[p. 177]

Hoofdstuk III.
B. Woordvorming. 1)  

I. Samenvoeging (samenkoppeling en samenstelling). 2)  

 1)  De verhandeling van W. de Vries, Iets over woordvorming (Progr. Gron. Gymnasium 1920-'21) is nog steeds van grote waarde. Leerzaam is ook de kritische bespreking in Het Nederlands van nu, door E. Kruisinga, die zich op synchronistisch standpunt stelt; daartegenover staat de diachronistische behandeling bij Schönfeld. Voor het Duits werd vroeger meest gebruikt F. Kluge, Abriss der deutschen Wortbildungslehre2 (1925); thans is het verdrongen door W. Henzen, Deutsche Wortbildung (1947). Nuttig is een vergelijking van het Duits en het Nederlands, die in veel punten samengaan, maar in evenveel punten uiteengaan; zie Van Dam II 299 v.v.; Van Haeringen, Nederlands tussen Duits en Engels, die (blz. 58 vlg.) ook het Engels vergelijkt.
 2)  Uitvoerig en grondig, op historische grondslag, is de samenstelling van de subst. behandeld in het proefschrift van Mej. J.H. van Lessen: Samengestelde naamwoorden in het Nederlandsch (Groningen 1928). Voor 't Germaans in 't algemeen was lange jaren de grondslag F. Kluge, Nominale Stammbildungslehre der altgermanischen Dialekte3 (1926); thans zie men vooral Carr, Nominal compounds in Germanic (1939).

75 Algemene opmerkingen.

Elke syntaktische groep bezit een zekere eenheid, maar een enger verband ontstaat, wanneer voor ons taalgevoel de afzonderlijke woorden tot één woord geworden zijn. Daarbij zijn verschillende trappen te onderscheiden: van min of meer losse koppeling tot strenge binding; in het laatste geval spreekt men van samenstelling.

Een eenvoudige vorm van samenkoppeling ontstaat, wanneer twee substantieven door en verbonden worden, die blijkens het eenheidsaccent en het versnelde tempo als een eenheid gevoeld worden, als lepel-en-vork, kop-en-schótel, paard-en-wágen. Dat we met een grensgeval te doen hebben, blijkt daaruit, dat niet altijd buiging of meervoudsvorming mogelijk is. Toch hoort men b.v.: ‘Naast elk bord lag een lepel-en-vork’ of: ‘zes kop-enschotels’. 3)   Dat deze formatie al oud is, en al vroeg als samenstelling en samensmelting gevoeld is, blijkt uit de schrijfwijze van het Mnl. pileboog (pijl en boog), kasenbroodt (b.v. ‘den eenen hadde noch het kasenbroodt bij hem leggen’) 4)  , hatenyd 5)  , en bij Huygens jarendagh. 6)  

 3)  Vergelijk in het Duits: Grund-und-Bodens (Paul); in het Engels: up-and-downs.
 4)  Kalff: Gesch. Ned. Lett. V, 6.
 5)  Zie WNT V, 1494.
 6)  Een reeks aardige voorbeelden uit de Groningse volkstaal gaf K. ter Laan in N. Tg. XL, 57 (1947). Zie ook Stapelkamp Estrikken 16, 66 vlg.


[p. 178]

Een nog zeldzaam soort van samenkoppeling ontstaat door het streven naar kortheid, als: de man-dag-produktie van een mijn, d.w.z. de produktie, berekend per man en per dag.

Taalspaarzaamheid gaf ook aanleiding tot een eigenaardige halve samenkoppeling, waarbij het eerste bestanddeel verkort werd, b.v. dag- en nachtverblijf, geld- en andere zorgen, voor- en nadelen, op- en aanmerkingen, op- en ondergang. 1)  

Een andere koppeling, die licht in samenstelling kan overgaan, is die van direkt objekt met werkwoord, b.v. les geven (zie § 85 onder 1o). Hetzelfde geldt voor koppelingen van adjektief en substantief als hoge-hoed, lange-pijp (= Goudse pijp), die door versneld tempo en eenheidsaccent, door afwijkende betekenis, de eigenaardigheden van een samenstelling vertonen, maar in ander verband weer los kunnen raken. De aarzeling veroorzaakt dan ook, dat ze gewoonlijk nog niet aaneen geschreven worden. Voorbeelden uit de laatste tijd zijn o.a. korte-rit bij de Haagse tram en de kleine-krant als onderdeel van de Groene Amsterdammer (§ 77).

Bij samenstelling is niet nodig dat de samenstellende bestanddelen onmiddellijk op elkaar volgen: woorden als boekhouden, kwijtschelden, waarnemen, gadeslaan, blijven samenstellingen, ook al gaan de delen bij vervoeging uiteen (hij heeft boek gehouden, scheldt de schuld kwijt, enz.). Evenzo b.v. wat voor een, en in oudere taal elk .. ander, of ... schoon. Men noemt dat ‘afstands-composita’ in tegenstelling met ‘kontakt-composita’. Dat men composita in het schrift aaneenvoegt is geen kenmerk, maar een gevolg van samenstelling.

De voortdurende en snelle toeneming, schrijft Van Haeringen 2)   terecht toe aan het gemak dat ze opleveren als middel tot synthese en concentratie, ter vermijding van omslachtige voorzetsel-konstrukties. Hij waarschuwt daarbij tegen overladen samenstellingen als vermogensaanwasbelastingwet, die aan afschrikwekkende Duitse voorbeelden doen denken, maar soms is verkorting mogelijk door een middellid te laten vervallen, b.v. hulp-(onderwijzers) akte, middenstands (examen) opleiding.

Eigenlijk kenmerk van samenstelling is veelal de isolering van betekenis. Bij die isolering zijn verschillende graden op te merken:

  • 1o. De betekenis van de samengestelde delen komt nog duidelijk uit, maar voor ons gevoel zijn er ook nieuwe elementen op-
 1)  Voor dit soort koppeling bedacht Henzen (blz. 18) de term ‘Klammertypus’, dat men zou kunnen weergeven met: verkortende koppeling.
 2)  Nieuwe Synthese (Meded. Kon. Ned. Akademie 1950). Zie meer voorbeelden in zijn artikel Ingekorte samenstellingen (N. Tg. XLI, 220 vlg.) en vgl. voorts zijn artikel ‘Taaleconomische’ tendenties in het Duits en het Nederlands (N. Tg. IL, 150 vlg.; vervolg op N. Tg. IL, 15 vlg.: Rationalisering en efficiency in taal). Zie ook Paardekooper blz. 280 v.


[p. 179]

    genomen, die aan de beide afzonderlijke woorden nog niet eigen waren, b.v. stadhuis, toonbank, schoolmeester, dienstbode, bruidsuiker, bedstede. Meer geïsoleerd zijn al: kerkhof, kerstmis, potlood, borstplaat, schoorsteen e.d. Bij hogeschool, hogepriester denkt men niet alleen aan de eigenschap van hoog.
  • 2o. De isolering komt duidelijker uit doordat de samenstelling flexievormen vertoont, die bij tegenwoordige syntaktische verbinding niet meer mogelijk zijn, b.v. langzamerhand, goedsmoeds.
  • 3o. Een bestanddeel van de samenstelling is als afzonderlijk woord uit het gebruik verdwenen, b.v. meineed, doodbidder, aardbei, godsvrucht, ooglid, booswicht.
  • 4o. Een oorspronkelijk bestanddeel, soms ook beide, zijn door klankontwikkeling of accentverzwakking zozeer onherkenbaar geworden, dat het woord alleen etymologisch beschouwd nog een compositum is. Men spreekt dan wel van een ‘verholen samenstelling’, b.v. jonker en juffer (uit jonkheer en jonkvrouw), bongerd of bogert en wingerd (uit boomgaard en wijngaard), leidsel (uit leidzeel), verrel (uit vierdedeel). dorpel (uit deurpaal), bakkes (uit bakhuis), naber (uit nabuur). Het laatste bestanddeel is zelfs geheel verdwenen in schout (uit schoutet < schoutheit).

In de volkstaal kan men opmerken hoe allerlei woorden op weg zijn om ‘verholen’ samenstellingen te worden, b.v. errepel (aardappel), doppertjes (dop-ertjes), arebei (aardbei), zaddoek (zakdoek), vadoek, pollepel, sterkes (sterkers) enz. Voorbeelden uit het Brabants zijn: aarvel (armvol), haffel (handvol), moffel (mondvol), scholk (schorteldoek).

Een eigenaardig verschijnsel is, dat een versmelting van twee woorden tot samenstelling eerst mogelijk wordt als er een suffix aan toegevoegd wordt. In dat geval spreekt men van samenstelling door afleiding. Voornamelijk is dat het geval bij afleidingen op -er, besproken in § 98.

Historisch beschouwd zijn er twee lagen van samenstelling: een overoude soort, waarbij het eerste deel in stamvorm met het tweede gekoppeld werd, en een jongere, die uit syntaktische verbindingen ontstaan is of nog kan ontstaan. Er is echter geen reden om deze ook nu nog te onderscheiden als ‘eigenlijke’ en ‘oneigenlijke’ samenstellingen, gelijk men vroeger deed. 1)   Immers, beide soorten worden ook nu nog gevormd naar analogie van bestaande modellen.

 1)  Vergelijk Paul D. Gr. V, 6 en Greiner N. Tg. XVIII, 143.


[p. 180]

76-82 Samenstelling van substantieven.

76 Substantief als eerste lid.

I. Kopulatieve samenstellingen.

Ook zonder verbinding met het voegwoord en konden vanouds twee substantieven als gelijkwaardig tot een samenstelling verbonden worden. Men noemt dat dan kopulatieve samenstelling. Zulke zijn b.v. godmens, Christuskind, Moedermaagd, heeroom, manwijf, weerwolf, paardmens (=Kentaur). 1)   In jongere periode zijn ze niet zeldzaam, vooral wanneer het betreft de coördinatie van twee substantieven die funkties aangeven; b.v. koninginmoeder, prins-gemaal, priester-dichter, sekretaris-penningmeester, advokaat-procureur, rechter-commissaris; misschien heeft hier buitenlands voorbeeld stimulerend gewerkt. Daartoe kan men ook geografische namen rekenen als Sleeswijk-Holstein, Oostenrijk-Hongarije. Invloed van andere talen is ook daarbij niet onwaarschijnlijk, b.v. punt-komma, naar het Franse point-virgule, maar ontstaan op eigen bodem blijft mogelijk. 2)  

Verwant, maar toch enigszins anders van aard, zijn de zogenaamde tautologische samenstellingen als: doelwit, doeleinde, regeltucht (Ernest Staes), rooilijn, en in het Mnl. lierwange.

 

Opmerking: Een eigenaardige koppeling, die tot het Groningse dialekt beperkt bleef, ontstond door het wegvallen van en, b.v. hoakenogen = haken en ogen; kistenkasten = kisten en kasten. Vlg. § 75.

 1)  In het moderne woord zit-slaapkamer wordt kortheidshalve het eerste kamer weggelaten. Het woord heeft dan ook een eenheidsklemtoon, evenals b.v. meid-huishoudster.
 2)  Niet geheel gelijk daarmee staan gevallen als candidaat-notaris, president-curator, assistent-resident, waarbij een van de delen min of meer bepalend is (Van Lessen, blz. 29).

II. Appositionele samenstellingen.

Een tweede deel wordt als soortaanduidend woord toegevoegd, vaak omdat het eerste verouderd was, b.v. struisvogel, damhert, walvis, rendier, windhond, muilezel, tortelduif, eike-, wilge-, denne-, lindeboom, bazaltsteen, kraambed, palsterstok. 3)   Daarmee zijn in de volkstaal te vergelijken: portebriséedeur, pain-de-luxe-broodjes.

 3)  Zie J.H. van Lessen: blz. 24-27; J.W. Muller in Ts. 63, 291.

III. Bepalende samenstellingen.

1o. Substantief als eerste lid.

Als het eerste deel van de samenstelling bepalend is, kon dit dus in de oudste periode de stamvorm hebben. Zeldzame sporen daarvan zijn de e in bruidegom, nachtegaal (vgl. Hd. Bräutigam, Nachtigall). Naar analogie daarvan trad later de onverbogen

[p. 181]

vorm als bepalend eerste deel op, b.v. zonneschijn, waarnaast in verkorte vorm eerzucht.

Vervolgens kon een samenstelling ontstaan uit een syntaktische verbinding, met vóórgeplaatste genitief, vooral wanneer deze, gelijk nog in het Mnl., tussen lidwoord en substantief kwam te staan, b.v. die Gods sone. Toen deze konstruktie buiten gebruik raakte, werd de verbinding te eer als eenheid opgevat. Naarmate de genitieven op -s en -en in de levende taal ongebruikelijk werden, kreeg de analogie vrij spel.

In de derde plaats kon het eerste deel van de samenstelling de meervoudsvorm hebben, en dus oudtijds eindigen op -e, -en, -er, -s of zonder uitgang zijn (b.v. schaap, woord: § 23), maar dat een meervoudig begrip noodzakelijkerwijze een meervoudige vorm zou vereisen, gaat reeds voor het Middelnederlands niet op (b.v. duufhuus, diefhanger) en evenmin voor het tegenwoordige taalgevoel, blijkens woorden als horlogemaker, boekhandelaar, rijwielhersteller, fietshok. In veel gevallen is trouwens niet uit te maken of men zich bewust is dat iets meervoudigs bedoeld wordt. Dat zal ook van het verband afhangen: als men boeken rangschikt in een boekenkast zal men eer aan een veelheid denken als wanneer men een boek koopt bij een boekhandelaar.

De feitelijke tegenwoordige toestand is dus, dat de oorspronkelijke buigingsklanken eenvoudig bindingsklanken geworden zijn, die volgens vaak onnaspeurlijke analogie zich verbreid hebben. Dat daarbij de analogie grillig te werk gaat, blijkt b.v. als men vergelijkt: schaapherder, schaapskooi, schape(n) markt, schapehok.

Die bindingsklanken kunnen dus zijn:

  • 1o. -s, ontstaan uit een genitief- of meervoudsuitgang, maar analogisch zich verbreidend ook tot oorspronkelijk vrouwelijke woorden (zons-, maansverduistering, talrijke samenstellingen met -heid-s en -ing-s b.v. veiligheidsklep, regerings-besluit) en diminutieven (mondjesmaat). 1)  
  • 2o. -e, voor het tegenwoordig taalgebruik bindingsklank, maar in oudere periode deel van het woord (zonneschijn, erewoord, kerkeraad, paddestoel, pannekoek) of de meervoudsuitgang, oorspronkelijk Mnl., hetzij in Hollands-beschaafd uit -en verkort (kurketrekker, boekekast, fietserek).
  • 3o. -er, (oorspronkelijk oude meervoudsvorm): hoenderhok, kinderkamer, Kalverstraat, rundergehakt, maar door analogie ook in samenstellingen waar van een meervoudig begrip geen sprake is: kinderstoel, kinderwagen, eierdopje.
  • 4o. -en, dat óf een zwakke genitiefuitgang geweest kan zijn (heren-; Mariën-, Geertruidenberg) of een meervoudsuit-
 1)  Vergelijk in het Duits: Arbeitslust, Liebesweh, Hochzeitsreise, waarbij volgens Paul Nederduitse invloed gewerkt zou hebben.


[p. 182]

    gang. Een derde mogelijkheid is, dat in enkele zeldzame gevallen -en oorspronkelijk afkomstig was uit een stoffelijk adjektief b.v. doornenkroon, hondenleer (uit dornijn, hondijn > dornen, honden); vgl. Mnl. rogghijn broot.

Doordat de meervoudsuitgang -en in het Algemeen beschaafde Nederlands beperkt is tot de Noord-Oostelijke streken, en in het grootste deel van ons land de meervouden op -e eindigen, ontstonden ook bij de samenstellingen dubbele vormen, die beide gelijke rechten hebben. Voorstanders van strenge eenheid in de schrijfwijze trachtten de doolhof-regels volgens de voorschriften van De Vries en Te Winkel te volgen, waarop Kollewijn terecht een vernietigende kritiek uitgeoefend heeft. 1)   Noch de regels op grond van ‘welluidendheid’, noch die betrekking hebben op enkelvoud of meervoud, berusten op levend taalgebruik of op het voorbeeld van toongevende schrijvers.

Onjuist is b.v. de mening, dat bij duidelijke meervouden de n regelmatig zou voorkomen in die streken waar de meervouds-n inderdaad gesproken wordt. Talrijk zijn de samenstellingen met bindings-e in Groningen en Drente in woorden als: krentebrood, sterrewacht, paardespel, stoelematter, pereboom, mandemaker, die volgens De Vr.-T.W. stellig n zouden moeten hebben. 2)  

Bij schrijvers uit de tweede helft van de negentiende eeuw, toen het ‘schrijftaal’ -gezag nog onbetwist was, kan men herhaaldelijk voorbeelden vinden, die tegen de geldende regels zondigen, b.v. bij Busken Huet: monnikewerk, vrouwewereld, woordekeus, dierewereld, menschezoon, boekekennis; bij Cremer: paardemarkt; bij Van Oosterzee: studentetijd; bij Allard Pierson: sterrekunde. Hedendaagse auteurs stellen evenmin vertrouwen in de schoolse regels, maar richten zich veelal naar het beschaafde spraakgebruik.

De nieuwe regeling in de officiële Woordenlijst is weinig bevredigend. Vooral de voor de -e(n)- vastgestelde regels zijn te ingewikkeld en zullen daardoor in de praktijk niet voldoen. 3)  

 

De betekenis van zulke samenstellingen is velerlei: de verhouding van het bepalende deel tot het hoofddeel is niet beperkt tot een genitief-verhouding. Als men de inhoud van het samengestelde woord wil vaststellen, is soms een uitvoeriger omschrijving nodig dan door één voorzetsel aangegeven kan worden. Gelijk Van Haeringen terecht opmerkt, 4)   heeft de afslijting van casus- en stamdistinctieven de voorwaarden voor samenstelling soepeler gemaakt en daardoor de weg tot nieuwe synthese geeffend.

 1)  In Opstellen over spelling en verbuiging3, blz. 144 vlg.
 2)  Dat konstateert ook Mej. Van Lessen (a.w. blz. 9).
 3)  Zie N. Tg. XLVIII, 36.
 4)  Nieuwe Synthese blz. 13.


[p. 183]

Door samenstelling wordt een beknoptheid van uitdrukking verkregen, die taalverrijkend is. Dat blijkt b.v. als we de volgende samenstellingen met hond zouden omschrijven: hondekar, hondebrood, hondevlees (in tweeërlei betekenis), hondepenning, hondebelasting, hondeneus, hondeweer, een hondebaantje enz. Een afdoende groepering is dus onmogelijk, al zou men de volgende indeling kunnen maken:

  • 1o. Het eerste deel van de samenstelling bepaalt de stof: strohoed, pelsmuts, zandsteen.
  • 2o. de plaats: veldbloem.
  • 3o. de tijd: zomerkleding; in dichtertaal, met een andere schakering: avondbomen d.w.z. de bomen zoals ze zich in de avond voordoen.
  • 4o. de bestemming: wijnfles.
  • 5o. de funktie: vuurscherm: om tegen de warmte van het vuur te beschermen.
  • 6o. geeft een vergelijking aan: stofregen, eierkolen, stokvis.
  • 7o. noemt het middel: vuistslag.
  • 8o. noemt het voortbrengsel: schoenmaker. 1)  

Meestal kan men uit de betekenis van de delen wel opmaken wat de samenstelling zal moeten betekenen, maar in andere gevallen beslist het gebruik in een bepaalde tijd of omgeving. Dezelfde verbinding kan in verschillende tijden een geheel andere betekenis krijgen: een boekhouder was in de achttiende eeuw een souffleur, nu een funktionaris op een kantoor; een theetuin is in Indië iets anders dan in Holland. Wat een fietshond, een water-klerk, een zeebaboe is zou men niet enkel uit de samenstellende bestanddelen kunnen opmaken.

 

Regel is dat het bepalende deel, dat dus het hoofdaccent draagt, voorop gaat. Zonder aarzeling onderscheiden we: mélk-chokolade van chokoládemelk, klókhuis van húisklok, bládvaren van várenblad, stóelleuning van leúningstoel, látafel van táfella.

Wanneer men een bepalend substantief met het hoofdaccent wil laten volgen, dan wordt dat niet gevoeld als een samenstelling, maar als een syntaktische groep. Biérglas is dus een samenstelling, maar ‘een glas biér’ een syntaktische groep. 2)  

 1)  Deze indeling vindt men in Paul's D. Grammatik.
 2)  Het Frans drukt dat uit door een verschillend voorzetsel: un verre à bière, un verre de bière.

77 Adjektief als eerste lid.

Vorm. Aanvankelijk kon het adjektief in de stamvorm, later in onverbogen vorm, met het substantief samengesteld worden. Toen in latere periode opnieuw samenstellingen ont-

[p. 184]

stonden uit een syntaktische groep, was zowel de verbogen als de onverbogen vorm van het adjektief mogelijk, terwijl die beide soorten door analogie verrijkt werden. Samenstellingen als matglas, zwartkrijt konden b.v. ontstaan uit zinnen als: ‘Die ruit is van mat glas’. ‘Geef mij wat zwart krijt’; daarentegen zoetemelk, platteland b.v. uit: ‘Het kind krijgt zoete melk’. ‘Hij woont op het platte land’.

Het eenheidsaccent valt in de regel op het adjektief als dit de onverbogen vorm heeft; daarentegen op het substantief, bij een verbogen adjektief, b.v. géélzucht, naast gele kóórts, jónkheer naast jongehéér, plátland naast plattelánd, 1)   Tot de eerste soort behoren veel oude formaties: booswicht, argwaan, smaldeel, volmacht, stilleven, vrijbrief, blijspel, dundoek, zuurdeeg, grootvader, halfbroer, maar ook jongere als witlof, steilschrift, enz.

Uitzonderingen op die accentregel zijn b.v. enerzijds kleingéld, koudvúúr, zoethoút (tenminste in Holland; in Noordelijke gewesten ook kléingeld, en in Brabant zoéthout), kwajóngen 2)  , anderzijds b.v. blíndeman, wíttebrood 3)  , brándewijn.

Oude of verkorte vormen van het adjektief zijn bewaard in jonkheer, goevrouw, kwajongen 4)  ; oude buigingsvormen in linker-, rechterhand, en in plaatsnamen als Ouderkerk, Nieuwersluis e.d.

 

Betekenis. Hiervóór is reeds opgemerkt, dat isolering van betekenis een kenmerk van samenstelling is, zodat koppelingen als hoge hoed, eigenlijk al samenstellingen geworden zijn. Raakt de verbinding los dan blijkt dat uit de gelijke accentuering van de beide woorden: hóge hóed. De isolering blijkt uit het feit dat men geen tegenspraak voelt, als men het heeft over een laag model hoge-hóed. 5)   Dergelijke gevallen zijn o.a. Duitse pijp, Deventer koék, 't Heilige Lánd, de Grote Kérk.

Duidelijker wordt de isolering in woorden als plattegrond, mallemolen, sterkedrank, sterkwater, koudvuur, zuurdeeg, bitterkoekje. Vandaar dat men deze woorden niet licht in het schrift zal splitsen. Dat is ook het geval bij de vele samenstellingen met groot-, hoog- en klein-, die reeds in het Middelnederlands talrijk

 1)  De formulering is eenvoudiger dan de gang van zaken, zoals B.v.d. Berg (N. Tg. XLVI, 254 vlg.) heeft aangetoond; men zie ald. blz. 256 vlg. speciaal voor jónkheer: jongehéér.
 2)  Daarnaast in het Vlaams: kwáperte ‘snaak, kwant’, kwátongen.
 3)  Gesteund door roggebrood. Daarnaast is in gebruik gekomen witbrood (mede onder Duitse invloed, maar vgl. bruinbrood).
 4)  Vgl. bij Hooft vroemorghen en Mnl. vroewake.
 5)  Vgl. J.H. van den Bosch in zijn Lees- en Taalboek I; W.H. Staverman in N. Tg. XXXIII, 29 vlg.


[p. 185]

waren, en sedert door analogie en door invloed van naburige talen sterk vermeerderd zijn. 1)  

Sterke isolering treft men ook aan bij eigennamen, als Nieuwkoop, Oudewater, Ouderkerk, Langebrug, Hoogstraat, waar het adjektief niet meer als zodanig gevoeld wordt. Volkomen is de isolering, als het adjektief in vorm of betekenis verouderd is, gelijk in arglist, smaldeel (smal = klein), wierook en wijwater (uit wïch = heilig), of als het substantief in de oude betekenis niet meer bestaat, gelijk in booswicht (= persoon), geelzucht (= ziekte).

Daarnaast komt het voor, dat een substantief niet rechtstreeks samengesteld is uit adjektief + substantief, maar gevormd naar een ouder, samengesteld adjektief, door zogenaamde ‘Rückbildung’, zoals die in het Duits vaker voorkomt. 2)   Zo is waarschijnlijk weemoed gevormd naar een ouder adjektief weemoedig, driehoek naar driehoekig. Waarschijnlijk ook eendracht uit eendrachtig, en bouwval (eerst bij Hooft), uit bouwvallig.

 1)  B.v. grootvader en kleinzoon naar Frans model; grootvorst, groothertog, grootindustrie, hoogoven, hoogspanning, privaatdocent, speciaalstudie, totaalindruk e.d. onder invloed van het Duits.
 2)  B.v. Groszstadt uit groszstädtisch, Inland uit inländisch, Freisinn uit freisinnig.

78 Verbale stam als eerste lid.

Vorm. Deze nu zeer gewone soort van samenstelling ontbrak nog in het Oud-germaans. Aannemelijk is de verklaring, dat het uitgangspunt geweest is de samenstelling met een nomen actionis, dat even goed opgevat kon worden als een verbale stam en dus tot analogie aanleiding kon geven; woorden dus als roofdier, koopman, rustbed, slaapkamer, werkman, waarin ook nu nog het eerste lid als substantief voorkomt. Naar zulke modellen konden dus samenstellingen ontstaan, waarin het eerste lid alleen als verbale stam op te vatten is: hakhout, doofpot, dorsvlegel, drijftol, schrijfpapier, leesboek, scheldwoord, spreekwoord, timmerman, enz.

Naar analogie van samenstellingen uit twee substantieven met bindings-s komt die bindingsklank soms ook achter de verbale stam, b.v. naar ambachtsman ook leidsman, zegsman (in Hooft's Baeto ook seghsvrouw), scheidsrechter, scheidsmuur (vgl. b.v. verbindingsmuur). 3)   Schijnbaar heeft men een verbale stam in karnemelk, waar wel aan het deelwoord gekarnd te denken is (vgl. taptemelk = (af)getapte melk). In stamppot (vgl. hutspot) heeft het eerste lid passieve betekenis, evenals in samenstellingen als vulpen, hakhout.

 3)  Van Lessen (blz. 95) neemt aan dat het eerste deel oorspronkelijk nominaal was.


[p. 186]

Zonder uitzondering valt bij al deze samenstellingen het een-heidsaccent op het eerste deel.

 

Betekenis. Evenals bij de samenstelling uit twee substantieven, is de verhouding van de beide leden niet in één soort van omschrijving samen te vatten. De verbale stam geeft de handeling aan, waarin de persoon of de zaak aktief of passief betrokken is. Opnieuw biedt de samenstelling de gelegenheid om zeer kort uit te drukken wat anders een vrij uitvoerige omschrijving zou vereisen. Vergelijk b.v. rijweg, rijtuig, rijzweep, rijvergunning enz. Ver gaande isolering van betekenis komt minder voor dan in de voorafgaande rubrieken. Voorbeelden zijn o.a. loopgraaf, die niet alleen dient om er in te lópen, en een loopjongen, die ook wel boodschappen per fiets doet, een huile-balk, het vage-vuur.

79 Adverbia als eerste lid.

Praepositionele adverbia (in, op, af, onder, door, tegen, om, voor, achter, boven, beneden enz.) konden zich gemakkelijk aansluiten bij nomina actionis: ingang, opkomst, afkomst, ondergang, doorgang, tegenstand, enz. Vervolgens werden ze ook aangesloten bij andere substantieven: najaar, voordeur, ondergrond, binnenland, omstreken, onderofficier enz. Naast medebewoner staat de ongewone vorm: metgezel. Ook bij de hier besproken samenstelling is de in § 75 behandelde verkortende samenkoppeling (voor- en nadelen, voor- en tegenspoed enz.) gebruikelijk.

Ook met andere bijwoorden zijn samenstellingen mogelijk: welvaart, diepgang. Daarentegen behoren woorden als mooiprater, hoogvlieger niet in deze rubriek, omdat het afleidingen zijn van samengestelde werkwoorden of door afleiding gevormd uit een werkwoord + bijwoord (b.v. fijnproever).

Ook bij deze soort van samenstellingen valt het accent regelmatig op het eerste lid.

80 Possessieve samenstellingen.

Een eigenaardig soort van samenstelling is de zogenaamde possessieve, of met een term uit de Sanskrit-grammatika bahuvrîhi-samenstelling. 1)   Daarmee wordt iemand of iets genoemd, die datgene bezit wat in de samenstelling aangeduid wordt, of die daardoor gekenmerkt wordt. Een roodhuid is iemand die een rode huid heeft; een driehoek is een figuur met drie hoeken; Roodkapje is een meisje, te onderscheiden door haar rode

 1)  Bahuvrîhi = veel rijst (bezittende) geldt dan als voorbeeld van de soort.


[p. 187]

kapje; vergelijk ook roodborstje. Talrijk zijn vooral de benamingen naar lichaamsdelen: dikbuik, kaalkop, grijskop, heethoofd, bleekneus, melkmuil, wijsneus, bleekgezicht, lekkerbek (lekker = kieskeurig), losbol, nathals, rooinek. Naar kledingstukken: pikbroek, roodrok, blauwkous. Zaaknaam: vierkant. Diernamen: kwikstaart, duizendpoot, langoor, krompoot.

De verklaring van de oorsprong blijft onzeker. Het waarschijnlijkst is, met Paul, ze te beschouwen als benoemingen naar een kenmerkend deel van de voorstelling, maar Wilmanns zegt: ‘Die Geschichte dieser Wörter, die den Schein primitivster Bildungen haben, ist noch genauer zu verfolgen’. In sommige gevallen is ‘Rückbildung’ uit een adjektief mogelijk: driehoek wordt thans opgevat als ontstaan uit driehoekig (§ 77), langoor uit langorig. 1)   Hiermee zijn niet te vergelijken het Mnl. adjektief viervoete; in de 16de eeuw: barvoete kinderen, bij Vondel driepunte tong, bij Bredero rootschilde, driebochelde, krombient, want daarin schuilt een oud-germaans suffix, waarvan de resten talrijk zijn in onze kustdialekten (Westvlaams, Noordhollands, Gronings).

 1)  Dat onderstelt Kluge, a.w. § 96 Anm. 1 voor het Duitse Langolu. Zeker is dit niet, want daarnaast staat b.v. steiloor (= haas).

81 Zinwoorden (imperatieve samenstellingen).

Er zijn stereotiepe wendingen, vaak in imperatieve vorm, die door substantivering tot een eenheid vergroeid zijn, waaraan men de naam zinwoorden geeft 2)  ; b.v. vaarwel (Hd. Lebewohl), alarm (oorspr. te wapen!), rendez-vous (Hd. Stell-dich-ein), hebt-danck (16de eeuw), een vergeet-mij-niet, een kruidje-roer-mij-niet (noli me tangere). Zinwoorden zijn ook spring-in-'t veld, een wip-van-'t stoeltje, een kijk-in-de-pot. In het Vlaams heet de leuning van een trap den pak-an. 3)   Verduisterd is de etymologie in de militaire term taptoe. Oudtijds werden zulke namen herhaaldelijk gevormd als bij- en spotnamen, b.v. Hael-ayre, backstruyf, soen 't handje; bliefhier, halewater, kijkepot, pluckersse, zuypuit.

Als voorbeeld van een persoonsnaam naar een vaak door hem gebruikte uitdrukking noemt A. Beets het woord sjappetouwer. 4)   In de Willem Leevend is sprake van ‘die lange waarga-je’; men denke ook aan het bekende verhaal van Mijnheer Kannietverstaan.

Verwant met de eigenlijke imperatieve samenstellingen zijn de tot één woord gecomprimeerde zinnen, waarvan het eerste, verbale deel gevolgd wordt door een objekt of een adverbium, b.v.

 2)  Schönfeld § 129.
 3)  Versl. en Meded. der K. Vl. Acad. 1894, 164.
 4)  Ts. XVII, XXII, 202.


[p. 188]

waaghals, brekebeen, stokebrand, bemoeial, durfal, doeniet, weetniet, lustniet (een kieskeurige); in oudere taal winnebrood (kostwinner), hancdief (beul), kijkpisse (Mar. van Nieum. = piskijker), bij Bredero: quistgoed, spilpenningh, bij Hooft (Baeto): het windje Wekleven. Verduisterd is de etymologie van dwingeland.

Met bijwoorden: schreeuwlelijk, praatgraag, leesgraag, deugniet, klimop, slokop, hangop, een flapuit, bij Bredero: een snapop.

Bij de formatie van deze soort samenstellingen kan ook het voorbeeld van het Frans gewerkt hebben (portefeuille, portemanteau, tournecol, batte-queue). Men heeft deze soort wel eens beschouwd als ouder dan de eigenlijke imperatieve samenstellingen, en ze willen verklaren uit possessieve samenstellingen. 1)  

Zinwoorden zijn ook namen van spelen als: kruip-door-sluip-door, haasje-over. Eigenaardig gevormd is kom-af voor afkomst (‘iemand van hoge kom-af’). Vgl. in het Zuidnederlands: ‘En stappen maar, op goe val-uit’ (Vermeylen).

 1)  Deze verklaring is van Osthoff, geciteerd bij Wilmanns. Samenstellingen als Wendehals, Krafzfuss, Knickebein zouden dan eerst betekend hebben: een hals die zich wendt enz., en dan overgedragen zijn op de persoon. Door de gelijkheid met imperatieven zouden ze dan daarna als zodanig opgevat zijn.

82 Samenstellingen met een bepalend tweede lid.

Dit type komt slechts bij uitzondering voor. Uit een oorspronkelijk achtergeplaatst adjektief ontstonden, analogisch vermeerderd: vaderlief, moederlief, broerlief, jongenlief.

Naar Frans model: Staten-Generaal, Gouverneur-generaal. Op weg naar samenstelling zijn syntaktische verbindingen als: het Ministerie-Kuyper, met een achtergeplaatste bepaling zonder voorzetsel, die bij de woordgroepen besproken zullen worden.

Er zijn ook enige schaarse, ongelijksoortige samenstellingen met een verbale stam als tweede lid: voetveeg, voetwisch. Bij beeldjeskoop, oliekoop is wellicht aan een uitroep te denken. Bij noodhulp, veelvraat, meisjesplaag kan het tweede lid evengoed substantief zijn. 2)  

Door de hulp van een verkleiningsuitgang ontstonden afleidende samenkoppelingen als: een onder-onsje, een twaalf-uurtje.

Door syntaktische isolering konden met vol samengestelde adjektieven tot substantieven worden: een handvol, een bordvol, een mondjevol. Een dergelijk geval is een tijdlang = een poosje.

Praepositie en substantief zijn verbonden in: een onderdak. Schijnbare samenstellingen zijn de reduplicerende klanknaboot-

 2)  Van Lessen, blz. 33.


[p. 189]

sende of klanksymbolische formaties als tingeltangel, klinkklank, liflafjes, quisquas (bij Cats), wirwar, wipwap, met een praefix: gekissebis, enz. 1)  

 1)  Vgl. mijn verhandeling over Klanknabootsing, herdrukt in Verz. Taalk. Opstellen III.

83 Samenstelling van adjektieven.

Kopulatieve samenstelling. Twee verenigde eigenschappen worden gekoppeld in samenstellingen als doofstom, doldriest, zuurzoet, edelachtbaar. Verduisterd is de oorsprong in Mnl. gancgave (= gangbaar; vgl. Hd. gang und gäbe) en kersvers (in de 17de eeuw nog kers en vers). Een andere verbinding (plaatselijk naast elkaar) heeft men in rood-wit-en-blauw, een Nederlands-Frans woordenboek. Verdubbeling van hetzelfde adjektief als versterking komt zelden voor: bij Cremer een oud-ouwe stem.

Bij kleurnamen als roodbruin wordt het eerste deel licht opgevat als bepalend, namelijk roodachtig bruin (vgl. donker-, lichtbruin).

Bepalende samenstelling. De vorm: uit een oude genitief, afhankelijk van het volgende adjektief is de s te verklaren in levensmoede, lezenswaard, bezienswaardig, beminnenswaardig, nieuwsgierig. 2)   Deze s werd opgevat als verbindingsklank en kreeg door analogie een sterke verbreiding, b.v. zielsziek, krijgsgevangen, doodsbleek, hemelsblauw, vaderlandslievend (naast ordelievend), staatsgezind (naast Oranjegezind).

Gewoner is de onverbogen vorm van het substantief, of een verbale stam: merkwaardig, leergierig, fonkelnieuw, die soms nadert tot een versterkend praefix: stampvol, propvol, snikheet, kletsnat.

Betekenis: als men de verhouding van de delen omschrijft, blijkt ook bij de samengestelde adjektieven de verhouding velerlei: vergelijk b.v. stofvrij, vuurvast, topzwaar, persklaar, soortgelijk, mensenschuw, arbeidschuw. Een uitgebreide rubriek vormen de adjektieven, waarbij het eerste lid een vergelijking uitdrukt, b.v. ijzersterk, kurkdroog, kaarsrecht, en de vele kleurnamen: vuurrood, grasgroen, goudgeel, pikzwart, sneeuwwit, hemelsblauw.

Louter versterkend en veelal in oorsprong onbegrepen of onbegrijpelijk: brandhelder (Mnl. brant = zwaard), kraakzindelijk, potdoof, oliedom, stapelgek, splinternieuw, morsdood, piepjong. Verbinding met een interjektie: foeilelijk.

Funktie van het eerste lid.

Is het adjektief een participium praes., dan is als bepalend eerste lid mogelijk:

 2)  Vgl. ook deskundig. Ook bij Mnl. letterwijs, later wegwijs bestond oudtijds een genitiefbetrekking. Later, ook zonder s: eerbiedwaardig e.d.


[p. 190]

  • 1o. een objekt: noodlijdend, vuurspuwend, tijdrovend, handeldrijvend, belangwekkend;
  • 2o. zelden een bepaling, die in syntaktisch verband een voorzetsel zou vereisen: huiszittende armen 1)  ; bij Vondel; Kristbetrouwend (Antidotum, vs. 20 2)  ;
  • 3o. een bijwoord: welsprekend, bijziend, bovenstaand, hoogdravend, alleenzaligmakend, eerstaanwezend.

Is het adjektief een part. praet. dan is als eerste lid mogelijk:

  • 1o. een substantief, dat omschreven kan worden met een voorzetselbepaling, b.v. noodgedrongen d.i. door de nood gedrongen. In de algemene taal worden zulke samenstellingen gevoeld als strijdig met het taalgevoel; in letterkundige taal, vooral in de jongste periode, zijn ze niet zeldzaam. Het Duits en het Engels leverden de voorbeelden 3)  ;
  • 2o. een bijwoord: pasgeboren, lichtgeraakt, zogenaamd, opeengepakt, zwartgebrand.

Het bijwoord kan versterkende kracht krijgen en dan overgaan in een praefix, b.v. wel, al, over. Evenzo kan het tweede lid verzwakken en tot een suffix naderen, namelijk -rijk, -vol, -ziek, -vaardig (§ 113).

 1)  Van Lessen (blz. 33) gaat hierbij uit van een substantief huiszitten.
 2)  In het Duits zijn zulke samenstellingen gewoner, b.v. postlagernd, schweisztriefend. Zie veel voorbeelden bij Gerlach Royen in Ongaaf Nederlands.
 3)  In het Duits b.v. blutgetränkt, stirnumkränzt, sagenumwoben, efeuumrankt. Bilderdijk (N. Spr. blz. 408) verwerpt wolkgetopt als nabootsing van het Engels. Daarentegen neemt Kinker in zijn kritiek (blz. 177) deze vorming in bescherming. Gerlach Royen verzamelde een groot aantal voorbeelden in zijn Panoptikum § 177-178.

84-90 Samenstelling van werkwoorden.

84 Kopulatieve samenstelling.

Koppeling van gelijkwaardige infinitieven is zeldzaam. Een duidelijk voorbeeld is het Mnl. puttepalen ‘afbakenen’ = putten ende palen; in latere taal spelemeien. Daarentegen is spelevaren (bij Hooft ook het causatief: spelevoeren) eer op te vatten als: gaan spelen, zich gaan vermaken (vgl. in Vondel's Olyftack: ‘vaert spelen’). Twijfelachtig is een verbinding als minnekozen, terwijl koekeloeren, ginnegabben eer verwant zijn met grillig gevormde, reduplicerende verbindingen als harrewarren, hosse-bossen, kissebissen, roezemoezen, die slechts schijnbaar samenstellingen zijn. Het eerste deel heeft de stamvorm in raaskallen, zweefvliegen en het Vlaamse douwdeinen, en in het individuele slaapsoezelen bij Heyermans.



[p. 191]

85 Bepalende samenstelling.

Uit syntaktische groepen kunnen op verschillende wijzen composita ontstaan:

1o. Werkwoord met direkt objekt. De samenstelling is meer of minder los, naarmate de betekenis geïsoleerd is. Bierbrouwen, schoorsteenvegen, schoenpoetsen, boekbinden, pootjebaden, korenmennen hebben eigenlijk nog geen geïsoleerde betekenis, maar koffiedrinken, boterameten omvat een gehele maaltijd: bij glazenwassen worden niet elk soort glazen gewassen, bij beeldhouwen niet alleen beelden voortgebracht. Doelverdedigen doet dadelijk aan voetballen denken. Andere samenstellingen staan gelijk met enkelvoudige werkwoorden: ademhalen = ademen, raadgeven = raden, lesgeven = onderwijzen, gelukwensen = feliciteren, handtreicken (bij Hooft) = helpen.

Oudere samenstellingen worden semantisch vaster: rechtspreken, raadplegen, borgstellen, dagtekenen, aderlaten, standhouden. Geheel geïsoleerd raken samenstellingen, waarvan de oorsprong verduisterd is: waarschuwen, logenstraffen, ledebraken, achtgeven, stuiptrekken, pluimstrijken (vgl. Mnl. plucken van den stove), zegevieren e.d.

Scheidbaarheid is bij zulke samenstellingen geen bewijs dat ze voor het taalgevoel ook semantisch scheidbaar zijn, want men zegt niet alleen: hij geeft raad, brouwt bier, maar ook: hij houdt boek en hij geeft acht.

Niet geheel juist is de beschouwing van Den Hertog dat deze samenstellingen als infinitieven ontstaan zouden zijn, en dus eigenlijk een substantivisch karakter zouden hebben. 1)   Weliswaar komen ze voornamelijk voor als infinitieven, en dus met een tweeslachtig karakter (dus zowel: het lesgeven als: les te geven, goed lesgeven), maar ze kunnen evengoed in de persoonsvorm ontstaan (b.v. zeg eens wie je les geeft), terwijl ook de infinitieven syntaktisch in verbaal verband als samenstelling kunnen ontstaan (b.v. Mag ik u geluk-wensen?)

 

Opmerking: Van zulke composita worden weer rechtstreeks substantieven gevormd: van boekhouden, boekhouder, boekhouding.

 1)  Den Hertog § 146.

86 Werkwoord met substantief, dat op een of andere wijze bepalend is,

b.v. allerlei samenstellingen met spelen (piano-, viool-, kaart-, domino-, pot-, toneel-, voetbal-), op verschillende wijzen te omschrijven: buikspreken, koorddansen, schijfschieten, baantjerijden, touwtjespringen, zaklopen, mastklimmen, schoolblijven, schoolgaan, kroeglopen. Een enigszins afwijkend type

[p. 192]

vertoont baasspelen (‘te mogen baasspelen’). Deze ‘halfbakken samenkoppelingen’ - zoals Overdiep ze noemt 1)   - komen vaak alleen in de infinitief voor, maar bij poging tot verbuiging leveren ze moeielijkheden. Men kan wel zeggen: hij blijft school, hij rijdt fiets, maar onmogelijk is: hij spreekt buik of: hij zwemt rug. Daarentegen klinkt: hij slaapwandelt niet ongewoon.

Van jongere datum zijn: fietsrijden, bordtekenen, schoolwandelen, maar dat het type al oud is, blijkt uit radbraken, rangschikken. Als men bedenkt dat ook bij nominale samenstelling een deel met een voorzetselbepaling weer te geven is, dan is Den Hertog's formulering, dat hier een voorzetsel ‘snelheidshalve onderdrukt’ is, niet te aanvaarden. In sommige gevallen zal men ook met ‘Rückbildung’ rekening te houden hebben. Schoolwandeling zal wel ouder zijn dan schoolwandelen en wellicht slaapwandelaar ouder dan slaapwandelen. Bij de vorming van pianospelen kan pianospel, pianospeler meegewerkt hebben.

 1)  Stil. Gramm. § 83.

87 Werkwoord met voorzetselbepaling.

Oudere samenstellingen van deze soort worden aaneengeschreven: teleurstellen, tevredenstellen, terechtstellen; jongere schrijft men vaak los, maar die zijn niet minder tot een eenheid geworden: ten goede houden, tot stand brengen, in staat zijn, ten deel vallen. Maar ook een semantisch onoplosbare samenstelling in acht nemen wordt in het schrift geplitst. Het voorzetsel kan met een volgend substantief of bijwoord tot een bijwoord samensmelten, b.v. tegemoet-, terug-, terneer 2)   en oorspronkelijk ook enwech dat langs ewech tot weg- verkort is. Verdwenen is het voorzetsel ook in schaakspelen uit Mnl. te scake spelen, in zoekmaken, zoekbrengen (nog bij Hooft zich 't zoeck maken = zich schuilhouden), stukgaan, stukslaan (uit te stuk) 3)   en, blijkens de oude datief, in scheepgaan (uit te schepe gaan).

 2)  Vgl. in het Duits empor-, anheim-, die eveneens uit voorzetsel + znw. zijn samengesteld.
 3)  Vergelijk: het glas is stuk, besproken door E. Kruisinga in N. Tg. XLIV, blz. 181. Zie ook Royen: Buigingsverschijnselen II, 257.

88 Werkwoord met een adjektief als praedikatief attribuut.

Op allerlei wijzen kan een praedikatief attribuut een verbinding aangaan met het werkwoord. Dat men dan daarin één woord voelt, blijkt uit het feit dat ze in betekenis overeenkomen met denominatieven, van hetzelfde adjektief b.v. droogmaken = drogen, leeggooien = legen, doodschieten = doden, of met af-

[p. 193]

leidingen door middel van praefixen, b.v. losbinden = ontbinden, opendoen = Mnl. ontdoen. 1)   De samenstelling blijkt ook uit het eenheidsaccent, b.v. hóógachten. Wordt de samenstelling weer los, dan krijgen de delen gelijk accent: iemand hóóg áchten. Góédkeuren is niet hetzelfde als góéd kéuren; vríjlaten is te onderscheiden van vríj láten.

De betekenis is afwisselend: zijn, worden of tot stand brengen van de eigenschap die door het adjektief uitgedrukt wordt: vergelijk b.v. klaarliggen, klaarleggen, klaarkomen, klaarspelen, klaarmaken.

Nauwer wordt de samenstelling, als een van de delen afzonderlijk niet meer in dezelfde betekenis voorkomt, b.v. hebben in liefhebben; stellen in tevredenstellen, teleurstellen, schadeloosstellen; schelden in kwijtschelden; gewaar in gewaarworden; prijs in prijsverklaren, of wanneer de afleiding geheel verduisterd is, als in vrijwaren 2)   of liefkozen. 3)  

Ook hier bestaat de mogelijkheid van ‘Rückbildung’: aan vrijbuiten zou het substantief vrijbuit en eventueel vrijbuiter voorafgegaan kunnen zijn.

 1)  Vandaar dat samenstellingen met open, dicht, vol, los, vast, leeg op weg zijn om afleidingen door middel van praefixen te worden.
 2)  Mnl. ghewaren. Ontstaan onder invloed van Mnl. vriën ende waren (Franck-Van Wijk, Etym. Wdb.).
 3)  Volgens het WNT uit lief en kozen = praten. Het komt reeds bij Coornhert voor, maar bij Cats luidt het: lievekozen.

89 Werkwoord met adverbium.

Talrijk zijn de samenstellingen met praepositionele adverbia: door-, mis-, om-, onder-, over-, voor-, weer-, die deels scheidbaar zijn met het accent op het eerste deel, deels onscheidbaar met het accent op het tweede deel, b.v. óverwegen naast overwégen, óverleggen naast overléggen, vóórkomen naast voorkómen, ónderdrukken naast onderdrúkken. De scheidbare hebben meestal nog de zinnelijke, de onscheidbare een overdrachtelijke betekenis, hoewel dat geen regel zonder uitzonderingen is. Men zegt b.v. niet alleen: ‘de worstelaars hebben nog lang doorgeworsteld’, maar ook: ‘ik heb dat taaie boek doorgeworsteld’. Scheidbaar zijn behoeft op zich zelf geen kenmerk te zijn van losse samenstelling; dat blijkt uit in betekenis sterk geïsoleerde werkwoorden als achtslaan, gadeslaan, waarnemen.

Ook met andere adverbia kunnen samenstellingen ontstaan als schóónschrijven, hárdlopen, snélvuren, stílzitten, lééglopen, fíjn-proeven, waarbij in meerdere of mindere mate isolering van betekenis optreedt. Al is het gebruik beperkt tot de infinitief, ze behoeven toch niet als substantieven beschouwd te worden,

[p. 194]

want ze kunnen ontstaan zijn in verbindingen als: hij kan, zal hardlopen. Op het ontstaan kunnen ook substantieven als hardloper, leegloper, snelvuurgeschut invloed gehad hebben.

90 Werkwoordelijke stam, gevolgd door een bepalend substantief,

b.v. knipogen, kwispelstaarten, klappertanden, kortwieken, plukharen. Het verbale deel kan ook op e eindigen: knikkebollen, suizebollen, schuddebollen, likkebaarden. Vooral de laatste vertonen overeenkomst met een vroeger besproken type van samengestelde substantieven, als schuddebol, die op de vorming van deze werkwoorden ingewerkt kunnen hebben. Een werkwoord als blaaskaken is stellig ontstaan uit blaaskaak. 1)   Aan druiloren kan het substantief druiloor voorafgegaan zijn, dat o.a. bij Bilderdijk voorkomt. Dit type van samenstelling is intussen al oud. In het Mnl. b.v. daesbollen, in de zestiende eeuw blaecoghen (Mar. van Nieum.); bij Hooft: strompevoeten, bij Vondel: sprietoogen, staeroogen; bij Bilderdijk: flikkeroogen. Talrijk zijn ze vooral in het Zuidnederlands. In een niet gepubliceerd antwoord op een prijsvraag van de Kon. Vlaamsche Academie worden er niet minder dan 223 opgesomd, o.a. slikkertanden, kikhalzen, kronkelstaarten, pruilmuilen, zeevermuilen, wippeteenen, glarieoogen. 2)  

Een groot aantal van deze woorden is ontstaan als infinitieven en in het gebruik daartoe beperkt, maar er zijn er ook die uitsluitend of bijna uitsluitend als participia voorkomen, b.v. druipstaartend, schoorvoetend, reikhalzend. De minderheid kan volledig vervoegd worden, b.v. de hond kwispelstaart, de ongelukkige klappertandde.

 

Talrijk zijn samenstellende afleidingen met praepositionele adverbia, als indijken, inkwartieren, overnachten, opvrolijken, opdissen, uitdiepen enz. 3)   Ook hier behoeft men weer niet van de infinitief uit te gaan. Van invloed kunnen Latijnse voorbeelden geweest zijn als incorporare, degenerare en dergelijke afleidingen van substantieven met praefixen als bedijken, vervrolijken, verdiepen enz.

 1)  Zie WNT i.v.
 2)  Zie Verslagen en Meded. der K. Vl. Acad. 1894, blz. 68 met een belangrijk verslag van Coopman (blz. 74 vlg.). Een groot aantal voorbeelden van dit type geeft Van Ginneken in het artikel Incorporeering van namen van lichaamsdeelen (Onze Taaltuin VIII, 132 vlg.).
 3)  Ook het Duits vormt verba als auftischen.

91 Samenstelling van voornaamwoorden.

Bij de behandeling van de woordsoorten is reeds gebleken dat

[p. 195]

verscheiden pronomina samengesteld zijn: onder de persoonlijke voornaamwoorden de beleefdheidsvormen (Uwedele, waaruit, langs uwé, u ontstond) en de met lieden samengestelde meervoudsvormen (jullie, hullie, zullie, wullie). 1)   Onder de aanwijzende: degene (diegene), dezulke, dezelve, dezelfde; ook verbindingen als die-daar zijn samenstellingen; vgl. Frans celui-là en Afrikaans hierdie. Verder zo'n en het zeventiende-eeuwse vooral Friese dusken uit duslijk een, thans uitvoerig behandeld door Stapelkamp (Estrikken 16, 13 v.v.). Onder de vragende het scheidbare wat-voor en wat-voor-een; onder de wederzijdse elkaar, malkaar; onder de onbepaalde: iemand (vgl. geen-mens), iedereen, ietwat 2)  , wie-ook (Mnl. wie so), onverschillig-welke (in 't Vlaams: om-'t-even-welke, gelijk-welke) en oudtijds ook alleman. 3)  

 1)  De samenstelling met zelf komt voor, maar werd niet zo innig als in 't Engels, waar themselves zelfs aan de pluralisering meedoet (Van Haeringen, Nederl. tussen Duits en Engels blz. 43).
 2)  Vgl. als woordgroep: iet of wat.
 3)  Zie WNT I, 168.

92 Samenstelling van bijwoorden.

  • 1o. Twee bijwoorden kunnen kopulatief verbonden worden, vooral plaatsbepalende: bovenaan, bovenover, voorin, vooruit, vooraan, onderin, onderuit, soms herhalend: zo-zo (met eigenaardige betekenis), of klankwisselend: stricx-stracx (17de eeuws bij Bredero = aanstonds).
    Daartoe behoren ook de zogenaamde voornaamwoordelijke bijwoorden (daaraan, hiermee, daartoe, overal-in, daarvoor, hierachter en de relatieve waarvan, waaraan, waarmee, waartoe, enz., 4)   die in betekenis gelijk staan met een voorzetsel + voornaamwoord. Het eerste adverbium kan ook bepalend voorafgaan: weldra, althans (= al te hands), alsnog.
  • 2o. Praepositie + adverbium: tevoren, intussen, vooralsnog.
  • 3o. Praepositie + adjektief: binnenkort, voorwaar, opnieuw, terecht, overal; soms met adverbiale s: vanouds.
  • 4o. Praepositie + substantief, vaak met adverbiale s: aanstonds, bijtijds, vanzins, bijkans (uit bikants), overeind, bijdehand, integendeel. Met bewaarde oude buiging: mettertijd, naderhand, inderdaad, ternauwernood, achterwege, tendele, bijwijlen. Met verduisterde etymologie: terug, thans (uit: te-hands), terstond; na verdwijning van de praepositie: weg (uit: enwech), trouwens (uit: entrouwen); met ingeschoven s onder invloed van de slot-s: buitenslands, ondershands.
 4)  Opmerkingen over al of niet splitsing en over de stilistische oorzaken daarvan vindt men bij Overdiep - Van Es Gramm. § 260. Daar wordt ook gewezen op verbindingen als: tengevolge daarvan, in verband daarmee.


[p. 196]

  • 5o. Adverbium, voorafgegaan door een substantief: bergop, stroomafwaarts (vgl. het Afrikaanse: huis-toe) en, uit syntaktisch verband ontstaan, urenlang. 1)  
  • 6o. Adjektief + substantief, met buigingsvormen. Deze kunnen oorspronkelijk teruggaan òf op een absolute genitief, nog in het Mnl. bewaard (b.v. baers beens, bedects aenschijns, hangents haers) 2)  , vgl. goedsmoeds, maar later, zonder de eerste s niet meer als genitieven gevoeld: luidkeels, heelhuids, òf op een verdwenen verband met een voorzetsel: (met) gewapender hand. Door allerlei verschuivingen, door jongere analogie-vormingen, tot op de jongste tijd (gebogenrugs, lichtentreds) vormen deze bijwoorden een bonte verzameling: 3)   langzamerhand, middelerwijl, halverwege, vergelijkenderwijze, enz.
  • 7o. Samengesmolten uit een verkorte zin met modale betekenis: misschien (= 't mach ghescien; vgl. Mnl. mallichte uit mach lichte, in de Drentse volkstaal lichtkans: N. Tg. V, 90, en het 17de eeuwse kan schien), weliswaar. ‘Wie weet (= misschien) heeft hij andere instrukties gekregen’. Vgl. ook het Afrikaanse hoekom = waarom: ‘Hoekom is jy so laat?’
  • 8o. Als afstandscompositum verbindingen met het algemeen makende ook, b.v. Hoe hij zijn best ook deed.
  • 9o. Losse verbindingen zijn ook de vele uitdrukkingen voor niets: geen zier, geen steek, geen lor enz.
  • 10o. Eigenaardig gevormd, wellicht uit een soort absolute konstruktie, zijn: kopje-onder en ondersteboven = omver; het plaatselijk-Drentse heeltijd (Overijsels: d'eeltijd) = al maar; allesbehalve = volstrekt niet, ontstaan in een zin als: Hij is alles, behalve netjes.
 1)  Vgl. W. Henzen: Deutsche Wortbildung § 6.
 2)  Zie J. Verdam: Absolute naamvallen in het Middelnederlandsch in Ts. II, later bestreden door Van Helten.
 3)  Zeer uitvoerig bestudeerd met veel voorbeelden en varianten, ook uit de taal van Gezelle, door Gerlach Royen in zijn Buigingsverschijnselen II, 291 vlg.

93 Samenstelling van telwoorden.

Kopulatief bij de getallen tussen tien en twintig, met verduisterde etymologie elf en twaalf, duidelijker in dertien en veertien, nog bewust in vijftien enz. Na de twintig koppelingen door middel van en: een-en-twintig enz., die door verbleking of verdwijning van en tot samenstellingen kunnen worden (§ 46).

Breukgetallen: voor de eenvoudigste breuk bestaat een eigen woord, namelijk half. Daarnaast staat de samenstelling met deel.

[p. 197]

reeds in 't Mnl. derdeel of derdendeel, sestendeel, waaruit zich echter niet, gelijk in het Duits (Drittel, Viertel) een suffix ontwikkeld heeft. Bij ons bleef verrel met speciale betekenis, alleen staan als naam voor een maat, te vergelijken met Mnl. vierdinc, vierdonc, vierlinc = vierde van een maat of munt.

Eigenaardig is de vorming van anderhalf = 1 ½, derdalf (2 ½), zestalf (5 ½) enz., die behalve het eerste buiten gebruik geraakt zijn. Dialektisch komt derdalf nog wel voor.

Vermenigvuldigingsgetallen. Naast samenstellingen met maal staan substantieven met -voud (tweevoud, veelvoud, wellicht als ‘Rückbildung’ uit -voudig te verklaren): tweevoudig, veelvoudig, menigvuldig. Dergelijke samenstellingen met -vuldig verliezen het karakter van telwoorden.

Andere kollektieve substantieven worden samengesteld met tal: drietal, viertal. Vergelijk ook afleidingen met -ling, die een speciale betekenis krijgen: tweeling en drieling (tegelijk geboren kinderen), terwijl het Mnl. drielinc betekent drie-vierden van een akker, en hallinc een halve penning.

94 Samenstelling van voorzetsels.

  • 1o. Kopulatief: totaan, vanuit, vanonder, vanaf, vanachter, tegenover, in het Vlaams: doorheen, langsheen. Verborgen zit be (uit bi) in binnen, buiten, boven, benevens, en in in nevens. Geheel verduisterd is de oorspronkelijke dubbelheid in tot (Mnl. tote uit to-te) en van (indien ontstaan uit af + an). 1)  
  • 2o. door verbindingen van een substantief, voorafgegaan door een voorzetsel en gevolgd door van:
    te midden van, ten opzichte van, ten gevolge van, in weerwil van, ten behoeve van, naar gelang van, door toedoen van, uit kracht van, uit hoofde van, uit naam van (= namens), ter zake van, ter wille van, ten opzichte van (Vlaams opzichtens), ten aanzien van, ten aanschouwen van, ten aanhoren van, ten overstaan van, door middel van, bij monde van, in plaats van, ten spijt van (=spijts), door middel van, naar mate van. Terecht heeft Gerlach Royen gewezen op het misbruik in een soort schrijfstijl, om van te vervangen door der, indien een lidwoord de (vr. of meerv.) zou moeten volgen, b.v. ‘te midden der golven’ in plaats van: ‘te midden van de golven’, ter wille uwer waardigheid, e.d. Wel komt het meermalen voor dat van wegvalt en b.v. bezijden, langszij, terzij, weerszijden als voorzetsels gebruikt worden. Een bekend voorbeeld is: Zeeland bewester (bewesten) Schelde. In het
 1)  Zie over de oorsprong WNT. i.v.


[p. 198]

    Mnl. nog: bewesten den Rine. Daarmee te vergelijken zijn andere ‘gekondenseerde voorzetsels van substantivischen huize’ als inzake, ingevolge, vanwege, ten einde (ten einde raad). Vgl. ook § 129.
    Dit soort samenstellingen is besproken in Gerlach Royen's artikel Aanschouwelijkheidsdrang bij voorzetsels (N. Tg. XXXVII), waar ook o.a. nog vermeld worden: bovenuit, buitenom, onderdoor, tussenin, overheen. Sommige taal-zuiveraars veroordelen vanaf en erkennen alleen het afstandscompositum van ... af als goed Nederlands. Daarvoor is geen reden, als men op de analoge gevallen let. Bovendien is er soms verschil doordat vanaf de volle nadruk legt op het uitgangspunt. Schertsend vroeg eens een meisje aan Charivarius wat het zijn moest: ‘Zeus dondert vanaf de Olympus’ of: ‘Zeus dondert van de Olympus af’. Vgl. nog § 210.
  • 3o. In een korte zin: dank-zij; in de zeventiende eeuw: danck hebbe. De isolering van betekenis blijkt daaruit, dat men dank-zij ook wel in ongunstige zin hoort gebruiken tenzij daarbij ironie in het spel is. De samenstelling blijkt ook daaruit, dat dankzij vaak aaneengeschreven wordt. Een eigenaardige verbinding die de funktie van voorzetsel verkrijgt is ook: ‘voor wat betreft zijn relaties tot de Roomse kerk’.
  • 4o. Op de grens van samenstelling en woordgroep staan verbindingen als het genoemde vanwege; zie daarvoor § 210.

95 Samenstelling van voegwoorden.

  • 1o. Praepositie + pronomen: indien, naardien, bijaldien, opdat, nadat, voordat, totdat. In 't Mnl. vaak gevolgd door dat: indien dat, tote dien dat. Alleen Mnl. met oude instrumentalis-vorm bedi = omdat, en met oude genitief tes = totdat (uit: te des).
  • 2o. Praepositie + substantief: ingeval (dat), naarmate, in weerwil (dat), teneinde, terwijl (Mnl. ter wilen dat). In het Mnl. sintemael, nademael. Oorspronkelijk volgde hier dat, dat later kon wegvallen: evenals bij tijdens = tijdens dat.
  • 3o. Praepositie + bijwoord: vooraleer (dat), voorzover (als).
  • 4o. Het bijwoord zo + bijwoord, gevolgd door als, dat ook gemist kan worden: zodra (als), zo dikwijls, zo vaak (als), zo haast (als), voorzover (als). Vergelijk ook telkens als voegwoord, afgekort uit: telkens als. Zo wordt ook verbonden met het voegwoord dat: zodat (Zuidnederlands ook: zodanig dat).
  • 5o. Het bijwoord hoe + bijwoord: hoewel, hoezeer.
  • 6o. Het oude afstands-compositum of ... schoon ontwikkelde


[p. 199]

    zich tot de vaste verbinding ofschoon, in de 17de eeuw ook al ... schoon, schoon ... of en nu nog op een afstand of ... al b.v. ‘of hij zijn best al deed’. By Coornhert zelfs drievoudig: ‘Oft nu schoon al gebeurde’.
  • 7o. Participia + dat, ontstaan uit absolute konstrukties, waarbij dat ook kon wegvallen: verondersteld, gesteld (dat), aangenomen (dat), daargelaten, toegegeven (dat), aangezien (§ 242).
  • 8o. Uit een korte zin: tenzij, tenware (dat), laat staan (dat), Mnl. ist sake dat = indien, en in oorsprong geheel verduisterd: maar uit ne ware (dat).