we ons beperken tot het praesens en het futurum.

 1)  N. Tg. V, 133 vlg.

Praesens en Futurum.

De ‘tegenwoordige tijd’, het ‘nu’, is een punt zonder duur, dat verleden en toekomst scheidt en voortdurend opschuift. Van Ginneken spreekt van ‘een psychische praesenstijd’, die ‘binnen ons tegenwoordigheidsbewustzijn’ valt en enige sekonden duurt, b.v. als men zegt: ‘Ik ga’ of ‘Daar wordt geklopt’. Maar het praesens heeft veel ruimere betekenis, als het datgene geldt wat ik op dit ogenblik als uiterlijk of innerlijk feit waarneem, b.v. in de drie zinnen: hij is hongerig, hij is ziek, hij is dood. Het feit kan dus al aan de gang zijn, terwijl er gesproken wordt: ‘hij ligt te slapen’, een duidelijk duratieve voorstelling. Ook algemeen geldende uitspraken, die niet aan tijd gebonden zijn, spreekwoorden (Twee maal twee is vier. - De zon komt in het Oosten op. - Als het kalf verdronken is dempt men de put), nuchtere opsomming van feiten in kroniek-stijl (Karel de Grote wordt koning van de Franken). Jespersen spreekt ook van het praesens als ‘inclusive time’, die uitgaande van het heden ook het verleden omvat, b.v. ik ben een bewonderaar van Mozart, d.w.z. ik was het en ben het nog (vgl. Mnl. daer ic of seide ende segge: Stoett § 245) of: ik ken mijn vriend al lang. Daarnaast bestaat ook een praesens als ‘intermitterende tijd’: ‘Elke morgen sta ik om zeven uur op’. - ‘Jaarlijks brengt hij ons een bezoek’.

Afgezien van deze gevallen wordt het praesens gebruikt voor gebeurtenissen in de toekomende tijd, indien de bedoeling uit de situatie, de betekenis van de zinsdelen, uit een adverbiale bepaling, een voegwoord blijkt, b.v. ‘Ik wacht hier wel zo lang, totdat je komt’. Vooral de dagelijkse omgangstaal verkiest het praesens

[p. 146]

boven het futurum. Dit verschijnsel is al oud, b.v. in het Middelnederlands: ‘Mach ickene levende gevaen, ic bringene te Montalbaen. - Ik lede u ter selver stat daer ic u sal maken sat. - Morghin, als die sonne upgaet.’ De neiging om het praesens te gebruiken bestaat en bestond vooral, indien men de realiteit levendiger voor ogen willen stellen, b.v. Vaer vollec henen, Ofte ic dorsteke u. Natuurlijk gaat met het gebruik van het praesens voor het futurum gepaard dat van het perfectum voor het futurum exactum, b.v. Wi gaen als een rose root ende sciere syn wi verblidet.

Men heeft wel gemeend dat de tegenstelling met het Latijn en de jongere Romaanse talen op dit punt veroorzaakt werd door de meer logische Romaanse geest, die noodzaakte te zeggen: veniam si potero en nooit: ik kom zodra ik kan, maar aannemelijker is de verklaring van Jespersen uit ‘economy of speech’, de neiging om het beoogde doel met de minste middelen, dus zonder verdubbeling, te bereiken, dezelfde neiging dus die de toenemende deflexie in de moderne talen veroorzaakt heeft.

Bij het gebruik van praesens voor futurum is ook weer het aspekt van belang. Indien het verbum perfektief is, ligt bij het gebruik van het praesens het ogenblik van de voltooiing van de handeling, waarop het perfektief wijst, in de toekomst, en is dus het gebruik van de futurumvorm overbodig, b.v. ‘ik tref je wel bij je broer aan’. Vandaar dat in het Mnl. ge- een voldoende aanduiding van het futurum kon zijn, b.v. Nemmermeer gecrigic spel.

Ook het futurum exactum - de term is dus eigenlijk niet juist - is meer een aspekt dan een tempus. Wanneer men zegt: ik zal morgen de brief geschreven hebben, dan bedoelt men niet zo zeer: ‘morgen zal het schrijven van de brief in 't verleden liggen’, als: ‘morgen zal ik met het schrijven klaar zijn’.

Minder dan in het Nederlands en het Hoogduits is het praesens met futurum-betekenis in gebruik in het Engels. Wackernagel wil dat toeschrijven aan Franse invloed: immers dit gebruik van het praesens is reeds oud-Germaans, aangezien een eigen vorm voor het futurum daar ontbrak. Betrekkelijk laat heeft men in de Germaanse wereld de behoefte gevoeld om door de vorming van een nieuw tempus met hulpwerkwoord daarin te voorzien. Dat dit een jonge ontwikkeling geweest is, blijkt uit het feit dat onder de konkurrerende hulpwerkwoorden niet dezelfde in alle streken de overwinning behaalden. In hedendaagse taal is zullen het hulpwerkwoord bij uitstek, dat reeds in het Mnl. als zodanig zeer gewoon was, al had het nog meer mededingers dan nu. De nieuwe betekenis heeft zich ontwikkeld uit die van behoren, moeten (b.v. Menne soude ghene vrouwe slaen; vgl. Je zult het doen en ook: Dat feest moet nog plaats hebben), maar wordt reeds geheel gelijk aan de onze, b.v. Ik sal u selve spannen

[p. 147]

u sporen. - Het sal u vromen. Op te merken is dat de toekomende tijdvorm vooral dient om een belofte uit te drukken: Ik zal er voor zorgen (waarnaast: ik zorg er wel voor) en dat hij hier enigszins modale betekenis heeft; geheel tot omschrijving van een mogelijkheid, waaraan alle betrekking op de toekomst vreemd is, is hij geworden in: Hij zal nu wel weer thuis zijn en Hij zal ziek zijn geweest.

Andere omschrijvingen naast die met zullen hebben daarmee alle gemeen, dat ze ontstaan uit spreekwijzen die een verplichting of een bedoeling, een begin of een mogelijkheid aanduiden, doordat hierbij steeds de toekomst een begeleidende voorstelling is. Het is echter, vooral in de oudere taal, niet altijd uit te maken of de oorspronkelijke hoofdvoorstelling nog aanwezig, dan wel of de begeleidende voorstelling reeds overheersend of zelfs alleen-heersend geworden is, m.a.w. of dit futurum okkasioneel dan wel habitueel is.

Zo komt naast zullen soms willen voor, gelijk nu nog in Willen we dat doen? Vgl. bij Vondel: 't Wil tijdt zijn, dat ick eens verhuize en Mnl. Ic wil slapen in din vrede, als vertaling van: in pace dormiam. In het Engels vooral heeft zich het gebruik van willen vastgelegd (I shall, we shall: you, he, they will); in het Hoogduits blijft het uitzondering, b.v. bij Luther: Was will aus dem Kindlin werden?

Ongewoner zijn moeten, moghen, connen b.v. Mnl. dat was ende wesen moet - dat hine weet wat hi mach doen.

Verder werkwoorden, waarvan het inchoatieve aspekt dicht staat bij het futurum, als gaan, komen, beginnen, b.v. ik ga hem dat vragen, ga voortaan beter mijn best doen; als dat komt te geschieden, als hij komt te vallen, te sterven. Vgl. het Franse je vais écrire, waarnaast het Franse futurum j'écrirai (uit scribere habeo) ons weer doet denken aan het ons zo vertrouwde: ik heb nog veel te schrijven. Ook staan + te + infinitief ontwikkelt futurum-betekenis: Dat staat nog te bezien. - Dat staat mij nog te wachten.

Het praesens als aanduiding van de verleden tijd.

Evengoed als men het praesens bezigt ter veraanschouwelijking van toekomstig gebeuren, kan het dienst doen bij levendige verhalen over het verleden, als ‘praesens historicum’ dus, of, gelijk Brugmann zegt, als ‘dramatisch praesens’. Als zodanig hoort het vooral thuis in de taal van het volk, dat graag levendig-aanschouwelijk vertelt. Iemand begint b.v.: ‘Gisteren liep ik over de markt’ ... en hij gaat voort: ‘daar hoor ik tot mijn grote schrik plotseling een knal...’ en hij vervolgt zijn sensationele ervaring, alsof hij die opnieuw beleeft. Men zal dus dit ‘praesens historicum’ in oudere talen, evengoed als in de modernste, overal vinden,

[p. 148]

waar de aard en de overlevering daarmee in overeenstemming is: in sommige oud-Germaanse heldendichten niet, in de epiek van de middelperiode wel. Daarbij behoeft men in het laatste geval niet alleen te denken aan invloed van de Franse epiek, veeleer aan de omstandigheid dat de aard van de Oud-Germaanse overlevering weinig gelegenheid tot het gebruik bood. In de Middelnederlandse epische poëzie worden de voorbeelden talrijk bij zinnen, waarin het aoristisch praeteritum op korte afstand wisselt met een praesens historicum, bij de vermelding van een nieuw feit, op een wijze die ons ongewoon aandoet, b.v. Die duvele quamen daer alle ende eischen den breideldief (Stoett § 244; vgl. de uitvoerige afdeling over het praesens historicum in Overdiep's proefschrift). Daarnaast treft men ook gevallen aan in epische stijl, waar het praesens juist gebruikt wordt ter vaststelling van een verleden met duratief aspekt; beide gevallen zijn niet altijd te onderscheiden.

Met het gebruik van het praesens voor de verleden tijd gaat gepaard dat van het perfectum voor het plusquamperfectum, b.v. ‘Om Galiene peinst hi sere. Die minne heften so verwonnen.’

Modus.

63 Algemene opmerkingen.

Ter verheldering van inzicht is het gewenst, onderscheid te maken tussen modaliteit, d.i. de geesteshouding van de spreker ten opzichte van de werkelijkheid van zijn uitspraak, en modus, d.i. de verbale vorm waarin de modaliteit tot uiting komt. Daarmee ontkomt men nog niet aan alle moeilijkheden, want het begrip ‘modaliteit’ heeft aanleiding gegeven tot verschillende opvattingen en definities, gelijk A. Kluyver en later C.F.P. Stutterheim helder aangetoond hebben. 1)   Het Latijnse modus is namelijk oorspronkelijk een vertaling van het Griekse tropos, een term in verband met de logica van Aristoteles, die drieërlei oordelen onderscheidde, naar mate iets werkelijks, iets mogelijks of iets noodzakelijks uitgedrukt werd. Zijn commentatoren onderscheiden vier ‘tropoi’, en bedoelen daarmee adverbiale bepalingen, die op de verschillende oordelen betrekking hadden. Dit begrip van modaliteit werd later op de grammatika toegepast, toen een aantal bijwoorden als modale bepalingen in één groep verenigd werden. Bij uitbreiding ging men ook spreken van modale zinnen, waarin het dictum d.i. de zakelijke inhoud, en de modus d.i. de subjektieve opvatting van het meegedeelde, op andere wijze met elkaar in verband gebracht werden, b.v.. door een voorafgaande zin of woord, of door een hulpwerkwoord. Gelijkwaardig met ‘hij vergist zich misschien’ is b.v..: ‘het is

 1)  Kluyver: N. Tg. V, 65 en Stutterheim: N. Tg. XXIV, 296.


[p. 149]

mogelijk dat hij zich vergist’ of: ‘hij kan (zal) zich vergissen’. Maar de vermenging van logische en psychologische onderscheidingen en de vereenzelviging in de rubriek ‘modaliteit’ leidde tot onhoudbare gevolgtrekkingen. Als men niet (evenals wel) tot de modale bijwoorden rekent, zou b.v. ‘Het regent niet’ een andere modaliteit vertonen als ‘Het regent’, nl. niet werkelijkheid tegenover werkelijkheid, maar het eerste zinnetje staat gelijk met ‘Het is droog weer’, en is een nuchtere konstatering van een feit, zonder subjectieve kleur. Als men tegenover een twijfelaar staande, met nadruk zou verzekeren: ‘Het regent volstrekt niet’ dan kan er weer sprake zijn van modaliteit. Een indeling in twee groepen: ‘al of niet in overeenstemming zijnde met de werkelijkheid’, gelijk Van Wijk in zijn hoofdstuk over Modaliteit beproefd heeft, leidt ook tot moeielijkheden, vooral wanneer hij de vraagzinnen daarin betrekt, die vaak geen modaal karakter hebben. Er zijn namelijk tal van schakeringen mogelijk van wat Jespersen ‘notional moods’ noemt: op blz. 320-321 onderscheidt hij er wel een twintigtal, waarvan elf ‘containing an element of will’ en negen ‘containing no element of will’. Het aantal ‘modi’, d.w.z. grammatische kategorieën bij het verbum, waardoor de modaliteit tot uiting komt, is in alle talen veel kleiner: het Indogermaans onderscheidde er vier, die tot drie verminderd werden, toen de optatief met de conjunctief samenviel, terwijl later, vooral in het Nederlands, de indicatief veld won ten koste van de conjunctief. Dat psychologische en grammatische kategorieën vaak niet samenvallen, is opnieuw een oorzaak, dat de term ‘modaliteit’ tot begripsverwarring aanleiding geeft. Dat de conjunctief als modus in het hedendaagse Nederlands tegenover de vroegere rijkere vertegenwoordiging, een geringere plaats inneemt, betekent niet dat de modaliteit van minder belang is dan vroeger, of dat de uitdrukkingsmiddelen verarmd zijn: door het gehele verband, de zinsbouw, de toon, modale bijwoorden en hulpwerkwoorden kan meestal met fijnere onderscheiding dan door enkele verbale vormen de bedoeling van de spreker verduidelijkt worden. Bij de zinstypen zal dat nog ter sprake komen. Modale funkties kunnen ontstaan of samengaan met allerlei andere adverbiale funkties, gelijk Van Es voor het Gronings met veel aardige voorbeelden toegelicht heeft 1)  . Bepalen wij ons nu tot de modi, dan kunnen wij er, op grond van hedendaagse taalvormen een drietal onderscheiden: de indicatief, de conjunctief en de imperatief, door Jesperen kernachtig gekarakteriseerd als fact-mood, thought-mood, will-mood. Het gebruik van de Nederlandse term ‘wijzen’ heeft er wel toe geleid, de infinitief, de onbepaalde ‘wijs’, als een vierde wijs op te vatten. Dat deze term
 1)  Album-Grootaers (1950), blz. 209.


[p. 150]

in de schoolspraakkunsten ingang gevonden heeft, daaraan zal de officiële spraakkunst van Weiland wel schuld hebben, die in § 288 de ‘onbepaalde wijs’ definieert als die ‘welke de handeling van het werkwoord, in eenen algemeenen zin, zonder bepaling van persoon of getal, maar alleenlijk met aanwijzing van tijd, voorstelt.’ Het is duidelijk, dat deze opvatting - die intussen reeds in de klassieke oudheid voorkomt - met modaliteit niets te maken heeft.

Later hebben de spraakkunsten van Terwey en Den Hertog een poging gedaan om als vierde ‘wijs’ de voorwaardelijke wijs in te voeren, maar dat verdient nòch op grond van de vorm, nòch van de betekenis aanbeveling. Een eigen verbale vorm heeft deze ‘voorwaardelijke wijs’ niet, want de omschrijving met de verleden tijd van zullen kan als zodanig niet gelden, en de betekenis beperkt zich niet tot het ‘voorwaardelijke’, want behalve ‘conditionalis’ is ook de ‘irrealis’ er onder begrepen. Gaat men die weg op, dan kan men het aantal ‘wijzen’ met evenveel recht uitbreiden tot een optatief, een adhortatief, enz.

Al zouden wij niet zo ver willen gaan als