V. De zin.213 Definitie van de zin.Terwijl de woordgroep nog berustte op een ontledende abstraktie brengt de beschouwing van de zin ons in de volle taalwerkelijkheid, waarbij tempo, ritme, intonatie minstens even belangrijk zijn als woordverbinding en woordorde. Omtrent de bepaling van de zin heerst bij taalpsychologen en grammatici allesbehalve eenstemmigheid. Meestal stelt men als eis voor een normale zin, dat er twee bestanddelen zijn, maar de definities van H. Paul en W. Wundt staan weer tegenover elkaar. De eerste luidt: ‘Der Satz ist der sprachliche Ausdruck, das Symbol dafür dass sich die Verbindung mehrerer Vorstellungen oder Vorstellungsgruppen in der Seele des Sprechenden vollzogen hat, und das Mittel dazu, die nämliche Verbindung der nämlichen Vorstellungen in der Seele des Hörenden zu erzeugen’. Bij Wundt: ‘der sprachliche Ausdruck für die willkürliche Gliederung einer Gesammtvorstellung’. Deze tegenstelling wordt echter verzacht door de opmerking van Delbrück 1) , dat meestal bij de spreker het geheel, bij de hoorder de te verbinden delen eerst aanwezig zullen zijn. In zijn heldere uiteenzetting definieert hij de zin ruimer als ‘Aeuszerung, die dem Sprechenden und Hörenden als ein zusammenhängendes und abgeschlossenes Ganzes erscheint’. Door deze definitie voorkomt men allerlei inkonsekwenties en moeilijkheden waartoe die van Paul en Wundt aanleiding geven. 2) De zin wordt dan enerzijds begrensd door loutere gevoelsuiting (interjektie); anderzijds door het woord als ‘herausgeschnittenes Stück der menschlichen Rede’. In hoofdzaak sluit zich ten onzent Van Wijk daarbij aan, als hij voor het onderwijs aldus definieert: ‘de zin is een groep van bij-elkaar-behorende woorden (soms één), waardoor men uit wat men denkt of voelt, en die in die betekenis begrijpelijk is’. 3) De vraag of ‘een paard’ als een woord of als een zin beschouwd moet worden, is dus zonder het verband niet op te lossen: beide is mogelijk. |
1) Grundlage der neuhochdeutschen Satzlehre, blz. 9 vlg. Dezelfde opmerking maakte ook Paul (Prinz.4), in zijn bestrijding van Wundt's zins-definitie.
2) Paul is inkonsekwent, als hij b.v. ‘Kom!’ - ‘Brand!’ - ‘Au!’ zinnen noemt, omdat daarbij een tweede voorstelling ‘vorausgesetzt’ is. ‘Brand!’ is gewoonlijk een angstkreet of een alarmkreet (met allerlei intonatie!), waarbij van ‘verbinding van voorstellingen’ geen sprake is. Wundt noemt b.v. ja en neen ‘Satzaequivalent’. Sütterlin (§ 278), die zich in hoofdzaak bij Wundt aansluit, onderscheidt Aeuszerung, Satz, Satzstück en Satzvertretung, maar spreekt later van ‘einteiliger’ en ‘zweiteiliger Satz’.
De mogelijkheid bestaat ook dat subjekt en praedikaat in één woord uitgedrukt worden, b.v. in het Latijnse canto, cantas, cantat, waar de persoonsuitgang een subjekt-element bevat. Dat zijn even goed zinnen als hef regent, waar ondanks de uiterlijke schijn, geen twee voorstellingen verbonden worden, en dus een subjekt ontbreekt. 3) De Nederlandsche Taal.
|
|
Tegenover deze bepaling staat enerzijds de te enge begrenzing bij Den Hertog, die voor een ‘regelmatige zin’ een persoonsvorm van het werkwoord eist, en alle gevoelsuiting buitensluit: ‘Een zin is een persoonsvorm van een werkwoord, al of niet vergezeld van andere woorden, waardoor eene mededeeling, eene vraag of een gebod wordt uitgedrukt’. 1) Anderzijds achten wij de definitie van Overdiep veel te ruim, als hij, op grond van de ritmische struktuur vaststelt: ‘Een zin-naar-den-vorm is een door pauzen omgeven klankgeheel, zooals we het in de geschreven taal op grond der interpunctie, in de gesproken op grond van de intonatie kunnen onderscheiden’. 2) Schijnbaar ruimer dan de definities van Den Hertog en van Overdiep was de bepaling bij Terwey: ‘Door een zin of volzin verstaat men een woord of eene reeks van woorden, waardoor eene gedachte wordt uitgedrukt’, waarbij als voorbeelden o.a. gegeven worden: Luister! - Een mooi paar! - Rechts houden! - Versche haring! Maar in § 2 volgt onmiddellijk: ‘Eene gedachte ontstaat door de verbinding van ten minste twee voorstellingen’, zodat in elke zin twee bestanddelen verwacht worden: onderwerp en gezegde. Ook hier is dus een menging van oude en nieuwe opvatting, waardoor de ‘elliptische zin’ als abnormaal tegenover de ‘gewone zinsvorm’ gesteld wordt (§ 31). Uitgaande van de door Van Wijk voorgestelde bepaling kunnen we dus een onderscheid maken tussen eenledige zinnen - een woord of woordgroep, die door het verband van de omstandigheden of het verband met andere zinnen zinswaarde krijgt - en tweeledige zinnen, waarin een subjekt-sfeer en een sfeer van het praedikaat aan te wijzen zijn. |
1) Ned. Spr. I § 1. Een ander tekort is, dat Den Hertog nog uitgaat van de geschreven taal en de intonatie als bijkomstig beschouwt. Bij ‘de deuren sluiten’, zegt hij, moet de stembuiging ‘de bedoeling aanvullen’. Inkonsekwent is hij, wanneer hij het woord ‘zin’ behoudt, als hij spreekt van ‘volledige of onvolkomen zinnen’. Dat de ‘volkomen’ zin de ‘onvolledige’ in duidelijkheid zou overtreffen, is terecht door Van Ginneken in zijn artikel over Ellipsomanie (N. Tg. IV) bestreden.
2) Stil. Gr. § 284. Bij interpunktie moet men dan niet denken aan de traditionele redekundige interpunktie, die met de intonatie géen rekening houdt. Weliswaar onderscheidt Overdiep ook een ‘zin-naar-den-inhoud’, maar hij blijft in § 331 vlg. ‘afgescheiden zinnen’ noemen, wat geen andere grammaticus als zinnen zou beschouwen, o.a. bijstellingen en aan het zinseinde toegevoegde bepalingen.
|
214 Eenledige zinnen.Grensgevallen: De uitroep en de aanroep. Bij de bespreking van de interjektie in het vorige hoofdstuk is gebleken dat we in veel gevallen bij zulke loutere gevoelsuiting
eigenlijk nog niet van een woord, en dus nog minder van een zin kunnen spreken. Ter sprake kwam ook reeds dat de interjektie bij levendige gemoedsbeweging vaak het gesprek opent (vgl. § 212) Vergelijkbaar is een andere inleiding van het gesprek, met primitieve demonstratieve woordjes, door een pauze gescheiden van de volgende zin, als: daar (men denke aan da met aanwijzend gebaar in kindertaal, als een soort interjektie!), zo, dus, b.v. Daar, neem het dan maar! Zo (ziezo), nu heb je genoeg! Dus, je bent vast besloten? Vgl. Jij daar, kom eens voor den dag! Ook andere woordjes kunnen bij een uitroep een dergelijke funktie hebben, b.v. ‘Nou! dat is een verrassing!’ Of gevolgd door een vraag: ‘Wat! wou jij het beter weten?’ Soms met twee woorden: ‘Wat drommel! nu ben ik het kwijt’. - ‘Goed zo! je zult het gauw leren’. De interjektie kan - gelijk reeds opgemerkt is - ook groepvormend optreden, b.v. wee mij! Dan kan men aarzelen of niet de grens die de interjektie scheidt van de zin, eigenlijk overschreden is, want zulk een gevoelsuiting verschilt niet veel van andere uitroepende zinnen. Deze bestaan uit één woord (Brand!) of meestal uit een woordgroep met een substantief als kern: Wat een buitenkans! Mooi weertje vandaag! Die lelijke aap! In veel gevallen kan men twijfelen of de eenledigheid niet schijnbaar is. Dan heeft zinsverkorting plaats, met begrijpelijke verzwijging ten gevolge van de gespreksituatie (Wel zeker! - Ongetwijfeld! - Zeer juist opgemerkt! - Mooi zo! - En of!) 1) of ten gevolge van conventie, bij een afscheid, een begroeting, een wens: (Ik wens je) Goede reis!, het beste, al wat wenselijk is, veel sukses! Of nog korter: (goede) Morgen! Ook het woordje te in Wel te rusten! wijst op een oorspronkelijke verkorting. Vergelijk verder nog: (Je behoeft me) Niet te danken! - (Daar is) Geen denken aan! enz. Soms versmelten ze tot interjektie, b.v. Vaarwel (vgl. Bonjour, Adieu > adie!) Gelijk Wunderlich opmerkt 2) kan de uitroepende zin, die als de oorspronkelijkste zinsoort te beschouwen is, gemakkelijk in een mededelende zin overgaan: de grens is niet altijd te trekken en de intonatie is beslissend. Het regent kan een mededeling zijn, maar even goed een uitroep, gelijkstaande met: Wat een regen! Een levendige uitspraak kan een uitroep worden. De aanroep (vokatief) vertoont ook verwantschap met de interjektie en met de uitroep. De bedoeling kan zijn, zich tot iemand te richten om de aandacht te trekken. De enkele naam |
1) In de beide laatste voorbeelden lette men op de intonatie. Daardoor kan men de uitroep wel in oorsprong, maar eigenlijk niet in werkelijkheid verkort noemen.
2) Wunderlich-Reis, a.w. blz. 27.
|
|
of het pronomen kan dan voldoende zijn, b.v. Jan! Hé, jij daar! of aan het begin van een voordracht: Dames en Heren! Geachte toehoorders! Maar evenals de interjektie kan de vokatief dienst doen als inleiding tot een verklarende zin: ‘Jan, kom eens hier’. Dan staat deze vokatief eigenlijk buiten het zinsverband. Toch kan die vokatief weer zinswaarde krijgen, wanneer door allerlei intonatie de stemming van de spreker tegenover de aangeroepene tot uiting komt, vaak versterkt en beïnvloed door een voorafgaande interjektie: waarschuwend (Jan, pas op!), ongeduldig (Toe Jan, laat dat!), medelijdend (Och Jan, hoe treurig!), verontwaardigd (Foei Jan, hoe kan je dat doen!). Ook zonder volgende zin is de intonatie, soms in verband met de betekenis van het substantief en het bijgevoegde adjektief voldoende om de stemming van de spreker te verduidelijken, b.v. Stommert! Lieveling! Jij (of jou) rakker! Arme jongen! Beste vriend! Lieve meid! Of in de eerste persoon, met zelfverwijt: Ik ongelukkige!
Minder nadrukkelijk is gewoonlijk de aanroep die op een bevel of uitroep volgt, b.v. Pas op, Jan! In litteraire taal geldt de aanroep niet alleen personen, maar ook zaken, b.v. Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten (J. Perk). - Vaarwel mijn wandelstaf! En, gordel, wees ontbonden! (G. Gossaert). 1) |
1) Deze voorbeelden zijn ontleend aan Overdiep (Stil. Gr. § 319), die aan deze vokatieven een uitvoerige bespreking wijdt met veel voorbeelden en interessante opmerkingen over de intonatie. Ook de wisselende plaats van de vokatief is daar beschreven (§ 319-323). Zeer belangrijk is ook zijn beschrijving van de betekenis en het gebruik van de vokatief in de zeventiende-eeuwse taal (Zeventiende-eeuwsche Syntaxis III, Hoofdstuk II (§ 255-278) op grond van een zeer rijk geschakeerd materiaal. Ons bestek laat niet toe, daarop in te gaan; wij volstaan dus met een verwijzing naar deze breed opgezette syntaxis.
|
215 Zinsaequivalenten: ja en nee (n).Een afzonderlijke bespreking verdienen de woorden ja en nee(n), die nòch tot de bovengenoemde grensgevallen behoren, nòch als zinnen te beschouwen zijn. Wundt koos daarvoor de benaming zinsaequivalent. Ze zijn eigenlijk slechts een betuiging van instemming (gehoorgeving) of afwijzing (weigering) van de zijde van de toegesprokene op datgene wat tot hem gezegd of van hem gevraagd wordt; een soort uiting met dezelfde betekenis als een gebaar (hoofdknik of schudden van het hoofd). Op een vraag: ‘Vind je dat goed?’ of ‘Ga je mee?’ kan dus geantwoord worden met ja of nee(n). Merkwaardig is echter dat ja met allerlei intonatie en in verbinding met interjekties en adverbia weer het karakter van een interjektie kan krijgen en als inleiding tot een gesprek kan dienen,
gevolgd door een ophelderende zin: Ja, wat zal ik je daarvan zeggen? - Ja (met gerekte klinker, aarzelend), daar moet ik nog eens over denken! - Och ja? je moet maar denken ... - Jamaar, dat gaat zó niet - Welja, wat verbeeldt hij zich! Ironisch: En jawel, geen mens had er zin in! Met verdubbeling: Ja ja, zo was 't! Ook nee(n) wordt geschakeerd in Och nee! Nee hoor! Welneen, telkens met andere intonatie. 1) Een aarzelend gesproken ‘ja ... neen’ kan twijfel uitdrukken, een herhaling van ja en neen versterking, evenals de verbinding ja zeker, ja waarachtig, wel ja, in de 17de eeuw: neen geensins, neen sekerlick, neen gewis, neen bylo, of: maer neen = wel nee. 2) In het oudere Nederlands werden ja en neen ook gevolgd door een pronomen (ja-, neen ick, ja se, ja 't), door Overdiep beschouwd als een ‘tweeledige, bovendien samengetrokken zinsvorm’ 3) , maar door de toenmalige gebruikers wel als eenledig gevoeld. Voor nog andere betekenissen, o.a. het climax aanduidende ja (= ja zelfs), voor het in het zinsverband ingelaste ja = immers (‘Dat spreekt toch ja van zelf’, vooral in het Gronings) verwijzen we naar het uitvoerige artikel in het WNT (VII, 6-17) met tal van bewijsplaatsen uit het hedendaags gebruik en uit vorige eeuwen. Wanneer in plaats van ja een bijwoord als antwoord gekozen wordt, o.a. Zeker! Stellig! Ongetwijfeld! Inderdaad! dan behoeft aan het zinskarakter niet getwijfeld te worden; dan hebben we veeleer te denken aan wat we later als schijnbare eenledigheid zullen bespreken. |
3) t.a.p. § 247, 4.
|
216 Imperatieve zinnen.Dat de imperatief-vorm van het verbum, alleen of met begeleidende woorden, als een volledige zin te beschouwen is, ook al ontbreekt een subjekt, wordt door geen grammaticus betwijfeld. Als regel gaat de imperatief in de zin voorop. Wanneer een inleidende interjektie of vokatief vooropgaat, is die gewoonlijk door een korte pauze afgescheiden. Het loutere gebod of verbod, dat kort en krachtig klinkt, bestaat uit de enkele imperatief: Kom mee! Ga weg! Laat los! 4) Maar, gelijk reeds in § 66 opgemerkt is, de imperatief is vaak een aansporing, een aanmoediging, een vriendelijk verzoek, een wens, een verwensing. Dan worden allerlei schakeringen aangebracht door toegevoegde, meestal modale bijwoorden: Kom eens even hier! Doe dat maar! Ga nu maar naar huis. Geef mij dat asjeblieft eens aan, enz. |
4) Overdiep zegt ten onrechte dat dit ‘zelden voorkomt’ (§ 292).
|
|
Als hulpwerkwoord met adhortatieve betekenis komt laten voor. (vgl. § 64). Duratieve betekenis krijgt de imperatief door middel van blijven, staan, zitten (Blijf niet zo zeuren, Sta of zit niet te liegen); bescheidenheid of beleefdheid komt uit in de omschrijving met willen: ‘Wil mij dat nog melden’, met dezelfde betekenis als: Wees zo goed ... 1) Deze imperatieven kunnen verzwakken tot inleidende formules, soms vrij zinloos, om de aandacht te trekken (Wacht, ik zal u helpen! - Kom, wees maar gerust! Kijk, dat valt mee! - Zeg, weet je dat al?) en naderen dan tot interjekties (Kom, kom! Zo erg is het niet), die ook als stopwoordjes aan het einde van de zin kunnen komen (Leg het even neer, zeg. - Ik zal je de weg wel wijzen, hoor!) Behalve de stamvorm van het werkwoord, al of niet met t, kan gelijk reeds in § 66 opgemerkt is, ook de infinitief en het verleden deelwoord als imperatief optreden (Doorlopen! Rechts houden! Niet zo pruttelen! Niet doen! - Opgelet! Ingerukt). Ook tot interjekties versteende woorden hebben imperatieve kracht: Vort! toe! ho, mars! en in oudere taal de uit imperatieven ontstane interjekties hou (= sta stil), houseck (= zeg ik), kedaer (< kijk daar). Begrijpelijk is dat bij de stemming van de spreker die zulke imperatieve zinnen gebruikt, de neiging bestaat om kort te zijn, alle woorden achterwege te laten, die in het verband van de omstandigheden vanzelfsprekend zijn, zodat zelfs het werkwoord kan ontbreken b.v. Handen thuis! Niet zo haastig! Geen uitvluchten! D'r uit! 2)
Opmerking I: Een omschrijving met laten, naar de vorm een imperatief, naar de betekenis mededeling van een onverwachte gebeurtenis, vindt men in een zin als: ‘Ik meende dat hij vertrokken was, en laat hij daar vanochtend voor me staan!’ Deze konstruktie, in hedendaagse omgangstaal niet ongewoon, is in meer vormelijke en geschreven taal nog niet doorgedrongen. 3)
Opmerking II: Imperatieve zinnen, waarbij de imperatief gevolgd wordt door een pronomen: Kom jij eens hier! Gaat u zitten! worden feitelijk tweeledig. Verdenius (In de Nederlandse Taaltuin3, blz. 74) noemt dit verschijnsel ‘secundaire congruentie’.
Opmerking III: Een zonderlinge, schijnbare tweeledigheid vertoont het familiare ‘Maf ze’ = slaap wel! |
1) Zie Overdiep, t.a.p. § 292 in zijn uitvoerig hoofdstuk over De imperatieve zin (§ 290-294), aan te vullen met § 330. Vergelijk ook het hoofdstuk over Imperatieve zinnen in zijn Zeventiende-eeuwsche Syntaxis II. § 171-187.
2) Overdiep, a.w. § 330.
3) Zie F.C. Driessen: Imperativus voor praeteritum (N. Tg. XXVI, 125). die een parallel trekt met het Russisch.
|
217 Schijnbaar eenledige zinnen.Niet alleen bij imperatieve zinnen blijven alle overbodige woorden achterwege. Ook in de levende taal van het gesprek hoort men, gelijk reeds in § 214 met voorbeelden aangetoond is, voortdurend zinnen die de grammaire raisonnée als ‘onvolledig’, als ‘elliptisch’ beschouwde. Als antwoord op een vraag is vaak één woord voldoende, omdat de aanvulling opgesloten ligt in de woorden die de vrager gebruikt had, b.v. Wanneer kom je? - ‘Morgen’; Wie heeft het gedaan? - ‘Ik’; Hoe heet die jongen? - ‘Jan’; Wat ga je doen? - ‘Werken’. 1) Overdiep 2) wijst op die ‘korte taalvorm’ in sportverslagen, voortkomend uit een streven ‘naar snel en duidelijk overzicht’ (‘Pang, een hoge uittrap’. - ‘Hup, de bal met een vaartje vooruit’), in de ‘headline’ van krantenberichten (‘Onderhandelingen aanstaande’ - ‘Naar het einde der staking’), volgens Huizinga een symptoom van de ver-amerikaansing van ons leven. In deze gevallen komt het psychisch aanwezige praedikaat niet in taalvorm voor de dag. Omgekeerd kan ook het subjekt dat men in de vorm van een pronomen zou verwachten, als het psychisch zwakker bestanddeel verbleken en verdwijnen, waar het zonder schade gemist kan worden. In oudere talen kan, gelijk reeds opgemerkt werd, subjekt en praedikaat in één woord zitten. In het Latijnse vocat is de t het subjekts-element. Paul zegt daarom dat de persoonsvorm ‘Satznatur’ heeft. Bij biezondere nadruk werd later een pronomen voorgevoegd; dat werd normaal ook zonder die nadruk. Toch behoeft men bij zinstypen, zonder pronomen als subjekt, zoals het Middel-nederlands die nog kent, niet te denken aan een overblijfsel uit overoude tijd, maar veeleer aan later werkende factoren. Neiging tot kernachtige zegging merken we op in spreekwoordelijke uitdrukkingen als Mnl. ‘Meest grabt meest heeft’ 3) te vergelijken met het Zuidnederlandse ‘Langst eet langst leeft’, of met het Groningse ‘Zat op peerd en zocht er om’. 4) Als een ander geval noemt Stoett § 5 e het ontbreken van ic bij verba als segghen, tellen, vooral in aangehechte zinnen met ende (ende segghe u .. ende telle u). Hier kan meegewerkt hebben dat de uitgang -e nog als kenmerk van de eerste persoon van kracht |
1) Een verwant verschijnsel zien we in levendige verhaaltrant (‘Wij er op uit’ - ‘Zij aanstonds in de weer’), waar het werkwoord uit het verband voldoende blijkt.
2) Stil. Gramm. § 32.
4) Zie W. de Vries (Typen der Mededeling § 28), die opmerkt dat in zulke gevallen het subjekt een algemeen karakter heeft (men, iemand, wie). Vgl. ook dergelijke korte taalvorm in spreekwoordelijke uitdrukkingen als: Zo gewonnen zo geronnen. - Hoe ouder hoe gekker, waar telkens een ander bestanddeel van de ‘normale’ zin achterwege blijft.
|
|
blijft. In het Duits heeft zich dit verschijnsel in vaste formules lang gehandhaafd (sage, schreibe, geschweige). Het is niet onwaarschijnlijk dat het nog gebruikelijke zegge, transportere in handelstaal uit Duitse koopmansstijl overgenomen is. Ook in briefstijl is Verblijve, verzoeke nog bekend. In de brieven van Hooft vindt men evenzo: ‘Ondertusschen gebiede mij ...’, blijve, enz. Bij Vondel komt nog een enkele maal ghezwijghe voor. 1) In oudere taal, bij volksaardige schrijvers als Gerrit de Veer en Bontekoe is het een gewoon verschijnsel; b.v. ‘Den 19. wasset stil weer en haalden twee sleden hout’. - ‘Meende daarmede mijn einde te hebben’. Ook in zeventiende en achttiende-eeuwse brieven is dit verschijnsel waar te nemen. Bij W. Sewel, die in zijn Korte Wegwijzer modellen van brieven in het Nederlands en in het Engels geeft, leest men o.a.: t'zederd bevinde my zonder UE. aangename brieven’. - ‘Mijn zeven jarige dienst voleindigh hebbende, ben nu beginnende ...’. In beide gevallen staat er in de Engelse tekst: I. In de achttiende eeuw komt het nog voor o.a. in het reisverhaal van Krinke Kesmes. Nu blijft het meestal beperkt tot de omgangstaal. 2) Ook nu nog is het een bekend verschijnsel dat ‘een der psychisch aanwezige leden’ grammatisch niet is uitgedrukt. Algemeen gebruikelijk is, als verstarde formule ‘Dank u’. 3) Op de vraag: ‘Heb je de boodschap gedaan?’ kan men als antwoord horen: ‘Ben er juist geweest’. In sommige gevallen, nl. voor een werkwoord met k kan men denken aan versmelting van het proclitische 'k: ‘Kom er juist vandaan’. - ‘Kan er niets aan doen’. In litteraire stijl - tenzij bij weergave van een gesprek - wordt deze weglating niet geduld, in tegenstelling met het Duits, ook bij klassieke auteurs, b.v. bij Goethe. 4) Ook het voornaamwoord van de tweede persoon kon in het Mnl. achterwege blijven, evenals in het tegenwoordige Duits (‘Bist ja grosz geworden’. - ‘Hast recht’) b.v. ‘Waer om verheffes di teghen mi?’ ‘Waer om versmades mi’. Van Helten heeft dezelfde opvatting als Paul 5) en verklaart verheffes uit verheffestu (stu > ste > st > s). W. de Vries 6) wijst op het Groningse ‘slepst ja!’, en acht het mogelijk dat het subjektselement st en de umlaut zo kenmerkend zijn voor de tweede persoon, dat de toevoeging van doe onnodig geacht wordt. |
2) Als weergave van omgangstaal b.v. in De Hartog's Hollands Glorie (blz. 107): Nellie zegt: ‘zal het nooit meer doen, stuurman’.
3) Vgl. in het Engels ‘Don't know’, in het Duits ‘Empfehle mich’.
4) Paul (Deutsche Gramm. § 19) citeert: ‘Wollte, Gott hätte mich zum Gärtner gemacht’ en de monoloog van Faust: ‘Habe nun ach, Philosophie ...’ In de krachttaal van de Sturm-und-Drang was het zelfs in de mode.
6) Typen der Mededeling.
|
|
Het voornaamwoord van de derde persoon wijst terug op iets bekends of iets dat reeds genoemd is. Het kan dus alleen achterwege blijven, als door het zinsverband of de situatie de hoorder niet in het onzekere verkeert. Op dit punt ging men vroeger, ook bij het schrijven, verder dan nu. Dat blijkt uit de voorbeelden die Stoett 1) uit het Mnl. verzamelde. Het subjekt kan reeds opgesloten liggen in een casus obliquus van de vorige zin: ‘Dit was Reinaerde ombequame ende verbalch hem’. Uit twee voorafgaande woorden (substantief en pronomen) is een meervoudig subjekt te halen: ‘Waleweine leide hi voren doe, tote ter uterster porte toe quamen’. Of aan een voorafgaand possessief is het subjekt te ontlenen, b.v. ‘Doe liepen die tranen over siin lier, ende began wenen’. Al deze gevallen kan men nog in de zeventiende eeuw aantreffen, vooral weer in volkstaal, b.v. ‘Wij proefden het water en was dadelijk versch’ (Bontekoe). ‘Ende aten van het vleys, ende smaecte als conijnen doen’ (G. de Veer). Maar ook bij Vondel: ‘En d'ander ... grijpt synen naesten Macker En zinken beydegaer’. 2) |
1) Mnl. Synt. § 218-220. De aangehaalde voorbeelden zijn daar onvoldoende geschift. Scherper onderscheidt Paul (Deutsche Gramm. § 15).
|
218 Schijnbaar tweeledige zinnen: impersonalia.Schijnbare tweeledigheid treft men aan in onpersoonlijke zinnen als het regent, waar het een schijn-subjekt is: van een verbinding van twee voorstellingen is hier immers geen sprake. Alleen het gebeuren wordt meegedeeld, zonder aanduiding van een subjekt. 3) . Aardig is de verwijzing van Van Ginneken (Roman van een Kleuter, blz. 36) naar de taal van het jonge kind, dat nog geen vaste, scherp omlijnde denkbeelden heeft en dus geen blijvende dingnamen kent, maar alleen voorbijgaande feit-namen, woorden met een verbaal karakter, woorden met de funktie van een zin. - ‘Stoel’ wordt gevoeld als: daar stoelt 't, daar is gestoel. In dit licht gezien, is het volgende gedicht van G. Gezelle merkwaardig:
|
3) Zeer uitvoerig is Der Ursprung des Scheinsubjekts es in het Germaans en het Romaans, besproken door K. Brugman (1917), later ook door Beck: Die Impersonalien (1922). Vgl. ook Paul Deutsche Gramm. III § 22, Wilmanns: Deutsche Gramm. III2, 463, Wackernagel I, 113 vlg. en Sütterlin § 310. Voor het Nederlands: W. de Vries: Typen der Mededeling § 32-35 en Usurpaties in Ts. XXIX. Vgl. ook Ph. J. Simons over Graduering: N. Tg. XIV.
|
Als ouder voorbeeld citeert het WNT (VI, 684) uit Cremer: 't Kust weer en 't klawettert da'j lachen mot’; terwijl zonder bewijsplaatsen opgemerkt wordt dat ‘enkele schrijvers’ Het roept, het zucht bezigen voor: er wordt geroepen, men hoort zuchten. Gewoon is dat stellig niet, tenminste niet zo gebruikelijk als het Duitse es klopft = er wordt geklopt. 1) Wel is bekend: het daghet in den Oosten; het wintert (Tollens), 't Avondt, 't Morgent (P. Paaltjes); het wil nog niet zomeren. Dat het woordje het soms een onmisbare aanvulling van het werkwoord wordt, blijkt uit zinnen als: ‘Ik zie het regenen’, ‘Laat het maar regenen’, waarin Den Hertog (I § 12) het ten onrechte een ‘loos’ voorwerp noemt. Evenmin is dat het geval, wanneer in zulke zinnen het verzwaard wordt tot dat: ‘Kijk dat eens regenen!’ ‘Houdt dat nu nooit op met sneeuwen!’ 2) Omtrent de oorsprong van zulke onpersoonlijke zinnen bestaat een omvangrijke, reeds aangehaalde litteratuur. In sommige gevallen kan oorspronkelijk achter het nog een vage voorstelling schuilen, b.v. het tocht hier, waarbij men aan een raam, een deur kan denken, waardoor de tocht veroorzaakt wordt. Vergelijk: ‘het rookt hier’ met: ‘de kachel rookt’. Bij ‘es brennt gut’ kan men een blik slaan op het vuur. Vaag van betekenis is ook het in: ‘Het sloeg vier uur’. - ‘Dat is 't 'm’. - ‘Daar zit 't 'm juist’. 3) Anderzijds kan het ‘syntaktische’ het, het zogenaamde voorlopige onderwerp, op het ontstaan en de verbreiding van het onpersoonlijke het van invloed geweest zijn. Reeds in het Mnl. is dat zeer gewoon, b.v. ‘Hets geboren een prophete’. - ‘Het worden vechtende die Samaritane’. 4) Maar reeds zuiver onpersoonlijk komt daar voor: ‘het is gecloppet’. Nog in de 16de en |
1) Bij deze passieve konstruktie kan er ook vervangen worden door hier, daar of een bijw. bepaling: ‘Aan boord wordt niet gevochten’ (Overdiep Stil. Gr. § 223, vgl. § 280).
2) Brugmann, t.a.p. meent dat men ‘es regnet’ en ‘das regnet heute in einem!’ uiteen moet houden, omdat in het laatste voorbeeld ‘wirkliche Deixis’ plaats zou hebben. Overtuigend is zijn betoog m.i. niet. Vergelijk daarmee de opmerkingen van Ph. J. Simons.
4) Stoett Mnl. Synt. § 38. Hij wil daarvan, als onpersoonlijk, scheiden: ‘het hevet mi vremt, wonder’, maar ziet voorbij dat daarop gewoonlijk een onderwerpszin met dat zal volgen (§ 39).
|
|
17de eeuw, bij Anna Bijns en Marnix zijn voorbeelden van het syntaktische het te vinden, in het WNT (i.v. het) aangehaald. Eveneens bij Hooft (‘Het sweeft een frissche dauw’), Vondel (‘Het viel een dikke sneeuw’), Huygens en in de volkstaal (‘Het sneed ien mes’, in een klucht van Bormeester). Bij Bilderdijk leest men o.a. ‘'t Huppelt blijdschap in mijn harte’. 1) Het is onzeker of deze konstruktie in Noord-Nederland ooit even gebruikelijk geweest is als in het Zuiden, waar die nog voortleeft (‘het was een man die’ ...; ‘het staan veel bomen’ e.d.). Het zelden voorkomende Het geeft (b.v. Van Zeggelen: ‘het gaf een levendig rumoer’) zal wel een germanisme zijn. 2) Een nieuwe konstruktie is daarvoor in de plaats gekomen, met het oorspronkelijk plaatsbepalende er (d'r uit daar), dat verbleekt is tot louter vormwoord, zowel onpersoonlijk schijnbaar passief (er wordt geklopt, er wordt gedanst) als met een syntaktisch vooropgeplaatst er (d'r), b.v. in het begin van een verhaal: ‘Er was eens een koning’. Men spreekt dan wel van een repletief er. 3) In oudere taal kwam nog een andere onpersoonlijke zin voor, namelijk de derde persoon van het werkwoord, vergezeld van de vooropstaande objektsvorm van het persoonlijk voornaamwoord: mi lanct, mi gruwet, mine roec, mi dromet, mi gedinct, mi ontfermt, mi walgt 4) ; in de 17de eeuw bij Hooft en Vondel: mij schrickt, mij jammert, mij gedenct, mij gruwelt, mij is vergeten 5) , bij Bredero: mij ijvert, mij lust na ..., mij werdt bang, mijn was wee te moe, mij wallicht, mij grouwelt 6) en nog, archaïstisch bij Staring: ‘U hongert naar geen weeldrig land’ (Aan mijne Dennen, 3de str.) en bij Potgieter: ‘Hoe hem schrikte’. Later wordt de toevoeging van het gewoner: ‘Het is mij bang te moede,’ terwijl het een subjektzin aankondigt in: Het behaagt, lust, smart, heugt mij. Bovendien worden de werkwoorden verlangen, gruwen, lusten, hongeren, dorsten later persoonlijk gebruikt. Reeds in de Statenbijbel leest men: ‘zij die hongeren en dorsten ...’ 7) |
2) Als zodanig beschouwd door het WNT (IV, 1934) = es giebt, behalve in de uitdrukking het geeft pas. Maar onafhankelijk van het Duits is het vergelijkbare: ‘Wat zal het een drukte geven’, of in de Camera Obscura: ‘het zal daar een algemeen gegrijn gegeven hebben’ (WNT VI, 686).
3) Aldus Bech die een afzonderlijke studie aan Ned. er wijdde in: Travaux du Cercle linguist. de Copenhague VIII (1952) 1 vlg.
6) Van der Veen § 221.
7) Vgl. het M. Engelse him dreams a strange dream met he dreams a strange dream.
|
|
Een andere eigenaardige ontwikkeling van de onpersoonlijke konstruktie treft men aan in de verbinding van een infinitief met het is, reeds in oude spreekwoorden als: ‘'t Is quaad vossen met vossen vangen’ (bij Spieghel) of: ‘'t Is goed bree riemen snijden uyt anders leer’, met de betekenis: Men kan gemakkelijk riemen snijden. Ook nu nog zegt men: ‘'t Is hier gezellig zitten’. - ‘'t Is hier in de zaal gemakkelijk spreken’. Daarnaast is weer ontstaan: ‘'t Zit hier gezellig’. - ‘'t Spreekt hier gemakkelijk’. - ‘'t Maait hier zwaar’. - 't Danst hier aangenaam’. 1) Dit verschijnsel is ouder dan men gewoonlijk meent. Reeds in de achttiende eeuw schrijven Wolff en Deken: ‘Het vrijdt wel eens zoo mooi in 't groen’. En elders: ‘'t Slaapt zoet’, of bij Bilderdijk: ‘'t Waakt verschrikkelijk op’. Dergelijke onpersoonlijke zinnen kunnen op tweeërlei wijze aangevuld worden. Ten eerste door een voorzetsel-bepaling: het wemelde van muggen; het regent met dikke druppels; het mankeert hem aan geld; het ontbreekt hem aan moed. Bogaers haalt uit Bilderdijk's taal 2) daarvan verscheiden voorbeelden aan: ‘het davert van feestgetier, 't Zweeft van geesten, Het gloeide van woede, 't Hobbelde met bocht bij bocht’. Ten tweede door toevoeging van een enkel substantief, dat meestal het resultaat van het gebeuren aangeeft: het regende grote druppels; het woei een felle storm. Of bij overdracht: het hagelt kogels, het regent gelukwensen. Bij Potgieter: het veld, waar 't kogels sist en 't bommen fluit. 3) Dit is geen jong verschijnsel, want Stoett 4) tekende reeds voorbeelden op uit het Mnl: ‘Daartoe hagelet nochtan rechte keselen’. - ‘Het reinde vleesch, asscen’ enz. De vraag of dit substantief volgens logische ontleding een nominatief of accusatief zou zijn, heeft voor het Nederlands, waar vormonderscheiding ontbreekt, geen zin. Evenals in het Duits 5) , kan in onze taal naast de onpersoonlijke konstruktie een nieuw soort van tweeledige zinnen ontstaan, waarin de toegevoegde bepaling of het toegevoegde substantief tot subjekt wordt. Dat zich daarbij weer verschillende gevallen voordoen, blijkt uit de volgende voorbeelden: De wolk regent. - Dichte vlokken sneeuwden neer (vgl. figuurlijk: De boom sneeuwt bloesems). - De lawine (het kanon) dondert. (Vgl. bijbels: Als de God der |
1) Zie W. de Vries t.a.p. in Tijdsch. XXIX, blz. 123, die denkt aan kontaminatie van: ‘Men zit hier gezellig’ en ‘'t Is hier gezellig zitten’. Vgl. WNT VI, 685. Ook in het Duits is deze konstruktie bekend: ‘Es tanzt sich hier gut’. Paul (Deutsche Gramm. § 25) citeert: ‘Wie es sich in Holland träumt und wie es sich aufwacht’.
2) a.w. blz. 133.
3) WNT VI, 684.
4) Mnl. Synt. § 196.
5) Zie Paul Deutsche Gramm. III § 31 over ‘De wolk regent’ en vgl. § 29: ‘de markt wemelt’ = het volk op de markt.
|
|
ere dondert, en het klassieke: Zeus regent). - Figuurlijk weer: Het zwaard (zijn oog) bliksemt. - Verwijten (scheldwoorden) hagelden op hem neer. Een ander geval is weer: ‘Ik waai met mijn zakdoek’, waar niet de zakdoek, maar de wuivende (wind veroorzakende) persoon tot subjekt wordt. Reeds werd er op gewezen dat sedert de M.E. een aantal vroeger onpersoonlijke werkwoorden als dromen, gedenken, gruwen, walgen, ontfermen, persoonlijk geworden zijn, met een persoon als subjekt. Daarbij is het niet altijd gemakkelijk dit te onderscheiden van schijnbaar onpersoonlijke werkwoorden, waar wel het vooraf gaat, maar een subjekt volgt, b.v. mij lust, mij deert, mij is vergeten, mij heugt. Immers, bij verscheiden van deze werkwoorden stond in oudere periode een substantief in de genitief, b.v. Mij deert des mans (Hooft); Hem deert des jongelings (Vondel); Mij verdriet dier maeltijden (Vondel). 1) In het hedendaagse Nederlands kent men in het Noorden nog: ‘mij lust dat niet’ naast het jongere, nu algemene: ‘ik lust dat niet’. 2) Voorzover in het Zuiden ‘Ik geluk’ gebruikt mocht worden in plaats van: ‘Mij gelukt dat’, zal hier invloed van het Franse réussir gewerkt hebben. Eigenaardig, en waarschijnlijk vrij jong, is het verschijnsel dat naast de hiervoor genoemde onpersoonlijke konstruktie als ‘'t Zit makkelijk in die stoel’, ‘'t Naait licht met dat goed’ een persoonlijke konstruktie ontstaat, waarinstoel en goed tot subjekt worden: ‘Die stoel zit makkelijk’. - ‘Dat goed naait licht’. Evenzo: ‘Die schoenen lopen zwaar’. 3) Een eigenaardig gebruik van zinnen met het dient om allerlei zinsdelen op de voorgrond te brengen, terwijl de overige zinsdelen in bijvoeglijke of andere zinsvorm toegevoegd worden, b.v.: Het was de voorzitter die daarop wees. - Het was om die reden dat ik je spreken wou. - Het zijn de slechtste vruchten niet waaraan de wespen knagen. - Het is sterk, zoveel uitvluchten als hij altijd weet. 4) |
1) Zie van Helten Vgr. § 167 en WNT VIII, 3346. In het oudere Duits regeerden ook vergeten en jammeren een genitief.
2) Dezelfde ontwikkeling vertoont het Engels: naast het oudere ‘him like oysters’ het jongere ‘he likes oysters’.
3) Daarop heeft W. de Vries in de bovengenoemde studie de aandacht gevestigd.
4) Invloed van Franse zinnen met c'est...que kan deze zinsvorm bevorderd hebben. Een ander geval, waarbij de zin met het gevolgd wordt door een verduidelijking van het, zal in § 222 besproken worden. Weer een ander geval (het = er) is hiervóór in deze paragraaf vermeld.
|
219 Tweeledige zinnen.De enkelvoudige zin.Subjekt en praedikaat. 1) In de tweeledige zin zijn dus twee bestanddelen te onderscheiden. Minimaal bestaat zulk een zin uit twee woorden (b.v. Jan vertrekt), maar ook de ingewikkeldste zin is te verdelen in tweeën: een subjektsfeer met een nominale kern. en een sfeer van het praedikaat, meestal met een persoonsvorm van het werkwoord als kern, al of niet omgeven door objekten of bepalingen. Is het werkwoord een zogenaamd koppelwerkwoord, dan is ook in het praedikaat de groep van het substantief, eventueel zelfs adjektief of bijwoord het hoofdbestanddeel, zodat de persoonsvorm van het werkwoord achterwege kan blijven, b.v. Vrijheid blijheid. - Die man een bedrieger? - Alles goed. - Iedereen tevreden? - Wie daar? In een opschrift: Ingang links. Het subjekt is het blijvende, de ‘zelfstandigheid’; vandaar dat het in de regel een substantief is, of een ander zelfstandig woord, noemend of aanduidend (infinitief, adjektief, pronomen, telwoord). Het praedikaat drukt uit: een eigenschap, beweging, verandering. In de zin is het het nieuwe, en dus gewoonlijk sterker geaccentueerde bestanddeel. In een oudere periode waren subjekt en praedikaat gekenmerkt door een vaste vorm: het eerste door de nominatief, het tweede door de persoonsvorm van het werkwoord. Bij een latere syntaktische ontwikkeling met vaste woordorde bleven die vormen ten dele bestaan, ‘als erstarrte Massen weiter geschleppt’ - gelijk Sütterlin zegt - maar anderdeels verdwenen ze door de deflexie. In het Nederlands handhaafde zich de aparte vorm van de nominatief alleen bij sommige persoonlijke voornaamwoorden. De persoonsvormen van het werkwoord vertoonden meer levenskracht en doen nuttige dienst o.a. door hun kongruentie met het subjekt. Wanneer men niet uitgaat van een grammatische ontleding van de zin, die dus oorspronkelijk op de grammatische vormen berust, dan komt men bij de definitie van het onderwerp in allerlei moeilijkheden. Terwey spreekt b.v. van ‘de zelfstandigheid waarover men denkt’. 2) Maar dan zou b.v. Die brief onderwerp zijn in de beide zinnen: ‘Die brief moet straks weggebracht worden’ en ‘Die brief moet je straks wegbrengen’. Grammatici die in moderne geest uitgaan van wat er in de spreker omgaat bij de vorming van een zin, hebben dus de neiging om zich van de oude grammatische opvatting los te maken, en liever te onder- |
1) Vergelijk Jespersen: Philosophy of Grammar, blz. 145 vlg. en vooral de heldere uiteenzetting van A.H. Gardener: The theory of Speech and Language, blz. 255 vlg. met veel goed gekozen voorbeelden.
2) Ned. Spr. § 1.
|
|
scheiden een psychologisch onderwerp en een psychologisch praedikaat. Von der Gabelentz beschouwde als psychologisch onderwerp ‘die zuerst auftretende Vorstellungsmasse’. Paul, en later Sütterlin, volgden op dat spoor. Het psychologisch praedikaat is dan ‘das wichtigste, dessen Mitteilung der Endzweck des Satzes ist, auf welches daher der stärkste Ton fällt’. 1) Sütterlin gaat zo ver, dat hij drieërlei subjekt onderscheidt: grammatisch, psychologisch en logisch. 2) Een taalpsycholoog als Wundt stelt voor, de verwarrende overdracht van termen uit de logika van Aristoteles als ‘sub-ject’ ‘onder-werp’ 3) liever te vermijden en zuiver-psychologisch te spreken van ‘dominierende Vorstellung’. Ten onzent trachtte Van Ginneken verheldering te verkrijgen door de termen: aanvangsnotitie en eindnotitie, door de vergelijking met een voetstuk en een daarop geplaatst beeld, een aanloop en een sprong. 4) |
1) Dan zou dus in de zin: ‘Die brief (niet dat bóek) moet weggebracht worden’, die brief het psychologisch praedikaat zijn. Paul geeft als voorbeeld: Kárl fährt mórgen nach Berlin, waarin vier woorden, naar mate men er het hoofdaccent op legt, beurtelings psychologisch praedikaat kunnen zijn. Inkonsekwent spreekt hij dan in § 199 bij nadrukkelijke vooropstelling van een psychologisch subjekt.
2) In de zin ‘Gebaut wurde die Brücke von Caesar’ noemt hij Gebaut psychologisch subjekt, die Brücke grammatisch, en Caesar logisch subjekt.
3) In het Grieks: to hypokeimenon = het te gronde liggende.
4) Zie De Kataloog van een Taalmuseum in N. Tg. V.
|
220 Kongruentie tussen subjekt en praedikaat.Oudtijds had dus het subjekt, in zijn casus, een praedikaatselement, het praedikaat, in zijn persoonsuitgang, een subjektselement. Dat verband is door deflexie voor een groot deel verdwenen, maar er bestaat nog steeds een zekere kongruentie. Regel is de kongruentie in getal. Daarop bestaan slechts enkele begrijpelijke uitzonderingen. 1o. Bij kollektieven hangt het er van af of de voorstelling van de eenheid of de veelheid overweegt. Vergelijk b.v. ‘Een troep soldaten marcheerde langs de weg’, met ‘Een troep kinderen speelden op het schoolplein’. Datzelfde geldt voor woorden als: een massa, een hoop, een boel, een menigte e.d. 5) Men hoort even goed: ‘Een paar schoenen stond voor de deur’, als: ‘stonden voor de deur’, maar een paar = een klein aantal heeft weer een meervoud: ‘een paar zijn er nog over. Het Middelnederlands ging daarbij verder. Men vindt daar ook een meervoudige werk- |
5) Zie Gerlach Royen in Bijgedachten en botsingen in taal. Vgl. W. de Vries: N. Tg. XVIII, 132 vlg. en Gerlach Royen: N. Tg. XXXII, 355. Ook andere talen kennen dit verschijnsel; in het Latijn b.v. bij een volksaardig auteur als Plautus: ‘faciunt pars hominum’ (Wackernagel Vorlesungen I, 103 vlg.). In het Duits b.v. ‘eine Menge Lerchen kamen’. Vgl. ook de konstruktie bij Eng. people.
|
|
woordsvorm bij woorden als volc, geslachte, here, geselscap e.d., b.v. ‘Dijn geslachte sullen sijn coninge van Israël’. Dergelijke voorbeelden zijn ook talrijk in de volkseigen taal van de 17de eeuw, bij Bredero, en in reisbeschrijvingen. 1) Een meervoudige persoonsvorm volgt in het Mnl. ook vaak bij men, elc, selc, menich, somich een e.d., b.v. Selc die draghen grau ende bont. Dat men bi dien Gode scouwen mogen. 2) Dat werkt in later tijd nog door bij Vondel, Bredero, Huygens en schrijvers van eenvoudige volkstaal 3) , b.v. ‘Men sien’ (Vondel): ‘men beslaen geen loopende paarden’ (Bredero); ‘die m'eertijds handelden’ (Huygens: Zeestraet, vs. 613). Vooral bij Gerrit de Veer vindt men talrijke voorbeelden van men met een meervoudige werkwoordsvorm. Eigenaardig is de neiging om wanneer twee werkwoorden staan bij een woord als volc of bij elc, het eerste in het enkelvoud te zetten - vooral wanneer het aan het subjekt voorafgaat - het tweede daarentegen in het meervoud, b.v. Mnl. ‘elc ging ende sliepen’; in de 17de eeuw: ‘Ons volck was soo even te landt gekomen, en waren besich met haer vaten te vullen’, of bij Vondel: ‘Zoo komter weer een jonger, en zullen hun zelven voen’. 2o. Omgekeerd kan bij een onderwerp ondanks de meervoudige vorm of een telwoord een enkelvoudige werkwoordsvorm staan, als het begrip van eenheid overheerst. Dat is b.v. het geval te hoge prijs; er ligt vijf cent op tafel; twee liter melk kost. Als bij woorden die een prijs, een maat aangeven: drie stuiver is een eenheid wordt ook giften opgevat in de zin: ‘Dese giften wort onder de gemeynte ghedestribueert’ (De Marees). Ook woordverbindingen door en kunnen als eenheid opgevat, en dus door enkelvoudige werkwoordvorm gevolgd worden, b.v. ‘Oud en jong verheugt zich’ (met de bijgedachte: iedereen). ‘Doch zon en bloem en vogel gruwt er van’ (Perk). Hiermee staan niet op één lijn die gevallen, waarbij het enkelvoudig praedikaat, meestal vooropgaand zich aansluit bij het eerste van de door en verbonden onderwerpen, b.v. ‘Dus sciet Saul ende Samuel’, en in de zeventiende-eeuwse kluchtentaal: ‘En ondertusschen denk ik en mijns gelijck...’; ‘Heeft 'et de kock en sen Wijf niet wel eseyt?’ Bij zowel... als vindt men soms de ‘grammatisch korrekte’ singularis, maar vaker de aan het taalgevoel beantwoordende pluralis. Feitelijk zijn immers twee subjekten gecoördineerd. Men |
1) Zie Stoett Mnl. Synt. § 205 en Van der Veen § 25. Niet alle daar gegeven voorbeelden zijn bewijskrachtig, want een werkwoordvorm op -en bij zwakke werkwoorden kan ook enkelvoud zijn (Franck § 125 en 129) b.v. bij Stoett: ‘Al tfolc loofden den coninc Saul’.
|
|
zegt b.v. ‘Zowel de jeugd als de ouderdom was vertegenwoordigd’, maar ook: ‘zowel de muur als het dak waren ingestort’. Bij een dubbel onderwerp, door of (òf .. òf) verbonden, zou men een enkelvoud verwachten, maar in de omgangstaal en de oudere volkstaal treft men meermalen een meervoud aan, b.v. ‘dat ick of men Meester je niet meer krijghen’. - ‘Daer hier den brassaert of den vraet 't eel vernuft in wijn verspillen’ (Bredero's Angeniet). Het werkwoord zijn richt zich niet naar het enkelvoudig onderwerp, indien er een duidelijk meervoudig praedikaatsnomen volgt, tenminste als het onderwerp het, dit of dat een enigszins vage betekenis heeft als voorlopige aanduiding: Dat zijn mijn boeken. In het Mnl.: Het waren heidine. - Dit sijn Seneca leren. Maar ook als het onderwerp een substantief is: ‘Die vierde plaghe waren vlieghen’. 1) Kongruentie in de persoonsvorm van het werkwoord met het onderwerp bestaat met slechts één uitzondering: het werkwoord kan zich richten naar een persoonlijk voornaamwoord in het praedikaat: ‘Dat ben ik’. In het Mnl. staat daarnaast ‘Dats ic’. Bij twee onderwerpen, van verschillende persoon richt het werkwoord zich naar een in de gedachte aanwezig samenvattend pronomen, dus : jij en ik zijn (jij en ik. = wij). Vgl. Mnl. ‘Ic ende dijn sone bliven verdreven’, vgl. ‘Ic ende ghi, wi syn die den anderen minnen mogen’. 2) Bij verbinding van de tweede en derde persoon overheerst de tweede: in het Mnl.: ‘Du ende dine kinder salt doot sijn’. In het moderne Nederlands komt dat minder duidelijk uit: ‘Jij en je broer (samenvattend: jullie) zijn tegelijk vertrokken’. Bij ‘gij en uw broer’ zou zijt passen. Kongruentie in geslacht ontbreekt wanneer het subjekt een onzijdig persoonlijk of aanwijzend voornaamwoord is (het, dat, dit). Dit richt zich niet naar het geslacht van de persoon, in het praedikaats-nomen genoemd: ‘Dat (het) is mijn vriend’; ‘Dat (dit) is mijn vrouw’ 3) ; evenmin bij zaaknamen met een de-genus: Dit is uw tuin (Vgl. ook het niet kongrueren van het getal: dat zijn uw boeken). Reeds in het Mnl.: ‘dits mijn vrient’. |
3) Vgl. dezelfde funktie van dat in de konstruktie: ‘Die paus dat was een wijs man’ (§ 222).
|
221 De vorm van de enkelvoudige zin.Naar de stemming van de spreker kunnen we vierderlei zinnen onderscheiden; mededelende, vragende, uitroepende 4) en aan- |
4) Deze soort wordt in verscheiden spraakkunsten, o.a. bij Den Hertog, niet onderscheiden. Ook Overdiep (Stil. Gr.) maakt er geen afzonderlijke rubriek van, maar onderscheidt daarentegen als vierde soort de ‘wensende zinnen’.
|
|
sporende (imperatieven, geschakeerd van verzoek en wens tot bevel). De beide eerste zijn gewoonlijk tweeledig, al is het mogelijk dat door aanvulling van het verband of de situatie een van beide leden achterwege blijft. De uitroepende zin is bij heftige gemoedsbeweging vaak eenledig, maar kan in kalmer stemming uitgroeien tot een tweeledige zin, b.v. ‘Wat een heerlijk feest!’ kan aangevuld worden met ... ‘was dat’ of: ‘hebben we gehad’. De imperatieve zin is van nature eenledig en is dus vroeger (§ 216) reeds besproken. Als we spreken van de vorm van een zin, dan is niet alleen te denken aan de woordorde, maar niet minder aan de ritmische en melodische vorm, die ten onrechte vroeger in de grammatika vrijwel verwaarloosd werd, omdat men van de geschreven taal uitging. 1) In de moderne syntaxis, o.a. door Overdiep en Van Es wordt aan al deze verschillende factoren terecht de volle aandacht geschonken; bij Paardekooper die de intonatie onbruikbaar acht voor de zinstypologie, valt de nadruk op de woordorde en de plaatsvastheid van de woorden. Woordorde. Het is een bekend feit dat de woordorde niet in alle talen dezelfde is, b.v. het Nederlands van het Frans aanmerkelijk verschilt, en dat in dezelfde taalgroep in de loop der eeuwen ingrijpende verandering mogelijk is. In het Romaans ziet men de ontwikkeling van groter vrijheid, in het Latijn, tot de strengere gebondenheid b.v. van het Frans. Willekeur heerst nergens: de taal is geen legkaart van woorden. De opeenvolging wordt in hoofdzaak beheerst door de volgende faktoren: Wat zich in de geest van de spreker als het belangrijkste naar voren dringt, wordt voorop geplaatst. Wundt noemt dat het ‘Prinzip der Voranstellung betonter Begriffe’. Als tegenwerkende kracht treedt dan op: de ‘Stabilisierung der Wortstellungen’ door de traditie. Van jongs af hoort men zinnen met bepaalde woordorde; men volgt die zo lang na, totdat ze zekere vastheid krijgen. Als derde faktor kunnen ritmische wetten van invloed zijn bij de rangschikking. Ook is de zinsbouw afwisselend - gelijk Van den Berg aangewezen heeft 2) - naarmate de mededeling neutraal of expressief is. Hij gaat daarbij de bouw na van zinnen met veel bepalingen, als: ‘De kinderen gaan morgen bij goed weer op de fiets naar Scheveningen’, en ‘Vader is gisteren ondanks de regen op de fiets naar Amsterdam gegaan’. De eerste wet is het duidelijkst aan te tonen in talen met zogenaamde ‘vrije woordorde’, d.w.z. dat de psychische motieven |
1) Blümel (blz. 214) zegt: ‘Das Vorurteil dasz diese Seite der Sprache keine Bedeutung habe, musz bekämpft werden’. En Kalepky (Neuaufbau der Grammatik, blz. 4): ‘Eine Sprachdarstellung ohne Vollberücksichtigung all dieser Faktoren ist keine Wissenschaft’.
|
|
vrij spel hebben. Daarvan geeft Wundt een aardig voorbeeld in het Latijnse zinnetje: Romulus condidit Romam d.i. een antwoord op de vraag: Wie was Romulus? ‘Romulus was de stichter van Rome’. Bij de schikking Condidit Romam Romulus denkt men aan de vraag: Wat gebeurde er toen? Antwoord: De stichting van Rome door Romulus. Zegt men Romam condidit Romulus, dan kan dat een antwoord zijn op de vraag: Wat werd er gesticht? Rome werd gesticht door Romulus. Door omwisseling van de twee laatste woorden zijn nog weer drie variaties mogelijk, telkens met enige wijziging van de voorstelling. Onjuist is de mening dat de vaste woordorde een ‘ersatz’ zou zijn voor het verdwijnen van de vormverschillen door deflexie. Ook Wundt bestrijdt de opvatting dat de vaste orde uit ‘bedachtsame Ueberlegung’ voort zou komen, en gevolgd zou zijn op een tijd van verwarring. Veeleer is het omgekeerde het geval: door het ontstaan van de vaste woordorde verloren de flexie-vormen hun funktie, waardoor de verdwijning bevorderd werd. Intussen zijn er ook primitieve talen met een vaste woordorde, zodat de mogelijkheid van een kringloop niet uitgesloten is. Dat ook binnen de vaste orde de eerste, psychologische wet werkzaam kan blijven, zal blijken als de ritmische struktuur van de zin ter sprake komt. Maar ook de woordorde op zich zelf kan voor de betekenis van belang zijn. In de zin: ‘Ik zal | morgen | aan je broer | de brief meegeven’ kan men de drie middelste stukken van plaats doen verwisselen, terwijl bovendien de zin met elk van deze drie delen kan beginnen waardoor telkens meer aandacht op het vooropgeplaatste gevestigd wordt. 1) Doordat in de bovengenoemde zin tussen zal en meegeven een grote, soms storende afstand bestaat - Van Haeringen 2) noemde dat een ‘tangconstructie’ - ontstaat als reaktie de neiging om de persoonsvorm te herhalen, b.v. ‘Ik sprak vanmorgen om tien uur sprak ik je vriend.’ Zulke herhalingskonstrukties, die W. de Vries uit dooreenlopen van tweeërlei zinsbouw wil verklaren 3) , hoort men vaak, al worden ze in verzorgd mondeling en vooral schriftelijk taalgebruik vermeden. Voor het ‘instuderen’ van vaste ‘Satzschemata’ of ‘Satztypen’ kunnen we verwijzen naar de heldere uiteenzetting van Delbrück. 4) Hij toont aan hoe het kind zich zinnen als eenheden eigen maakt en zelf naar dat model andere vormt. Eveneens wijst hij er op, dat het houden van een geïmproviseerde |
1) Vergelijk de voorbeelden bij B. van den Berg t.a.p.
2) ‘Tangconstructies’ en reacties daarop in Neerlandica, blz. 260 vlg. Vgl. ook zijn Nederlands tussen Duits en Engels blz. 66 vlg.
4) Grundlagen, blz. 11-14. Als definitie van een Satzschema geeft hij op blz. 12: ‘Eine in der Seele vorhandene, aus Vorstellungspunkten und Pausen bestehende rhythmisch-melodische Reihe’.
|
|
redevoering, waarbij de volgende zinnen reeds onderbewust aanwezig zijn, alleen mogelijk is door het bestaan van vaste zin-schema's. Voor de ervaren spreker zijn enkele woorden voldoende om, krachtens gewoonte, naar innerlijk schema, de zin zijn loop in vaste banen te doen volgen. Op de invloed van ritmische wetten wijst o.a. Blümel, met verdere verwijzing naar de Rhythmisch-melodische Studien van E. Sievers. Een algemene neiging is, het ritmisch-lichtere te doen voorafgaan. In het Frans bestaat b.v. de regel, dat het objekt volgt op het werkwoord, dus: ‘Il regardait l'étranger’. Maar het lichtere persoonlijke voornaamwoord gaat weer vooraf: ‘Il me regardait’ (vgl. Je le vois; J'en doute; J'y suis). In het Nederlands geeft het ritme soms de beslissing of men het participium al of niet zal doen voorafgaan door de persoonsvorm. Vergelijk b.v.: ‘... wát hij gezégd heeft’ met,.... wát hij mij gísteren héeft gezégd’ (vgl. § 235).
Opmerking: Bij de woordorde in de mededelende zin zijn ook lokale verschillen op te merken. Waar de Hollander zegt: ‘ik heb het niet kunnen doen’, verkiest de Groninger en de Fries een andere volgorde: ‘ik heb het niet doen kunnen’, of b.v. ‘'k Zag hem tegen het hek leunen staan’ 1) . | |
222 De mededelende zin: de woordorde.Het eenvoudigste type van de mededelende zin is een vooropgeplaatst subjekt met persoonsvorm van het werkwoord of persoonsvorm + infinitief: Ik kom. Ik zal komen (S Vf-S VfV) 2) , in de omgangstaal niet zeldzaam. 3) Dit kan aangevuld worden door toevoeging of invoeging van voorwerpen of bepalingen: ‘De bakker bakt brood’ (S Vf A); ‘Ik zal morgen bij je komen’ (S Vf A V) of met twee infinitieven: ‘Ik heb het hem horen zeggen’ (S Vf A V V). Dit noemt Overdiep de ‘gesloten zinsvorm’, in tegenstelling met de ‘open zinsvorm’, waarbij een deel van de bepalingen aan het slot van de zin, dus nog achter de infinitief of het deelwoord volgen: ‘Ik kon niet op je naam komen daarstraks’ (S Vf A V A). In de omgangstaal komt dit veel voor: het is veelal een aanvulling, een verbetering |
2) Voor de formules gebruiken wij de door Overdiep aangenomen tekens: S = subjekt, Vf = verbum finitum, V = verbum (infinitief of deelwoord), A = andere zinsdelen (voorwerpen, bepalingen, modale bijwoorden enz.).
3) Als Overdiep (Stil. Gr. § 297-298) zegt dat ze ‘zelden’ voorkomen, dan heeft dat betrekking op het door hem geëxcerpeerde schriftelijke materiaal.
|
|
van wat bij haastig spreken niet tijdig in de gedachte kwam. 1) Bij zulk een ‘open zinsvorm’ ‘rijgt de spreker zijn gedachten, stukje voor stukje, aaneen’. 2) Men schat dat in de moderne talen de meerderheid van de mededelende zinnen met het subjekt beginnen. Blümel noemt voor het Duits 65%, voor het Engels 75% en voor het Frans 85%. 3) Overdiep komt voor de ‘gewone omgangstaal’ tot een schatting van ruim ⅔; 4) dat zou dus ongeveer gelijk staan met Blümel's opgave voor het Duits. Daarbij dient men echter rekening te houden met het feit dat bij ‘vertellingen’ het normale zinstype talrijker zal zijn dan in omgangstaal. Wanneer andere bestanddelen vooropgaan - Overdiep noemt A dan de ‘aanloop’ - dan heeft inversie plaats, d.w.z. onderwerp en verbum finitum wisselen van plaats: ‘Morgen kom ik’; ‘Morgen zal ik komen’; ‘Morgen zal ik in elk geval komen’ (A Vf S; A Vf S V; A Vf S A V) en met open zinsvorm: ‘Morgen zal ik stellig komen in elk geval’ (A Vf S A V A). Zelfs de infinitief (V) kan met nadruk voorop komen: ‘Wegblijven durft hij niet’; ‘Regenen zal het morgen niet’ (V Vf S A). Terwijl gewoonlijk het Vf de tweede plaats blijft innemen, kan in emotionele (volks)taal, mogelijk door onderdrukking van een weinig beklemtoond element (toen, daar e.d.), het Vf aan het begin komen te staan; ‘Zeit-ie tegen me ...’; ‘Heb je gelijk aan’; ‘Komt me daar die kwajongen...’ 5) Van andere aard is de vooropplaatsing van het Vf onder invloed van de Latijnse kanselarijstijl, b.v. ‘Compareerden voor mij, notaris X, ...’, en in zakenstijl: ‘Blijft te verrekenen het volgende bedrag’. Overdiep merkt nog op dat in de omgangstaal in de meeste gevallen - hij schat 80 van de 100 - de ‘aanloop’ bestaat uit slechts één eenlettergrepig woord (het hervattende dat, die, de |
1) Gelijk Wunderlich (Unsere Umgangsprache) terecht opmerkt. Daarvan dient men te onderscheiden de nadrukkelijke toevoeging, die Overdiep als een ‘afscheiding’ beschouwt, en waarbij het voorlopig aangeduide onderwerp, na een kleine pauze, verduidelijkt wordt: ‘Het is treurig, zo'n onverwacht sterfgeval’, want daarbij komt het eigenlijke onderwerp verklarend achteraan. Zie ook aan 't slot van deze paragraaf.
3) Zulke schattingen zijn niet overtuigend, zolang niet medegedeeld wordt op grond van welk materiaal en volgens welke methode die cijfers verkregen zijn. Bij Blümel (a.w. blz. 207-208) ontbreekt elke verantwoording.
4) Zie Stil. Gr. § 299.
5) Zie daarvoor ook Van Haeringen, Rationalisering en efficiency in taal (N. Tg. IL, 17 vlg.). Sütterlin onderstelt dat in zinnen als ‘Kam ein Vöglein geflogen’, een oudere woordschikking voortbestaat. Dat dit ook het geval is in gebruikelijke Engelse en Amerikaanse zinnen als: ‘Said the reporter ...’ lijkt mij onwaarschijnlijk.
|
|
bijwoorden dan, toen, nu, daar, ‘die eveneens meestal terugwijzen op den inhoud van een voorafgaanden zin’. 1) In letterkundige taal treft men een rijkere verscheidenheid van zinsvormen aan, met ‘vrijheden binnen de grenzen der regelmatige woordschikking’, met ‘zware aanloop’, door vooropplaatsing van voorwerpen en bepalingen, door zinsonderbreking, maar soms ook door opzettelijke afwijking van wat in de algemene taal gangbaar is, b.v. het ontbreken van inversie na een vooropgeplaatst voorwerp: ‘Want hoog in de handen den hamer hij heft’ 2) , of met een spannende ‘retardering’ van het onderwerp, door tussen Vf en S een objekt in te voegen en dus het subjekt beter te doen uitkomen: ‘Hoe dikwijls zong zijn zomerlied De wind door vloed van koorn’ (Boutens). Een eigenaardigheid van de omgangstaal, die bij meer verzorgd taalgebruik zelden voorkomt, is dat een vooropgeplaatst onderwerp gevolgd wordt door een aanwijzend pronomen: ‘Mijn oudste broer die is in de Oost’, ‘Die vriend van je dat is een interessante man’, of een vooropgeplaatste bepaling door het aanwijzende daar: ‘In de Betuwe daar wordt veel fruit geteeld’. Het Mnl. kende een dergelijke konstruktie met hi: ‘Ferguut hi groete sere die ioncfrouwe’, naast: ‘Ferguut die quam daer sciere’. 3) Vergelijk ook de vraag: ‘Te Cardoel waert, waer varic daer best?’ (Ferguut, vs. 533), te vergelijken met het hedendaagse: ‘Naar het station, hoe moet ik dan lopen?’ Van Ginneken acht deze verbinding zowel psychologisch als genetisch-historisch ouder dan de schrijftaal-konstruktie: de primitievere konstruktie veronderstelt ‘minder verstandelijke kracht van synthese’, ‘de aanknoping is zichtbaarder’. 4) Overdiep rangschikt dit verschijnsel onder de Prolepsis, d.w.z. het naar voren schuiven van een deel van de zin 5) , maar aannemelijker is de voorstelling van W. de Vries 6) , die er geen overblijfsel van een primitieve zinsbouw in ziet, maar uitgaat van een aanvankelijke tweeheid: een voorstellingsbenoeming gevolgd door een zin. Het vooropgaande woord staat dus eerst buiten het zinsverband, en is daarvan door een korte pauze gescheiden. |
1) Stil. Gr. § 299.
2) Zie Overdiep Stil. Gr. § 305 vlg. met veel voorbeelden, zowel uit het proza van de Tachtigers, als uit poëzie, waar het verschijnsel uiteraard in allerlei tijdperken voorkomt.
4) Zie De Kataloog van een Taalmuseum in N. Tg. V, 282. Hij vergelijkt een Latijnse zin als: ‘Et exierunt Farisaei’, die hij gelijk stelt met ‘En de Farizaeërs die gingen uit’. M.i. staat die konstruktie meer op één lijn met ons: ‘En ze gingen uit, de Farizaeërs’, met dezelfde plaats van het eigenlijke onderwerp.
5) Stil. Gr. § 401.
6) Dysmelie blz. 31 vlg. Vgl. zijn artikel: Opmerkingen over ontleding, in N. Tg. XVI, blz. 19 vlg., waarin hij Van Ginneken bestrijdt.
|
|
Door het verdwijnen van de scheidingsnaad ontstaat dan een nieuwe stereotiep geworden zinskonstruktie. 1) Hij wijst terecht op de invloed van antwoordzinnen met een herhaling van de vraag, b.v. ‘Wat doet Dirk?’ waarop de toegesprokene: ‘Dirk? Die leest’. Daar ziet men nu nog het ontstaan van het zinnetje: ‘Dirk die leest’. In een zin als: ‘Die arme mensen die zag ik daar’ is dus ‘die arme mensen’ in oorsprong geen vooropgeplaatst voorwerp, al wordt het nu zo gevoeld, doordat er geen pauze volgt, en die minder nadruk krijgt. Dat blijkt ook uit het Duits, waar dit vooropgeplaatste woord in zo'n geval een nominatief-vorm behoudt, b.v. in het door Paul 2) aangehaalde voorbeeld: ‘Ein Eichkranz, ewig jung belaubt, den setzt die Nachwelt ihm aufs Haupt’. In oude geschreven teksten kan men (tenzij bij nauwkeurige fonetische interpunktie) zelden nagaan of het voorafgaande nog door een korte pauze afgescheiden wordt. In een zin als: ‘U oem die clusenare was, hi hevet gedaen so goede carine’ acht ik dat vrij zeker. Waarschijnlijk ook in ‘Jeremias, hem ne wilde niemen doot slaen’. Maar in het reeds aangehaalde ‘Ferguut hi groete seere...’ kan de scheidingslijn al verdwenen zijn. Bij zinnen met een nominaal praedikaat wordt het vooropgestelde subjekt herhalend aangeduid door een pronomen dat, onverschillig of het praedikaat een mannelijk, vrouwelijk, meervoudig substantief of een adjektief is, 3) b.v. bij Ruusbroec: ‘Die 't ghetughe dragen dat sijn die inghele ende die conscientie des menschen. Ende die adversarijs dats die viant van der hellen; ende die rechtere dat is Christus’. Of: ‘Rebecca dat was haer name’. 4) En in hedendaags Nederlands: ‘Die man dat is mijn vriend’. ‘Een schurk dat is hij’. ‘Ziek dat ben ik in lang niet geweest’. Ook hier kan het vooropgaande al of niet door een korte pauze afgescheiden zijn, en dat meer of minder geaccentueerd. Een soortgelijk verschijnsel in het Mnl. - in het hedendaagse Nederlands niet meer bekend 5) - is de invoeging van so na een nadrukkelijk vooropgesteld zinsdeel. 6) Stoett spreekt van een schijnbaar pleonastisch gebruik, dienende om het voorafgaande beter te doen uitkomen, maar geeft geen verklaring van de |
1) t.a.p. blz. 78.
2) Prinz. § 199.
3) Vgl. § 220 slot.
5) Een versteend overblijfsel is de verbinding hierzo, daarzo: ‘Hierzo heb ik het gelegd’.
|
|
oorsprong. Verdam 1) gaat evenals Paul 2) uit van gevallen waarin so nog duidelijk, met enige nadruk, bijwoordelijke bepaling in de zin is, terugslaande op de vooropgeplaatste bepaling, b.v. ‘In deser manieren so quam hi’. Als de zinseenheid ontstaan is, volgt dan b.v. ‘Broot so at hi’. 3) Eerst langzaam heeft de nieuwe konstruktie met die en dat, onder invloed van de renaissance-stijl, voor de strengere zinsbouw zonder de ‘overbodige’ toevoeging, plaats moeten maken. Bij Hooft en Vondel zijn er nog voorbeelden van te vinden, vooral in de oudere periode 4) o.a. ‘De Velser heer, die gaet besluiten’ (Hooft); ‘De doodt die spaert noch soete jeughdt, noch...’; ‘Het vee dat zal hier blijven’ (Vondel). Dat zulke zinnen in de zeventiende-eeuwse kluchten en in volkstaal van populaire schrijvers zeer talrijk zijn, is begrijpelijk. In familiare omgangstaal leven ze nog steeds voort, al worden ze in verzorgde schriftelijke en mondelinge uiting vermeden. In lossere stijl duiken ze weer op, b.v. bij De Genestet (Sint-Nikolaasavond): ‘Die brief, die was zijn post wel waardig’. Algemeen in familiare omgangstaal is de vooropplaatsing van een infinitief of substantief: ‘zwemmen, daar had hij geen zin in’; ‘tennissen, daarvoor was het te warm’, ‘dat mes daar kan je niet mee snijden’; ook met praepositie: ‘Aen het trouwen, daer is te veel aen vast’ (17e eeuw). Daaruit kan zich weer een nieuwe konstruktie, zonder naad en met weglating van daar ontwikkelen: ‘zwemmen had hij geen zin in’, ‘dat mes kan je niet mee snijden’, ‘die melk is een smaakje aan’, en reeds in de 17de eeuw: ‘'t dienen heb je geen zin in’ (Moerkerken blz. 578). 5) In het voorafgaande is dus gebleken dat een oorspronkelijk buiten de zin staande, voorafgaande voorstellingsbenoeming met de zin tot een nieuwe konstruktie kan samensmelten. Dat zal niet licht geschieden, wanneer na een in de zin staande aanduiding van het subjekt, een verduidelijkende benoeming achteraan toegevoegd wordt, b.v. Het is een echt kunstwerk, dat drama. In 't begin van deze paragraaf is dat geval reeds besproken en opgemerkt dat Wunderlich daarin terecht een expositie, een soort korrektie van de spreker ziet. In kultuurtaal ontwikkelt zich de neiging om die expositie te doen voorafgaan, maar als stilistisch middel is de |
1) Mnl. Wdb. VII, 1441.
2) Mhd. Gramm. § 327, die als uitgangspunt een zin neemt als: ‘ane mâzen schoene, sô was ir edel lîp’, waarnaar later: ‘ein marschalc sô was ich genannt’.
3) Daarnaast staat dan in 't Mnl. met dat: ‘Grote miracle dat hi dede’, wellicht uit: ‘dat dede hi’, gekontamineerd met: ‘wast dat hi dede’.
5) Deze in de laatste jaren druk besproken konstruktie, die reeds sedert ± 1500 voorkomt, maar waartegen niet ten onrechte de schoolse grammatika zich verzet, is het laatst behandeld door Hoekema Dr. Bl. 7, 111 vlg. (met nauwkeurige vermelding van de literatuur).
|
|
nadrukkelijke toevoeging onvergankelijk, gelijk Wunderlich met een voorbeeld, aan Goethe ontleend, aantoont. 223 De mededelende zin: de ritmische en melodische vorm.Van groot belang voor de betekenis van de zin is het zinsritme. Door sterker accent wordt op bepaalde delen biezondere aandacht gevestigd. In § 221 wezen wij er op, dat in het zinnetje: ‘Ik zal | morgen | aan je broer |de brief | meegeven’ door verandering van de woordorde, de betekenis gewijzigd kan worden. Maar datzelfde is nog effektiever te bereiken door de woordorde te handhaven en beurtelings de woorden morgen, broer en brief het hoofdaccent te geven. Door ritmische eisen kan de woordschikking van de hoofdzin zich regelen naar een voorafgaande bijzin, in spreekwoorden of spreuken als: ‘Die dan leeft, die dan zorgt’. - ‘Wie goed doet, goed ontmoet’, of oude rechtsregels als: ‘Die eerst komt, die eerst maalt’. - ‘Die 't water deert, die 't water keert’. Wat de intonatie betreft valt in de mededelende zin niet veel biezonders op te merken. Het tempo is meestal rustig. Doordat het gevoel zelden invloed heeft, zal er niet veel verheffing van toon zijn, al is rekening te houden met het temperament van de spreker en de omstandigheden van het gesprek. Het slot van de zin eindigt normaal in de grondtoon, wat bij de interpunktie aangegeven wordt door een punt, of eventueel door een puntkomma. 224 De vragende zin: algemene opmerkingen.Er zijn tweeërlei vraagzinnen te onderscheiden: leemtevragen en twijfelvragen. Beide kunnen het karakter krijgen van een retorische vraag. De eerste worden ingeleid door een vraagwoord (wie, wat, waar, wanneer, hoe enz.). De spreker beschikt over een zekere kennis, maar er is ook een leemte. Hij verzoekt nu de toegesprokene, die leemte aan te vullen. De vraag luidt b.v. ‘Wie heeft de drukkunst uitgevonden?’ Dat die kunst uitgevonden is, weet hij, maar door wie ook weer? Dat vraagt hij dus. 1) Wie vraagt naar personen. Het kan met een voorzetsel verbonden worden (van, aan, voor, met wie). Wat vraagt naar zaken, naar werkingen, hoedanigheden of toestanden: Wat doe je liefst? Wat scheelt er aan? Wat wil je worden? In plaats van de voorzetselbepaling komen dan vragende voornaamwoordelijke bijwoorden: waarom, waarvan, waarmee, waartoe, waarvandaan, |
1) Zie het artikel De vraagzin door Jac. van Alphen, die ook de term ‘leemtevragen’ voorstelde (N. Tg. VIII, 88-95).
|
|
waarheen; met uitzondering van waarom worden deze voornaamwoordelijke bijwoorden in de gesproken taal, tenzij ze alleen staan vaak gescheiden: ‘Waar doe je dat mee?’ ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Waar dient dat toe?’ Het bijvoegelijke vraagwoord welke kan voorafgegaan worden door een voorzetsel: ‘Met welke trein ga je?’ Soms ook komt een voorzetsel voor een bijwoord: ‘Voor hoe lang blijf je daar?’ Bij de tweede soort vragen verkeert de spreker in twijfel en ‘verzoekt de toegesprokene die twijfel op te heffen’, b.v. ‘Vind je dat boek mooi?’ De spreker twijfelt of de ander het boek al of niet mooi vindt, en wil tot zekerheid komen. Het antwoord kan een kort ‘ja’ of ‘nee’ zijn. Dit voorbeeld is de meest direkte vraag, met de tweede persoon als onderwerp. Is de derde persoon onderwerp, dan geldt het een verzoek om inlichting: ‘Komt je broer ook?’ Bij de eerste persoon kan het een verzoek zijn (‘Krijg ik ook thee?’) of een aanbod (‘Zal ik dat voor je doen?’). De verleden tijdsvorm heeft vaak modale betekenis, die door modale bijwoorden versterkt wordt (‘Wou je zo graag eens proeven?’ ‘Zou je mij soms kunnen zeggen ...’) 1) Soms worden in het gesprek bij het antwoord de woorden van de vrager met omgekeerde woordorde herhaald: ‘Waar hij woont? Wèl, in Amsterdam’. 2) De retorische vraag is eigenlijk geen vraag, want de spreker verwacht geen antwoord. Immers dit ligt in de vraag opgesloten. Hij wil de hoorder in spanning brengen en speculeert op de prikkelende werking van de vraag, die meer effekt heeft dan de overeenkomstige bevestigende uitspraak of uiting, b.v. ‘Zou dat niet heerlijk zijn?’ Het woordje niet kan dan door het kontrast versterkend werken: ‘Zitten we hier niet gezellig?’ Omgekeerd wordt om een sterke ontkenning te suggereren een positieve vraag gesteld: ‘Mag ik zo iets ongestraft laten?’ 3) |
1) Vergelijk § 65 en zie Overdiep, t.a.p. § 286, waar ook de aardige opmerking gemaakt wordt, dat bij verzwakking van de vragende toon en zwak accent zie-je, begrijp-je, versta-je eigenlijk geen vragende zinnetjes meer zijn, maar ‘formules’, vaak stopwoorden, die op interjekties beginnen te gelijken.
2) Overdiep (t.a.p. § 289) beschouwt dit ten onrechte als ‘weglating’ van een inleidende hoofdzin (Wou je weten...?). Dit komt dus overeen met wat W. de Vries opmerkte omtrent het ontstaan van de konstruktie: Dirk die leest (§ 222).
3) Vgl. Overdiep, t.a.p. § 288, die nog wijst op de ‘beantwoorde rhetorische vraag’ in het geschreven betoog, en terecht opmerkt dat in het litteraire proza van onze tijd de retorische vraag in onbruik geraakt is, in tegenstelling met de stijl van de romantiek (o.a. bij Potgieter), toen de schrijver in voortdurend kontakt bleef met de lezer.
|
225 De vragende zin: de woordorde.In de eerste soort vraagzinnen kan wie of wat subjekt zijn: de
woordorde is dan dezelfde als in de mededelende zin. Is het vraagwoord objekt of bepaling (A), dan heeft inversie plaats en wordt de vorm dus A Vf S (A). Bij de tweede soort vraagzinnen gaat in de regel de persoonsvorm voorop: Kom je morgen? (Vf S A), maar ook de woordorde van de mededelende zin is mogelijk, als door de vragende toon en de situatie de bedoeling duidelijk blijkt: ‘Je komt toch?’ ‘Hij gaat immers mee?’ 1) Een eigenaardige hybridische vorm van vraagzinnen, in de omgangstaal gewoon, maar in geschreven taal zeldzaam, bestaat uit de aanhef van een bevestigende zin, die plotseling afgebroken wordt door een vraagwoord, omdat men van de hoorder een aanvulling verwacht, b.v. ‘Wij staan aan het begin waarvan?’ (Jan Romein). De ritmische en melodische vorm. Dat evenals bij de mededelende zin de accentuatie van beslissende betekenis is, behoeft nauwelijks opnieuw betoogd te worden. Een aardig voorbeeld, ontleend aan J. van Lennep's Vermakelijke Spraakkunst, geeft J.H. van den Bosch in zijn leerzame ‘Accentoefeningen’. 2) Dezelfde woordenreeks vertegenwoordigt door verschillend accent vijf verschillende zinnen: ‘Ben je een liefhebber van snoek met pieterselie-saus?’ - wil zoveel zeggen als: ‘Is het heus waar, dat je er op gesteld bent?’ - ‘Ben je een liefhebber van snoek met pieterselie-saus?’ is gelijk in betekenis met: ‘Kun je er nog al wat aan doen, als je zo'n schotel voor je hebt staan?’ - ‘Ben je een liefhebber van snoek met pieterselie-saus?’ is gelijk in betekenis met: ‘Eet je liever snoek of andere vis met pieterselie-saus?’ - ‘Ben je een liefhebber van snoek met pieterselie-saus?’ onderstelt de andere vraag: ‘Of had je er (b.v.) liever eiersaus bij gehad?’ - ‘Ben jij een liefhebber van snoek met pieterselie-saus?’ zegt zoveel als: ‘Hoe kan zulk een lekkerbek als waar ik u voor ken, smaak vinden in zulk een alledaagse kost?’ |
1) Overdiep (t.a.p. § 285) meent dat ‘in een zin met de volgorde S Vf de vragende toon moeilijk tot uiting te brengen is’, en dat daarom in de omgangstaal als ‘staartje’ hè toegevoegd wordt: Jij heet Padde, hè? Anders zou ‘de zin meer als een uitroep klinken’. M.i. gaat dit niet geheel op, al werken ook in de bovengenoemde voorbeelden de woordjes toch en immers met de vraagtoon samen.
|
226 De vragende zin: de melodische vorm.Van dit onderwerp heeft Jac. v. Alphen studie gemaakt, door allerlei vraagzinnen benaderend met muzieknoten te illustreren. 3) De stijgende toon van het slot geldt als vast kenmerk, | |
|
maar de gewoonte om dat aan te geven door achter elke vraag in het schrift een vraagteken te plaatsen, is misleidend. Er blijken tal van vragen te zijn met andere intonatie, vaak met dalende toon eindigend. De vraagtoon met stemstijging op het laatste woord is wisselend met de stemming: sterk bij ‘blijde verwondering of tere belangstelling’; minder sterk ‘bij nederig verzoek, verachtelijk toesnauwen of ontmoediging’. De gelijk gebleven toon is niet zeldzaam, o.a. als de twijfel een zwevend gehouden toon veroorzaakt. Voor de dalende toon onderscheidt Van Alphen zes gevallen, o.a. wanneer de vraag van te voren aangekondigd is: ‘De vraag is hier: Wie zal zich daarvoor spannen?’ Deze vraagzin is niet meer tot een bepaalde persoon gericht, en verliest dus het vraag-karakter. Streng ondervragend wordt de vraag feitelijk tot een bevel: ‘Wie heeft dat gedaan?’ of docerend ondervragend: ‘Wat is de hoofdstad van Griekenland?’ Hier is van een ‘leemte’ geen sprake: het vraagteken is in zulke zinnen eigenlijk misplaatst. Duidelijke daling vertoont de alternatieve vraag: Heb ik joú daar gezien of je broer? Ook van vraagzinnen bij lusteloze, onverschillige, wrevelige stemming geeft Van Alphen aardige voorbeelden, maar daarbij zijn er ook die m.i. tot de uitroepende zinnen gerekend kunnen worden, waarbij geen antwoord verwacht wordt, en waarachter Van Alphen dan ook liever een uitroepteken dan een vraagteken plaatst. 1) Ook bij retorische vragen hoort men naast zinnen met toonrijzing andere met dalend accent: verontwaardigd protesterend (‘Waarom zou dat niet kunnen?’) of aansporend en vermanend (‘Waarom doe je dat nu toch?’ ‘Waarom help je mij niet even?’). Ook hier voelt men overgang naar de uitroep of het bevel, met de daarbij passende intonatie. Stutterheim 2) heeft de aandacht gevestigd op persevererende intonaties, waarbij de vraagtoon blijft in de op de vraag volgende hoofdzin; b.v. ‘Hoe is 't Keesje? Gaan de zaken niet goed?’ riep ik hem toe. - ‘En is uw jassie goed genoeg geborsteld?’ vroeg hij verder (Cam. Obsc.). In het Frans zet men dan soms ook een vraagteken; b.v. ‘Crois-tu que ce soit vraiment si grave?’ ne put-elle s'empêcher de demander à son beau-frère? 3) |
1) Zie de voorbeelden N. Tg. VIII, blz. 92 onder No. 4 en 5.
2) N. Tg. XLVI, 129 vlg.
3) Al te radikaal dunkt ons de opvatting van P.C. Paardekooper (blz. 155 vlg.): ‘Er bestaat geen vragende intonatie de traditionele mening is onhoudbaar gebleken’.
|
227 De uitroepende zin: de woordorde.De uitroepende zin vertoont verwantschap met de interjektie, die dan ook vaak als inleiding dient: O, wat ben ik geschrokken!
Hè, dat smaakt heerlijk! Ach, hoe treurig is dat! De interjektie komt spontaan, vaak zonder dat men aan een hoorder denkt; de volgende zin is weliswaar eveneens uiting van gevoel en stemming, maar in woorden, dus verklarend, als verantwoording van de spreker tegenover zich zelf en zijn toehoorders. In veel gevallen zal dat gebeuren in zo kort mogelijke vorm, dus als eenledige zin: O, wat een schrik! Hè, lekker! Ach, een treurig geval! Maar de mededeling kan ook in rustiger toon tot een tweeledige zin aanleiding geven. Lang zal zo'n zin uiteraard niet licht worden. Als inleidend woord treedt vaak het vragende hoe of wat op; de gehele zin krijgt dan een vragende vorm. Vandaar dat ook Overdiep 1) ze rangschikt onder de vragende zinnen, al zet hij er een uitroepteken achter: ‘Wat heb ik je gezegd!’ - ‘Wat zanik je toch altijd!’ waarbij hij de juiste opmerking maakt dat wat ‘bij volkomen verlies van de vragende betekenis in een bijwoord verandert’, en dat hoe in dichterlijke stijl als inleiding van de retorische uitroep dient: ‘Hoe rust het hangend loof der luisterende boomen’ (Poot). - ‘Hoe smelt het bruine licht in 't lichte bruin’ (Perk). Ook de met een werkwoord ingeleide vraagzin-naar-de-vorm kan blijkens de intonatie een uitroepende zin zijn, b.v. ‘Heeft ie daar zóveel mee verdiend!’ - ‘Zo, moest jij dat nou weer vertellen!’ Daarbij uit zich ergernis of ontstemming. 2) Uitroepende zinnen kunnen ook het karakter krijgen van een wens. ‘Was ik maar niet zo ongelukkig!’ - ‘Mocht die ramp nog af te wenden zijn!’ Naar de vorm zijn ze dan vaak elliptisch, b.v. ‘Als ik eens rijk was!’ - ‘O, rijk te zijn!’ waarbij gedacht wordt: wat zou dat heerlijk zijn! Tot die soort behoren ook wenszinnen met een veralgemenend relatief die, waarop Verdenius de aandacht gevestigd heeft 3) , b.v. ‘Die dat eens mocht beleven!’ Dit zinstype is al aan te wijzen in de late M.E. en in de zeventiende eeuw, b.v. bij Vondel: ‘Och die eens weten moght hoe 't met uw' vader waer’.
Opmerking: Herhaaldelijk treft men bij uitroepende zinnen een onlogische ontkenning aan, te vergelijken met de ontkenning bij de retorische vraag (vgl. § 224), b.v. ‘Hoe hard was het leven voor hem niet geweest!’ ‘Wat heb ik al niet beleefd!’ Daarbij is analogie aan het werk geweest met vraagzinnen als: ‘Was het leven voor hem niet hard geweest?’ ‘Heb ik niet veel beleefd?’ |
1) Stil. Gr. § 287; vlg. echter blz. 211, noot, waar hij spreekt van ‘uitroepende zinnen’. Zie voor de verbinding van het uitroepende wat met een § 42.
2) Van Alphen, t.a.p. blz. 92.
3) N. Tg. XXXIV, 357 vlg.
|
|
Uitroepende zinnetjes kunnen ook, het zinsverband onderbrekend, ingelast worden, b.v. ‘Hij heeft - verbeeld je (stel je voor!) - mij dat durven verwijten’. ‘De ongelukkige is - God zij dank! - juist bijtijds gered’. Als men daarvoor in het eerste geval in de plaats zet: notabene!, in het tweede geval Goddank! of Godlof! dan blijkt duidelijk dat zulke zinnetjes verwant zijn met de zogenaamde interjekties, en daarin kunnen overgaan. 1) In omgangstaal bestaat nog een eigenaardig type van uitroepende zinnen, waarop Kruisinga 2) de aandacht gevestigd heeft. Het woord waar het op aan komt (substantief of adjektief) gaat voorop, zonder pauze gevolgd door een zinnetje met dat, dat dus de vorm van een bijzin heeft, b.v. Een pleizier dat we gehad hebben! = Wat hebben we een pleizier gehad! - Lastig dat hij is! = Wat is hij lastig! Een ander type zijn uitroepende zinnen zonder wat, maar meestal met een ‘ethische datief’ van het persoonlijk vnw. van de eerste persoon: ‘Waren me dàt gelukkige dagen! Was me dàt een plezierige tijd!’ (Stijn Streuvels). Ten slotte een type beginnend met een geaccentueerd òf, b.v.: Of hij plezier had! = Wat had hij een plezier! In verkorte vorm, na een vraag: ‘Heeft hij pleizier gehad?’ - ‘En òf!’ Begint een uitroepende zin met een vraagwoord, dan kan de inversie achterwege blijven. Naast: Hoe juichen we allen! komt voor: Hoe we allen juichen! Verkortend is waarschijnlijk een zin als (Nu) ‘Moet u eens horen!’ |
1) Vgl. Overdiep's Zeventiende-eeuwsche Syntaxis § 214: Parenthetische uitroepende of vragende bijzinnen.
2) Het Nederlands van nu, blz. 101.
|
228 De uitroepende zin: de ritmische en melodische vorm.Deze levert evenveel verscheidenheid op als bij de vraagzin. Door het emotionele karakter van deze zinsoort zal de accentuatie over het algemeen krachtig zijn en de intonatie veel groter intervallen vertonen dan bij de mededelende zin. Het uitroepteken is weer een zeer gebrekkig hulpmiddel om bij het lezen de juiste intonatie te treffen. Om dat te bereiken moet de lezer zich geheel inleven in de situatie waar deze zin ontstond en de stemming van degene die de zin in werkelijkheid of in de verbeelding van de auteur gesproken heeft. 229 Nevenschikking van zinnen.Elke reeks van zinnen waarin geregeld verhaald of beschreven wordt, staat natuurlijk in onderling verband. Dat verband behoeft
niet opzettelijk door woorden aangegeven te worden: het kan voldoende uit de inhoud van de zinnen blijken, b.v.: ‘De troepen trokken de stad binnen. Ze vonden de huizen verlaten. De deuren werden opengebroken. De plundering begon. Overal sloegen de vlammen uit.’ Met opzettelijk uitgedrukt verband luidt dit b.v. De troepen trokken de stad binnen. Daar vonden ze de huizen verlaten. Toen werden dus de deuren opengebroken. Vervolgens begon de plundering. Ten gevolge daarvan sloegen weldra overal de vlammen uit. 1) |