II. Afleiding.96-107 Afleiding van substantieven.96 Algemene opmerkingen.Van ‘afleiding’ spreken we gewoonlijk alleen, wanneer aan een woord een bestanddeel toegevoegd wordt, maar het is ook mogelijk dat naast de werkwoordvormen de kortste vorm, d.w.z. de stamvorm zelfstandig gebruikt wordt. In uitdrukkingen als: van de kook raken, aan de kook brengen, in de week zetten, aan de rook gaan, aan de weet komen, in de maak zijn, dat is een hele aanpak; een hele sjouw, hij doet het om de heb, een zware klim, hebben deze substantivische woorden dezelfde betekenis als infinitieven. Vgl. ook: ‘'t is een hele eet, zo'n bordvol; 't is maar een weet; snoep en snoepje = snoepgoed; de huiver voor iets (als substantief nog niet vermeld in W.N.T.) Binnen het gekozen kader laten we zulke voor het taalgevoel onherkenbare afleidingen buiten beschouwing, en bepalen wij ons in hoofdzaak tot die afleidingen, waarbij sedert de Middelnederlandse periode het laatste gedeelte nog als suffixen gevoeld wordt. Woordvorming door suffixen achter een verbale stam is overoud, maar vele afleidingen uit voorhistorische tijd bevatten voor het taalgevoel geen suffixen meer. Bij nadenken zal men zaad licht in verband brengen met zaaien, bloem met bloeien, groen met groeien, stal met staan, maar de slotkonsonanten zullen alleen door etymologen als resten van suffixen beschouwd worden. Sommigen, als H. Paul, onderstellen dat ze eenmaal uit afzonderlijk bestaande woorden verschrompeld zijn. Dat is evenmin bewijsbaar als onmogelijk, wanneer men bedenkt dat een dergelijke degradatie van een samenstellend deel tot een suffix in een latere periode, tot op deze tijd, een zeer gewoon verschijnsel is. 97 Afleiding door suffixen: Verkleinwoorden. 1)Het hedendaagse Nederlands kent twee suffixen bij verkleinwoorden: -je (-tje, -etje, -pje, -kje, -ie) en -ke (-ske), waarvan de verspreiding over de Nederlandse gewesten dialekt-geografisch door W. Pée in kaart gebracht is. Algemeen bekend is, dat -ke hoofdzakelijk in de Zuidelijke streken thuis hoort, terwijl de Noordelijke provincies, die voor het Algemeen Beschaafd de toon aangaven, alleen de vormen met -je (-tje) kennen, al komt -ke in letterkundige taal voor. Dat intussen al die zo weinig op elkaar gelijkende vormen teruggaan op het Mnl. -kijn heeft Kloeke duidelijk en scherpzinnig bewezen. Vroegere onderzoekers werden misleid door het schrift. Zij hielden tje voor een verbinding van t + j + ə, zonder in te zien dat tj eenvoudig een palatale t aanduidt, die licht uit de onder invloed van de volgende ī in bepaalde streken ontstane gepalataliseerde k ontwikkeld kan zijn. De klank van kj en tj in riekje en rietje gelijken zoveel op elkaar, dat een vreemdeling het verschil nauwelijks opmerkt. Dat dit proces in Noord-Holland al vroeg in de M.E. begonnen is, heeft M. de Vries al opgemerkt, toen hij wees op eigenaardige verkleinwoorden in Egmondse rekeningen. Kloeke heeft dit onderzoek voortgezet: naast het oude -kijn, verzwakt tot -ken vond hij ook -tgin (tgen) en -tiaen (kiaen), met ae die waarschijnlijk een verlengde ĕ is. Zulke gepalataliseerde klanken waren niet tot Noord-Holland beperkt: men treft ze aan tot diep in Zuid-Holland (Leiden, Delft) en zelfs in Zeeland. Blijkbaar was men vaak verlegen met het schrijven van die vreemde, palatale consonant, en behielp men zich meestal met de combinatie tg 2) , zelfs nog bij Huygens -tgien. Dat de konservatieve schrijfwijze -kijn (ken) soms gehandhaafd werd, is geen bewijs dat er nog niet gepalataliseerd werd. In streken waar de k de oude klank behield, verzwakte -kijn tot -ken en tot -ke. De nawerking van de ī blijkt in sommige dialekten (Oost-Brabant) door de umlaut van de voorafgaande klinker. Eindigde het woord op een k of ng, dan werd een s ingevoegd, dus: boekske, jongske. In de meeste delen van ons land ontstond dus tjien, dat langs |
1) De grondige studie van de Nederlandse verkleinwoorden is betrekkelijk jong. De stoot werd gegeven door Duitse studiën vooral die van F. Wrede: Die Diminutive im Deutschen (Deutsche Dialektgeografie Heft I, 1908). Sedert Kloeke zijn belangrijke verhandeling over het ontstaan van -tje publiceerde, is een uitgebreide literatuur over dit onderwerp ontstaan, waarvan wij hier alleen nog noemen W. Pée's proefschrift over de verspreiding van de diminutiva in de Nederlandse dialekten. Overigens verwijzen we naar de uitgebreide gegevens in Schönfeld's aantekeningen bij § 151-153.
2) B.v. uit Delft, omstreeks 1600: knechtgen, emmertgen, pannetgen, Marytgen, Adriaentgen, en reeds in de tweede helft van de 15de eeuw: boectgen (Catal. Barbara-klooster).
|
|
de weg van tjen tot tje en je zich ontwikkelde, terwijl de vollere ie-klank in Hollandse dialekten bewaard bleef (koppie, slokkie, doppie, happie, hoofie, lichie, nichie; Japie, dinchie, jochie, blom-mechie), maar in de beschaafde omgangstaal niet doorgedrongen is. In de geschreven taal handhaafden tot diep in de negentiende eeuw enkele auteurs de niet meer gesproken n in -jen. On-historisch is het dus, gelijk vroeger meermalen gebeurde, in de t van beentje een overgangsklank te zien tussen been en het suffix -je. Ook koninkje zou uit koninktje ontstaan kunnen zijn. Daarentegen is de p van boompje (uit boomptje) inderdaad een fonetisch ontstane overgangsklank na de m. Een uitbreiding tot -etje na woorden met korte vokaal, eindigend op liquidae, ng en g (tolletje, karretje, tangetje, vlaggetje) is te verklaren door analogie met dergelijke substantieven op -e. Ook na substantieven op m: kommetje, lammetje, boterhammetje, bloemetje. Bij woorden op s (muisje, meisje) ontstaat meestal uit s + j één consonant š. Bij woorden op ft, cht en st valt de t uit (hoofje, lichje, vesje); de uitspraak hooftje, lichtje, vestje is dus hyper-korrekt. In het schrift komt dit feit nu niet tot uiting, maar in de zeventiende eeuw werden zulke woorden nog vaak fonetisch gespeld. Eigenaardig is dat de diminutiva meermalen in het enkelvoud de vokaal van de meervoudsvorm vertonen: een scheepje, een vaatje, een slootje. Om dat te verklaren moet men bedenken dat van de meervouden schepen, vaten, sloten rechtstreeks de verkleinwoorden scheepjes, vaatjes, slootjes gevormd kunnen worden, waaruit weer naar analogie enkelvouden ontstaan. Vandaar de dubbelvormen dakje en daakje. Op dezelfde wijze ontstonden naast elkaar raadjes en radertjes, waaruit weer een radertje. Vgl. eiertjes, kindertjes, kleertjes. 1) Het gebruik van de Zuidelijke diminutiva op -ke(n) in letterkundige taal is reeds hiervoor vermeld. Zeldzamer is het nog te bespreken verouderde -lijn, b.v. bloemelijn, oogelijn, maagdelijn en de eigennaam Rozelijn, soms vermeerderd met tje: maagdelijntje, Knagelijntje.
In het Middelnederlands vindt men nog twee overoude diminutief-suffixen, die toen reeds geïsoleerd waren en nauwelijks voor analogische uitbreiding in aanmerking kwamen. Het oorspronkelijke -în komt nog voor in Mnl. welpijn, hoekijn, libardijn, maghedijn, vingherijn (naast vingherlijn), tafelijn, vogelijn. De laatste voorbeelden hebben geen aanleiding gegeven tot het ontstaan van een nieuw suffix -lijn. Waar dit in het Mnl. voorkomt, b.v. geckelijn in de Minnenloep, is het navolging van het |
1) Vgl. N. van Wijk in Taal en Letteren XV, 395.
|
|
Duits. Evenzo bij Hooft: slotelijn (Ger. v. Velsen) en bij Krul het spreekwoord: ‘Goe wijn behoeft gheen kranselijn’. Diminutieve kracht had ook het suffix -el in stippel, druppel, pukkel, stengel, kneukel, sommige met umlaut, als herinnering aan de oudere vorm -il. Dat dit suffix niet meer als verkleinend gevoeld werd blijkt, behalve uit de isolering van betekenis - een eikel b.v. is geen kleine eik - uit het feit dat dikwijls daarachter de verkleiningsuitgang -kijn geplaatst werd, waardoor feitelijk een nieuw suffix-elkijn ontstond, b.v. padelkijn, visselkijn, stickelkijn, cnapelkijn, scapelkijn, huselkijn, busscelkijn, wichtelkijn (naast wichterkijn) en in een inkunabel: bukelkijn, rugghelkijn, benelkijns (Gulden Throon). Het Mnl. menschelkijn vindt men nog terug als menschelkens bij Spieghel, en als menscheltjes bij Bredero. Na de zeventiende eeuw is dit suffix bijna verdwenen. 1) In G. Gezelle's Schrijverke vindt men nog visselkes.
De betekenis van de verkleinwoorden vertoont grote verscheidenheid. Reeds L.A. te Winkel 2) kwam tot de volgende groepering:
Daarbij zou nog het ruim gebruik van verkleinwoorden opgemerkt kunnen worden als klein-burgerlijke gewoonte, waarmee reeds Van Effen in zijn Agnietjes de spot gedreven heeft. Verkleinwoorden klinken dan gemoedelijk-vriendelijk, b.v. Mooi weertje vandaag! Wat een verfrissend regentje! Zo'n zonnetje doet je goed. 5) Eigenaardig was ook het buitensporige gebruik |
1) Verdam beschouwde, waarschijnlijk ten onrechte, ook -ik in woorden als Mnl. hiltic, deuvik als een diminutief-suffix (Ts. XVI, 176). Bij de suffixen -es en -ing is wel eens zonder voldoende grond diminutieve betekenis verondersteld (zie Ned. Spr. van Cosijn-Te Winkel).
2) In De Taalgids IV, blz. 81.
3) Zie nog meer voorbeelden in § 140.
4) broeder en poffer zijn waarschijnlijk door ‘Rückbildung’ ontstaan, evenals, schertsend, een baan (betrekking) uit baantje. Evenzo zijn bros (uit broche) en moes (uit mouche) als ‘Rückbildung’ te verklaren, doordat de langere vormen, voor het taalgevoel tot verkleinwoorden werden.
5) Vgl. de verkleinwoorden uit adjektieven met adverbiale -s: 't is frisjes vandaag. Er warmpjes in zitten. Ik kom maar eventjes. Zo is 't al welletjes.
|
|
van verkleinwoorden in de achttiende-eeuwse sfeer van de ‘fijnen’, waarmee Wolff en Deken in Sara Burgerhart de spot drijven: goede werkjes, hinderpaaltjes, ontroerinkje, strijdje, enz. Met het liefkozend karakter hangt samen het gebruik in erotische poëzie, b.v. bij Hooft. 1) Ook de vrouwentaal maakt een ruim gebruik van verkleinwoorden, b.v. een aardig hoedje, blousetje, boordje, jasje, enz. Bij de vorming van verkleinwoorden zijn nog de volgende biezonderheden op te merken: Soms ontstaan verkleinwoorden: 1o. bij verbale stammen: zijn weetje weten (reeds bij Huygens: Hofw. vs. 257), een strijkje, dat niet verkort is uit strijkorkestje 2) , een moetje (= een gedwongen huwelijk), een zetje geven, zij wil ook haar zegje hebben; 2o. bij adjektieven: z'n natje en z'n droogje, 3o. bij pronomina: een ditje en een datje; 4o. bij telwoorden: op z'n eentje, met z'n drietjes, met ons beidjes; 5o. bij adverbia: een toetje = nagerecht (naar analogie ook voortje = voorgerecht), een uitje = uitgangetje, een vrolijk tussendoortje (A. van Duinkerken); het werd niet zo'n latertje als de eerste maal, een ommetje maken, iets dunnetjes overdoen; 6o. bij woordverbindingen: een onder-onsje, een niemendalletje, een bijdehandje. Uit neiging tot afkorting ontstonden een bankje (= bankbiljet), een pasje (passe-partout) = trembiljet. Op ‘verkleinwoorden als namen van spelen’, als: krijgertje, verstoppertje, schooltje-spelen; touwtje springen, haasje over, schuitje varen, soldaatje spelen, winkeltje spelen, pootje baaien heeft R.A. Kollewijn gewezen. 3) |
1) Busken Huet (Lit. Phant. en Kr. VII, 138) maakte er Soera Rana een verwijt van, dat in zijn poëzie zoveel verkleinwoorden voorkomen.
2) Zie WNT i.v.
3) Taal en Letteren III, blz. 91 vlg.
|
98 Mannelijke persoonsnamen.Eigenaardig is, dat het meest gewone suffix bij mannelijke persoonsnamen (-aar, -er) uit het Latijn stamt. 4) Uitgangspunt waren woorden als molenaar, die in hun geheel uit het Latijn (molinarius) overgenomen werden. Het verdrong langzamerhand een ouder Germaans suffix -e, dat nog in het Middelnederlands voorkomt (herde, kempe, scinke; bij Hooft nog schutte en nu erve = erfgenaam), maar toen al niet meer produktief was. 5) |
4) Mogelijk heeft een deel van deze woorden, na plaatsnamen, een andere oorsprong: -warja = bewoners, b.v: Ampsivarii; dus o.a. Rômware als voorbeeld voor *burgware, waaruit burger ontstond. Zie verder Schönfeld § 143.
5) Vgl. in het Duits Schütze, Scherge, Geselle. en in eigennamen Beck uit Becke.
|
|
Tegenover -are was het te zwak, daar het niet voldoende expressief was. Voor de hedendaagse onderscheiden toepassing van -aar en -er geldt de volgende regel: ‘Het suffix heeft de vorm -aar na n, l, r, als een onbeklemtoonde syllabe voorafgaat. In alle overige posities heeft het de vorm- er, behalve in leraar, minnaar, (over)-winnaar, dienaar en zondaar’. 1) In het Mnl. zijn afleidingen met -er (naast -re, b.v. dienre, leerre, minre) gewoner dan die op -aar. 2) Een woord als over-winnaar b.v. is nog niet Mnl. Vgl. nu nog diender uit diener. Vandaar dat Kruisinga (Het Ned. van nu, blz. 69) de vormen op -aar als jonger en ‘deftiger’ beschouwt. Naar analogie van woorden die op n of l uitgingen, b.v. tollenare uit Mnl. tolne of voghelare, ontstond een uitgebreider suffix -naar (-enaar) en -laar. 3) Opmerkelijk is reeds in de Floris ende Blanchefloer de spelling voghellare met dubbele l. Vóór de uitgang -er kon zich na n en r en l een d ontwikkelen b.v. porder, scheerder, mulder, in volkstaal diender = politieagent. Na r heeft de d zich in het algemene Nederlands gehandhaafd; na n geldt de invoeging van d niet meer als beschaafd, maar in de 17de eeuw werd dat niet zo gevoeld: bij Huygens vindt men b.v. doender, bij Vondel ziender. Opmerking verdient dat juist bij deze afleiding de samenstelling door afleiding, in § 75 vermeld, veel voorkomt. Naast oude voorbeelden als beeldhouwer, dwarsdrijver kan men jongere gevallen plaatsen als negentiende-eeuwer, Bovenmoerdijker. 4) Naar de betekenis kan men de volgende groepering maken:
|
1) Aldus geformuleerd door Van Haeringen in zijn artikel -aar of -er (N. Tg. XLIV, 260 vlg.).
2) Vgl. voor het ontstaan van -re: Franck § 127, 1.
3) Zo is in het Duits -ler van betekenis geworden; vgl. Raabe PBB. LXXVIII, 45 vlg. Vgl. voor zulke ‘secundaire suffixen’ het artikel van Gerlach Royen in Taal en Leven V, 50.
4) Van Haeringen: Nieuwe Synthese, blz. 23. Daarentegen kunnen de door hem als vertegenwoordigers van dit type genoemde voorbeelden als boomkweker, klokkenverzamelaar m.i. weer gelden als normale samenstellingen.
5) Nog bij A. Roland Holst. Vondel gebruikt sterver in de betekenis van sterveling (Besp. van G. en G.).
|
Over de nog verdere uitbreiding tot namen van voorwerpen en abstracta zal in de volgende paragrafen gesproken worden.
Van Romaanse afkomst is ook het suffix -aard, verzwakt tot -erd. 3) Voor de verklaring zal men dus moeten uitgaan van uit het Frans overgenomen woorden als Mnl. gronjaert, goliaert, musaert, viliaert, grisaert, waarnaar analogisch woorden gevormd werden als dullaert, scalkaert, moiaert, behagelaert, bij Vondel grovaert (= grof mens) en partijnamen als Leliaert en Clauwaert. In een jongere periode komen er vele bij, als wreedaard, gierigaard, enz., in het Vlaams gaapaard (= domoor), afgunstigaard, enz. Juist in het Zuid-Nederlands zijn zulke afleidingen op -aard (en -erd) talrijk. Opmerkelijk is dat ze meestal een ongunstige betekenis hebben: dat blijkt o.a. uit een referein bij Jan van Doesborch (No. 138), waar een reeks van zulke woorden ter sprake komen. Voor de uitgang -erd geldt dat ten dele ook (lomperd, flauwerd, stommerd), maar niet als regel (vgl. dikkerd, leukerd, goedigerd, vluggerd. 4) |
1) Aldus WNT i.v.
2) Zie voor Franciscaner e. dgl. Van Haeringen N. Tg. XLVII, 24 vlg. Schijnbaar is -er suffix in: Duitser, reiziger. Pleonastisch in Batakker, Dajakker; ook in gladakker, wegens de ongewoonheid van woorden op -ak.
3) Dit -ard is hogerop afkomstig uit het Germaanse -hard, dat in eigennamen veel voorkwam. De overgang tot een middel om mannelijke persoonsnamen te vormen wordt dan begrijpelijk. Vgl. Schönfeld § 146a.
4) Het verband met -aard wordt in het schrift verbroken, als men -ert spelt, b.v. bij Potgieter vluggert, bij Busken Huet stumpert. Vgl. Van Haeringen's opmerkingen Over z.g. ‘paragogische’ consonanten in het Nederlands in N. Tg. XXXII, 261 vlg.
|
|
Bij afleiding van verbale stammen ontstaat verband met woorden op -er: sufferd, knoeierd, gluiperd, blufferd staan naast suffer, enz. Dit type komt al vroeg voor, o.a. bij Roemer Visscher: pruilert. Naar analogie gebruikt men ook: rakkerd, stakkerd, om zich meer expressief uit te drukken. 1) Omgekeerd kan naast veinzerd weer de vollere vorm veinzaard gevormd worden. 2) Begrijpelijk is ook de begripsassociatie van het suffix -aard met het substantief aard: een gierigaard is iemand met een gierige aard. Vgl. ook luiaard, snoodaard, valsaard, gulzigaard. Bredero vormde b.v. vreckaert, Roemer Visscher en Passchier de Fijne: plompaert. De uitbreiding tot zaaknamen zal weer in een latere paragraaf behandeld worden.
Een derde belangrijk suffix is -ing, -(e)ling (Mnl. -inc), waarvan de oorsprong terug gaat op persoonsnamen die de afkomst aangeven (Vlaming, Karoling); vgl. de vele eigennamen op -inga, -inge, -ink. 3) Met -inc werden in het Mnl. van adjektieven gevormd o.a. arminc, edelinc, jongelinc, ouderinc (later: ouderlinc). 4) Evenals in het Duits krijgt het suffix eerst zijn grote verbreiding na de versmelting tot -ling (-eling). Van verbale stammen vormt men dan aktief: leerling, volgeling, loteling enz., passief: dopeling, bestedeling, kwekeling, zendeling, huurling. Voor een deel worden deze woorden ook op vrouwen toegepast, tenzij men daarnaast een vrouwelijke pendant met -e vormt (leerlinge) (§ 99). Van adjektieven: ouderling, eersteling. Opmerkelijk is bij deze laatste, vooral in jongere tijd, de veelal ongunstige betekenis: stommeling, beroerling, duisterling, slimmeling, onnozeling, politiekeling, enthousiasteling, geestdrifteling.
Eveneens uit eigennamen ontstaan is het suffix -rik (-erik) 5) , dat in het Mnl. nog zeldzaam is (b.v. wiveric: een man die onder de pantoffel zit) en bij Kiliaen loserick, doverick, maar dat later enige uitbreiding kreeg: luierik, botterik, stommerik, viezerik. Dat type is vooral vruchtbaar in Zuid-Nederland: onbeleefderik, vadderik (= luiaard).
Reeds vroeg aan het Frans ontleend is het suffix -ier, |
1) Zie het artikel rakker in WNT.
3) Zie Schönfeld § 138.
4) Vgl. lerinc (later leerling).
5) Vgl. Schönfeld § 151.
|
|
-(e)nier. 1) Uitgangspunt zijn weer de woorden die in hun geheel uit het Frans overgenomen zijn, als barbier, poelier, koetsier, bottelier, kassier, financier. Dan wordt de uitbreiding tot afleiding van Nederlandse woorden begrijpelijk: herbergier, scholier, en reeds vroeg met -enier: drapenier (naast drapier), frutenier, peltenier, piekenier, soudenier, warmoezenier, aalmoezenier, rentenier. De Mnl. uitbreiding van het suffix tot -erier (draperier, mercerier) heeft voor de latere taal geen gevolgen gehad. Zelfs moest het daarmee op één lijn gestelde kamerier wijken voor kamenier. Verouderd zijn woorden als koerantier (= journalist) en bij Vondel nog tooneelier (tonelist), maar dat het suffix nog produktief is, blijkt uit jonge woorden als stoepier (bediende die op de stoep reklame maakt), vliegenier en glazenier (ontwerper van glas-in-lood). Van vreemde oorsprong is ook een derde, sinds de Middeleeuwen aan het Frans ontleend suffix, namelijk -ist, 2) Onder invloed van het schrift overheerst de spelling-uitspraak met i; alleen enkele jongere ontleningen hebben ie: artiest, dentiest (vgl. modieste). In het Zuidnederlands is de uitspraak met ie gebruikelijk, b.v. socialiest. In allerlei betekenisgroepen zijn deze afleidingen gebruikelijk geworden, b.v. als partijnamen: Mennist, Calvinist, Orangist, Epikurist, socialist, nihilist, communist; als militaire termen: artillerist, kavalerist, torpedist; als muziek-termen: organist (reeds Mnl.), fluitist, violist, pianist, komponist, korist; als taalkundige termen: Germanist, Anglist, Orientalist. Verder: bloemist, klokkenist, drogist, ovenist, en naar analogie: lampenist. Sommige daarvan zijn gevormd naar een ouder substantief op -isme, b.v. Epikurist (Fr. épicurien); andere zijn vertalend overgenomen (b.v. bloemist naar fleuriste) of aan andere talen ontleend (b.v. komponist uit het Duits). Een bewijs dat men al vroeg vertrouwd was met deze woorden. zijn de eigenaardige nieuwvormingen als geldist bij Coornhert, kannist, naast drogist, bij Bredero, kamerist = rederijker bij Vondel. Joh. de Brune vormde naast novellist (= journalist) ook nieuwist, terwijl hij Susannist gelijk stelt met Susannaboef. Vondel kent zowel afgodist als ongodist (Besp. van G. en G.). Buiten gebruik is ook geraakt pennist, terwijl het o.a. bij Multatuli voorkomende urist (schrijver op uurloon) geen ingang gevonden heeft. 3) Uitvoerig, met veel voorbeelden, is -ist naast -isme besproken door Gerlach Royen. 4) |
1) Zie Schönfeld § 143.
2) Zie Schönfeld § 146b.
3) Vgl. Van Haeringen Ts. LXII, 252; LXXI, 281.
4) Taal en Leven VII, 73.
|
|
Minder verbreid is het vreemde suffix -aan, ontleend uit aardrijkskundige namen als Venetiaan, Afrikaan, Indiaan. Daarnaar werden sekte- en partijnamen gevormd als Lutheraan, Voetiaan, Coccejaan. Door analogie werd -aan uitgebreid tot -iaan, b.v. Kantiaan, Bollandiaan, Kuyperiaan enz. Daarnaast -ees, -nees: Chinees, Japannees, Balinees. Zeldzaam zijn woorden op -ant: predikant, muzikant, fabrikant (vgl. intrigant, sollicitant). Zeldzamer nog -aris: falsaris (naast secretaris, notaris) en het schertsend gevormde plakkaris = aanplakker. Volgens een gissing van Van Wijk 1) zou op de Latijnse uitgang -us, in studententaal, het nauwelijks meer als suffix gevoelde -es (-is) teruggaan in woorden als lobbes, loeres, dreumes, smeris, te vergelijken met sulfes (= hals, bloed), dat bij Hooft voorkomt.
Persoonsnamen, waarbij het tweede samenstellende deel geleidelijk tot een suffix overgaat, of reeds als zodanig gevoeld wordt. De overgang van samenstelling tot afleiding blijkt in een aantal gevallen, waar het tweede deel weliswaar nog zelfstandig bestaat, maar in deze verbinding verbleekt, en het karakter van een suffix krijgt, dat tot analogische vormingen aanleiding kan geven. Daartoe behoren
|
1) Etym. Wdb., 393 i.v. lobbes. Voor dreumes en smeris neemt Van Haeringen (Supplement, blz. 38) jongere oorsprong aan.
|
-meier: kletsmeier, lulmeier en naar Duits voorbeeld: angstmeier. |
1) V.d. Meulen Ts. LXX, 286 vlg.
|
99 Vrouwelijke persoonsnamen.Een uit het oud-Germaans afkomstig suffix bij vrouwelijke persoonsnamen is: -in (Mnl. -inne). 2) Dat dit suffix in het Nederlands, in tegenstelling met het Duits, het accent draagt, is te verklaren door de analogie met het aan het Frans ontleende suffix -es (vgl. godin met godés). Ook om de tegenstelling (boer-boerin, leeuw-leeuwin) kan het accent op -in gelegd zijn. Als aanduiding van een vrouwelijk beroep of waardigheid kunnen zulke woorden gevormd worden van een mannelijke naam: herderin, vijandin, heldin, Jodin. In de tweede plaats kunnen ze de vrouw aanduiden die bij de man behoort: gravin, hertogin, al kunnen ze |
2) Daarnaast bestond een korter suffix -jô dat verdwenen is en alleen etymologisch enkele sporen nagelaten heeft, als merrie naast mare, henne naast hane en wellicht hinde.
|
|
ook tot de eerste groep overgaan; Bij namen als boerin, waardin vallen de beide betekenissen samen. In oudere taal komen zulke afleidingen voor, die ons nu vreemd aandoen, als het bijbelse mannin en dergelijke woorden bij Hooft (poëtin, maerschalkin en zelfs vaderin = parens, in de Tacitus-vertaling) en bij Vondel (nazaetin, eilandin, tyrannin, in Maria Stuart; landzaetin, in Salomon; schiltknaepin, afgodin in Bespiegelingen van G. en G.) en nog bij Bilderdijk: Heerin, Leenmannin, Ruwaerdin. Van sociologisch standpunt is het interessant er op te letten, bij welke beroepen zulke afgeleide namen op -in reeds voorkomen, en welke zich tot nu toe tegen zulke ‘motie’ verzetten, als professor, lector, koetsier. In een advertentie trof mij onlangs het nieuwe woord cheffin. In aansluiting bij de persoonsnamen ontstonden ook vrouwelijke diernamen: leeuwin, tijgerin, berin.
-ster. 1) Dit suffix had een beperkte verspreiding in het Oud-Engels en het Nederlands, terwijl het in het Duits en het Fries ontbrak. Van Nederland heeft het zich dan langs de Noord-Duitse kust verspreid. Volgens een aannemelijke gissing zou het zeer vroeg uit het Romaanse suffix -istre (b.v. in citharistria) ontstaan zijn. In het Mnl. is het al zeer gebruikelijk, naast mannelijke namen op -er: bacster, bidster, naeyster, sangster, spinster, voester, waschester. In het Vlaams is het nog vermeerderd met het suffix -ige: spinstrige. naysterige. 2) In hedendaags Nederlands komt -ster rechtstreeks achter een verbale stam: werkster, naaister en in de jongste tijd: bedienster; of achter mannelijke persoonsnamen op -aar en -ier (molenaarster, herbergierster). Wisseling van -er en -ster in kwakzalfster naast kwakzalver. In overeenstemming daarmee werd baker in de volksmond vervormd tot baakster, gelijk Hildebrand constateerde. In strijd met het taalgevoel van Noordnederlanders is de veldwinnende gewoonte in geschreven taal vrouwelijke persoonsnamen te gebruiken als men zaken bedoelt, benoemd met een naam van ‘vrouwelijk’ genus, b.v. ‘de uitgeefster voor een uitgeversfirma, of: de tegenwoordige generaties en haar voorgangsters’.
-es (Mnl. -esse) is in oorsprong een Romaans suffix (Latijn: -issa), dat meestal langs de weg van het Frans al vroeg in de Nederlanden doordrong. Abbatissa, profetissa, principessa zijn |
1) Zie Schönfeld § 144.
2) Vgl. in het Engels het dubbele suffix in seamstress, in het Middelnederl.: spinsterinne, spinstersche.
|
|
dus de voorgangers van abdesse (thans vrijwel uitsluitend: abdis), profetesse, princesse. Vaak wordt dit suffix geplaatst achter mannelijke namen op -aar en -er: lerares, dienares, meesteres, schilderes. Zulke woorden worden ook gevormd zonder Frans voorbeeld, b.v. barones = Frans baronne. Een jong woord als ponseres kan rechtstreeks uit ponsen gevormd worden, zonder dat er een woord ponser behoeft te bestaan. 1) -e is een suffix in opkomst, dat niet opgekomen en verbreid is in de levende volkstaal, maar opzettelijk toegepast, vooral in geschreven taal, om een vrouwelijke funktie of ambt van de mannelijke te onderscheiden. Enigszins kunstmatig is dus het onderscheid van echtgenote, lotgenote, bloedverwante, erfgename, weze, leerlinge als vrouwelijke pendanten van echtgenoot enz. Multatuli gebruikte in Vorstenschool al het vrouwelijke dieve. Daarbij sluiten zich vreemde woorden aan, als pianiste, telegrafiste, typiste, later ook presidente. Juist in de laatste tijd kan men allerlei dergelijke nieuwvormingen aantreffen, als predikante, passagiere, spionne, klerke, klante. Daarentegen ontmoette ik gidse al in een geschrift uit het midden van de negentiende eeuw. Merkwaardig is de aanhaling: ‘De Mei is de Maarschalke van de ontwakende natuur’. 2)
Naast dit viertal algemeen bekende suffixen vermelden wij een ander viertal, dat òf plaatselijk slechts bekend, of reeds verouderd is, een drietal Zuidnederlandse en een uit de Noordoostelijke streken.
-érsse is speciaal Zuidnederlands en komt in Mnl. geschriften vaak voor: meestérsse, costérse, sondérse. Ongetwijfeld is het een metathesis van erésse, gelijk uit de accentuering blijkt. 3) Het leeft nog voort in het Oostvlaams, zonder de r: meestésse (Teirlinck), naast het Westvlaamse meesterige.
|
1) Verwarring van dit suffix -esse met het verderop te bespreken -erse uit eresse blijkt uit het in rederijkerstaal voorkomende Princersce.
2) Vgl. Van Haeringen in N. Tg. XXXI 328 vlg., die denkt aan Franse invloed (châtelaine, étudiante enz.), en Gerlach Royen in Taal en Leven II, 10 vlg.
3) Edw. Schröder vereenzelvigt het ten onrechte met het later te noemen -sche. Kluge (§ 47) dacht aan een s-suffix.
4) Zie voor de oorsprong uit het vulgairlatijn Schönfeld § 145.
|
|
ding tot -nege. Met een dubbel suffix komt in het Mnl. nog voor loddiginne naast loddege. Het wordt ook gevoegd achter mannelijke persoonsnamen op -er, -aar, -ier, en soms achter het vrouwelijke -ster, waarvoor De Bo voorbeelden bijeenbracht. Een gesyncopeerde vorm -erge uit -erige komt bij Ed. de Dene voor. In sommige streken treft men, volgens De Bo, bij voorkeur -eie aan: babbeleie, wasscheie, enz. Het algemene Nederlands kent slechts geïsoleerde, aan Zuidelijke taal ontleende woorden als dievegge en klappei (babbelachtige vrouw), labbei, kladdei. -nede is eveneens speciaal Vlaams, maar sedert de M.E. verdwenen. 1) Voorbeelden uit het Mnl. zijn: gebuurnede, graefnede, geselnede, swaesnede, rechtsweernede. Dat het suffix al vroeg zijn kracht verloren had, blijkt uit de Mnl. verdubbeling in graefnedinne. In noordoostelijke dialekten vindt men, in overeenstemming met het naburige Nederduits:
Zoals reeds opgemerkt werd, heeft dit suffix, ook blijkens de andere accentuering, een geheel andere oorsprong als het Vlaamse -érse. |
1) Zie voor de mogelijke oorsprong Schönfeld § 154.
|
100 Voorwerps- en stofnamen.-er. Zich aansluitend bij de persoonsnamen op -er kunnen ook voorwerpsnamen gevormd worden. Immers, ook het voorwerp kan een handeling verrichten: een stamper stampt, een gieter giet, een wekker wekt, een wijzer wijst, een vlieger vliegt, enz. De handeling wisselt met een toestand: een tegenligger (auto), een dwarsligger, langsligger (balk), zinker (van de waterleiding). Bij hanger zou men ook kunnen denken aan iets dat opgehangen wordt; vgl. loper (waarover gelopen wordt), trekker (waaraan getrokken wordt). Geheel passief is de voorstelling in: overgooier (een kledingstuk), een doorgooier (slappe koffie), een inlegger (blad papier), een onderlegger (dekentje), een aflegger (afgedankt kledingstuk), een achterlader (geweer dat van achteren geladen wordt). Aardige voorbeelden uit de Noordbrabantse Kempen zijn: eters, poters, schelders en zetters (aardappelen bestemd om gegeten, gepoot, geschild en gezet te worden), wender (een kaart die bij het spelen gewend wordt). Ook uit andere Zuid- en Noordnederlandse streektalen zijn veel voorbeelden
opgetekend. 1) Een jonge vorming is ook rokertjes (sigaartjes). Ongewoner is dat ook het suffix -erd op zaaknamen toegepast wordt, b.v. een dikkerd, van een boom gezegd, of een dieperd voor een diepe kuil (in een bekend gedicht van De Genestet). 2) -sel wordt achter verbale stammen geplaatst en vormt dan substantieven met verschillende betekenis. Soms de naam van een voorwerp of een stof, die in een of andere betrekking staat tot de werking: actief in deksel, steunsel, welfsel, stijfsel (vaak als middel), passief in: aanhangsel. Als produkt van de handeling: baksel, brouwsel, zaagsel, strooisel, pluksel, knipsel en dan tot stofnaam geworden: verguldsel, schrapsel, kooksel, mengsel, vulsel. Ten slotte kunnen deze afleidingen ook abstrakte betekenis krijgen: toebereidsel, beletsel, aanwensel, voorwendsel, en dan weer meer konkreet in vertelsel. In woorden als stelsel, schepsel is de afleiding al verduisterd; leidsel, door het tegenwoordig geslacht gevoeld als afleiding met -sel (middel om het paard te leiden) is etymologisch te verklaren uit de samenstelling leidzeel. Sommige woorden op -sel hebben een pejoratief-gekleurde betekenis, b.v. verzinsel, bedenksel, uitvindsel, ook soms brouwsel. In de zeventiende-eeuwse Noordhollandse volkstaal ontstond door metathesis de vorm -(e)les b.v. sageles (in Hooft's Warenar), stremmeles, hengeles, bij S. Coster: warles. Sporadisch treft men dit verschijnsel ook aan in Mnl. teksten, b.v. radeles of rales = raadsel, spokels = spooksel. -(l)ing is vrijwel onvruchtbaar geworden. 3) Het komt nog voor:
Niet meer vatbaar voor analogische vorming is een oud suffix -el, dat alleen in enkele gevallen als prikkel, zetel, klepel, hevel, stekel nog als suffix herkenbaar is (vgl. Mnl. blouwel ‘stamper’ naast blouwen, stegel naast stigen), maar niet meer in woorden als lepel (Mnl. lapen = leppen), beitel (vgl. Mnl. biten = splijten), schoffel, nog minder met umlaut-vokaal: beugel, teugel, en geheel verborgen in peil (uit pegel), dweil (uit dwegel), spil (uit spinnel, Eng. spindle) en naald (met metathesis uit nadel). Hybridische suffixen zijn bij deze groep zeer schaars. Het |
1) Zie verder De Bo s.v. -er (blz. 308), Corn.-Vervliet s.v. -er (blz. 407), W. de Vries: Iets over Woordvorming, blz. 118, K. ter Laan, blz. 213, G.S. Overdiep: De Volkstaal van Katwijk aan Zee, blz. 64.
2) Terloops merken wij op dat -aart in het Bargoens voorkomt om zaaknamen te vormen als flakkaart (kaars), glimmaert (ruit), blankaert (melk), evenals -rik, b.v. porterik (deur), zitterik (stoel), snuiterik (neus). Vgl. Is. Teirlinck: Het Bargoens, Inleiding blz. X.
3) Het homonieme -ing bij abstracta wordt in § 102 besproken.
|
|
Franse suffix -el, in bastaardwoorden -eel, gaf aanleiding tot de vorming van bekkeneel, terwijl door klank- en begrips-associatie zich daarbij aansloten houweel (naast houwen) en toneel (naast (ver)tonen), hoewel deze woorden etymologisch een geheel andere oorsprong hadden. 1) Een unicum is ook helmet met de uitgang -et 2) ; gewoner zijn, vooral in Zuid-Nederland, een aantal zaak- en persoonsnamen op -joen, eljoen, b.v. kwispeljoen, schampeljoen; vgl. bocheljoen = gebochelde. 3) |
1) Nl. uit Oudfr. houel en tinel. Zie J.W. Muller's artikel in Ts. XVIII, 219 vlg.
3) Zie WNT III, 13, waar nog sukkeljoentje genoemd wordt, en IX op -oen, en vgl. -ioen (J.W. Muller: Ts. 63, 100 v.v.).
|
101 Kollektieven.Ook zonder suffix kan een voorwerpsnaam kollektieve betekenis krijgen. Het Mnl. woord loof (b.v. niet een loof) kan zowel blad als gebladerte betekenen, evenals men nu nog zegt: het blad is al van de bomen. Koren is oorspronkelijk korrel (vgl. het wild). Bekend is dat glas, steen, enz. voorwerps-, stof- en verzamelnamen kunnen zijn. Een speciaal middel om verzamelnamen te vormen is het suffix -te, samengaande met het praefix ge- (vg. § 104): gebladerte, gevogelte, gedierte, geboefte. In sommige samenstellingen met kollektieve betekenis is het laatste deel reeds in meer of mindere mate tot suffix verbleekt, b.v. -gerei: naai-, was-, eetgerei. -tuig: vistuig. Meestal zijn zulke woorden voorwerpsnamem geworden: werktuig, rijtuig, vliegtuig. -goed: strijkgoed, wasgoed, poetsgoed. -werk: suikerwerk, glaswerk. 4) -waar, -waren: koopwaar, ijzerwaren. Andere afleidingen met kollektieve betekenis zullen eerst in de volgende paragrafen ter sprake komen, bij suffixen die voornamelijk tot andere woordgroepen behoren. |
4) Ook het Duits kent Zeug, Gut, Werk als wordend suffix (Spielzeug, Schreibzeug; Erbgut, Frachtgut; Backwerk, Zuckerwerk enz.); zie Van Dam II 344. Het in taalkundige geschriften wel gebruikte woord taalgoed wordt nog als germanisme gevoeld.
|
102 Abstracta.Men onderscheidt naar de afleiding verbale en nominale abstracta, maar dezelfde suffixen kunnen vaak voor beide soorten dienen, b.v. kennis (van kennen) en duisternis (van duister). In § 96 zijn reeds de eenvoudigste verbale afleidingen behandeld, die met de stam samenvallen (slag, stoot) of die later door analogie ontstaan. 1) Minder overeenkomst, door latere klank-verandering, 2) vertonen slag van slaan, gang van gaan. In de tweede plaats kan ook de infinitief gesubstantiveerd worden (het werken, het wandelen), waarbij -en niet meer als suffix gevoeld wordt. Zeer gebruikelijk is daarnaast het suffix -ing (Mnl. -inge): werking, wandeling. 3) Op te merken valt dat in Noord-Nederland -ing neiging heeft te verzwakken tot əng, wanneer het hoofdaccent, als bij werking, onmiddellijk voorafgaat. In Zuid-Nederland blijft ook in het laatste geval de ĭ, soms overhellend naar ie. Eigenaardig is deze vorming in impressionistische taal, b.v. bij Boutens: ‘de wanding der bergen’, met een ‘zelfbewegelijk animistisch karakter’. 4) Minder gewoon dan in het Duits 5) zijn in het Nederlands nomina actionis op -er b.v. een schuiver maken (Zuidnederlands: een schijver (= draai) maken), een slippertje maken, een opstopper 6) , het loopt met een sisser af. Adjektieven konden, al of niet verbogen, zonder suffix, tot substantieven worden 7) , b.v. een euvel, het nut, het recht, Mnl. sonder valsch, dat waer = de waarheid; vgl. waarzeggen. Al vroeg ontwikkelde zich als speciaal suffix -de of -te, ontstaan uit de langere vorm -ede. Bij syncope van e werd dan de d na stemloze consonant verscherpt tot t, of de beide consonanten bleven stemhebbend: vandaar naast elkaar b.v. liefte en lievde uit lievede. Intussen verschijnt t schijnbaar onregelmatig; ook in gevallen waar men d zou verwachten, b.v. volte, stilte, zwaarte, warmte, gemeente, gewoonte, gedaante. J.H. Kern heeft dit verklaard uit de neiging om na liquidae de consonant te rekken, waaruit dan verscherping ontstaan zou zijn 8) , maar ook |
1) Buiten ons bestek valt de historische beschouwing van zulke afleidingen, die oorspronkelijk een vokaal-suffix hadden b.v. Mnl. dat ghelove. Eveneens afleidingen met de suffixen -t en -st (vlucht van vliegen, kunst van kunnen), waarin voor het tegenwoordige taalbesef de afleiding verduisterd is.
2) Voor dergelijke afleiding, maar met het praefix ge- vgl. § 104 onder 4o.
3) Zie WNT VI, 1611; Schönfeld § 138. Vgl. voor paren als deelneming: deelname De Vooys N. Tg. XLVII, 77 v. En zie voor het homonieme -ing bij voorwerpsnamen § 100.
5) In woorden als Fehler, Seufzer.
6) Zie WNT i.v. opdonder en vgl. uitbrander, uitschijter, meevaller, tegenvaller.
7) Kluge (Abr. § 17) merkt op dat dit de oudste vorm is, b.v. Mhd. falsch; vgl. Stolz, Gehorsam e.d.
8) Zie zijn betoog in de Handel. van de Maatsch. der N.L. 1895-96, blz. 191. Hij wijst op hetzelfde verschijnsel in de Skandinavische talen en in het Engels (b.v. dwelt, sent, girt).
|
|
analogie naar afleidingen als dikte blijft mogelijk. In oudere periode komen afleidingen met -te voor, die nu verdwenen zijn, ook bij substantieven als diefte; bij Vondel schroomte. 1)
Opmerking. Niet alle woorden op -te hebben een abstrakte betekenis; hetzelfde suffix kan ook verzamelnamen vormen (groente) en voorwerpsnamen (diepte, hoogte, steilte, sterkte).
Dit suffix heeft een korter, oud-Germaans suffix verdrongen, namelijk -e, dat in het Duits nog voortleeft (Liebe, Tiefe), in het Mnl. nog vrij gewoon was, b.v. diepe, gesonde enz., in de zeventiende eeuw nog sporadisch voorkomt, o.a. bij Vondel: oude, ronde 2) en in koude, waarde, nog een enkel spoor nagelaten heeft. 3) Dezelfde behoefte aan duidelijkheid, die veroorzaakt heeft dat -de het gewonnen heeft van -e, verhinderde ook dat de vooral Noordnederlandse neiging om de slot -e te doen afvallen, navolging gevonden heeft. Een aanloop daartoe is reeds in het Mnl. te constateren, b.v. ruumt uit ruumte (vgl. Engels health, wealth = weelde); in de zestiende eeuw schaamt, bij Hooft (Warenar) warmt, bij Huygens (Dagw.) weeld. Al deze woorden eindigen nu, zonder uitzondering, op -e.
-(e)nis (Mnl. -nisse en in het Vlaams de oudere vorm -nesse). 4) De langere vorm -enis is weer door analogie ontstaan. Wanneer een e toegevoegd wordt, blijft de verscherping van de consonant in de auslautpositie van de syllabe, gehandhaafd, b.v. beeltenis, droefenis. Dit verschijnsel komt reeds in het Mnl. voor o.a. gevankenesse, ghetuechenesse. Het suffix sluit zich niet alleen aan bij adjektieven en substantieven (duisternis, droefenis, beeltenis; een jong neologisme is lichternis (naar duisternis) bij P.N. van Eyck en A. Roland Holst), maar ook bij verbale stammen (heuchenis, Vlaams: treurnis), of verleden deelwoorden (geschiedenis, verrijzenis, gebeurtenis, bekentenis, erkentenis, gevangenis), waarbij de twee eerste geen verscherping van consonant vertonen. In schennis (van schenden) treedt assimilatie op; evenzo in vonnis uit vondenis, van een verl. deelw. afgeleid. De betekenis van deze afleidingen is niet beperkt tot toestanden en werkingen: ook een resultaat (kennis), een middel |
2) Van Helten t.a.p.
3) Zie Schönfeld § 155. Woede is een jongere vorm, die ± 1600 naast Mnl. woet opgekomen is. Omgekeerd werd Mnl. coude wel verkort tot cout.
4) Zie voor de Germaanse oorsprong en de anorganische n Schönfeld § 140.
|
|
(lafenis), een kollektief begrip (vuilnis), of andere konkrete voorstellingen (hindernis, wildernis) komen daarbij voor.
Bij een drietal suffixen, nl. -dom, -schap en -heid kan etymologisch nog aangetoond worden dat ze uit zelfstandige woorden ontstaan zijn. 1) -dom (verkort uit Mnl. doom) betekende oorspronkelijk: toestand, waardigheid. De betekenis van de afleiding is:
-schap (Mnl. -scap, -scepe, -scip; vgl. Fries -skip) samenhangend met scheppen, en dus oorspronkelijk: gestalte, gedaante, hoedanigheid, toestand. Het Mnl. kende reeds afleidingen als haetscap (= hatinge), viantscap, nutscap, heidenscap, joodscap, paepscap. Behalve achter substantieven en adjektieven komt -schap soms ook achter een infinitief: wetenschap, zeggenschap, waarvan weer medezeggenschap afgeleid is. In hedendaags Nederlands is het zeer gebruikelijk, en nog steeds zeer produktief, vooral in kollektieve zin. Het aantal (bedrijfschap, produktschap, landbouwschap, plassenschap, strandschap enz.) neemt in de laatste jaren door wettelijke regelingen zo sterk toe, dat zelfs een nieuw znw. schap bezig is zich daaruit te ontwikkelen: wet op de schappen, het werk der schappen enz. De betekenis kan zijn:
|
1) Zie Schönfeld § 135.
|
-heid (Mnl. -heit, -hede). In het oud-Germaans bestond een overeenkomstig substantief met de betekenis: stand, staat, waardigheid, hoedanigheid, dat in later tijd alleen als suffix voort-bestond. Doordat het dikwijls achter adjektieven op -ig kwam te staan (heiligheid) ontstond door analogie een uitgebreider suffix -igheid. 1) Een woord als zoetigheid kan nog gevormd zijn uit zoetig, maar zal licht met zoet in verband gebracht worden; kleinigheid, nieuwigheid, zwarigheid, gauwigheid, malligheid kunnen alleen ontstaan zijn met het uitgebreide suffix. 2) In de taal van de rederijkers en de vroege renaissance waren zulke woorden op -igheid (b.v. schoonigheid) in de mode. In dialekten, o.a. in de Noordbrabantse Kempen, zijn ze nog talrijk. Deze afleidingen worden aangetroffen bij allerlei adjektieven (schoonheid, waarheid, reinheid, vermetelheid, spaarzaamheid, onbeduidendheid), bij substantieven (Godheid), bij telwoorden (eenheid, veelheid) en een enkele maal bij een adverbium (overheid). Soms ook achter een woordgroep: de al-of-niet-mogelijkheid. De betekenis kan zijn:
|
1) In het Duits ontstond uit -icheit het moderne -keit.
2) De redenerende taalkundigen van de achttiende eeuw, als Huydecoper, achtten nieuwigheid onbestaanbaar, aangezien een adjektief nieuwig niet bestond.
3) Het laatste woord ontbreekt in het WNT. Het komt voor in Besp. van G. en G. I, 1914: ‘Isheit = 's werelts wezenheit’.
|
|
Wanneer naast elkaar afleidingen met -heid en -te staan, dan is het eerste meestal abstrakt, het tweede ook konkreet: vergelijk hoogheid, laagheid met hoogte, laagte, die tweeërlei betekenis kunnen hebben.
-wezen. Van jonge datum zijn een aantal woorden, waarschijnlijk naar Duits model, samengesteld met wezen, waarin dit bestanddeel op weg is om tot suffix te verbleken: krijgswezen, muntwezen, loodswezen, postwezen, armwezen, bibliotheekwezen, archiefwezen.
-rijk. Dicht bij koninkrijk, keizerrijk staan nog aardrijk, hemelrijk, maar dierenrijk, plantenrijk, delfstoffenrijk worden eenvoudig kollektieven, zonder het begrip ‘gebied’. 103 Hybridische vorming.Een zestal suffixen zijn van Romaanse oorsprong; sommige zijn zozeer ingeburgerd en door talrijke analogie-vormingen verbreid, dat ze niet meer als vreemd gevoeld worden. De grootste groep wordt gevormd door:
-ij, uitgebreid tot -arij, -erij, -enij, -ernij. De oorsprong van dit suffix is te vinden in het Frans. Woorden op -ie moeten al lang vóór de schriftelijke overlevering aan het Frans, en aan het geschreven Latijn ontleend zijn 1) ; anders zou het onverklaarbaar zijn dat reeds omstreeks 1300 zoveel analogie-vorming op te merken valt, b.v. duvelie, heerschappie, momborie, voghedie, gokelie, wapenie. In het Middelnederlands vindt men ook nog de oudere vorm, -îë, b.v. baelgië 2) , waaruit later ontstond -ije (Turkije, Barbarije) waarnaast -je (Spanje, Brittanje). In jongere perioden werden opnieuw veel Franse woorden op -ie overgenomen. Slechts bij uitzondering (als rijmklank) ging daarbij ie over in ij (poezij, melodij. 3) Zeldzaam is een uitbreiding van dit suffix tot -dij of -derij. Naar analogie van abdij, proosdij, voogdij ontstond makelaardij. Het ontstaan van boerderij is niet duidelijk, maar misschien was dit het model voor het volks-etymologische gaanderij (= galerij). Doordat -ie (-ij) zo vaak achter woorden op -aar, -er kwam, |
1) Zie Salverda de Grave: Essai sur quelques groupes de Mots, empruntés par le Néerlandais au Latin écrit, blz. 60 vlg. en Franse woorden in het Nederlands, blz. 339. Verder Schönfeld § 148 en de daar genoemde litteratuur.
2) Soms naast elkaar, b.v. in de Rose als rijm meestrie: vrie en even verder vrië: simonië.
3) Salverda de Grave, a.w. blz. 308, merkt op, dat daarbij de analogie opnieuw werkte, en aanleiding gaf tot quasi-Franse woorden als botanie, gymnastie, pedagogie, waarvan de beide laatste verdrongen werden door gymnastiek en pedagogiek.
|
|
ontstond een uitgebreider suffix -arij, -erij. Naar bakkerij, brouwerij kon ook smederij gevormd worden. Visserij kan dus zowel van visser, als rechtstreeks van vissen gevormd zijn. Hooft gebruikt al praterij (Granida). Vgl. verder: afgoderij, landerij, boekerij enz. Pejoratief b.v. bij Multatuli: letterkunderij, publicisterij, kritiekerij. Evenzo gaven woorden als artsenij, woestenij (uit Mnl. woestene), komenij (uit coopmannij) aanleiding tot het uitgebreidere -enij en dit versmolt met -erij tot -ernij: Vondel kent nog razerij, moorderij, waarnaast razernij, slavernij. 1) Evenzo spotterij en spotternij. Reeds oud zijn Mnl. dorpernie, scalkernie, waarbij later: glotternie, loddernie, truffernie, smekernie. 2) Een dubbel suffix komt voor in heerschappij, maatschappij. De betekenis van woorden op -ij is:
-age komt eveneens eerst voor in uit het Frans overgenomen woorden. 4) Oorspronkelijk werd het waarschijnlijk uitgesproken als adžə: vandaar de weifeling in de schrijfwijze: pelgrimaedse, pelgrimaedje, pelgrimagie; in de zeventiende eeuw b.v. zeilagie. maar ook zeilazie. Hooft schrijft al op z'n Frans: boelage, maar nog in de spelling van Siegenbeek was -aadje gebruikelijk. Naar de vele, reeds vóór de schriftelijke overlevering ontleende woorden, werden al in het Mnl. o.a. analogisch gevormd: drivage, lackaedsie, sculaedse, timmerage enz. De stroom gaat steeds door: zowel van verba (vrijage, boelage, kijvage, kwellage, slijtage |
1) Vgl. het artikel razernij in het WNT.
2) Daarnaast komt voor: smekerdie met een niet produktief gebleven suffix -die dat ook voorkomt in makelaerdie (Ned. makelaardij), waarvoor koopvaardij als voorbeeld gediend kan hebben, evenals proosdij en kanunnikdij naar abdij. Vergelijk een dergelijk uitgebreid suffix -derij, door Schönfeld uit de Groningse volkstaal aangehaald, maar dat ook in de Noord-brabantse Kempen gewoon is, b.v. dokterderij (het dokteren), handelderij (het handelen), huurderij (het huren) enz. Vergelijk ook Teirlinck, Klank- en Vormleer, blz. 117b en Cornelissen Bijv. XII. Een uitbreiding tot -elij (gelijk in het Duitse Liebelei e.d.) komt in het Nederlands niet voor; makelij = maaksel had daar aanleiding toe kunnen geven.
3) Schönfeld, t.a.p., wijst op de parallel met het Duits. Een woord als zwijnerij zal oorspronkelijk wel een germanisme zijn (Schweinerei).
4) Zie voor de oorsprong uit Lat. -aticum en de verdere klankontwikkeling in het Romaans Salverda de Grave De Fr. W., blz. 306, 339.
|
|
lekkage) als van substantieven (bosschage, dijkage, zeilage, tuigage, pakkage, stoffage) worden telkens nieuwe woorden gevormd. Opmerkelijk is, dat zoveel van deze woorden weer verdwenen zijn, b.v. de in het WNT vermelde schuivage, stuwage, en dat ook late afleidingen door hun ‘slang’-karakter vergankelijk zijn, b.v. foppage (nog bij Vosmaer), kullage, bibberage, dierage. Wat de betekenis betreft, kan men onderscheiden:
Bij pelgrimage = pelgrimstocht sluit zich aan het zeventiende-eeuwse zeilage (o.a. bij Gerrit de Veer) = zeiltocht.
(-i)teit komt oorspronkelijk voor bij geleerde, aan het Frans ontleende woorden als majesteit, kwaliteit. 1) In enkele daarvan, als antiquiteit, kon men het eerste deel in verband brengen met een adjektief (antiek). Dat opende de mogelijkheid voor analogievormingen als rariteit, stommiteit, flauwiteit, gemeniteit, naieviteit, alle in familiare taal, wellicht tendele afkomstig uit dezelfde kringen als de soortgelijke Duitse woorden.
-ment komt oorspronkelijk voor in geleerde woorden uit het geschreven Latijn: torment, instrument, element, regiment, fragment e.d. 2) In het Mnl. werkte reeds analogie, blijkens woorden als boetement en boerdement. In hedendaagse taal zijn bekend: dreigement en de min of meer familiare woorden mankement en gruzelementen (pl. t.); en als typisch ‘slang’: kakement, zielement, bollement, donderement, prevelement (= praatjes), pierement (= draaiorgel). Wolff en Deken kennen naast complimenten ook buigementen.
-isme, in het Zuidnederlands, onder Franse invloed, veelal met ie gesproken, komt voor in internationaal gebruikelijke woorden (uit Latijn -ismus), die een of andere geestesrichting, geleerde of maatschappelijke beschouwing aanduiden, als Calvinisme, Darwinisme, socialisme, anarchisme, klassicisme; verder ook gallicisme, anglicisme. Ze zijn voor enige uitbreiding vatbaar: de term |
1) Het Duitse -tät heeft slechts zeldzame hybrieden als grobität (16de eeuw), albertät (17de eeuw), schertsende vormingen, wel uit studentenkringen afkomstig. Zie Holmberg PBB. 1937 afl. 1-2; Van Dam II 365. Vgl. voor naieviteit Gerlach Royen in N. Tg. XLIII, 275.
|
|
germanisme moet in ons land ontstaan zijn. Familiaar is b.v. idiotisme = een idiote streek. 1) -atie. Geleerde woorden op -atie (uitgesproken als -asie of -aatsie) kwamen ook in omgangstaal voor, b.v. felicitatie. Hybridische afleiding is daarbij zeldzaam, b.v. redenatie = redenering. Naar woorden als falsificatie vormde men in ‘slang’: lullificatie, kletsificatie = kletspraat.
-aria: prullaria. |
1) Meer voorbeelden zijn besproken door Gerlach Royen in Taal en Leven VII, 73.
|
104 Afleiding door praefixen.ge- 2) heeft bij substantieven verschillende betekenis.
on-. Vóór substantieven heeft on- (met klemtoon) drieërlei betekenis: 3)
|
2) Zie over dit uit Oudgerm. ga- verzwakte praefix en de eventuele samenhang met Latijn co(n)-: Van Wijk Etym. Wdb., en Schönfeld § 160c.
3) Zie Schönfeld § 159.
|
wan 3) heeft dezelfde verslechterende betekenis als on-. In het Mnl. komt al een vrij groot aantal afleidingen voor, merendeels weer verdwenen: wangelaet, wangelove, wanhoge (= droefheid), wanonste, wanlust, wanraet, wansede, wantale, wantroost, wanvermoeden, wanverstant. Eigenaardig is de levenskracht van dit oude praefix. In schipperstaal kent men wankoers, wantij, wanvracht en daarnaast allerlei vrij jonge woorden als wanklank, wangedrag, wanbedrijf, wanverhouding, wansmaak, wanspelling en zelfs een familiaar woord als wanbof. Mevr. Bosboom-Toussaint gebruikte wanheb, in tegenstelling met hebben. Intussen treft men een schijnbaar jong woord als wanbetaling al in de zestiende eeuw aan. De rekking tot waen in het Mnl. (b.v. waenhope, waenmate, waentroost, waenwise) staat mogelijk onder invloed van bijgedachte aan wanen. Dat kan vooral het geval zijn bij een woord als waenglorie. Vgl. waenweten bij Bredero en het adjektief waanwijs; daarentegen kan waanzin ‘Rückbildung’ zijn uit waanzinnig, dat mogelijk aan het Duits ontleend is.
mis- 4) , een pendant van wan-, is in het Mnl. ruim vertegenwoordigd: het Middelnederlands Woordenboek somt een veertigtal op, die, nu verdwenen zijn (b.v. misval, misbroke = vergrijp, miscanse = slechte kans, ongeluk, mistale enz.). Ook na de Middeleeuwen tot op onze tijd blijft het praefix vruchtbaar: misslag, misgewas, misbruik, misbaksel, miskraam, misgreep, mispunt, misverstand (oudtijds = onenigheid, o.a. bij Huygens), misstap, enz. 5) |
1) Vgl. Duits: Unzahl, Unmenge, Unmasse.
3) Zie voor de ontwikkeling uit een zelfstandig oud-Germaans woord Schönfeld § 159. Mnl. wan = ledig.
4) Zie Schönfeld § 159.
5) Een vierde pejoratief suffix: bal- schijnt reeds in 't Mnl. niet meer produktief geweest te zijn; het komt maar voor bij drie substantieven: baldaet, balmont (slechte voogd) en het twijfelachtige ballast, waarvan alleen het laatste nog bestaat en het eerste in baldadig bewaard is. Verder zijn nog in gebruik gebleven: balorig en balsturig. Geïsoleerd in dezelfde pejoratieve betekenis is ook af- in afgod (= ongod) en afgunst, wellicht ook in afgrond, maar hier wekt af herinneringen aan het bijwoord af in samenstellingen als afdak.
|
105 Verouderde praefixen.Een viertal oud-Germaanse suffixen zijn slechts in spaarzame overblijfsels bewaard, en hebben door hun onherkenbaarheid en
onvruchtbaarheid, al sedert het Middelnederlands voor het tegenwoordige Nederlands alleen historisch belang. Het zijn:
a- ontkennend-pejoratief, slechts bewaard in drie Mnl. substantieven: asage = beuzelpraat, awech = afgelegen plaats en awint = windstilte; bovendien versterkend in abolge = verbolgenheid. et = weder, opnieuw, in Mnl. etgras, etgroede (nu nog: etgroen), etmael en edwijt - smaad. ant- = tegen, alleen bewaard in antwoord, maar in het Mnl. nog in antwerde = tegenwoordigheid, andach (uit anddach) = oktaaf van een kerkelijk feest, en anthooft = waterkering (vgl. Antwerpen). oor- = uit, nog bewaard in oorkonde, oordeel, oorlof, oorsprong, oorzaak, oorlog. 1) Voor het Mnl. komen daar nog bij: orate = overgebleven eten 2) , orsate = schadeloosstelling, orvede = belofte geen wraak te zullen nemen, en de mystieke term orewoet, bij Hadewijch (= geestvervoering). |
2) Later orete > orte; vgl. geörte spise (J.W. Muller in Ts. XIII).
|
106 Hybridische praefixen.aarts- (Mnl. aerts-, erts-) is vroeg ontleend aan het Romaans (arci-), blijkens de umlaut in het Duitse erz. 3) Naar aartsengel, aartsbisschop, aartsvader werden woorden gevormd als aartsmoeder, aartsherder, aartsketter, enz. 4) Met pejoratieve verruiming van betekenis werden schertsend woorden gevormd als: aartsschelm, aartsschavuit, aartsdeugniet, aartsbedrieger. Etymologisch verborgen is het in arts (Mnl. arsatere = Grieks archi-iatros); als jongere woorden werden architekt, archipel in veel latere tijd uit het Frans overgenomen. 5) Vgl. voor de uitbreiding tot adjektieven § 117. oer- is etymologisch hetzelfde praefix als het boven besproken oor-, maar is daarmee niet te vereenzelvigen, omdat het in veel later tijd en met andere betekenis uit het Duits overgenomen werd, al is het voor verbreiding in het Nederlands vatbaar gebleken, b.v. oerbos, oermens, oertaal, oervorm, oertekst. Ontaalkundig was dus Van Helten's voorstel om het door oor- te |
3) Vgl. Salverda de Grave De Fr. W., blz. 23. In Mnl. eertsche bisscop blijkt dat volksetymologisch verband ondersteld werd met eerde, maar daarin zal wel niet, met Van Wijk, de verklaring van de t gezocht moeten worden. Veeleer is te denken aan een Romaanse palatale t.
4) Zie meer voorbeelden in WNT I, 579 vlg.
5) Naar de betekenis zijn samenstellingen met opper te vergelijken, dat ook de funktie van een praefix begint te krijgen: opperadmiraal, -kanselier, -officier, -priester, -rabijn, -rechter, -stalmeester, -stuurman; opperbestuur, oppergezag. In de Noordbrabantse Kempen: opperdeugeniet = aartsdeugniet, oppervlegel.
|
|
vervangen en daardoor meer Nederlands te maken. 1) Vgl. voor de ontwikkeling van oer- als versterkend praefix bij adjektieven § 117. Eigenaardig is, dat ook een aantal Latijnse voorzetsels en bijwoorden meermalen aan Nederlandse woorden gekoppeld worden, en dan het karakter van praefixen krijgen, namelijk:
ex- in ex-minister, ex-keizer enz. (= gewezen). Het gebruik is afkomstig uit het milieu van Latijnse beambten en soldaten. Uit het Latijn ging het eerst in de tijd van de Revolutie in het Frans over. In het Nederlands is het een navolging van het Frans. 2) De oudste voorbeelden in het WNT dateren uit het einde van de achttiende eeuw; bij Wolff en Deken: ex-koopman, bij Staring: de ex-kreupelen, bij De Wacker van Zon: ex-herder, ex-dichter, ex-minnaar. 3)
vice-: naar vice-president analogisch ook vice-voorzitter.
sub- Het WNT noemt: sub-ontvanger, naar woorden als subaltern.
anti- Naar de vele vreemde woorden (b.v. anti-Christ) wordt dit woord voor allerlei Nederlandse geplaatst. Huygens vormde al, schertsend, anti-woord in tegenstelling met antwoord. Uit later tijd dagtekenen: b.v. anti-revolutionair, anti-semiet, anti-papist, anti-kritiek, anti-clericalisme, anti-dienstvervangingsbond. 4)
non- in vreemde woorden als non-valeur, non-combattant vonden navolging b.v. in non-betaling (Van Dale), non-stoprit. extra: extra-korting, extra-premie. quasi: quasi-geleerdheid. pseudo: een pseudo-student. hyper: hyper-critiek. 5) De drie laatste praefixen komen ook bij adjektieven voor (zie § 117).
Uit sommige van de bovengenoemde praefixen emanciperen zich substantieven of adjektieven (§ 117): de ultra's, de anti's, een extraatje, iets extra's, een prae hebben. |
1) Ook volgens het WNT is het ‘verkeerdelijk als voorvoegsel gebruikt’.
3) Te vergelijken is de voorvoeging van oud in oud-minister, oud-burgemeester.
4) Zeer uitvoerig is anti- behandeld in het Supplement van het W.N.T. (ald. ook anti).
5) Bij super vormt men o.a. superdividend, superintendent, supernaturalisme, maar het W.N.T. geeft geen voorbeelden met zuiver Nederlandse znw.
|
107 Praefixen in wording, uit samenstellingen.Parallel met wat reeds opgemerkt werd bij de suffixen, zien we ook bij de praefixen het verschijnsel dat het eerste deel van een samenstelling door analogie produktief kan worden en dan min of meer de funktie krijgt van een praefix. Een voorbeeld daarvan uit het Mnl. is de pejoratieve betekenis van hage, oorspronkelijk = van buiten af, b.v. in hagemunt; d.i. munt van slecht allooi. In de zestiende eeuw kent Kiliaen reeds: haeghklerck, haeghpape, haeghpoorter, haeghschole, haeghspel, haeghtap. 1) Omgekeerd diende puuc (oorspronkelijk: laken van de beste soort) om iets voortreffelijks te kenmerken (b.v. in het Mnl. adjektief puucgoet = puikbest), dat door Vondel als melioratief praefix gebruikt wordt in puicksteen en puickstof (Jos. in Dothan, vs. 124 en 130); vgl. puikdichter, puikschilder, puikjaweel, puiksieraad. Bij persoonsnamen kent de Groningse en Drentse volkstaal als vergrotend praefix baas: niet alleen baaskerel, maar ook baasklimmer, baasmeid, baasboom. 2) Vooral in platte volkstaal en ‘slang’ kan men in verschillende tijden zulke praefixen-in-wording aantreffen, vooral pejoratief, b.v. reeds in de 16de en 17de eeuw kak- (bij Coornhert kackjoffer, bij Bredero kacknaaister, later kakmadam enz.), snert- en stront- in tal van verbindingen 3) , evenals nu nog een rotkerel, een soep-boel e.d. Daartegenover staat weer waarderend het praefix reuze-, b.v. een reuze-onderneming. Verscheidene van zulke praefixen zullen we bij de adjektief-vorming terugvinden. |
1) Mnl. Wdb. i.v. hagemunt.
2) Niet vermeld in WNT Vergelijkbaar is het Mnl. meester-duvel (L.o.H.).
3) Zie daarvoor de artikels in WNT XV en XVI.
|
108-118 Afleiding van adjektieven.108 Algemene opmerkingen.De stamvorm van werkwoorden kan niet alleen als substantief (§ 96) maar ook als adjektief in gebruik komen, b.v. klef van kleven, kies van kiezen, braak van braken, klem, knijp (vast-gedrukt: 't Schip loopt klem of knijp), in een gedicht van Revius swoeg (hijgend) van zwoegen. 4) Ook adverbia, voor |
4) Deze voorbeelden zijn ontleend aan een artikel van Chr. Stapelkamp (N. Tg. XLIII, 141).
|
|
buiging vatbaar geworden, kunnen tot adjektieven overgaan 1) . Bij adverbia: de nabije zon (Hooft), veraffe geluiden, een terloopse mededeling; bij bijwoordelijke uitdrukkingen: een bijdehante jongen, een doordeweekse dag. |
1) Substantieven (stofnamen en kleurnamen) kunnen adjektivisch gebruikt worden. Dan verandert wel de betekenis, maar niet de vorm (zie § 141).
|
109-113 Afleiding door suffixen.109 Het suffix -en.Van ouds is de afleiding door middel van suffixen zeer gebruikelijk om nieuwe adjektieven te vormen. Wij laten weer ter zijde die gevallen waarin een suffix uit een ver taalverleden alleen voor etymologen nog herkenbaar, schuilt in een slotklank, als de t-klank van kond (naast kennen), de r van bitter (naast bijten) enz. Nu verouderd, maar in de M.E. blijkens tal van adjektieven nog produktief, is het suffix -el, b.v. middel, wandel, wantrouwel, behaghel, aenhanghel, nu nog vermetel, schamel, onnozel, en wellicht verborgen in onvergetelijk (Mnl. vergetel) 2) , kregelig (Mnl. crighel). Voor het tegenwoordige taalgevoel nog herkenbare suffixen zijn: -en, bij stoffelijke adjektieven, ontstaan uit het Mnl. -ij. 3) In het Mnl. komen niet alleen veel afleidingen voor van namen van metalen (guldijn, selverijn, coperijn, houtijn) en stoffen (sidijn, wollijn), maar ook van allerlei diernamen (hondijn, hertijn, calverijn, berijn, wederijn, lammerijn, coninijn, verkort tot conijn), die met het substantief later tot samenstellingen konden versmelten (hertenvlees, berenhuid), doordat ze niet meer als adjektieven herkend werden. In jongere tijd ontstaan telkens nog nieuwe afleidingen van deze soort als: bronzen, gipsen, papieren, rieten, een veren bed, een touwen mat, e.d. In moderne poëzie komen herhaaldelijk dergelijke adjektieven als neologismen voor, o.a. wolken, stralen, vuren (Boutens), weerlichten (Marsman). |
2) Vgl. echter: begrijpelijk, onverzettelijk, vergefelijk, e.d.
3) Zie Schönfeld § 151. Vgl. voor -e naast -en § 26.
|
110 Het suffix -ig.-ig uitgesproken -əg), uitgebreid tot -erig. 4) De vokaal kan zowel teruggaan op a als op i; vandaar in de oudere periode al of niet met een umlaut (b.v. Limburgs mechtig uit macht), waarvan nog sporen aanwezig zijn bij behendig, bestendig, amechtig. In het Mnl. ging -ich soms samen met het praefix be- (besondich, |
4) Vgl. Schönfeld § 137.
|
|
bedroevich, bebloedich), die zozeer op participia geleken, dat ze zich daarbij aanpasten (besondicht enz.) 1) Dit suffix kan geplaatst worden: 1o. achter substantieven, om een eigenschap aan te geven, met die voorstelling samenhangend, b.v. voorzien van wat het substantief aanduidt: bloedig, rotsig, glanzig, of: de eigenschappen vertonende: bazig, bokkig, glazig, dievig; 2o. achter adjektieven: waardig, levendig, droevig, zoetig, gelig; 3o. achter verbale stammen: de neiging vertonend tot de handeling; inhalig, gelovig, bedrijvig, begerig; bij Huygens: lesigh; 4o. achter adverbia, b.v. nietig, innig, overig, vorig (vgl. ook enig uit een telwoord, sommig naast Mnl. some). Een woord als toenmalig, voormalig, is waarschijnlijk gevormd naar het model van het Duitse damalig. 2) . Zeer gebruikelijk is ook de verbinding met adjektief + substantief in de betekenis van een possessieve samenstelling: langarmig, zwartharig, roodwangig, zwaarlijvig, scherpzinnig, vrijmoedig, vrijzinnig enz. Bij Mnl. adjektieven als nieuwsgier, wispeltuur, onderdaan, eenpaer e.d., bij adjektieven op -el als korzel, kregel ontstonden adjektieven op -ig, die de kortere vormen verdrongen hebben. Soms heeft het de schijn dat de oorspronkelijke vormen verkortingen zijn, b.v. vocht (= vochtig), deft (= deftig), spicht (= spichtig). Omgekeerd ontstonden in dichtertaal inderdaad door analogie dergelijke afgekorte vormen, als veil = veilig, lafharte = lafhartige (Bilderdijk), almachte, gifte, standvaste, godvruchte, doorluchte. 3) Uitbreiding van dit suffix tot -erig kan zowel veroorzaakt zijn door afleiding van verba op -ĕren (huiverig) als van substantieven op -er (dromerig, schreeuwerig, blufferig). Analogie-vormen zijn dan kleverig, beverig, rillerig, en verder bij substantieven: weelderig, winderig, zanderig, zangerig, katterig, en in damestaal: beelderig, snoeperig, dodderig (naast doddig). Staan afleidingen met -ig en -erig naast elkaar, dan hebben de laatste meermalen een ongunstige gevoelswaarde, b.v. bloederig naast bloedig, zanderig naast zandig. Vgl. voor de ongunstige betekenis ook: landerig, katterig, houterig, hokkerig. Tegenover deze uitbreiding van het suffix staat in dichtertaal een inkrimping door de weglating van de vokaal, b.v. zaal'ge, veil'ge, zeer veel voorkomend bij Bilderdijk en onder de modernen |
1) Zie Verdam in Ts. VI, blz. 40.
2) In het Duits zijn zulke afleidingen gebruikelijker: dortig, hiesig, jetzig, sofortig.
3) Bij Vondel komen ze in groten getale voor; zie de plaatsen aangegeven bij Van Helten Vgr. I, blz. 113 en vgl. W.N.T. VI, 1390. Veel voorbeelden geeft ook Bogaers in de Taalgids VIII en andere artikels over die ‘afgekapte uitgang -ig’ in datzelfde tijdschrift IV, 231 en VI, 122, 265. Vgl. ook Mnl. Wdb. i.v. ongedoude = ongedoudich, waar Verdam als Mnl. parallellen aanhaalt: ongedenke, ongelove, ongenade, ellende, ongedure, onscame.
|
|
bij Albert Verwey. Oorzaak is dat zulke woorden met twee opeenvolgende zwakbetoonde lettergrepen in alternerend versritme niet bruikbaar zijn, dezelfde oorzaak dus, die voorheen tot de algehele ‘afkapping’ leidde. Op verschillende andere wijzen komt -ig voor, als bestanddeel van uitgebreidere suffixen, nl.
-achtig (Mnl. achtich) en -haftig (haft), dat in het Mnl. nog ontbreekt en eerst in de 16de en 17de eeuw voorkomt in woorden, uit het Duits overgenomen of naar Duits model gevormd. 1) Ze zijn etymologisch van dezelfde oorsprong (haft = hebbende, houdende). Ten onrechte meende M. de Vries dat dit beklemtoonde -achtig (b.v. waaráchtig) te scheiden was van een minder betoond -achtig (b.v. bláuwachtig), dat afkomstig zou zijn van een substantief acht (b.v. in: acht geven, acht slaan. 2) De oude betekenis van het suffix (hebbende) komt nog uit in deeláchtig (= deel hebbend), woonáchtig, vreesáchtig, minder al in waaráchtig en twijfeláchtig, alle gevormd van substantieven, met het accent op het suffix. Het laatste woord kan men ook horen als twíjfelachtig, terwijl ook veel jongere dergelijke afleidingen als bérgachtig, régenachtig, kérnachtig, léugenachtig het accent op het hoofddeel hebben. Evenzo bij -achtig, 1o. na allerlei substantieven: persoonsnamen (diefachtig), diernamen (aapachtig), stofnamen (steenachtig), ziektenamen (teringachtig); 2o. na adjektieven (oudachtig, roodachtig, bitterachtig); 3o. na verbale stammen (babbelachtig, schrikachtig enz.) met de betekenis: geneigd tot de handeling. Dat deze in ongunstige zin gebruikt worden, ligt meer aan de ongunstige zin van de meeste werkwoorden waarbij -achtig voorkomt, dan aan dit suffix: vergelijk b.v. het niet ongunstige weigerachtig. De aan het Duits ontleende woorden op -haft, als naamhaft, schaamhaft, zeeghaft, ernsthaft, heldhaft, manhaft, schelmhaft zijn alle verdwenen, en hebben alleen sporen nagelaten in het uitgebreidere, eveneens Duitse suffix -haftig. Vondel gebruikt zeeghaftig (Bericht voor Jeptha), naemhaftig; nu is nog in gebruik gebleven: krijgshaftig, heldhaftig, manhaftig.
Met -ig zijn nog enige uitgebreidere suffixen gevormd, die ten dele nog als woorden of afleidingen van woorden beschouwd kunnen worden, nl. -matig, in middelmatig, regelmatig, gelijkmatig, nog enigszins gevoeld als afleidingen van maat, maar stellig niet meer in doelmatig, kunstmatig, stelselmatig, rechtmatig, plichtmatig. Ze komen reeds vroeg voor, o.a. bij Coornhert |
1) Zie Schönfeld § 150.
2) In WNT V i.v. haft is die onderstelling prijsgegeven. Vgl. nu ook het Supplement i.v. -achtig, waar men een heldere uiteenzetting vindt.
|
|
schriftmatig, bij Hooft waerheidmatig, bij G. Brandt wetmatig 1) , maar vermeerderden zich tot op onze tijd, ten dele onder Duitse invloed: riddermatig, f |