Alle de gedichten. Deel 1


auteur: Jan Vos


bron: Jan Vos, Alle de gedichten van den Poëet Jan Vos. Jacob Lescailje, Amsterdam 1662.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]origineel

Aran en Titus, of Wraak en Weerwraak: Treurspel.

Den zesten Druk, op nieuw overzien en verbetert.

[p. 6]origineel

Opdraght Aan d'Erentfeste en hooghgeleerde Heer Kaspar van Baarle, Professor der Filosofije in de doorluchtige Schole der vermaarde koopstadt Amsterdam.

DOORLUCHTIGE MAN,

Wy noemen Uw'E. door de mond van alle gezonde oordelen, met de bynaam van Doorluchtigh, zelf met de Poëet

 
Die als een Sophokles t'Atheen,
 
Gehooft met hooghgekurkte laarzen,
 
Op 't Duitsche Treurtooneelkomt treên;
 
Daar d'Echo van zijn goude vaarzen
 
Het hardste hart zoo murruw maakt,
 
Dat 't oogh een beek van tranen braakt.

Met dien hoogdravende Poëet, daar hy zeit:

 
Doorluchtige van Baerle,
 
Ghy kostelijke paerle,
 
Aen Amstels Wapenkroon.

Wy offeren op 't autaar van Uw'E. onpartijdige oordeel, onze eersteling ARAN en TITUS, of Wraak en Weerwraak, onze misgeboorte, of, om recht te noemen, onze wanschepsel, bezwachtelt met de zoo ware als oude spreuk:

Wacht u voor de geen die van Godt geteekent is.

op hoop, dat onze schrikdier d'oogen van Uw'E. verstand, zoo verschrikken en mishagen zal, dat gy het de stralen uwer gunst zult wei-

[p. 7]origineel

geren, en zoo 't Uw'E. zoo mishaagt, zoo zullen wy, door zulk een mishagen, ons niet meer met het ranke en roerelooze schip van onze vermetelheid, in de grondelooze zee der heilige Poëzyen begeven; om niet door de bulderende stormen der lasteraren, in de gevaarlijke klippen der algemene oordelen te vervallen: want zoo onmogelijk als 't een Vorst al de werelt wel te beheerschen is, ja zoo onmogelijk als de Natuur een berg zonder dal kan maken, zoo, en noch onmogelijker, is 't een pen alle oordelen te behagen. Maar ik twijffel aan Uw'E. mishagen, overmits de grootste verstanden vaak de nieusgierigste van oogen zijn, en by wijlen staren op schepselen, die Natuur de gevoegelijke maat der ledematen, en juiste hoogselen en diepselen van hare vormen, heeft geweigert; 't zy dat zy 'er iet wonders, of de volmaakte ommetrek van hunne eigen leest in speuren; want de zon blinkt nooit klaarder dan in de omhelzinge der wolken: diesgelijk is de volmaaktheid nooit volmaakter dan in de verzellinge der mismaakte. 't zy hierom, often minsten om de geesten uit te spannen, als de herssenen afgeslooft zijn, van de hoogte der Hemelen te meten, de diepten der Zeên te peilen, de Aardbodem te omvademen, de Natuur te ontleden van bezielde en onbezielde dingen, de Poëzy, het goddeliikste van alle, op vaste voeten te zetten. Heeft Uw'E. zoodanigen mishagen,

 
Zoo acht ons eersteling 't getal der lastermonden,
 
Als d'ongenaakbre Maan het bassen van de honden.

Doorluchtige Man, ontfang onze wanschepsel op zulk een wijs alsze Uw'E. geoffert word: zoo blijf ik Uwer E. alleronderdanighste leerling

 

Jan Vos.

 

In Amsterdam, den 27 van Wijnmaand, 1641.