73 Karakter en soorten.
Als verbindingswoorden zijn de voegwoorden met de voorzetsels verwant.1) Meestal verbinden ze zinnen, zonder daarvan deel uit te maken, sommige (vooral en en of) doen ook dienst om gelijksoortige zinsdelen te verbinden. Dan staan ze dichter nog bij het voorzetsel (vergelijk b.v. Jan en Piet: Jan met of naast Piet).
Den Hertog maakt de juiste opmerking dat de voegwoorden veel minder belangrijk zijn dan de voorzetsels: de laatste zijn veelal onmisbaar voor het verband; de eerste kunnen ontbreken, omdat het verband tussen de zinnen vaak reeds uitgedrukt wordt door een bestanddeel van de voorafgaande of de volgende zin, of uit de betekenis van de beide zinnen voldoende blijkt.
Voor het nevenschikkend verband hebben wij dus slechts en, noch (aaneenschakelend), maar, doch, of (tegenstellend), want (oorzakelijk).
De onderschikkende voegwoorden, die bijzinnen inleiden, kunnen verdeeld worden in dezelfde rubrieken als die bijzinnen en zullen dus bij de zinsbouw ter sprake komen. Afhankelijke mededelingen in de funkties van onderwerp, voorwerp en bijvoegelijke bepaling, worden ingeluid door dat2); afhankelijke vragen, in dezelfde funkties, door of.
Ter inleiding van bijwoordelijke bijzinnen dienen allerlei voegwoorden, van plaats, tijd, causaliteit, wijze en graad, modaliteit, die in verscheidenheid van vorming weer aan de voorzetsels herinneren, en die in Hoofdstuk V besproken worden.
Een nadrukkelijk correlatief èn-èn, òf-òf dient ter verbinding van zinnen, maar ook van substantieven en adjektieven.