|
|
|
| |
III. Het verbum als kern van een groep.
| |
193 Algemene opmerkingen.
Terwijl de substantief-groep - met inbegrip van de adjektiefen pronomengroep - een dubbele funktie kan vervullen in de zin, namelijk als subjekt en als nominaal-praedikaat, behoort de verbum-groep uitsluitend tot de sfeer van het praedikaat. De samenstelling is velerlei.
Sommige verba, als slapen, zwijgen, sterven, vallen, vertegenwoordigen op zich zelf een volledige voorstelling. Ze kunnen door nadere bepalingen omgeven worden, maar behoeven geen aanvulling.
Daartegenover staan twee andere groepen, waarbij aanvulling wèl noodzakelijk is. Bij de eerste is het werkwoordelijk begrip feitelijk leeg: het krijgt eerst zijn volle betekenis door het daarmee verbonden nomen. Het zijn de ten onrechte ‘copulae’ genaamde werkwoorden zijn en worden, en daarbij aansluitende verba, die in de eerste plaats ter sprake zullen komen.
Bij de tweede doet het werkwoordelijk begrip een aanvulling verwachten, b.v. een objekt bij noemen, slaan, een bepaling van
| | | |
hoeveelheid, bij wegen, kosten (prijs), een bepaling van plaats, bij zich bevinden.1)
Een scherpe grenslijn tussen verba die al of niet aanvulling behoeven, is niet te trekken, doordat het werkwoord een objekt dat er vaak mee verbonden wordt, kan absorberen. Eten gaat dan betekenen: de maaltijd gebruiken, b.v.: ‘Wij eten om zes uur’, spreken: een redevoering houden, drinken: sterke drank drinken, roken: tabak roken, geven: speelkaarten rondgeven (§ 148). Vandaar dat verba als koken, rijden zowel intransitief als transitief gebruikt kunnen worden.
| |
194 Het verbum dat aanvulling behoeft, verbonden met substantief, substantiefgroep of adjektief.
Het substantief of adjektief is aanvulling van een leeg begrip, zodat het verbum eigenlijk niet de kern is, maar het zwaartepunt komt te liggen in het nominale gedeelte, terwijl het verbum persoon, tempus en modus kan uitdrukken. Ze vormen één geheel: de aan de logica ontleende term copula (koppelwerkwoord) is dus onjuist, want een bindmiddel is de verbale vorm niet. Behalve de vanouds als zodanig genoemde werkwoorden: zijn, worden, blijven, schijnen, heten, lijken, blijken (b.v. hij is, wordt, blijft soldaat) komen in aanmerking: betekenen (b.v. dat betekent een groot verlies), uitmaken (dat maakt een groot verschil uit).2)
Even gewoon als substantieven zijn adjektieven (hij is, wordt, blijft ziek) te vergelijken met de adjektieven die in § 201 opnieuw ter sprake zullen komen. Als zodanig komen ook andere adjektivische woorden in aanmerking, b.v. de patiënt is nog lijdende; de deelnemers zijn weinige; er zijn er vele. Evenzo voorzetseluitdrukkingen: hij is in de war, van streek, en een tot adjektief naderend bijwoord: de kachel is uit, de deur is toe.
| |
195 Het transitieve verbum verbonden met een substantief als direkt objekt.
Men spreekt van transitieve verba, als het verbonden substan- | | | | tief een direkt objekt is, dat dus bij omzetting in het passief tot subjekt van de zin kan worden.1)
De betekenis van het substantief is:
| 1o. | Het resultaat van de werking, b.v. brood bakken, een huis bouwen. Onverbrekelijk verbonden met het indirekte objekt zich: hij lacht zich een ongeluk, hij valt zich een breuk. |
| 2o. | Het doel waarop de handeling gericht is, b.v. de hond slaan, een stok breken.
Deze tweeërlei objekten worden soms onderscheiden als inwendig en uitwendig,2) maar er zijn geen scherpe grenzen. Naast brood bakken staat b.v. vis bakken; naast een mand of een mat vlechten: het haar vlechten; naast een boeket binden: de handen binden; naast een stok breken: een tak afbreken, enz. Vergelijk ook, met causaal verband: bloed zweten, zich een roes drinken. |
| 3o. | Datgene wat waargenomen wordt, b.v. de zon zien, een stem horen, pijn voelen.
Opmerking: Werkwoorden als doen, maken, geven kunnen verbleken en zo nauw met het substantief verbonden worden, dat ze gelijk staan met één verbum: een reis doen of maken = reizen; een schreeuw of een gil geven = schreeuwen, gillen; vgl. een einde nemen = eindigen.
|
| 4o. | Een substantief, in afkomst en betekenis met het verbum verwant, wordt er mee verbonden, vaak nader bepaald door een adjektief: een harde strijd strijden, een zoete droom dromen, een gewaagd spel spelen en in Marieken van Nieumeghen (vs. 942): ‘Die so menich suchten om di ghesucht heeft, ende so menich claghen gheclaecht’. Te vergelijken is ook: de heldendood sterven, tranen schreien, ‘een daeu en frisschen geur ademen’ (Vondel). Soms met een possessief: zijn gang gaan, zijn slag slaan.3) |
| 5o. | Bij sommige aanvulling-behoevende verba komt naast het substantief als objekt een tweede substantief als praedikatief attribuut4), dat altijd op de tweede plaats komt te staan. Vgl. ‘Hij noemt (vindt) Napoleon een groot veldheer’ en ‘Hij noemt een groot veldheer een Napoleon’. Wel kan het praedikatief attribuut vooropgeplaatst worden, b.v.
|
| | | |
|
‘Verraders noemt men hier studiosi die naar d'Oost gaan’ (De Genestet). |
| 6o. | Als het verbum vergezeld is van een infinitief, en daarbij twee objekten mogelijk zijn, dan kan daaruit een konstruktie ontstaan, die verwant is met de Latijnse accusativus cum infinitivo.1) Men kan zeggen: ‘ik hoor de jongen zingen’ en ‘ik hoor een liedje zingen’, zinnen die samensmelten tot: ‘ik hoor de jongen een liedje zingen’, waarbij bij het werkwoord ‘zingen’, ‘de jongen’ als subjekt, ‘een liedje’ als objekt gevoeld wordt. |
In het Middelnederlands onderscheiden zich de substantieven in de bovengenoemde gevallen door flexie. Meestal is het dan een accusatief, die in de schrijfwijze, ook in biezonder taalgebruik tot op onze tijd voortbestond, maar er komen ook partitieve genitieven voor, b.v.. des honechs eten, des waters drinken, der graciën smaken, des bloets lapen2) en soms ook datieven, waar men een accusatief zou verwachten.3)
| |
196 Het verbum dat geen aanvulling behoeft, verbonden met een substantief als bepaling.
B.v. als plaatsbepaling: hij loopt de kortste weg, gaat zijn eigen weg, spoort honderd kilometer. Niet op één lijn daarmee staat een jongere konstruktie, door taalspaarzaamheid ontstaan, met onderdrukking van het voorzetsel: hij woont Oude Gracht No. 10.4)
In een oudere periode wordt de verhouding van het substantief tot het verbum uitgedrukt door flexie: het is b.v. in het Middelnederlands een genitief: sijns weghes, siere straten, siere verde gaen of varen5), in versteende vorm in zijns weegs gaan. Soms ook een accusatief, al heeft die reeds toen in de meeste gevallen moeten wijken voor een ongeflekteerd substantief.6)
Het verbum kan verbonden worden met een substantief als tijdbepaling, b.v. Deze nacht regende het. In het Middelnederlands treft men dan veelal een accusatief aan, b.v. Enen sekeren nacht quam ...; den herfst enten winter mede. Daarnaast kwamen genitieven voor, die als smorgens, savonds, snachts, swinters in versteende vorm algemeen gebruikelijk gebleven zijn, maar die als adverbia en niet als substantieven met lidwoord gevoeld wor- | | | | den. De voorafgaande s is geen buigingsvorm en een jongere toevoeging onder invloed van de slot-s, dus te vergelijken met buitenshuis (vgl. § 128).
Het verbum kan verbonden worden met de naam van het voorwerp dat bij de handeling of werking dienst doet:
B.v. piano-, viool spelen, kaart spelen, schaatsen rijden (vgl. ook paard rijden), schuitje varen, zak lopen. Voor een groot deel zijn ze op weg om samenstellingen te worden, of worden ze reeds als een geheel beschouwd en dus aaneengeschreven. Dat ze uit oude praepositie-bepalingen ontstaan kunnen zijn, blijkt b.v. uit de oude datief in scheep-gaan (= te schepe gaan); vgl. school gaan, pal staan, stuk slaan, stuk breken.1)
| |
197 Het verbum verbonden met een substantief of persoonlijk voornaamwoord als indirekt objekt.
In tegenstelling met het direkte (‘lijdende’) objekt staat dit objekt, bijna zonder uitzondering een levend wezen, in zijdelingse betrekking tot de handeling of werking, waaraan het min of meer aandeel neemt. Een volledige definitie blijft bezwaarlijk, evenals de keuze van een Nederlandse term. Men heeft voorgesteld ‘zelfhandelend’, ‘zelfwerkend’, ‘belanghebbend’, ‘meewerkend’. Met Sweet (§ 132) geven wij de voorkeur aan de vagere benaming ‘indirekt’.2)
In hedendaags Nederlands onderscheidt zich dit indirekte voorwerp niet meer door een eigen casus (datief), gelijk in het Duits en in het volgens oude grammatika's gespeld Nederlands, afgezien van een archaïstisch gekleurd letterkundig of dichterlijk taalgebruik, waar de uitgangen ook als klank bedoeld kunnen zijn. Af te keuren is het quasi-deftige gebruik - als ‘dativitis’ bestempeld - waarmee sommige journalisten zich trachten te onderscheiden, b.v. ‘Der zangeres - of: den dames! - werden bloemen aangeboden’. - ‘Wij hebben der drukkerij opdracht gegeven’ e.d.3)
| | | |
De rubrieken die Stoett (§ 180) onderscheidde voor verba met een indirekt objekt in de datief komen vrijwel overeen met die in het hedendaagse Duits1), namelijk de begrippen: 1o. (iemand iets) geven of nemen; 2o. (iemand iets) mededelen; 3o. (iemand iets) gebieden, weigeren, veroorloven. Opmerkelijk is nu, dat bij de daarbij behorende werkwoorden: (iemand) gehoorzamen, vertrouwen, waarbij een direkt objekt ontbreekt, het oorspronkelijke datief-objekt overgaat in een direkt objekt bij het transitief geworden werkwoord, zodat de passieve konstruktie: ‘ik word gehoorzaamd, vertrouwd’ mogelijk wordt.
Hetzelfde doet zich voor bij een vierde rubriek van verba, die betrekking hebben op verhoudingen in de ruimte, als naderen, volgen, bijstaan, ontwijken e.d.
De deflexie bij het oude datief- en accusatief-objekt heeft de duidelijkheid niet geschaad. In het zinsverband is misverstaan vrijwel onmogelijk, vooral omdat het eerste een persoonsnaam is. Maar bovendien werkt de woordorde mee: het indirekt objekt gaat voorop: ‘Ik geef mijn broer toestemming’ of: ‘Mijn broer geef ik toestemming’, maar niet, zoals in het Duits mogelijk is: ‘Ik geef toestemming mijn broer’: in dat geval is alleen de voorzetsel-bepaling: ‘aan mijn broer’ mogelijk.2)
Doordat bij het persoonlijk voornaamwoord maar één objektvorm bestaat, is het begrijpelijk - zoals reeds opgemerkt werd - dat bij ‘men gehoorzaamt mij’ de passieve konstruktie: ‘ik word gehoorzaamd’ in gebruik gekomen is. Minder voor de hand liggend is, dat dit soms ook voorkomt, als daarnaast een substantief, aanvankelijk direkt objekt, gehandhaafd wordt. In het Engels is zulk een passieve konstruktie ingeburgerd, b.v. ‘I was shown the city’; in het Nederlands hoort men b.v. ‘ik werd de maat genomen’, waarbij ‘de maat-nemen’ nog als een soort samenstelling beschouwd kan zijn. Maar, vooral in de Noordelijke provincies, wordt ook gezegd: ‘hij wordt de reiskosten vergoed’; ‘hij wordt de deur opengedaan’; ‘zij mogen geen voedsel geweigerd worden’; ‘de kinderen worden geen kwaad gedaan’. Veel Nederlanders verwerpen zulke zinnen nog als inkorrekt, maar het zou zeer goed mogelijk zijn dat dit gebruik, evenals in het Engels en het Zweeds, veld wint.3)
| | | |
Bij Vondel trof ik reeds een voorbeeld aan van deze konstruktie, waarbij hij het rechtstreekse objekt van de aktieve konstruktie in de accusatief laat staan: ‘Joseph wert den veelverwigen rock uitgetrocken’ (Inhoudt van Jos. in Dothan). Evenzo leest men nu soms: ‘Zijn plan werd den bodem ingeslagen’.
| |
198 Het verbum verbonden met een substantief door middel van een praepositie.
Hierbij zijn verschillende groepen te onderscheiden:
a. Het verbum is leeg van inhoud: in de war zijn, tot spot worden, tot steun strekken, in staat zijn. Vooral in het laatste geval nadert de verbinding tot samenstelling.
b. Het verbum behoeft aanvulling, b.v. zijn = zich bevinden: in gevaar zijn, zich in de stad bevinden. Verder: aan 't werk, op de loop gaan, te gelde maken, van streek raken, te weeg brengen, ten val komen, tot stand komen. Ook hier voelt men in de laatste voorbeelden weer samensmelting tot één begrip.
Bij een groot aantal werkwoorden behoort een konstant voorzetsel, b.v. hopen op, vertrouwen op, denken aan, vragen om, bevrijden van, zich ontfermen over, enz.1)
Voor een deel komen deze overeen met de oude genitief-objekten. Hiervóór (§ 189) is er reeds op gewezen, dat de naam ‘oorzakelijk voorwerp’ in verschillende grammatika's voor deze soort bepalingen gebruikt, onverdedigbaar is.2)
Wanneer men in het oog houdt dat het voorzetsel nauw verbonden is met het werkwoord, dan zou men het volgende substantief ook als objekt kunnen beschouwen. Schrijven over staat dan gelijk met beschrijven; houden van = beminnen.3)
c. Het verbum behoeft geen aanvulling, maar wordt nader bepaald door verbinding met een substantief, waarbij de verhouding tot de handeling of werking aangegeven wordt door een grote verscheidenheid van praeposities: bepalingen van plaats, tijd, wijze, oorzaak, middel, enz. Sommige daarvan zijn in de plaats gekomen van vroegere casus. Verbindingen met aan (iets geven aan iemand) staan in betekenis gelijk met een vroegere datief (§ 72).
Opmerking: Zie voor de splitsing van substantief en praepositie in een zin als: ‘die melk is een smaakje aan’ § 222.
| | | |
| |
199 Het verbum rechtstreeks verbonden met een infinitief.
Op allerlei wijzen kan een vervoegd werkwoord met een infinitief verbonden worden. Het meest gewone geval is dat van de hulpwerkwoorden, die in § 49 opgesomd zijn. Maar ook tal van andere werkwoorden komen in aanmerking, als willen (ik wil gaan), durven (ik durf beweren), zien (ik zie naderen), horen (ik hoor zingen), gaan (ik ga u zeggen), komen (ik kom mij beklagen), blijven (ik blijf zitten).
Opmerkelijk is dat vooral in de verleden tijd een tweede infinitief gebruikt kan worden: ik zou willen gaan, ik zal kunnen komen, ik heb durven beweren, enz. Dientengevolge is het mogelijk dat een reeks van drie of vier infinitieven ontstaat. Ongedwongen klinkt nog b.v. Hij zou het hebben kunnen laten liggen. Men heeft zelfs verbindingen van vijf infinitieven samengesteld, maar die gaan - hoewel niet onmogelijk - toch onnatuurlijk klinken.1)
| |
200 Het verbum door middel van een praepositie (meestal te of om te) verbonden met een infinitief.
Daarbij doen zich verschillende gevallen voor: het verbum kan leeg van begrip zijn: dat staat te bezien; dat is nog te doen; hij komt te overlijden.2). Duratief is: hij zit te lezen,3) hij staat te wachten. Inchoatief: hij komt te vallen. Daarnaast, met volle betekenis van het vervoegde verbum: hij tracht zich te beperken, het begint te regenen, hij verlangt te komen, vreest te vallen, vertrouwt te zullen slagen, hij hoopt te zullen komen.
De infinitieven met om te kunnen onderscheiden funkties hebben, vooral om het doel uit te drukken (hij spant zich in om te slagen), maar soms ook een gevolg (hij keek mij aan om er bang van te worden) en merkwaardigerwijze ook om een nieuw feit te vermelden (hij ging heen om nooit terug te keren = en hij keerde nooit terug).4) Hier wordt dus geen causaal, maar een
| | | |
tijdelijk-opvolgend verband bedoeld. Indien dit aanleiding kan geven tot misverstand (b.v. Hij aanvaardde een tijdelijke betrekking om later in vaste dienst over te gaan), dan wordt dit, uit stilistisch oogpunt, terecht afgekeurd.
Doordat de infinitief weer vergezeld kan gaan door objekten of voorzetsel-bepalingen, kwam men er toe zulke uitgebreide verbindingen te beschouwen als ‘beknopte zinnen’,1) maar er is geen onderscheid van samenstelling tussen een zin als: ‘Hij ging uit om te vangen’ en ‘Hij ging uit om met de hengel vis te vangen’.
Minder gewoon zijn andere praeposities, b.v. hij bedriegt ons door zo te handelen (= door zulk een handeling); hij maakt zich verdienstelijk met dat te doen (= met die daad).2)
Opmerking: Ook een gesubstantiveerde infinitief met aan kan met een werkwoord verbonden worden, b.v. aan het huilen gaan.
| |
201 Het verbum verbonden met een adjektief.
In § 194 is reeds de verbinding besproken waarbij het adjektief een noodzakelijke aanvulling is, b.v. ziek zijn, dood gaan, groot worden, los raken. De verbinding wordt vaak reeds als één begrip gevoeld (dood gaan = sterven). Daarnaast staan de volgende mogelijkheden.
a) De aanvulling is niet noodzakelijk: arm sterven, moe neerzinken, gezond leven.
b) Het adjektief behoort niet alleen bij de infinitief, maar heeft ook betrekking op een reflexief pronomen als objekt: zich ziek maken, zich moe wandelen, zich dood werken.
c) Het adjektief staat in duidelijke betrekking tot het begrip van het werkwoord en zou dus ook adverbium genoemd kunnen worden, b.v. rustig slapen. De persoon is rustig, maar ook het slapen is rustig. Nu er in het hedendaagse Nederlands geen vormverschil meer is tussen adjektief en adverbium (het spellingsverschil tussen linksch en links is vervallen!) is er geen aanleiding om een scherpe scheiding te maken. Men zou in dit geval desnoods van adverbiale adjektieven kunnen spreken. N. van Wijk ging verder, door ook ziek in ‘Hij is ziek’ wegens de onverbuigbaarheid, adverbium te noemen.
d) Het adjektief is praedikatief-attribuut: een slaaf vrij verklaren, een kleed geel verven, koffie warm maken. Het laatste voorbeeld (= verwarmen) vormt weer de overgang naar echte samenstellingen als: liefhebben.
| | | |
e) Het adjektief wordt verbonden met een voorzetsel: ‘hij geldt voor rijk’, of met het bindwoord als: ‘hij stond als versuft’.
| |
202 Het verbum verbonden met een participium praesentis.
In hedendaags Nederlands komt dit nog voor bij ‘lege’ werkwoorden: zij is lijdende, beterende; hij is nog doende (= bezig); wat is er gaande? De betekenis is duratief. In het Middelnederlands was deze verbinding veel gewoner: levende sijn, begerende sijn; hi wart jaghende, enz. In de zestiende eeuw is het een bekende en geliefde omschrijving in rederijkerstaal.
| |
203 Het verbum verbonden met een participium praeteriti.
De gesneuvelden liggen begraven; het artikel raakt uitverkocht, de jongen kwam aangelopen. Reeds in het Mnl.: ‘Men brochte den sieke gedraghen’ (Stoett § 263).
| |
204 Het verbum verbonden met een adverbium.
a. Het adverbium kan de handeling of de werking op allerlei wijzen nader bepalen, b.v. de plaats of richting: hier blijven, rechts afslaan; de tijd: nu heengaan, laat opstaan; de wijze: hard werken, zo handelen; de graad: zeer meevallen, tamelijk opschieten, enz.
b. Verba met voornaamwoordelijke bijwoorden (b.v. zich hierover schamen, zich ergens mee bezighouden) zijn te vergelijken met verbinding door voorzetselbepalingen. Oudtijds kwam in die funktie ook de genitief van het pronomen voor, b.v. bij Vondel: zich des schamen, en nog bij Staring: zich des kreunen.
c. Het adverbium dient als vulling van een ‘leeg’ werkwoord, en vervult dan dezelfde rol als het boven besproken adjektief (§ 201),1) b.v. De kachel is uit; de deur is toe; het boek is uit; hij is helemaal op; hij heeft niets aan; de zaak staat anders.
Opmerking: Soms is dat adverbium, in versteende vorm, ontstaan uit een oude absolute genitief, b.v. langzamerhand vorderen. gewapenderhand optreden, barrevoets lopen (§ 242).
| |
205 Onscheidbare verbinding van een verbum met een op zich zelf zinloze voornaamwoordelijk-adverbiale groep, of met het als schijnbare bepaling.
B.v. er van door gaan, er van langs krijgen, iemand er tussen nemen. Zulke verbindingen kunnen ontstaan zijn naar analogie
| | | |
van andere, waarbij het voornaamwoordelijk bijwoord nog zin kan hebben, b.v. er op los gaan, nl. op de tegenstander, de vijand.
Verbindingen met het zijn o.a. het koud hebben, het te kwaad hebben, het goed maken, het ver brengen. Bij het er op toe leggen. het verstandig aanleggen kan men nog aan een objekt denken.
| |
206 Het verbum verbonden met een adverbiale bepaling in zinsvorm.
Van dit verschijnsel, eigen aan lossere stijl, bevat de volgende zin (uit Daisne: Trap van steen en wolken) een voorbeeld: ‘De lente, dat ontastbaar kleine tijdje dat men-weet-nooit-goed-wanneer eindigt.’ Gewoon is: ‘Ik wou dat je ik-weet-niet-waar zat’.
|
1)Wanneer men, met Den Hertog (§ 15) al wat ‘noodzakelijk is ter completeering van het door het gezegde uitgedrukte begrip’ voorwerp wil noemen, maar de laatstgenoemde bepalingen daarvan uitsluit, dan begaat men een inkonsekwentie, die alleen begrijpelijk is als men bij ‘voorwerpen’ historisch denkt aan accusatief-, datief- en genitief-objekten. Vgl. R.A. Kollewijn's artikel Voorwerpen in Taal en Letteren IX en hiervóór § 189.
2)Vgl. nog: dat staat te bezien; dat valt moeielijk; hij zit verlegen. In ouder Nederlands was het aantal van zulke werkwoorden groter, b.v. het bij Vondel gebruikelijke (ver)strecken. Stoett (§ 150) noemt voor het Middelnederlands: becomen (vgl. Eng. to become), bediën, becliven. Het Mnl. bliven staat gelijk met worden, b.v. verloren bliven, doot bliven, te niete bliven. Vgl. ‘Ende bleef coninginne rike’ = en werd een machtige koningin. Over het verband van funktie en accent te dezen schreef Ostendorf N. Tg. XLVI, 274 vlg.
1)Zie voor de geschiedenis van de terminologie en de niet altijd elkaar dekkende definities van de begrippen transitief en intransitief Lars Hermodson: Reflexive und Intransitive Verba (1952), blz. 51 vlg.
2)Nl. bij Paul D. Gr. III § 201: ‘inneres’ en ‘äuszeres Objekt’, maar ook daar wordt op de overgangen gewezen.
3)Vgl. Van der Veen § 199, die bij Bredero een voorbeeld geeft uit de volkstaal: ‘Daer heb ik ien gangetje egaen’. Paul D. Gr. III § 199 spreekt in deze gevallen van ‘Akkusativ des Inhalts’.
4)Bij Sweet (§ 267) vindt men daarvoor de juiste term ‘object-complement’. Paul ( D. Gr. III § 208) spreekt van ‘Doppelter Akkusativ’.
2)Stoett § 167; vgl. Paul D. Gr. III § 246.
3)Zie talrijke voorbeelden bij Stoett § 180 VII, maar vooral § 182.
4)Bij Sütterlin (§ 281) met de vorige vereenzelvigd: ‘Er wohnt Rheinstrasze’. Paul ( D. Gr. III § 277) vergelijkt dit terecht met tijdbepalingen als: begin Mei, einde Oktober.
6)In de voorbeelden die Stoett (§ 198) opsomt, vindt men maar één accusatief: ‘enen groten voet’. Paul ( D. Gr. III § 195) wijst er op, dat de accusatief hier een oude funktie vervulde, nl. aanduiding van ‘Erstreckung über einen Raum’.
2)Paul ( D. Gr. III § 190) spreekt van verba die ‘nach zwei Seiten ergänzungsbedürftig sind’, maar dat gaat niet altijd op: men kan ook iets geven, iets mededelen, zonder een persoon te noemen. Eigenaardig is in dit opzicht het w.w. onderwijzen: men kan iemand onderwijzen en iets onderwijzen, waarbij weliswaar de beide ww. onderwijzen niet synoniem zijn. In beide gevallen is er een rechtstreeks objekt: een leerling kan onderwezen worden en een vak wordt onderwezen. In het Duits had lehren dan ook oudtijds twee accusatieven (Paul D. Gr. III § 207), evenals het Latijnse docere.
3)Zulke onnatuur leidt onvermijdelijk tot taalfouten als: ‘Wat den burgemeesters betreft...’ - ‘Het heeft talrijke n Vlamingen gegriefd...’ - ‘Een Hetze die den Bolsjewiki zou stijven’ e.d. Zie N. Tg. XXIV, 218 en XXV, 100.
2)Wanneer Vondel in het bekende vers: ‘Benij uw zoon den hemel niet’ van deze regel afwijkt, dan brengt hij de lezer in onzekerheid, totdat uit het vervolg de bedoeling blijkt, nl. dat uw zoon direkt objekt is. Het indirekte objekt kan alleen volgen, wanneer het direkte objekt ( het) een zwak geaccentueerd vnw. is: ik geef het hem.
3)Deze evolutie is het eerst ter sprake gebracht door J. Kooistra, op grond van Groningse waarnemingen ( N. Tg. XIII), die bestrijding uitlokte van W. de Vries (eveneens in N. Tg. XIII; en in Ts. XXIX), die denkt aan mislukkingen of anglicismen. Daarna wees Erik Wellander op hetzelfde verschijnsel in het Zweeds ( N. Tg. XIV), waar het opkomend gebruik ook op tegenstand stuit. Deze auteur waarschuwt tegen profetieën, naar aanleiding van dit verschijnsel.
1)Vgl. ook Stoett § 167 II-IX.
2)Niet alleen omdat telkens geen ‘oorzaak’ aan te wijzen is, maar ook omdat niet alle genitief-objekten later als aequivalent een konstant-voorzetsel-bepaling kregen. Bij ontberen b.v. behoort nu een direkt objekt.
3)Zie Buiskool: N. Tg. XXX, 143.
1)Alle mogelijkheden van een Dubbele werkwoordgroep zijn uitvoerig onderzocht en gerubriceerd in een artikel van A.E. Meeussen en V.F. Vanacker ( N. Tg. XLIV). Zij maakten vier groepen: met deelwoord( groep), met infinitief(groep), met te + infinitiefgroep, met voorzetsel + infinitief, gezamenlijk in elf paragrafen verdeeld, waarbij de bestanddelen, hun plaats en de verbindingsmogelijkheden nagegaan worden. Aan dit artikel ontleenden wij enige voorbeelden en aanvullingen.
2)Vgl. § 180; 190 over dergelijke verbindingen met een substantief en adjektief.
3)In oudere tijd met gekoppelde verba: hij zit en leest. Zo nog algemeen in 't Afrikaans; b.v. Hy sit en lees; zelfs: Ma lê heelnag en wakkerlê.
4)Uitvoerig zijn al die mogelijkheden besproken door Overdiep, die trouwens het gehele onderwerp van deze en de vorige paragraaf in den brede behandeld heeft ( Stil. Gramm. § 204-212, 213-218). Vergelijk ook de uitvoerige bladzijden 297-302 in de Nederlandse Spraakkunst van J. van Mierlo.
1)Zie de behandeling in § 231.
2)Het Zuid-Nederlands (Brabants) kent een andere woordorde in een zin als: door het Duitse probleem helpen op te lossen = Noord-Nederlands: te helpen oplossen.
1)Dat blijkt ten overvloede uit de tot verbogen adjektieven geworden adverbia: de nabije zon enz. (§ 25).
|
|