IV. De woordgroep172 Algemene opmerkingen.Woorden kunnen met andere woorden verenigd worden tot groepen, waaruit dan - zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken - weer zinnen opgebouwd kunnen worden. 1) De twee voornaamste groepen zijn die van het nomen (substantief en adjektief) en die van het verbum. De laatste ligt geheel in de sfeer van het praedikaat; de eerste òf in die van het subjekt òf van het nominale praedikaat. 2) Ook bij de minder omvangrijke woordsoorten: pronomina, adverbia, praeposities, valt groepvorming op te merken. In zulke groepen kunnen de delen nevengeschikt zijn of kan het ene het andere bepalen in welk geval wij van onderschikking kunnen spreken. Zonder Ries in alle fijne onderscheidingen te volgen, zullen we in hoofdzaak nagaan hoe zulke groepen samengesteld zijn. |
1) John Ries, de bekende auteur van Was ist Syntax? (1894) gaf een zeer gedetailleerde opzet van een studie over dit onderwerp: Zur Wortgruppenlehre, mit Proben (1928). Hij definieert de woordgroep als ‘jedes Gebilde das weder Einzelwort (Kompositum) noch Satz ist’, maar geeft toe dat ook hier geen scherpe grenzen te trekken zijn.
2) Deze termen gebruikte Tatian Bratu in een belangrijk opstel, getiteld Probleme der neuhochdeutschen Wortfolge (P.B.B. 62 (1938)).
|
I. Het substantief als kern van een groep.173 Artikel + substantief.Van hedendaags standpunt is de eerste verbinding waar wij aan denken, die met lidwoord, bepaald of onbepaald. Het nauwe verband blijkt reeds uit het proclitische gebruik en de daarbij behorende vormen, al komt dit in het schrift niet meer uit door aaneenschrijving, gelijk in het Middelnederlands, b.v. deerste, tkint, dlant, enz. Er is een tijd geweest, waarin het lidwoord zich nog niet uit het demonstratief ontwikkeld had. Waarschijnlijk zijn sporen van die oudere toestand nog bewaard in bepaalde Mnl. stereotiepe zegswijzen en epische formules, als crone dragen, crune sceren, hant slaen an, hant wringen, doot ontfaen en absolute bepalingen als glavie in die hant, scilt aen hals. Evenzo in spreekwoorden, al heeft daarbij de voorkeur voor een gecondenseerde vorm meegewerkt, b.v. Mont die lieghet, sielen verslaet; Beter es camp dan hals ontween. 3) |
3) Stoett § 97 j en l.
|
|
Het onbepaalde lidwoord ontbrak in het Mnl. nog in een zin als: ‘So wanneer raetsman gebrect’ en vooral na oit, noit, ie, ni, cume, b.v. ‘Men sach noit lelic lief’. 1) Hetzelfde is nog het geval in de taal van Vondel, b.v. ‘Noit droegh winter witter verwe’ 2) of van Bredero, b.v. ‘Nooit worde blooden bloet van schoone vrou bemint.’ 3) Maar als Vondel op andere plaatsen het lidwoord achterwege laat, b.v. ‘aen bladerigen wilg’; ‘gekloncken door zwaeren beukelaer’, dan behoeft men daarin niet, met Van Helten, te zien ‘een rest van het oorspronkelijke, niet bezigen van het onbepaalde lidwoord een’. Veeleer berust dit op dichterlijk-individueel gebruik, in verband met de versbouw. Ook in de taal van de Tachtigers komt het voor, o.a. zeer veel in de verzen van Albert Verwey, b.v. ‘een wintermorgen vroeg, voor dag begon’; ‘terwijl 't Christuskind in krib en stal lag’. Men denke ook aan de impressionistische prozastijl van Arij Prins. Regelmatig kan het lidwoord gemist worden, als een comparatief van het adjektief voorafgaat: ‘ik heb nooit mooier portret gezien’. Overbodig is het lidwoord ook, als het substantief het karakter krijgt van een eigennaam, b.v. naar stad gaan, gezegd door een boer uit de omtrek van een bepaalde stad; vgl. daarmee: naar huis, op kantoor, ouder: op stoel (= op de preekstoel) e.d. 4) Het lidwoord ontbreekt in het algemeen bij eigennamen, tenzij dit daarmee tot een eenheid versmolten is (Den Haag, De Balkan). |
1) Stoett § 97 k.
2) Van Helten § 235.
3) Van der Veen § 952
4) Vgl. ook § 176, noot 1.
|
174 Substantief + substantief.a. Twee (soms meer) substantieven kunnen als gelijkwaardig gekoppeld worden door bindwoorden als en, of, niet, noch, met, soms versterkt met bijwoorden: niet (alleen ... maar (ook), (zelfs), b.v. stoelen en tafels, Jan en Piet, Jan of Piet, èn Jan èn Piet; niet alleen Jan, maar ook (zelfs) Piet; zowel Jan als Piet. Op mogelijke inkorting (voor- en nadelen) is hiervóór (§ 75) al gewezen. Een meervoudig begrip ontstaat door twee zelfde substantieven door een voorzetsel te verbinden, b.v. keer op keer, jaar na jaar, jaar voor jaar, dag voor dag (vgl. Hd. Tag für Tag), seconde voor seconde (A. Coolen). Deze verbinding was al gebruikelijk in de zeventiende eeuw, o.a. bij Huygens: gangh voor gangh (Hofwijck, vs. 299), met jock voor jock (Oogentroost, vs. 3), bij Poorters: snick voor snick. In het Zuidnederlands ook bij Conscience: stuiver voor stuiver, druppel voor druppel. Veel- vuldig is een dergelijke verbinding bij Bilderdijk: vlag bij vlag, gunst op gunst, de bergen gloeien op uit dal na dal. In Potgieter's stijl komt herhaaldelijk de koppeling door bij voor, b.v. golf bij golf = menige golf; bij Schaepman vaak door op: bode op bode, zucht op zucht, traan op traan, in vlucht op vlucht. b. Het tweede substantief wordt als appositie toegevoegd om kwaliteit of beroep aan te geven: Juliana, koningin der Nederlanden; Drees, minister-president; Jansen, de timmerman. De beide substantieven hebben gelijk accent en worden gescheiden door een korte pauze, in het schrift door een komma aangegeven. Bij nauwere verbinding vervalt de pauze en krijgt de groep een eenheidsaccent b.v. Willem de Zwijger. Dat geschiedt steeds als een voornaam met een geslachtsnaam verbonden wordt, b.v. Hendrik de Vries. c. De omgekeerde volgorde komt voor, als bij een eigennaam een titel of een soortnaam voorafgaat, b.v. Koningin Juliana, Minister Drees, Oom Jan, het Koninkrijk Nederland, Mijnheer Jansen, de stad Utrecht, de maand Mei. In zulke groepen is het tempo vrij vlug en valt het hoofdaccent op het laatste deel.
Opmerking I: In oudere periode en nu nog in onze Noordelijke gewesten heeft soms voorplaatsing van de eigennaam plaats; dan versmelt de koppeling tot één naam, b.v. Jan-neef, Maaikemeu. Vgl. uit de taal van Bredero Symentje-neef, Thomasvaer, Grietebuur; in Hooft's Warenar: Trijnnift 1) . Opmerking II: In het Mnl. was Rome die stat gewoner dan Die stat Rome (vgl. Van Thebe die stede; Te Jherusalem in die stede). Opmerking III: Ook als twee voornamen gekoppeld worden ontstaat feitelijk, ook blijkens tempo en accent, een samenstelling, b.v. Annemie, Pietekee, Jan-Willem, enz.
De oude regel dat de appositie in naamval kongrueert met het hoofdwoord wordt reeds in het Middelnederlands kunstmatig, naar Latijns model, toegepast. Naast een blijkbaar vertaalde verbinding als: ‘Die sone Zebedeus, Jans broeder des evangelisten’, vindt men: ‘Bi Alexandren, die grote coninc’, of ‘Dor Samariën, dat lant.’ In de zeventiende eeuw heerst, door het verdwijnen van de naamvalsonderscheiding, grote verwarring. Men leest dan zowel: ‘aan haer man den Coning’, als ‘ick uwen Koningh’. Van Helten (§ 243), uitgaande van wat behoorlijk zou zijn, zegt dan dat ‘de correspondentie veronachtzaamd’ werd, en ook Van der Veen (§ 100) acht de overeenkomst ‘niet zelden verwaarloosd’. 2) |
2) Eigenaardig is dat men in het Duits bij Goethe nog aantreft: ‘Ich traf einen jungen V. an, ein offner Junge (Sütterlin, blz. 254).
|
|
d. Een substantief dat hoeveelheid, maat, gewicht uitdrukt, wordt verbonden met een stofnaam of verzamelnaam. De inhoud wordt b.v. aangegeven: een glas wijn, een kopje thee, een mand appelen, een doos postpapier, een stuk woeste grond. De hoeveelheid in gewicht of maat: een pond vlees, een liter melk; de tijdsduur: een uur fietsen; de prijs die de hoeveelheid bepaalt: een stuiver mosterd, een kwartje peren. Dat wij hier te maken hebben met een woordgroep en niet met een samenstelling, blijkt uit de vergelijking van: een glas wijn met een wijnglas (§ 76). Aandacht verdient ook de accentuering: ‘daar staat een múd áppelen’ (gevuld met appelen) naast ‘in de kelder ligt een mud áppelen’ (een uitgespreide hoeveelheid). Soms nadert het eerste woord tot een aanduiding van een onbepaalde hoeveelheid, als synoniem van veel of weinig: een massa mensen, een beetje water, een handvol soldaten, een paar vruchten. 1) Vandaar dat men in het laatste geval niet spreekt van dat paar dagen, brieven, uur, maar die of de paar .... want die paar staat gelijk met: enige, weinige.
Opmerking: Bij de gevallen onder c en d wordt het hoofdaccent verlegd, indien door tegenstelling rolverwisseling plaats heeft: niet de stád, maar de províncie Utrecht; niet een glás, maar een flés wijn. Misleid door de formele overeenkomst sprak Den Hertog (deel I, 87) van ‘bijstellingen’ en schreef hij op grond daarvan gelijkheid van naamval voor. Men zou dan moeten schrijven: ‘een glas rode wijn smaakt mij goed’, maar ‘ik drink liefst een glas roden wijn’. Een merkwaardige proeve van grammaire raisonnée! Ook Overdiep sprak nog van ‘bijstelling’, maar konstateert geen ‘verschil in naamvalsfunctie’.
In een oudere flekterende periode werd de verhouding van het tweede deel tot het eerste uitgedrukt door een genitivus partitivus, waarvan Stoett in het Mnl. zeer talrijke voorbeelden opsomt (§ 153), waaronder ook gevallen als een paer volcx, een deel troests. 2) Resten van deze verouderde flexie zijn nog bewaard in ongemene verbindingen als: een bete broods (vgl. een hapje brood), een ton gouds, een som gelds (= een som geld), een eind weegs (vgl. een eind straatweg) en gewoner: een uur gaans (maar daarnaast uitsluitend: een uur sporen, een uur fietsen, enz.). Reeds in het Mnl. vindt men de ongeflekteerde naast de geflekteerde, b.v. ‘een mudde tarwe’ naast ‘een mudde tarwen’ 3) . Vondel's taalgebruik kent nog: een dronck waters naast een |
1) In dat geval schrijft men in het Duits paar niet als substantief met een hoofdletter (Paul D. Gr. III, 296).
2) Vgl. ook in het Duits nog: eine Flasche guten Rheinweins, en daarnaast met kongruerende naamval: einen Becher guten Wein (Paul D. Gr. III, 296).
3) Stoett § 160.
|
|
druppel zweet, 1) In de zeventiende eeuw was het aantal gevallen met genitief-s blijkbaar groter dan de schamele resten van nu. Bredero kent ze in zuivere volkstaal, b.v. een kartier uyrs, een vaene biers, een pijntje wijns; daarnaast als scheldwoord: die stucke guyts, -diefs, -boefs, -drochs. 2) Vondel vormt naar analogie van het bovengenoemde een dronck waters ook bij vrouwelijke woorden: een drop verquickings, mijlen zees. 3)
Opmerking: Het Mnl. kent ook gevallen waar de verbinding gevormd wordt door de praepositie van: een dropel van zweet, een trop van propheten. Daarbij kan invloed van het Frans gewerkt hebben, maar ook het Engels kent: a troup of soldiers, en wij spreken nog van: een schat van geld. Vruchtbaar is die konstruktie in elk geval niet geworden.
e. Op neiging tot taalspaarzaamheid en invloed van geschreven taal berust de koppeling van substantieven, duidelijk in het verband, maar die bij omschrijving meer woorden zouden vereisen: het Ministerie-Heemskerk (d.i. samengesteld door, onder leiding van H.), de methode-Bouman (d.i. uitgedacht door, toegepast door B.), een kaartje-derde klas (toegang gevende tot ..), het trajekt Utrecht-Arnhem (van U. naar A.) enz. 4) Hiermee te vergelijken is de gewoonte, de naam van de echtgenote te koppelen aan die van de man, met weglating van het verduidelijkende ‘geboren’, b.v. Mevrouw Hendriks-Jansen. 5) |
1) Van Helten II, blz. 130.
2) Zie Van der Veen § 102, die intussen litteraire voorbeelden en andere uit echte volkstaal onkritisch door elkaar haalt.
3) Van Helten § 260.
4) Deze verbindingen zijn dus van andere aard als de samenstellingen hiervóór in § 76 besproken (prins-gemaal, Sleeswijk-Holstein enz.).
5) De Duitse gewoonte om de naam van de plaats van afkomst achter de naam te plaatsen (b.v. Meyer-Bremen) heeft hier nooit navolging gevonden. Wanneer hier te lande vanouds de ‘van’ gekozen werd naar de plaats van afkomst, dan ging oorspronkelijk het voorzetsel van vooraf, b.v. Van Deventer, maar dat kon ook ontbreken (Vollenhove, Steenbergen).
|
175 Groepering van twee substantieven door middel van flexie (genitief).Hierbij kunnen we twee gevallen onderscheiden: 1o. het geflekteerde substantief, al of niet begeleid door een lidwoord of voornaamwoord, gaat voorop; 2o. het volgt op het substantief dat daardoor bepaald wordt. I. In het Algemeen Beschaafd is het gebruik van een vooropgeplaatste genitief op -s beperkt tot persoonsnamen, b.v. Vondels drama's, mijn vaders huis (waarbij de s ‘mijn vader’ verbindt met huis), maar tevens analogisch uitgebreid tot vrouwelijke persoonsnamen: moeders werk, tantes verjaardag. Wanneer daarnaast ook voorkomen verbindingen als rijkeluis woning, armeluis kinderen, dan is eer te denken aan een samenstelling met de daarbij zo
gebruikelijke bindings-s (§ 24; 76). Ongewoner, meer onder invloed van geschreven taal, zijn verbindingen als 's lands welvaren, 's mans gedrag, die door de rederijkersmode in de vijftiende en zestiende eeuw tijdelijk grote verbreiding kregen, zowel bij mannelijke als bij vrouwelijke substantieven, b.v. shongers, sbliscaps. Verbindingen met de volle vorm des b.v. des konings macht, komen ook in letterkundige taal nauwelijks meer voor, maar in het Middelnederlands waren ze nog volop in gebruik. 1) In het Middelnederlands kon de genitief-bepaling tussen lidwoord en substantief geplaatst worden, b.v. die Gods wigant, die Gods genade, die meesters wille, ook wanneer na voorafgaande s het genitief-teken ontbrak, b.v. die twee Zebedeus kinder; die Judas vriende. 2) Men heeft wel gemeend dat rechtstreekse voortzetting van deze konstruktie nog te vinden is bij Vondel en Bredero. Van Helten beschouwt als zodanig bij Vondel: ‘de drijvers stock’ en ‘d'Aertspriesters dochter’ 3) , Van der Veen bij Bredero: het vaderlands beschutten. 4) Het is duidelijk dat deze gevallen gelijk staan met het boven besproken: mijn vaders huis, of bij Vondel: uw vaders lijck. Daarmee is niet in strijd dat Huygens schrijft: den hongers lust (Hofw. vs. 255), want den kan een mannelijke genus-n hebben. 5)
Opmerking: In de 17de eeuw wist Van Heule in de tweede bewerking van zijn grammatika met deze konstruktie geen raad. Hij zegt ‘dat het woordeken Dat in het tweede geval niet en verandert, want men zegt ‘Dat diers aert; Dat lants lengde; Dat waters onstuymichheyt,’ enz.
In hedendaagse poëzie herleefde het gebruik van de voorgevoegde genitief op s, onafhankelijk van het genus en zonder lidwoord, vooral bij abstracta. Veel voorbeelden vindt men bij Boutens en zijn volgelingen, b.v. aan jeugds festijn, aan spiegels weerschijn, uw ziels kristal, tot nachts val. Waarschijnlijk zijn Engelse voorbeelden bij bewonderde dichters daaraan niet vreemd. II. Zeldzaam is een achtergeplaatste genitief van eigennamen, (dus zonder lidwoord), in bijbelse taal: de liefde Gods, de psalmen Davids, de spreuken Salomons, de arke Noachs, in de |
1) Eigenaardig was daarbij een gesplitste konstruktie: des hertogen bode van Gelre; des graven wijf van Henegouwen, met een verduidelijkende toevoeging (Stoett § 156).
2) Stoett § 155, die er ten onrechte aan toevoegt: ‘thans nog: de Haarlemmer courant’, want dit is een jongere analogie-vorm.
3) Vgr. II, blz. 139.
4) § 109. Daarnaast als meer litteraire vorm: door des Minners anjaghen (§ 108).
5) Opmerkelijk is bij Huygens de schrijfwijze: haer's levens tijd (Hofw. vs. 58) om haer quasi te verbinden met tijd!
|
|
Middeleeuwen in ruimer gebruik: die sone Mariën, voor die voete Jhesus, waarschijnlijk naar Latijnse voorbeelden gevormd. 1) Gewoner, maar tot de geschreven taal beperkt, en in afnemend gebruik, is de in § 174 besproken partitieve genitief en de achterplaatsing van het substantief voorafgegaan door de oude genitief van lidwoord of voornaamwoord. Geïsoleerd zijn gevallen als: de vreze des Heren, de heer des huizes. Eigenaardig is ook de zogenaamde appositionele genitief, waarbij het hoofdbegrip in de genitief staat, terwijl het vooropgaande substantief als vergelijking bedoeld is. Dit gebruik is beperkt tot de dichtertaal, b.v. bij Vondel (Opdracht van de Jeptha): ‘Het Heilighdom des bijbels’ d.i. de bijbel, heilig als een tempel, bij Huygens (Zeestraat, vs. 857): ‘de Rivier des Tijds’: de tijd die vloeit als een rivier. Nog, in omgekeerde volgorde bij J.C. Bloem: ‘'s levens koningsmaal’. De mannelijk-onzijdige genitief (des, diens, dezes, mijns enz.) is uit de omgangstaal geheel verdwenen en wordt in tijdschriften, boeken en dagbladen steeds ongebruikelijker, zoals uit een vergelijkende statistiek van twintigste-eeuwse geschriften kan blijken. Dat het uitsterven van een levend des al uit de zestiende-eeuw dagtekent, blijkt uit de toenmalige kunstmatige invoering bij oorspronkelijk vrouwelijke woorden (des taals, in de Twe-spraack, des zons bij Hooft enz.) 2) . Meer vertrouwd is men gebleven met het vrouwelijke der en vooral met het algemeen-meervoudige der, gesteund door oude titels als: De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde; Het Koninkrijk der Nederlanden. De carrière van het enkelvoudige der is besproken in § 29; in bepaalde stijlsoorten kan het nog lang voortbestaan, temeer omdat zulke genitieven, naar de juiste opmerking van V. Haeringen 3) , omslachtige voorzetselkonstrukties helpen vermijden en dus taaleconomisch werken. |
1) Stoett § 162.
2) Zelfs in het latere Mnl. vindt men al des bij vrouwelijke woorden o.a. in het Scaecspel en in een vertaling van Breidenbach, o.a. des wets, des stadts, liefte des rechtveerdicheits. Vgl. § 24.
3) N. Tg. IL, 154.
|
176 Substantieven verbonden door praeposities.Door een rijke verscheidenheid van praeposities kunnen allerlei betrekkingen tussen twee verbonden substantieven aangegeven worden: het huis in (buiten) de stad; de week voor (na) Pasen; een slag met de vuist; geld voor levensmiddelen, de verhouding tussen vrienden, enz. 4) Zeer gebruikelijk is van, ter vervanging van de vroegere casus. |
4) Praepositie + substantief, al of niet met het lidwoord: op reis, om strijd, in dienst, onder ede kunnen ook rechtstreeks met het werkwoord in verbinding gebracht worden, als deel van het praedikaat; zie § 198.
|
|
Onjuist is het, dan te spreken van een ‘omschreven genitief’: het is een daarnaast staande konstruktie van geheel andere aard, die al in het vroege Middelnederlands op te merken valt. In het Limb. Leven van Jezus vindt men al: vander evangeliën (met een datief der bij van); in 15de-eeuws proza is ook vanden zeer gewoon. De vrees dat de jongere vormen tot ‘eentonigheid’, ‘verslapping van ritme’ zouden leiden, is ongemotiveerd ten opzichte van een schrijver die gewoon is te hóren wat hij schrijft. Bij een genitief-betrekking is immers ook maar in een kleine minderheid van gevallen een oude buigingsvorm mogelijk! 1) In het Duits heeft von ook bij voorname schrijvers een kans gehad, b.v. bij Goethe: ‘das Ziel von seinem Wunsch’, maar het is, behoudens onmisbare gevallen, in de ‘Schriftsprache’ teruggedrongen (Paul D. Gr. III § 242). Sommige substantieven worden, evenals de verwante verba, verbonden met een vaste praepositie (vgl. de verbale groep in § 198): de vrees voor gevaar, de hoop op de toekomst, enz. Eigenaardig is de funktie van de praepositie van, waar de verbinding tussen de substantieven een vergelijking uitdrukt: een boom van een kerel = een kerel als een boom, een hark van een vent, een bengel van een jongen, een schat van een meisje. Deze konstruktie die zich in de Germaanse talen klaarblijkelijk in aansluiting bij het Romaanse type (un diable d'homme) heeft ontwikkeld, is uitvoerig behandeld in WNT XVIII, 410 vlg. 2) Zulke verbindingen treft men reeds in het Mnl. aan, b.v. een leeuw van een man. De vergelijking staat als metafoor voorop, als het voornaamste; het tweede substantief volgt verduidelijkend. De verbinding is dus te vergelijken met dergelijke genitieven in dichtertaal: de mist des twijfels, de wolken onzer bezorgdheid, de hemel des gewetens (Potgieter). Een enkele maal koppelt van een zinnetje aan het voorafgaande substantief. Dat heeft dan ongeveer de waarde van een substantief, b.v.. Een lawaai van wat-ben-je-me! (vgl. een lawaai van de andere wereld); een koek van heb-ik-jou-daar (d.w.z. van verbazende omvang). Naast deze familiare voorbeelden vond ik, meer litterair getint, het volgende voorbeeld: ‘die bijzondere glans, die alleen het gezamenlijk doorleefde pleegt te overleven: de glans van weet je nog, toen?’ (d.w.z. van dierbare herinneringen). Wanneer een aantal van zulke groepen waarbij het eerste substantief en het voorzetsel verschillend zijn, maar het tweede substantief hetzelfde is, aan elkaar gekoppeld worden, dan kan samentrekking plaats hebben: het laatste substantief wordt éénmaal genoemd en de voorzetsels krijgen een ongewoon sterk accent. Jacob Geel, die dit kenmerkend noemt voor de ‘knorrige |
1) Zie daarvoor N. Tg. X, 293.
2) Verder door Paardekooper N. Tg. XIL, 93 vlg.
|
|
stijl’, geeft als voorbeeld: hun ingenomenheid mèt, hun overdreven liefde tòt, en hun onophoudelijk streven naar lof en prijs.’ Onlangs tekende ik daarvan een modern voorbeeld aan bij een voornaam auteur: ‘door overgave áán, door verzinking ín, door vereenzelviging mét een van haar algemeenste verschijnselen.’ 177 Verbinding van twee substantieven door het vergelijkende voegwoord als, en door gelijk.In de vorige paragraaf werd er al op gewezen dat naast een boom van een kerel staat: een kerel als een boom, waarbij de vergelijking achteraan komt. Dezelfde waarde heeft de verbinding door gelijk (in het Zuidnederlands ook: lijk). In het Middelnederlands volgde dan een datief, b.v. gelijc ere rosen, gelijc enen miste 1) , maar in de zeventiende eeuw is deze datief verdwenen. Vondel schrijft b.v. gelijck de dagh. 2) |
1) Stoett § 181 Opm.
2) Van Helten § 160.
|
178 Verbinding van twee substantieven door het verzwakte possessieve pronomen z'n, d'r.In verbindingen als Jan z'n schuld, Anna d'r werk, die mensen d'r opvatting doen de beide eerste bestanddelen dezelfde dienst als vroeger de genitief. Ze behoren ongetwijfeld tegenwoordig tot de beschaafd-gesproken taal, al worden ze veelal uit geschriften geweerd. Aanbevelenswaardig is de konstruktie bij eigennamen op s, b.v. Beets z'n Camera, Huygens z'n gedichten, omdat bij een voorop geplaatste genitief geen s meer mogelijk is, en de schriftelijke aanduiding Beets', Huygens' maar een noodhulp is. Ook als men het meervoud (b.v. die mensen) voorop wil plaatsen, is deze verbinding de enig mogelijke, omdat ‘dier mensen’ voorop geplaatst, geheel verouderd aandoet. In (vooral oostelijke) dialekten hoort men nog de volle vormen van het possessief (zien, haar, heur) en breidt de mannelijke vorm zich uit ten koste van de vrouwelijke. 3) De oorsprong van de verbinding is duidelijk. In een zin als: ‘Ze hebben mijn broer z'n fiets ontstolen’ voelt men nog mijn broer als indirect objekt, z'n fiets als rechtstreeks objekt. Vervangt men ontstolen door weggenomen of gestolen dan is de zin al enigszins anders op te vatten, maar volledige ‘Verschiebung der syntaktischen Gliederung’ 4) heeft plaats als men gaat zeggen: ‘Mijn broer z'n fiets is gestolen’. Dan wordt ‘mijn broer z'n |
3) Het eindpunt wordt bereikt in het Afrikaans, waar s'n voor alle gevallen geldt, b.v. die tafel s'n poot. Eigenlijk is het dan geen possessief meer, maar is s'n op weg om een nieuw genitief-suffix te worden bij het substantief dat voorafgaat.
|
|
fiets’, als nieuwe woordgroep geïsoleerd, onderwerp van de zin. Vgl. ook in de Gijsbrecht vs. 40-41: En ried de ridderschap en al de groote steên / Te roepen, om den vorst zijn, moedwil te besnoeien. 1) Het gebruik van deze konstruktie gaat in onze taal veel verder terug dan men zou menen. In de vijftiende eeuw vindt men reeds: den enen sijn penninc; die here sijn wegen, waarbij in het laatste voorbeeld de onverbogen vorm opvalt. Evenzo in het Geuzenliedboek: de onnoselen haer leven en bij Huygens: de Boer sijn antwoord, de Moor sijn kaken, en nog in zijn Hofwijck (vs. 337) 't eerste sijn gemack, en in Cluyswerck (vs. 32): ouderen haer ooren. In de taal van de jonge Vondel, van Bredero 2) , vooral van Cats zijn voorbeelden er van verre van zeldzaam. Maar tegen het midden van de zeventiende eeuw - wellicht ook door invloed van de Statenbijbel - begint het banvonnis van de renaissancegrammatika te werken, al zegt Sewel in 1708 nog dat hij aan ‘Klaas zijn hoed’ de voorkeur zou geven boven ‘Klaassens hoed’, zoals Huygens schrijft. 3) |
1) In de soortgelijke Duitse verbinding treffen we dan ook een Datief aan: ‘dem Bürgermeister sein Haus’ (Paul Synt. III § 241: ‘in volkstülicher Rede der gewöhnliche Ersatz für den nicht mehr gebräuchlichen Genitiv neben Substantiv’). In het Duits staat daarnaast, niet als kontaminatie, maar als oudere verbinding: ‘des armen Menschen sein Tot’ (Paul Synt. III § 240). Deze verbinding is ook in het Mnl. niet onbekend, b.v. der Sarracine haer rike; der ongelovighen haer hovaerde (Van Helten Vgr. § 271). Later nog bij Vondel: deser twee hun leven.
2) Bij Bredero leest men in de Sp. Brab., met een ten onrechte toegevoegde s: een tellenaers zijn aersgat.
3) Klaassens zal wel teruggaan op een ouder Klaassen. In Holland en Utrecht kent men nog dialektisch Pieten huis, terwijl en dan weer verzwakt tot e, b.v. in Oud-Beierland, volgens Dr. Opprel: noome segaar, Miene jurrek. Ook in de Noordbrabantse Kempen zijn vooropgeplaatste genitieven van het type: Däs Jannen hous, Piete pärd, Bethe pon (= japon) in dagelijks gebruik. De gissing van J. te Winkel (Inleiding, blz. 492) dat dit nieuwe suffix uit hem ontstaan zou zijn (den man hem huis > de man-en huis) lijkt mij onaannemelijk.
|
179 Verbinding van substantief en adjektief.In het hedendaagse Nederlands is de vaste plaats van het adjektief vóór het substantief en na het lidwoord of andere bijvoegelijke woorden. Er zijn maar enkele uitzonderingen: de omgangstaal kent: heel de stad, heel mijn leven, al zijn bezittingen, allebei de kinderen, terwijl in biezonder taalgebruik voorkomen: God almachtig (in het eedformulier) en als vertaling uit het Frans: Staten-Generaal, Gouverneur-generaal. Twee adjektieven, al of niet door een korte pauze (in het schrift een komma) gescheiden, staan beide vóór het substantief: een kostbaar(,) wit kleed, een lief(,) vriendelijk kind, een flink groot huis, een schitterend rood licht. In de beide laatste gevallen, zonder rust, kan het eerste adjektief adverbiale betekenis krijgen;
ze worden dan ook niet gelijk geäccentueerd. Immers wanneer aan het substantief twee adjektieven voorafgaan, dan zijn er twee mogelijkheden: ze kunnen beide het substantief bepalen b.v. een lange(,) forsgebouwde man. Dan kan er korte pauze ontstaan. In het tweede geval bepaalt het eerste adjektief de groep, gevormd door het tweede adjektief + substantief, b.v. een forsgebouwde lange man. Een pauze is er dan niet. 1) Een groep van twee adjektieven, door een voegwoord verbonden, kan zowel vóór het substantief staan als in onverbogen vorm er achter: een grote en ruime woning; een woning, groot en ruim. 2) Het oudere Nederlands kende nog een vrijere woordschikking. In het Mnl. kon het adjektief, meestal onverbogen ook achter het substantief komen: een ridder goet, van eere joncfrouwen bequame, dat volc geleert, sijns vaders almechtich. Hier kan een oud-Germaanse traditie met Latijnse en Franse invloed samengewerkt hebben. Het ontbreken in het proza, ook in het oudste, wijst er op, dat deze konstruktie al vroeg in de levende taal buiten gebruik was, en nog slechts in poëzie gehandhaafd werd. Is het substantief begeleid door twee adjektieven, dan waren in het Mnl. verschillende konstrukties mogelijk: 1o. evenals nu, beide vooropgaande: een arm vremt man, 2o. beide volgende: een man lasers, juchtich, 3o. één voor, één achter: een out man vroet, 4o. verbonden door ende, achtergeplaatst: een twist sware ende fel, 5o. gesplitst: een sware plage ende fel, 6o. met herhaling van het lidwoord: die grote berch entie hoge, 7o. met herhaling van de praepositie: met fellen woorden ende met suren. 3) In de rederijkerskunst wordt de oude letterkundige traditie nog lang gevolgd. Bij Anna Bijns vindt men b.v. nog: ghenadige moeder vroet; een cranck vaetken eerdelijck. 4) De vroege renaissance, gesteld op ongemeen taalgebruik, sluit zich daarbij aan, waarschijnlijk mede onder invloed van bewonderde Italiaanse en Franse voorgangers. Talrijk zijn de achter-geplaatste adjektieven in het vroege dichtwerk van Hooft, b.v. in de Granida: ‘dit effen voorhoeft net’. Evenzo in de taal van de jonge Vondel: 't ijslijck slaghzwaert bloot; met purpren kleeden schoone. 5) Bredero volgt daarin Hooft na: dit stil water klaer; sijn hooghe geest doorluchtich. 6) |
1) Zie Kruisinga Het Nederlands van nu, blz. 106. Het daar toegevoegde voorbeeld: uitstekende bruine bonen gaat een stap verder: dan is er eigenlijk reeds een samenstelling ontstaan (vgl. § 77). De oude regel die steeds een komma tussen de adjektieven voorschrijft, berust dus niet op het ritme.
2) Zie voor andere verbindingen tussen adjektieven § 184.
3) Zie meer voorbeelden bij Stoett § 135 vlg.
5) Van Helten § 102.
6) Van der Veen § 58.
|
|
Als de klassieke taal van de zeventiende eeuw vaste vormen aanneemt, wordt deze vrijheid in de ban gedaan. Vondel gaf immers in 1650 aan jongeren de raad, ‘gelijck een pest te vermijden, de woorden tegen den aert onzer tale te verstellen.’
Opmerking: Eigenaardig is, dat soms een zinnetje adjektivische funktie kan krijgen, b.v.: ‘met te wijzen op ik weet niet hoeveel (= talloze) tekortkomingen’. 180 Verbinding van het substantief met voorafgaande of volgende verbale nomina, participia en infinitieven met te.De beide participia hebben een zozeer adjektivisch karakter, dat ze geen afzonderlijke bespreking behoeven. 1) Ze worden als adjektieven, al of niet verbogen, voor het substantief geplaatst: de geleerde verhandeling, de voldane rekening, de doorstane angst. Een voorafgaand participium praesentis kan van bepalingen vergezeld zijn: de op de zaak betrekking hebbende dokumenten. Onnederlands klinkt een participium van een werkwoord + infinitief; b.v. onze dan nog ontstaan moetende beweging van tachtig. Maar ook de infinitief + te treedt adjektivisch op, gelijkstaande met het Latijnse gerundivum: de te verrichten taak, de af te leggen weg; ook met ontkenning: van niet te onderschatten belang. Minder gewoon klinkt de verbogen vorm: de af te stane gebieden, met niet te weerstane drang. Opmerkelijk is dat eenlettergrepige verba als doen en gaan zich tegen die buiging verzetten: ‘het te doene werk’, ‘de te gane weg’ is geen goed Nederlands. Mogelijk is wel weer: de moeilijk te begane wegen. Hoe oud die verbinding is, valt moeielijk na te gaan. Stellig ouder is het praedikatieve gebruik: die kans is te wagen, die daad blijft te betreuren, dat is niet te doen, dat staat te bezien. 2) Bij de achterplaatsing van een infinitief, is de oude praepositie te - als deel van de infinitief gevoeld - vaak niet meer voldoende, en wordt de verbinding door om te tot stand gebracht: de lust om te gaan, de moed om te vechten, de vrees om te kwetsen, maar daarnaast toch ook: de verwachting te zullen slagen, de angst zich te vergissen. Soms wordt ook van gebruikt: de schijn van te liegen, de vrees van te vallen, het geluk van rijk te zijn. In het Zuid-Nederlands kent men dan de enkele praepositie om, die ook in de zeventiende eeuw - waarschijnlijk onder Zuidelijke invloed - bij Noordelijke auteurs aangetroffen wordt, b.v. bij Bredero: stof om schilderen; met lust om weten. |
1) Zie § 69.
2) Zie meer voorbeelden in WNT XVI. Vgl. ook § 68.
|
181 Verbinding van het substantief met andere adjektivische woorden: voornaamwoorden, telwoorden.Ook deze woorden (deze, die, mijn, veel, alle, vijf, vijfde enz.) komen vóór het substantief te staan. Bij twee bepalende woorden komt het possessief pronomen het dichtst bij het substantief: al mijn boeken, en minder gebruikelijk: dit mijn huis, maar daartegenover: mijn beide zusters. Evenzo sluit het telwoord zich bij het substantief aan: deze vijf boeken, zijn vijfde verjaardag. Voor oudere taalperioden valt hierbij het volgende op te merken:
|
1) Stoett § 128.
2) Stoett § 98.
3) Stoett § 87.
4) Stoett § 153.
5) Stoett § 107.
6) Stoett § 99.
|
182 Verbinding van substantief met adverbium.In strijd met de voor het Latijn geldige definitie van adverbium.
dient dit in onze taal herhaaldelijk als bepaling van een substantief. Meestal wordt het adverbium er achter geplaatst:
En voorgeplaatst:
In de derde plaats kan een bijwoord door een voorzetsel met het substantief verbonden worden: het feest van gisteren, een man van hier, de weg naar boven, de familie van hiernaast, een uitnodiging tegen morgen, het genoegen van toen. Het bijwoord krijgt dan de funktie van een substantief. |
1) Paul D. Gr. III § 97 merkt terecht op, dat zulke substantieven, juist in appositie ‘sich adjektivischer Natur nähern’.
|
183 Verbinding van een substantief met een zin.Het is twijfelachtig of dit verschijnsel nog tot de woordgroepenleer behoort: het onderstelt immers reeds zinsbouw. De eigenlijke relatieve zin, met relatief pronomen aan een substantief (in de hoofdzin) verbonden, zal dan ook in het volgende hoofdstuk ter sprake komen. 2) Er zijn echter naar de vorm adverbiale bijzinnen die zich bijvoegelijk bij een substantief aansluiten, b.v. de tijd toen ik ziek was = van mijn ziekte; de dag vóór hij stierf = voor zijn dood, de wijze hoe het gebeurd was, het ogenblik als de klok slaat, de dag dat het niet regent = zonder regen. Nog eigenaardiger: adverbiale zinnen die, gelijkwaardig met substantieven, door een voorzetsel aan een substantief gekoppeld worden, b.v. een verfrissing voor als je op reis gaat = |
2) Daarbij bestaat een verschil of de relatieve zin al of niet door een pauze afgescheiden is. In het tweede geval zou men eer van een woordgroep kunnen spreken. (Vgl. De Groot: Structurele Syntaxis blz. 91).
|
|
voor de reis; de afstand tot waar ik komen wil = tot het eindpunt; het uitstel tot wanneer je thuis komt = tot je thuiskomst. Zulke verbindingen zou men nog als uitbreiding van een woordgroep kunnen beschouwen, omdat ze in het kader van de normale zinsbouw niet passen. |