Toneelwerken


auteur: Jan Vos


bron: Jan Vos, Toneelwerken. (editie W.J.C. Buitendijk). Van Gorcum, Assen / Amsterdam 1975


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 99]

Aran en Titvs, of Wraak en Weerwraak: Treurspel van Jan Vos.

Den zesten Druk, op nieuws door den Autheur overzien, en in vele plaatsen verbetert.
t'Amsterdam,
By Jacob Lescaille, Boekverkooper op den Middeldam, naast de Vismarkt, in 't jaar 1661.



illustratie

[p. 101]

AAN DE LIEFHEBBERS.

 

Dewijl dit Treurspel van eenige baatzoekende menschen, buiten kennisse van de Poëet, zeer slordig en vol misslagen nagedrukt is, en noch mocht nagedrukt werden, tot nadeel van anderen, wert een yder gewaarschuwt, dat d'Autheur geen exemplaren voor de zijne kent, dan die by Iacob Lescaille gedrukt zijn.

+
[p. 103]

OPDRAGHT
Aan d'Erentfeste en hooghgeleerde Heer
KASPAR van BAARLE,
Professor der Filosofije in de doorluchtige
Schole der vermaarde koopstadt
AMSTERDAM.+

DOORLUCHTIGE MAN,

1Wy noemen Uw'E. door de mond van alle gezonde oordelen, met de bynaam1 2van Doorluchtigh, zelf met de Poëet2

 
Die als een Sophokles t' Atheen,3-83
 
Gehoost met hooghgekurkte laarzen,4
5
Op 't Duitsche Treurtooneel komt treên;5
 
Daar d'Echo van zyn goude vaarzen6
 
Het hardste hart zoo murruw maakt,
 
Dat 't oogh een beek van tranen braakt.8

9Met dien hooghdravenden Poëet, daar hy zeit:9

[p. 104]
10
Doorluchtige van Baerle,10-12
 
Ghy kostelijke paerle,11
 
Aen Amstels Wapenkroon.

13 Wy offeren op 't autaar van Uw' E. onpartijdige oordeel, onze eersteling1313-15 14 ARAN en TITUS, of Wraak en Weerwraak, onze misgeboorte, of, om 15 recht te noemen, onze wanschepsel, bezwachtelt met de zoo ware als oude15 16 spreuk:

 
Wacht u voor de geen die van Godt getekent is.17

18 op hoop, dat onze schrikdier d'oogen van Uw' E. verstand, zoo verschrikken18 19 en mishagen zal, dat gy het de stralen uwer gunst zult weigeren, en zoo 't 20 Uw' E. zoo mishaagt, zoo zullen wy, door zulk een mishagen, ons niet meer 21 met het ranke en roerelooze schip van onze vermetelheid, in de grondelooze21 22 zee der heilige Poëzijen begeven; om niet, door de bulderende stormen der 23 lasteraren, in de gevaarlijke klippen der algemene oordelen te vervallen: want23 24 zoo onmogelijk als 't een Vorst al de werelt wel te beheerschen is, ja zoo on-24 25 mogelijk als de Natuur een berg zonder dal kan maken, zo, en noch onmoge- 26 lijker, is 't een pen alle oordelen te behagen. Maar ik twijffel aan Uw' E. mis-26 27 hagen, overmits de grootste verstanden vaak de nieusgierigste van oogen zijn,27 28 en by wijlen staren op schepselen, die Natuur de gevoegelijke maat der lede-28 29 maten, en juiste hoogselen en diepselen van hare vormen, heeft geweigert;29 30 'tzy dat zy 'er iet wonders, of de volmaakte ommetrek van hunne eigen leest30

[p. 105]

31 in speuren; want de zon blinkt nooit klaarder dan in de omhelzinge der wol- 32 ken: dies gelijk is de volmaaktheid nooit volmaakter dan in de verzellinge der32 33 mismaakte. 'tzy hierom, of ten minsten om de geesten uit te spannen, als de33 34 herssenen afgeslooft zijn, van de hoogte der Hemelen te meten, de diepten der 35 Zeên te peilen, de Aardbodem te omvademen, de Natuur te ontleden van35 36 bezielde en onbezielde dingen, de Poëzy, het goddelijkste van alle, op vaste36 37 voeten te zetten. Heeft Uw'E. zoodanigen mishagen,

 
Zoo acht ons eersteling 't getal der lastermonden,
 
Als d'ongenaakbre Maan het bassen van de honden.

39 Doorluchtige Man, ontfang onze wanschepsel op zulk een wijs alsze Uw' E. 40 geoffert word: zoo blijf ik

 

Uwer E. alleronderdanighste leerling,

 

In Amsterdam, den 27 van VVijnmaand, 1641.

 

JAN VOS.

[p. 106]
Op het dichten van
JAN VOS Glazemaker.*
 
De Glazemakers handt,
 
Die jonge lauren plant,
 
Aen Amstels glaze plassen,3
 
Die t'zijner on-dood wassen:4
5
Is dichtend', zoo zy was5
 
In 't dichten van 't Gelas.6
 
Dicht en doorluchtigh waeren,7
 
Haar ambachts eerste waeren:8
 
Doorluchtigh, dicht en fijn9
10
En spiegel-glazigh zijn10
 
Haer onvoorziensche dichten:11
 
Zy spiegelen, zy lichten,
 
Zy strecken voor een bril.13
 
Men dichte zoo men wil,
15
My dunckt het beste dicht is,15
 
Dat helder, fijn, en dicht is.16
 
 
 
Constanter.
[p. 107]
Op het hooghdravend Treurspel van
JAN DE VOS Glazemaker.
 
Siet hier de kunst op 't hooghst, de Schouburgh op zijn top,
 
Het Treurspel op zijn wreedst, de wraeklust vol van krop.2
 
Noyt daverd het aeloud tooneel met meer gespooks,3
 
Noyt sachmen by de Griek meer bloedgespat noch rooks.
5
Orestes houd u mond. Andronikus die raest,
 
En dubbelt wee op wee, en wraek op wraek, verbaest.6
 
Medea stilt u toorn, laet Thamera vol gals,7
 
Uytbulderen voor 't volk, en liegen door haer hals.8
 
Boosdadigh Pelops huys, zwijght van u moordery,9
10
Nu Aran hoopt op een en torst zijn schelmery.
 
Waer wasser oyt een disch gesteurt met meer geraes?11
 
Dan daer de kinders zijn haers moeders laetste aes.12
 
Cassandra wort geschent in Roselijns gewaet,13
 
Geknot van tong en handt en eer, door 's Moors verraet.
15
Hier klaeght d'Onnozelheyt. hier dolt een Hercules.15
 
Hier krijght de Strengheyt en Barmhartigheyt haer les.16
 
Hier strijt de Kaizars kroon met d'ongetoomde min.
 
Hier kijft de oorlooghs mond met 't geestlijk hofgezin.18
 
Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest.
20
De Schouburg wort verzet, en schoeyt op hooger leest.20
 
Rijst Sophocles weer op? stampt AEschylus weer hier?21
 
Of maekt Euripides dit ongewoon getier?
 
Neen. 't is een Ambachtsman, een ongelettert gast,
 
Die nu de gantsche rey van Helicon verrast.24
25
Die noyt gezeten heeft aen Grieks of Roomsche disch,25
 
Wijst nu de weerelt aen, wat dat een Treurspel is.
[p. 108]
 
Athenen las het Spel, en sprak; ik schrijf niet meer,27
 
Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer.
 
 
 
CASPAR VAN BAERLE.
Op ARAN en TITUS, Of Wraak en Weerwraak
van JAN de VOS.
 
Den Adelaar gelokt van 't Capitool beneden,1
 
Viel op een's Leeuwen aas, dien drijft de Wraak tot moord,2
 
Daar 't Roomsch gevogelte het naar gekerm afhoort.3
 
En zweert het dier, met moêr en jongen, te vertreden;
5
Dies Dwinglandy verschijnt in grouwelijke kleden;5
 
De Nijd, wiens ommetrek noit reedlijk oog bekoort,6
 
Raakt op de been, en brengt de felle Bloed-dorst voort.7
 
Melpomene, de Wraak hier ziend in volle leden,8
 
Sou' den ontaarden mensch dit woedende gedrocht9
10
Niet schrikken, zeidz', indien 't ter Schouburg wiert gebrocht?
 
Mit vat DE VOS dat woord, en opent de gordijnen11
 
Van het bebloed' tooneel der dieren wreed van aart
 
In menschen schijn. Och! wild ons 't quaat in 't hert verschijnen13
 
In sulk gewaad, wie bleef voor 't quaatdoen niet vervaart.
 
 
 
I. vander Burgh.*
[p. 109]
Op het Treurspel
van JAN de VOS.
 
De Wijngodt (zo de Griek, een kluchtige Poëet,11-10
 
Verzierd) met Xanthias zijn knecht een reyze deed2
 
Naer d'onderaerdsche Goôn, om vonnis daer te haele,
 
Wie best treurspelen schreef, in zijne moeders taele,
5
De wyze Euripides, oft schrandere AEschylus,
 
Daer van d'omstaender niet durfd' óórd'len zo oft dus:6
 
Waerom dat Bacchus, om de twistzaek recht te scheyden,7
 
Een yders vayrzen in een juyste weeghschael leydde;
 
Op dat de waerheyd uyt 't gewicht der vayrzen bleek,
10
En AEschylus den kroon Euripides afstreek:10
 
Maer hadde Bacchus met een onpartijdig ooge
 
Dit treurspel tegens d' oude eens ernstigh opgewogen,
 
Hy had JAN VOS vereert met een gewijde palm,
 
Om dat hy nu verstrekt der ouden wedergalm.14
15
Liefhebbers, wie ghy zijt, komt ziet, van wat vermogen
 
Een geest is, schoon hy niet in 't school is opgetogen.16
 
Een Glazemaker, die niet dan zijn moeders tael17
 
En kan, verdooft de glans bynae van all te mael
 
De Dichters. Dies wy schier vrymoedig mogen spreeken;
20
Wijkt Spanjen, Vrankrijk, wijkt zelf Romen, ja, wijkt Greeken.20
 
Ik weet niet of'er wel yet grooters oyt uyt quam.
 
Schept moed, o nieuwe hoop van 't magtigh Amsterdam,
 
En volgt de stappen van den Drost, van Vondel, Huygen,
 
En wilt de hengstebron met lust en yver zuygen,24
[p. 110]
25
Zoo zal men t'zijner tijd noch zeggen, dat uw' vayrs
 
Meê wayrdig wezen zal de Sophocleesche layrs.26
 
 
 
VECHTERSEN.*
[p. 111]

Inhoud.

1 Toen Titus Andronikus, een dappere Veldoverste der Romeinen, na 't verdelgen 2 der Gotten, hare Koninginne Thamera, te Roomen op 't Kapitolium, in Triomf2 3 gevangen brocht, werde Saturninus toen Kaizer van Roomen, zoo bevochten3 4 door de schoonheid des Koningins, dat hy 'er de septer, tot loon van weermin,4 5 bood, 'twelk zy hem weigerde. Ondertusschen waren de Wichelaars bezigh,5 6 om Aran, 't welk een Moor was, in't byzijn van Saturninus, voor 't outaar van 7 Mars, te offeren: de Gotsche Koninginne, die hare gevange Veldoverste, wiens 8 boel zy was, in de handen des Wichelaars zag, poogde hem, zoo door haar8 9 zelfs ten offer te bieden, als door gebeden, te ontzetten; 't welk Saturninus, op9 10 voorwaarde van hare weêrliefde te genieten, bewilgden, schoon Titus en alle 11 de Wichelaars de Moor ten offer doemden. Aran door zulk een oorzaak op11 12 Titus gebeten, besluit, terwijl 't Hof op de jaght is, 't huis van Andronikus uit te 13 roejen, tot welk een hulp hy Quiro en Demetrius, de Zonen des Gotsche Ko-13 14 ningins, naar lange tegenstreving, zoo vervoerde, dat zy Bassianus, des Kaizers14 15 broeder, en vryer van Rozelyna, d'eenige Dochter van Titus, vermoorde, en 16 Rozelyna niet alleen schenden; maar, op dat het schelmstuk niet gemelt zou 17 worden, de tong en handen af snijden: hy zelf werpt Klaudillus en Gradamard, 18 twee Zonen van Titus, in een put, daar hy alree een hellemet met goud begraven18 19 had, en strooiden 'er voorts een zekere brief, die als ofze door de moorders 20 geschreven was, aan Pollander en Melanus, de jongste zonen van Titus, kond- 21 schap zou doen, hoe dat zy Bassianus, met hunne broeders vermoort hadden 22 op de zelfde plaats, daar zy de hellemet met goud, dat quansuis 't loon van

[p. 112]

23 deze moorden zoude zijn, begraven hadden, om niet door de munt beklapt te23 24 werden. Zoo dra als den brief van Titus gevonden en door Saturninus gelezen,24 25 en 't goud voor den dagh gebraght was, werden Pollander en Melanus met deze 26 moorden beticht, waar over Saturninus hun ter dood veroordeelde. De Moor, 27 hier meê niet vernoeght, maakt, terwijl dat Pollander en Melanus gerecht wor- 28 den, Titus de Vader wijs, dat de Kaizer zijne zonen, zoo hy hem zijne rechte- 29 hand wilde leveren, verschoonen zal; die hy daar op afkapt en aan den Kaizer 30 stiert; Quintus de staatjongen van Aran brengt hem uit last zijns Heers, in30 31 plaats van zijn Zonen, de hoofden, en zijne afgekapte hand: Titus, door zulk 32 een wreetheid aan 't razen, doch door aanspraak van Lucius, zijn oudste Zoon,32 33 die overmits dat hy zijne Broeders met geweld ontzetten wilde, 't land ontzeid33 34 was; en Markus zijne Broeder weêr aan 't bedaren geraakt, zweert, op de 35 aanhitzing van de geesten der vermoorden, Roomen tot de grond te verdelgen; 36 waarop Lucius de Regementen van zijne vermoorde broeders naar de Stadt 37 voerde, en vind Aran, verzelschapt met Quiro en Demetrius, die hem de hoe-37 38 danigheid van Rozelynas verkrachtinge vertellen: Lucius hier door geterght, 39 krijght Aran, naar eenige tegenstand, dewijl Quiro en Demetrius hun op de39 40 vlucht begeven, gevangen, en stierde hem voorts, in een besloten koets, naar 41 't Hof van zijn Vader, daar Rozelyna, Askanius, 't zoontje van hare broeder41 42 Lucius, 't Boek der Herscheppinge, overmits datze de vrouwekracht van42 43 Thereus zagh, uit zijne handen pooght te nemen; maar eer 't jongsken, van zijne43 44 moey vervolgt, naar zijn grootvader liep, die door Rozelyna aangewezen, de44 45 verkrachting van Philomela las, en gekomen daar de Poëet zeid, maar heeft de45 46 jongemaagd verkracht, zoo sloegh zy haar Vader 't boek uit de handen, als of zy 47 wilde zeggen, dat zy op zodanigen wijs verkracht was, waar op dat zy van47-51 48 Markus, 't welk haar Oom was, geleerd, de namen van die haar verkracht 49 hadden, met een stok in 't zand schreef. Thamera, die door hare Zonen kond- 50 schap had, dat Aran van Lucius gevangen was, verschijnt Titus, met hare zoons, 51 die zy hare gespelen noemde, in de gedaante van de Wraak, en zoekt hem door51 52 zulk een middel wijs te maken, dat Lucius om de Moor te ontzetten en hem52 53 van kant te helpen, de oorzaak van alle de schelmery is. Titus, die haar aan de

[p. 113]

54 spraak kende, veinst 't zelfde te gelooven; dies hy haar, op voorwaerde dat zy54 55 'er in de gedaante van zijne bode zou vervormen, om Saturninus stierde. Zoo55 56 dra als Thamera vertrokken waar, vermoorde hy 'er zonen, en deê de spieren56 57 braden en 't bloed met wijn mengen, dat hy 'er, na dat zy met Saturninus op de 58 uitvaart van Lucius, die tot loon van 't quaat, uit last van zijnen Vader, zoo hy58 59 zeide, 't hooft afgeslagen was, 't vleesch gegeten had, deê drinken, en de59 60 hoofden door zijn dochter Rozelyna vertoonen, dien hy daar op, om niet tot60 61 grooter ramp te komen, doorsteekt; en Aran, na dat hy hem door eenen lozen61 62 zoldering, in een kolk van vuurs deê vallen, tot assche verbrande, en Thamera, 63 in byzijn van Saturninus, 't hert afstoot; 't welk Saturninus Titus met gelijke63 64 munt betaalde; waar over Lucius de Kaizer de doodsteek geeft, en bekomt door 65 zulk een wraak de Roomsche Kroon.65

66 Het Tooneel is in en om Roome, het Treurspel begint, met den dagh, en66 67 eindigt, in de andere nacht.67

[p. 114]

Personaadjen.

Saturninus, Kaizer van Roomen.*

Markus Andronikus, broeder van Titus Andronikus.

Titus Andronikus, Veldtheer der Roomeinen.

Lucius, oudste zoon van Titus Andron.

Pollander, Zonen van Titus Andron.

Melanus, " "

Klaudillus, " "

Gradamard, " "

Askanius, 't zoontje van Lucius Andron.

Rozelyna, Dochter van Titus Andron.

Bassianus, Kaizers broeder en vryer van Rozelyna.

Thamera, Koningin van Gotland, Kaizers bruid, en Arans boel.

Quiro, Zonen van Thamera.

Demetrius, " "

Aran, een Moor, Veldheer der Gotten.

Leeuwemond, Wichelaar.

Quintus, Staatjongen van Aran.

Tacitus, Bode.

Rei van Roomsche Burgers.

Rei van Tempeliers.

Rei van Gotten.

Rei van Roomsche Ioffren.

Rei van Andronizenzer Ioffren.

 

Zwijgende:

 

Roomsche Raden.

Roomsche Rechters.

Vier Kornellen.

Philippus.

Kamillus.

[p. 115]

ARAN EN TITUS

Het eerste bedryf.

Saturninus, Markus Andronikus. Bassianus. Roomsche Raden. Rei van Roomsche Burgeren
Saturninus.
 
Wie zal den Adelaar zijn taje wieken fnuiken,1-41
 
Nu Titus strijdbre bijl de Gotsche Leeuw doet duiken
 
Voor 't heilig Kapitool? en slaat Augustus merk3
 
In 't dartele sieraadt van 's vyands metselwerk.4
Burgers.
5
Lang leef Andronikus.5
Saturninus.
 
Hoe schaatren alle volken!
 
De Faam draagt Titus lof door 't drift der bruine wolken:6
 
De wijde werreld waagt van zulk een Scipion,7
 
Die 't Roomsche Rijk bestraalt gelijk de middag zon.
Titus Andronikus. Thamera. Quiro. Demetrius. Pollander. Melanus. Klaudillus. Gradamard.
Titus.
 
O Roome rijk van roem! wat torst uw' hoofd al kroonen!
10
Wat zwaait uw hand al gouds! wat drukt uw voet al troonen!10
[p. 116]
 
Hoe zijt gy staâg omheint van Roomlus Ridderschap!11
 
Gy zijt tot op de top van Alexanders trap!
 
Heeft godt Augustus ooit, bestuwt van yzre drommelen,13
 
By 't hitsen der trompett', en 't moedigen der trommelen,14
15
Den Persiaan geparst, en buuren van den Nijl?15
 
Uw' hopman heeft in 't Noordt, gewapent met de bijl,16
 
De grenzen van Euroop, zeeghaftig op gaan bijten;17
 
En keerde 't woede heir der wettelooze Schijten,18
 
En dreef het met de kling, en klem van yzre vuist,19
20
Op 't bekkeneel geschaart, van brein, en bloedt begruist,20
 
Tot in 't Riseesch gebergt, daar Tanais golven wassen21
 
Tot voedsel van Maeot, en Pontus kille plassen.22
 
De godvergeeten Gott': de sarrende Sarmaatt':23-2623
 
En d'overvinge Vinn', beschorst met harnasplaat:24
25
Al t'zaam ten krijg gerust, met d'ongeruste Russen:25
 
En 't norsche noorsche volk, heb ik de vlam doen blussen
 
Van godt Gradivus toorts. de Wraak verdelgt haar speer.27
 
Het Oorlog walgt van bloedt. 't Latijnsche moordgeweer28
 
Heeft zich gants zat geknaagt. de beemt komt bouwliên eissen.29
30
Het paardt wil naar de ploeg. de kling buigt zich tot zeissen.30
 
't Bosch schreeuwt vast om de bijl. de zeissenkoets zoekt rust.31
 
Het vaandel wil te pronk. elk heeft de Vreê gekust;
 
Dies vul de holle buik der hongerige roesten33
 
Met glinstrendt wapentuig. uw' handt zal schepters oesten.34
35
De werreld zy uw' erf, en strek u tot een troon,35
 
En 't blaauw' turkoische dak, een hel gestarnde kroon.36
[p. 117]
Saturninus.
 
Heldthaftig oorlogs Heldt, Augustus heldenwaagen,
 
Zal u, gelijk een godt, tot aan de starren draagen:
 
Ja dat de Hemel zelf van u kan zijn verheert,39
40
Dat heeft de zuil uw's neks al schraagende geleert.40
Titus.
 
Gy die de troon bekleedt van uw' vergoode ouderen,4141-44
 
En 't Roomsch gewelfssel torst, als waar 't met Atlas schouderen42
 
Gy die de bijl van 't heir en 's oorlogs standaar zweit,43
 
En met uw' staale vuist een oegst van lijken meit,44
45
Heeft Argos bitse wraak de buik van duizent zielen45
 
Bezwangert met haar zaadt, die zoo veel duizent kielen46
 
In Phrygen heeft gebaart, om Menelaus gemaal47
 
Te winnen, door de deugdt van 't overzeesche staal?48
 
Wie zou om zulk een vrouw geen tien jaar willen kampen?49
Saturninus.
50
Al schakelden 't geval een' reex van oorlogsrampen,50
 
Zoo schoot ik 't harnas aan, en presten 't heir te veldt.
 
O welk een tooveres heeft Titus hier gestelt!
Titus.
 
't Is Gotlands Koningin.
Saturninus.
 
Wat boezem zou niet blaaken
 
Om zulk een roozengaardt, op leliwitte kaaken?
55
O goôn ik ben gewont! ontbintze die my boeit,
 
En 't nooit gezengde hart in AEtnas schoorsteen gloeit.56
Titus.
 
Daar is de Gotsche praal.57
[p. 118]
Saturninus.
 
O juist gevormde leeden!
 
Hoe dring ik door 't gedrang van uwe godlijkheeden?58
 
Hier zijn tot een gesmeet, ô praal mijns hofgezins!59
60
Op 't aanbeeld' van Natuur, twee groote vyandins:
 
Dat 's schoon, en eerbaarheidt. ik laat de schepter slippen61
 
Indien ik met mijn mondt op d'oever van uw' lippen
 
Mag stranden met een kus: ô mondt vol ambrozijn!
 
Daar duizent kusjes vliên op wiekjes van robijn.64
65
Uw' voorhoofdt, zonder Voor, ten oogen toe gedolven,65
 
In eene goude zee van kronkelende golven,
 
Weêrstraalt het stralend licht.
Thamera.
 
De Vorst die zy gerust.67
 
Het vuur dat vaardig brandt, wert vaardig uitgeblust.68
 
De naauw' voldraagen roos, met d'uchtent zon gebooren,
70
Wordt door de middagh zon, op middagh afgeschooren.70
 
De min is als een bloem, een bloem is haast verdort.71
Saturninus.
 
Zoo schichtig is uw' Rijk, door 't Roomsche heyr, gestort.72
Thamera.
 
Uw' heyrkracht was wel groot; maar grooter zijn Gods roeden;
 
Noch grooter onze zondt; zoo lang zal Gotlant bloeden
75
Door uwe geesselzweep, tot alles is voldaan:
 
Dies zal ik 't Roomsche juk met lijtzaamheidt ontfaân.
 
De goude lijtzaamheidt bemint de zwaarste plaagen.
 
Hoe dat de deugdt meer lijt, hoe datze meer kan draagen:
 
Want lijtzaamheidt vereeldt.79
Saturninus.
 
Beeldt dat Pigmalions
80
Gezicht beviel, en ziel ontfing op 't zwanendons:80
 
Stier my tot proef van min in d'onderaardsche kolken,81
 
Om Plutoos sleuteldrig, in spijt der helsche volken,82
[p. 119]
 
Te slepen voor den dagh van daar nooit daghstraal blikt,83
 
En zoo d'all'ziende zon voor 't schriklijk schepsel schrikt
85
Als in Alcides eeuw'; en haar paruik laat zinken85
 
In 't pekel van de zee: dan zal de zon noch blinken86
 
Van uw' aanminnig oog.
Thamera.
 
Hoe mijn gezicht een zon?87
 
O oorzaak van mijn leet! noem het een zoute bron.88
Saturninus.
 
In koutheidt is 't een bron, maar by den Alverwinner!89
90
Een zon die my verteerdt.
Thamera.
 
Al d'eeden van een minner
 
Zijn vry voor 's hemels straf, zy worden van de windt,91
 
En zee verslonden: dies zweer vry by Venus kindt.92
Saturninus.
 
Kroondraagster van mijn ziel! indien 't uw' lust bestemden,93
 
Dat gy ten bosch woud' gaan langs marjolyne bemden,94
95
In hazelare schaauw', ik volgden onvermoeit,
 
In 't opgetorste kleedt, met buigzaam eelt geschoeit;96
 
Ik zou het Kaizers ampt in d'open lucht verpoozen,97
 
Gezetelt op een struik, betullebandt met roozen,98
 
Gescheptert met een stok, omheint van knablent vee;99
100
Dies gun dat ik het steen van uwe boezem kneê.100
Thamera.
 
Een afgerechte tong is qualijk te ontslippen.101
Saturninus.
 
Máar d'oogen van een vrouw zijn Venus minneknippen.102
Thamera.
 
Ik haat, ik vloek de Min. mijn oogen zijn te ang103
 
Voor zulk een krokodil, en doodelijke slang.
[p. 120]
Saturninus.
105
Godin van 't Gots gewest! zijt gy uit ijs gebooren?105
 
Geen paardt zoo hardt van huidt of't draaft naar Venus spooren.
 
De wrevelige stier: het borstelige zwijn:107
 
De logge wallevisch: de snelle dollefijn:
 
En d'overfiere leeuw zijn vol van minnevonken.
110
De Min is niet t'ontgaan in bosschen noch spelonken.
 
De schrander' olifant is 't middelrijf doorgrieft:111
 
De winden vliên elkaâr, door onderlinge liefd,112
 
Al hijgende te moet: de dikbeschorste boomen,
 
Omhelzen ellikaâr: de koele waterstroomen
115
Vermengen haar in een: zoo zaait de Min haar zaadt,115115-116
 
En spint, met Cinthia, een endelooze draadt.
 
O groote kracht des Mins! mijn boezem is vol bresschen.117
 
Mijn hart is aangebrandt. het vuur is niet te lesschen118
 
Dan door u weedermin.
Thamera.
 
't Is wellust die u quelt.
Saturninus.
120
Is 't smeeken te vergeefs? zoo dient'er dan gewelt:120
 
Want die te flaauw verzoekt, die leerd een ander weigeren.
Thamera.
 
Wee hen die 't heilig recht door minlust oversteigeren:122
 
Oft steunt gy op uw' macht die zoo veel kroonen torst?
 
De Vorst is om 't gemeen; 't gemeen niet om de Vorst.124
Saturninus.
125
De Vorstelijke wil magh hier als wettig spreeken.125
Thamera.
 
De Vorst die mag 't gemeen wel buigen; maar niet breeken:
 
Want hoe hy meerder recht in zich op andre vindt,127
 
Hoe hy, om recht te doen, zich meer aan 't recht verbindt.
[p. 121]
Saturninus.
 
Daar 't graau op 't kussen zit, is 't allerquaatst te duchten.
Thamera.
130
Daar 't recht in 't staal bestaat, moet d'oude vryheidt vluchten.130
 
Een reedelijke Vorst doormengt het zuur met zoet:
 
Men koopt zijn gunst voor zweet; maar niet voor menschen bloedt.
 
De Vorsten, en 't gemeen zijn eeven streng verbonden;133
 
Dies zie wat gy bestaat, de straf vervolgt de zonden.134
Titus.
135
Wel volgtze 't Gotsche Rijk, dat eer zoo strijdbaar was;
 
Maar nu door 's oorlogs toorts bedooven leit in d'asch.136
Thamera.
 
Wy steunden als wel eer, op ons aaloude machten.137
Titus.
 
Die 't al verdelgen wil, moet alle ding verwachten.
 
Die tot op 't hoogste klimt, verwacht de laagste val:
140
Dat tuigt het smookendt puin van uw' gesloopte wal.
 
Wat zich te zwaar verheft, moet door zijn zwaarte zinken.
 
Fortuin is van gelas, als zy begint te klinken,142
 
Zoo bryzeltze tot gruis.143
Markus.
 
Mevrouw' zie wat gy doet:
 
Wie Vorsten gunst ontzeidt, stapt zijne doodt te moet.
Thamera.
145
Een reedelooze Vorst verdelgt zijn eigen muuren,
 
En maakt zich zelf tot roof van vyandlijke buuren.
Saturninus.
 
O min! o min! o min! hoe prikkelt uwe pijl
 
In Saturninus borst!
Titus.
 
Men zal door 's Priesters bijl,
 
Ten offer van Godt Mars, het hooft der Gotten slachten;
150
Dan zal der Goden Tolk, vol van Sibyllas krachten,150
[p. 122]
 
Als Delfos wichelaar in 's Hemels vierschaar treên,151
 
Om d'uitkomst van u min, van lit tot lit t'ontleên.152
Rei van Tempeliers.
Aran. Leeuwemond.
 
O Krestonsche Wapengodt!153153-164
 
Die de toom des krijgs liet slippen,
155
Om het lieffelijk genot
 
Van Vrouwvenus malsche lippen:
 
Vier de toomen van uw lusten.
 
Hy, die 't vuur des krijgs uitblusten,158
 
Stookt op uwen offerdisch,
160
't Vuur dat u geheiligt is:
 
Om de Gotsche Moor te braaden,
 
Die wel eer in 't bloedt dorst baaden
 
Van het strijdbre Roomsche volk,
 
Door de snee, : || : : || : van zijnen dolk.164
Aran.
165
Houd op versteent gespook tot mijn verderf geschaapen;165
 
Geveinsde Tempeliers; van Godt vervloekte Paapen;
 
Bloeddronke wichelaars: die, als 't uw schenzucht wil,167
 
Het plonderende graauw, onkondig in 't geschil
 
Van kerk, en landbestier, ontslaat van al hunn' eeden:169
170
En t'zaamgerotte schuim der vrygevochte steeden,170
 
Als of 't den hemel wou, op 't heilig Raadhuis hitst;171
 
En 't Rijk, door tempelwrok, en moordkrakkeel gesplitst,172
 
Ten roof geeft aan den muil der geestelijke tijgers.
[p. 123]
Thamera.
 
Is 't Aran? ja hy is 't, o praal van alle krijgers!174
Aran.
175
O Gotsche Koningin!
Saturninus.
 
Wat zijt gy voor een gast?
Aran.
 
Die 't scharpgeslepen staal, als u de schepter, past;
 
'k Ben Gotlands Wapengodt, die 't Roomsche heir deedt schrikken177
 
Door 't dondren van mijn stem, door 't blixmen van mijn blikken.
 
't Is Aran die gy ziet.
Saturninus.
 
Men geef hem voort aan 't vier.179
Aran.
180
Men geef aan Mavors Paap een groen bekranste stier;180
 
Of paait de grage buik der hongerige vlammen181
 
Met geit, en bokkenbloedt, met uitgepikte rammen,182
 
Door 's Priesters mes geslacht.
Thamera.
 
Wat eischt de Roomsche Vorst?
 
Is 't zuiver harte bloedt? doorprikkel deze borst;184
185
Maar niet die 't Gotsche Rijk, als met een wal, omhekte.185
 
O grijze Tempelier! dat gy mijn voorspraak strekte.186
Leeuwemond.
 
Hy is Gods heil niet waardt, die 't Godlijk ampt bedient,
 
Die voor 't gemeene best durft neigen tot zijn vriendt.188
Thamera.
 
Zijt gy dan op het naarst der Baktriaansche heuvelen,189
190
Waar dat men als op zee, om niet in 't zand te sneuvelen,190
[p. 124]
 
Naar het gestarnte reist, van een leeuwin gebraakt;191
 
Of is uw' wreede hart van harde steen gemaakt?
 
Of zijt gy op het top der staâgbesneeuwde Alpen;
 
Of daar Thermodoön, met ys vermengt, komt zwalpen,194
195
Met beeremelk gevoedt? of zijt gy voortgebracht,
 
By die, van bloedt bemorst, in 's aartboôms andre nacht,196196-197
 
Haar voeten tegens d'onz' aanzetten? zijn de kuilen197
 
Van 't woest Bazariën, daar 't ongediert gaat huilen,198
 
U voedster steên geweest? zeg, Roomsche wichelaar.
200
O Vorst! ontsla de Moor van 't schrikkelijk outaar.
Saturninus.
 
Went u tot Mavors oor, die ons om 't bloedt komt maanen.
Thamera.
 
De wapens van een vrouw zijn krachtelooze traanen.
 
Hoe heeft de razerny tot u zoo breeden brug?203
Saturninus.
 
Het eens gesprooken woort kan nimmer weêr te rug.
205
Hy is aan Godt verlooft, 't is billijk dat hy sneuvel.205
Leeuwemond.
 
Voort: kniel voor 't heilig mes op dees gewijden heuvel.
Aran.
 
Sta af bloeddorstge Paap.207
Leeuwemond.
 
Wie 's Priesters hand verlet,
 
Vervalt in 's hemels vloek, als die 't gewijdt besmet.208
Thamera.
 
Wie zag ooit menschen bloedt zoo goddeloos vergieten,
210
By die gevoestert zijn door 't zap der suikre rieten?210
[p. 125]
 
Hy heeft wel wreedt geweest die 't eerste lemmer sleep;
 
Maar wreeder was de handt, die 't om te moorden greep:
 
Dat was de eerste beul.
Quiro.
 
Sla uw' scheurzieke pooten
 
In Quiros ingewandt.
Demetrius.
 
Verdelg de Gotsche looten:214
215
Hier is Demetrius borst.
Thamera.
 
Kom pletter Thamras hooft;
 
Zoo wordt het vuur des wraaks door Thamras bloedt gedooft.
Leeuwemond.
 
Het noodlot eischt de Moor.
Aran.
 
Ik eisch het hooft der guiten,217
 
Die in zijn herssenschaal een noodlot weet te sluiten:218
 
Of dicht hun die hy haat een Styx; een Acheron;219
220
Een nimmerzatte hel; een gloeiend' Phlegeton,
 
Vol doodelijke pijn, en endelooze straffen;
 
Een Veerman met een boot; een rekel die met blaffen222
 
Een yzre poort bewaart: zoo houdt men t' volk in toom223
 
Door een vervloekte vondt, en schelmsche papedroom:224
225
Maar zoo'er duivels zijn, die tegens d'aardt zich kanten,
 
Zoo zijn 't de Tempeliers met hunne vloekverwanten.226
 
De Vorsten vreezen meer voor 't mijterdraagendt volk,
 
Dan voor de scharpe punt van een verraaders dolk.
Leeuwemond.
 
O gruwel zonder gaa! een marmer beeldt zouw' beeven.
Saturninus.
230
Zoo gy ons min erkent, zoo blijft de Moor in 't leeven.
Thamera.
 
Wie lichtelijk gelooft word lichtelijk verleit.
Saturninus.
 
Wy zweeren 't by ons staf.
Thamera.
 
Geen min wordt u ontzeit.
[p. 126]
Saturninus.
 
Rijs Gotlands Goodenpraal.233
Leeuwemond.
 
Uw' zetels zijn aan 't kraaken,
 
Zoo gy door Thamras min dees offerhandt doet staaken.234
Saturninus.
235
Ik offer speer en kling voor Venus elpen stoel;
 
Want die Vrouw Venus eerdt, eerdt haaren dappren Boel.236
Titus.
 
Wy Romers zijn verplicht aan 't hoofdt der oorlogslieden,
 
Deez streng gedoemde Moor op d'offerdisch te bieden.238
Saturninus.
 
Zoo weigert zy haar min.
Titus.
 
Verwintze door de tijdt.239
Saturninus.
240
Hoe kan hy die de Min zijn boezem heeft gewijdt?240
Titus.
 
Gy kunt indienge wilt; dies geef Godt Mars geen oorzaak
 
Tot uw' en ons bederf.242-243
Saturninus.
 
Gy toond' u eerst als voorspraak
 
Van Saturninus min, nu schijnt het dat gy deist.243
Titus.
 
Nu gy den offer staakt, die Mavors heeft geëischt.244
Saturninus.
245
Bekleedt het wreedt outaar met tienpaar gladde stieren:
 
Ja dubbelt het getal.
Markus.
 
Godt Mars eischt menschen spieren.
Titus.
 
Hoe dus zeeghaftig Vorst, en zenuw' des soldaats?247
 
Gy brandmerkt uwe deugt, en brouwt het Rijk veel quaats.248
 
Gy hebt, als 't roer des Rijx, ten dienst der krijghgezinden,249
[p. 127]
250
Het buldrend heir gekeert der vier onwinbre winden;250
 
Aan d'Ister was uw' arm het yzigh noordt getroost;251
 
Op d'oever van Byzants het helderdaagend oost;252
 
In 't Rhodiaans gebiet, omheint met zoute baaren,253
 
Het overzwoele zuidt; by Herkules pilaaren254
255
Het zomerblaazend west; gy hebt, gelijk een Godt,255255-256
 
Van 't zwalpend pekelschuim, met uw' getakeld vlot,256
 
Charybdis barrening, tot tweemaal, door gezwommen;257
 
Wie heeft de Pyreneen dan uwe hengst beklommen?
 
Wie schuimde 't Frans gewest? nu komt een tenger wicht,259
260
En dwingt die 't alles dwong met een vervrouwde schicht.260
 
O toomelooze lust!
Aran.
 
Waar zijn all' oude krachte'
 
Van mijn gevreesde handt, die zoo veel Romers slachte;
 
Dat ik de stoute tong, die my ten offer doemt,
 
Schoon hy 't voor 't Rooms gezag, met Mavors eisch verbloemt,264
265
Niet daatelijk ontruk.265
Titus.
 
'k Zweer by deez' groene telgen,
 
Dat 't aardrijk uwe bloedt, en Styx uw ziel zal zwelgen.266
[p. 128]
Aran.
 
O grijze schuddebol! is 't waarheidt? of is 't droom?
 
De wapens zijn u nut, als Phaëton den toom.268
 
Uw speer zy u een kruk, op dat gy niet zult kruipen.
270
Uw hellemet een kop, om Bacchus uit te zuipen.270
 
Uw gulde beukelaar verstrekt u tot een disch.271
 
Uw sabel tot een mes, daar 't lekkre wildbraadt is.
 
De yzre schalischoen bekleedt de leest der handen,273
 
Op dat gy aan 't gebraân uw vingren niet zult branden.
275
O krachtelooze dwerg!
Titus.
 
Wie leiden u het juk
 
Dan Titus op de nek?
Aran.
 
Toen dienden u 't geluk,
 
Door 't vluchten van mijn volk hebt gy my vast gekreegen.
 
Maar niet door uw geweer: te stomp is uwe deegen.278
Titus.
 
Wat houdtme? lasteraar!279
Markus.
 
Hoe zijtge dus verwoedt,
280
Dat gy het Kapitool bespatten wilt met bloedt?
 
Steek 't lemmer in de scheê; men vecht hier met de wetten,
 
Die Saturninus handt in Roomlus handtvest zetten.282
Aran.
 
Ik zweer Andronikus!283
Bassianus.
 
Ik bidt u weest gerust,
 
Eer 't uitgetogen staal de lamp des leevens blust.284
Markus.
285
Andronikus bedaar.
Titus.
 
Die 't quaaddoen kan beteuglen,
 
En 't quaaddoen niet bestraft, die geeft het quaaddoen vleuglen,
 
De vreeze voor de straf, is vyandt van het quaadt.
[p. 129]
Leeuwemond.
 
O moeder van de Min! wat strooitge hier voor zaadt?288
Aran.
 
Gy zult de slijpsteen zijn die elk het brein zal scherpen,
290
En blijven zelf zoo stomp, dat elk u zal verwerpen.
 
Voort rekel, flux van hier; men vindt geen quaader quaadt,
 
Dan daar een Papentong wil spreeken in den Raadt.
Saturninus.
 
Voort Bassiaan geeft last, om Thamras oor te streelen
 
Met windt, en snaargespel, doorwrocht met maagde keelen.294
Markus.
295
Wie hier? 't is Lucius.
Lucius.
 
Waar is het Rooms Gezag.
Saturninus.
 
Wat jaagt u dus verbaast?296
Lucius.
 
Gun dat ik spreeken mag.
Saturninus.
 
Wat is'er gaans? zeg op.
Lucius.
 
O eer der Saturnijnen!298
 
Al 't landt is op de been, een zwijn, als twee paar zwijnen
 
Heeft zich in 't west vertoont dicht aan de Tyberboordt.
300
De bouliên zijn vol schrix, en schreeuwen niet dan: moordt,300
 
Elk geeft zich op de vlucht, de klokken zijn aan 't kleppen.301b
Saturninus.
 
Op Roomsche Ridderschap, 't is tijdt om u te reppen.
 
Elk wapen zich met moedt; de noodt heeft ons geprest.303
 
Al wat de noodt vereischt dat is 't gemene best.304
[p. 130]
Rei van ROMERS, en GOTTEN.
Zang.
305
Kleene werreldt, groote stadt,305
 
Die het Roomsche Rijk herstelden,306
 
Voesterwieg, en bakermat,
 
Van zoo veel befaamde helden,
 
Geef het glinsterende wapen,
310
Tot de Gotsche val geschapen,
 
Aan de kaaken van de Tijdt,
 
Die het al met roest deurbijt.
 
Laat de sabel nu versmeede',
 
Op het aanbeeldt van de vreede,
315
Tot een kouter voor de ploeg;
 
Want de krijg heeft haar vernoeg,316
 
Door de val der Gotsche steede'.
Tegenzang.
 
All' uw' roemen is om zunst;318
 
Roem op Thamras oorloogs tochten,
320
Op haar zoete toverkunst,
 
Die den Vorst zo heeft bevochten,
 
Dat hy 't toom des krijgs laat slippen,
 
Om te krijgen met de lippen,323
 
Van de Gotsche Koningin,
325
D'oorzaak van zijn eerste min;
 
Want een veldslag van twee monden,
 
Slaat de borst vol zoete wonden;327
 
Wonden, die de Minnegodt,
 
Door het minnelijk genot,
330
Weet te heelen, op de sponden.
Toezang.
 
Septerdraager van Europe,
 
Die de werreldt af zou loope',332
 
Die de Gotten in het noordt,
 
Met hun strijdbre bondgebuuren,334
335
Zegenhaftigh hebt versmoort,335
 
Onder 't puin van hunne muuren,
 
Is'er tegen Min geen wapen?
[p. 131]
 
Kan een Vorst zich zoo vergapen,
 
Aan 't blankketsel van een hoer?
340
Aan de mondt vol paarlemoer?
 
O vervloekte minneschichten!
 
Die de starkste mensch doet zwichten,
 
Die de leeuw, der dieren Vorst,
 
Weet te prikklen in zyn borst,
345
Dat hy om zijn Gaa gaat raazen,
 
Wie kan uwe kracht uitblaazen?346

Het tweede bedryf.

Quiro. Demetrius. Aran.
Quiro.
 
Demetrius hou stant.347
Demetrius.
 
Eer wijken Pindus heuvelen
 
Eer dat Demetrius wijkt.
Quiro.
 
Deez' handt zal u doen sneuvelen.
Demetrius.
 
Indien ik sterven moet, ik sterf voor Rozelijn.
Quiro.
350
De weêrklank van die naam doet Quiro moedig zijn.
Aran.
 
Zacht Prinsen zijt gerust: 'k bezweer u by de handen351
 
Van die u middelrif, in hare min, doet branden,352
 
Dat gy het woeden staakt; oudt Room' is eens bekladt353
 
Van eigen broedermoordt, al wordt het niet bespat354
355
Van Thamars overschot, dat hun tot noch zoo wakker355
 
In 's oorloogs onweer queet.
[p. 132]
Quiro.
 
De fenix lijdt geen makker.357
 
Zoo lijdt een minnaars oog geen tweede, by de maagdt
 
Die hem, gelijk de beemdt de versste dauw', behaagt.
Aran.
 
Hoe kan uw' oog de glans van Rozelijn verzwelgen,359
360
Wiens Vader 't Gotsche rijk zoo schendig quam verdelgen,360
 
En sleepten u geboeidt voor Saturninus troon?
 
Een hooghgeboren ziel denkt altijdt aan de hoon
 
Die hem eens is ontmoet; als wasze met een stempel363
 
In 't herssenvat gedrukt: zoo krijgt de wraak een drempel364
365
In 't eedelmoedigh hardt van een doorluchte borst;365
 
Dies lijdt niet dat de min uw' adeldom bemorst:366
 
Maar mindt haar als de lust uw' boezem komt beschieten;367
 
Zoo zultge wraak door lust, en lust door wraak genieten.
Demetrius.
 
Die zich te schelms vergrijpt, door overgeile gloedt,
370
Die schandvlekt zijne faam, en geeselt het gemoedt.
Aran.
 
Het schelmstuk is niet schelms, zoo hy het schelms voor goedt schat.371
 
Verdelgt het heilig recht; maakt Romen tot een bloedbadt,
 
Door bitse burgerkrijg, een schipbreuk voor 't gemeen;373
 
Schept lust in dwinglandy; pleegt bloedschandt, met de geen
375
Die u ter werreld brocht; verft uw' schenzieke handen
 
Met broêr en zustermoordt; ontbindt de kuissche banden376
 
Van Vestas maagderey; bestormt het Godlijk zwerk;
 
Schaft alle Godsdienst af, en bouw u zelfs een kerk;378
 
Mengt gif voor uw' gemaal; draait stroppen voor uw' Vaader;
380
Verschopt de waare deugdt; bemint de landverraader;
 
Weest fel op weeuw', en weez'; verkiest de wreedste mensch
 
Tot uwe Tempelpaap, voldoet de helsche wensch;
 
Geen schelmstuk is zoo schelms van Acheron bezeten,383
 
Of 't wordt, zoo 't wel gelukt, een schrandre deugdt geheten;384
[p. 133]
385
Ja daar de faam van waagt. 't is een noodzaaklijk quaadt385
 
Het geenm' om best wil doet.386
Quiro.
 
Ik schrik voor zulk een daadt!
Aran.
 
Een eedelaardig Prins stelt zich in d'oope kaaken387
 
Van 't wankelbaar geluk, en wil zijn leeven braaken388
 
Zoo hy zich wreeken mach. Een zoete schelmery389
390
Behoudt der Goden gunst. De wraak is yder vry.
 
Die zich niet wreeken kan, verzaadt zijn wraak met vloeken.
 
Gy kunt, indien gy wilt. doorleest de goude boeken
 
Van Gotlands heldenaardt; wat heeft die niet bestaan?393
 
Die zich in noodt bevindt, die moet zich laten raân.
Quiro.
395
Die zich te haast laat raân, zal zich haast onheil brouwen.395
Aran.
 
Die zelver trouwloos is, kan andre niet betrouwen.
 
De Tydt betoont u gunst, het hof is op de jagt.
 
De daadt moet, met de raadt, op een tijdt zijn volbracht.398
 
Die zich te langzaam draagt om iet te overdenken,399
400
Als 't voordeel van de tijdt gelegentheidt komt schenken,400
 
Verwaarloost zijn geluk.
Demetrius.
 
Zoo zy de schennis meldt,
 
Vervalt de Gotsche stam in het Romeinsch geweldt.402
Aran.
 
Een eerelijke maagt bijt liever op haar lippen,403
 
Eer zy, tot eigen schandt, haar mondt iet laat ontslippen.
405
Hoe zijt gy dus vertsaagdt?405
Demetrius.
 
Ik vrees voor ongeval.
Aran.
 
Ik vrees dat uwe vrees het werk verbrodden zal;
 
Want die zijn vyandt vreest, betoont zich overrompeldt
[p. 134]
 
Eer dat hy met zijn heir in 's oorloogs moordkuil strompeldt.408
 
Een, die de vrees verwint, betoont een heldenstuk.409
Quiro.
410
Voorzichtigheidt, in noodt, is moeder van 't geluk.
Aran.
 
Het is geen moedig Prins, die zich door vrees laat snoeren.
 
Wat zwaar schijnt in 't begin, is licht om uit te voeren.
 
Uw' moeders tweede bedt verstrekt u tot een wal,413
 
Daar Titus dommekracht vergeefs op woeden zal.
Quiro.
415
De Veldtheer draagt ons gunst.415
Aran.
 
Wat Titus in de koffer
 
Van zijne boezem draagt, bleek toen hy my ten offer
 
Van Mavors hadt gedoemt. de gunst van 't hof is roet
 
Met honigh ingeleit. wie iemant vriendschap doet,418
 
En geene reeden heeft, die hem tot vriendschap porden,
420
Dat is veeltijdts een schelm, of 't zal een schellem worden;
 
Dies wreek u van zijn list; maar niet door dwinglandy:421
 
Want dwang veroorzaakt vrees: de vrees baart veinzery:
 
En 't veinzen queekt verraadt. wie hoedt zich voor verraaders?
 
Geen Argus ziet zoo gaauw'.
Demetrius.
 
Hy sterkt zich met de Vaaders424
425
Van 't Geestelijke Recht.425
Aran.
 
Hun wieken zyn gekort.
 
De troon van hun geweldt is plotzich neêrgestort.426
Demetrius.
 
Ziet toe wat dat gy raadt! hy heeft een staale waapen,
 
Die zich geharnast vindt met korzelige paapen.428
 
Andronikus verkiest de krachten van 't outaar.
Aran.
430
Steunt hy op 't heiligdom? zoo is 'er geen gevaar
[p. 135]
 
Om 't vuur, van Titus wraak, tot in haar kolk te blussen.431
 
De geestelijke stoel, en 't werreldlijke kussen432
 
Zijn tegens een gekant; de tabberdt schopt de kap,433
 
En draaiboomt het geweldt van Mavors Priesterschap:434
435
De rekels zijn te bits, hy muilbandt hen voor 't blaffen.435
 
Hy lijdt geen menschen smeer op d'offerdisch te schaffen.436
 
Hy slaat hem uit de burg, die wijn met bloedt doormengt,437
 
Op Atreus moordbanket, aan zijne broeder schenkt.438
Quiro.
 
Geen rotsen zijn zoo doof voor 't ruisschen van de baaren,
440
Dan Quiro voor uw' eisch. ik zweer u by de schaaren
 
Van 't onderaardsche rijk, dat ik u meerder haat,
 
Dan ik u heb geliefd: ik walg van uwen raadt.
Demetrius.
 
Betoom uw' gladde tong, en oordeel zonder kennis:443
 
Demetrius wreekt zich niet door Rozelijnas schennis.
Aran.
445
Hier dient een kort bedrog; ik zet mijn zinnen schrap.445
Quiro.
 
Ik voeg my by de Vorst.
Demetrius.
 
Ik by de Jofferschap.446
Aran.
 
Sta Quiro! sta! ey sta! Demetrius kom niet naader:
 
Het aartrijk braakt den geest van uw' vermoorden Vaader;
 
Maar niet in zulk een schijn, als op de Gotsche troon:449
450
Of als hy was in 't heir, en sloeg den oorloogs toon.450
Quiro.
 
Hoe laat hy zich nu zien?
[p. 136]
Aran.
 
Met spierelooze schinkelen;451
 
Zijn oogen, vol van vuur, staan in twee holle winkelen;452
 
Zyn baardt is roodt van bloedt; de hairen zijn bemorst
 
Van 't uitgespatte brein. hoe yslijk gaapt zijn borst!
455
Het aanzicht is doorkrabt, sta Quiro!455
Quiro.
 
Wat zal 't worden?
Aran.
 
Zaaght gy het toortslicht niet, dat voor u oversnorden?456
Quiro.
 
Hoe Aran! 't is een droom.
Aran.
 
Ik lil, als lillend riet;
 
't Is een waarachtig spook.
Demetrius.
 
Waar is 't dat gy het ziet?
Aran.
 
Hier komt het op ons aan; ik schuil my by deez' eiken.
Demetrius.
460
Wat eischt mijn vaaders schim? doe ons toch enig teiken.
Quiro.
 
Doe kondschap aan uw' zoons.
Demetrius.
 
Wie hier? 't is Rozelijn,
 
Verzelt met 's Kaizers broêr.
Bassianus. Rozelijna. Demetrius. Quiro.
Bassianus.
 
Hoe yslijk vloog het zwijn!
 
Hoe wurp het vuur, en vlam, uit zijn gehaate blikken!463
Rozelijna.
 
Liefwaarde Bassiaan, de Stoutheidt zelf zou schrikken464
465
Zoo zy het schrikdier zag; dies geeft u niet te bloot.
[p. 137]
Bassianus.
 
De min heeft u geleert te vreezen voor mijn doodt.
Rozelijna.
 
Het is geen min: ô neen! de min weet van geen teugel.
 
Nu isze dus, dan zoo; nu snelder dan een veugel;
 
Nu trager dan een rups; nu kouder dan een stroom;
470
Nu heeter dan een vuur; nu groender dan een boom;
 
Nu dorder dan een staak; nu zwakker dan een hallem;
 
Nu stijver dan een zuil; nu lichter dan een gallem;472
 
Nu zwaarder dan een rots; nu blooder dan een das;
 
Nu stouter dan een leeuw.
Bassianus.
 
My dunkt ik hoor 't gebas
475
Der honden, die de Vorst op 't ongediert deedt schennen.475
Rozelijna.
 
Zoo zal 't ons raadzaamst zijn, dat wy weer boschwaarts wennen.476
Demetrius.
 
O Quiro wat een spijt! ik hoor hoe Bassiaan,
 
De borst van Rozelijn in weedermin doet braân.478
Aran.
 
Ik zweer o zaalge schim! by 't purper van uw' wonden,
480
Dat Titus door dit staal eer lang zal zijn geschonden.480
Quiro.
 
Hou Aran, Aran hou.481
Aran.
 
O broeders laat u raân.
Demetrius.
 
Wat wil ons vaaders schim?
Aran.
 
Dat gy na wraak zult staan.
Quiro.
 
Heeft vaader zulx gezeit?
Aran.
 
Zijn galm woud' eerst naauw' slippen,483
 
Hy morde binnens mondts; maar 't smoord in zijne lippen;484
485
Ten laatsten borst den Vorst van eedle gramschap uit,
[p. 138]
 
En dreunden in mijn oor met zulk een schor geluid,486
 
Gelijk wanneer de zee de peil van zijne boorden,487
 
Met euvle moed, beklimt, door 't woên van 't buldrend noorden;
 
Ik sidderde van angst! het hair rees my te berg!
490
De schrik kroop deur mijn leên, en knaagde tot in 't merg:
 
Zoo gy de moordtpriem vloekt, die Gotlandts wettestelder491
 
(Zoo sprak hy en voer voort) deedt ylen naar de kelder492
 
Van 't neevelige Styx; zoo maak dat Titus huis,493
 
Tot aan de grontvest toe, verplettert wordt tot gruis,
495
Pluk Rozelijnas roos; doe all' haar broêrs verzuipen495
 
In eene zee van bloedt: zie hoe mijn wonden druipen,
 
Die ik, in 't Gotsch gewest, door Titus raadt ontfing,
 
Van een daartoe gevloekt, en diergekochte kling.498
 
Uit hadt hy, en verdween.
Quiro.
 
Heeft Titus, door zijn Braaven,499
500
In vaaders bloedt gebaadt? ik zal mijn wraaklust laaven,
 
Door 't schenden van zijn kindt, in spijt van Bassiaan.501
Aran.
 
Die schelm moet eerst van kant, zoo gy na wraak wilt staan.502
Demetrius.
 
Eer zal de jammerpoel tot aan de starren steigeren,503
 
Eer ik mijn Vaaders schim de wisse wraak zal weigeren.
Aran.
505
Zoo dra als gy de roos van Rozelijna plukt,
 
Is 't noodigh dat gy haar de gladde tong ontrukt:
 
Zoo zal de schendery by haar, en u verblijven.507
Quiro.
 
Het derven van de tong, zal haar de handt doen schrijven.508
Aran.
 
Snijt haar de handen af.
Quiro.
 
Geen quaadt schijnt my zoo quaadt,
510
Of ik zal 't zelf bestaan.510
[p. 139]
Aran.
 
't Is een lofwaarde daadt.
Saturninus. Thamera. Titus. Markus. Aran. Quiro. Demetrius.
Saturninus.
 
Waar is ons wildschut? hou. waar Thamra met haar Zoone'?511
Thamera.
 
Hier isze met haar kroost.512
Saturninus.
 
O dochter van Latoone!
 
Begunstig onze jagt, maakt Saturninus bruidt
 
Verwinster van het zwijn: zoo offert zy de buit
515
Op 't vlak van uw' outaar.515
Aran.
 
Stafdraager van oudt Roomen!
 
Waar is het ongediert?
Saturninus.
 
Het is ons gins ontkoomen.
Titus.
 
Pollander en Melaan komt herwaarts met u volk.
 
Voort Lucius kom voort, bezet deez' modderkolk.
Markus.
 
Ik hoor mijn broeders stem. de bosschen zyn vol leevens.
Titus.
520
Klaudil en Gradamard lost all' de honden t'eevens.520
Bassianus.
 
Andronikus hou standt.
Lucius.
 
Hier Bassianus, hier.
Saturninus.
 
Elk went zich weêr naar 't bosch, op 't schichtig jagtgetier.522
Thamera. Aran.
Thamera.
 
Wat reeden heeft mijn lief dus ongerijmt te spreeken?523
[p. 140]
Aran.
 
Geveinsde Toveres, 'k zweer dat ik my zal wreeken.
Thamera.
525
Doe kundschap van uw' wraak.525
Aran.
 
O duldelooze smart!
 
't Is Aran in den mondt; maar Saturnin in 't hart.
Thamera.
 
Ik bidt mijn tweede ziel!527
Aran.
 
Zoo ga by Arans zwaager,
 
Uw' tweeden bruidegom, den grooten hoorendraager;
 
Hy toeft u gins in 't bosch: uw' list is my bewust.529
530
Ik zie den tijdt te moedt, dat uw' vervloekte lust
 
Op geilheidt afgerecht, zoo buiten 't spoor zal hollen,531
 
Dat 's Kaizers koets, ter sluik, staâg warm zal zijn van pollen:532
 
Wat zal het weeldrig hof vol aterlingen zijn!533
 
Een kuf vol zwagerschap.534
Thamera.
 
O woorden als fenijn!
535
Heb ik, door uwe raadt, de moordsteek niet gegeeven
 
Aan mijne Bedgenoot? op dat gy, na zijn leeven,536
 
Te veiliger zoud zijn op 's Konings ledekant,
 
Daar ik u heb gestooft met heete minnebrandt.538
 
Denkt gy alreets niet meer, hoe gy de doodt ontsnapte,
540
Toen ik wou dat men my, voor u, het bloedt aftapte?
 
Ondankbre lustgenoot, die Thamras gunst verschopt,541
 
Daar uwe dertelheidt zoo vaak meê heeft gepopt.542
Aran.
 
Toen ik in 't elzenbosch mijn lippen wou ververssen543
 
Aan uw' zarpzoete mont, omheint van purpre kerssen,544
[p. 141]
545
Stiet gy my ruggelings en deisde van my af;545
 
Dat mijn getergde min geen kleen bedenken gaf:546
 
Want *minnendyver ziet (zoo groot is haar vermoogen)
 
Door 't veinzen van een vrouw met meer dan duizent oogen.
 
Maar 't bleef hier noch niet by: voorts quam het Roomsch Gezag,549
550
Gy ylden hem te moet met zulk' een lief gelach,550
 
Als Venus, vol van gloedt, haar boelschap plach te naaken.551
 
Hy plukte met zijn mondt de roozen van u kaaken:552
 
Ik spoog mijn gal van spijt.553
Thamera.
 
Al wat ik heb gedaan,
 
Wierdt van den nood vereischt; had hy ons t'zaam zien staan,
555
Met onderling gekus, hoe zou zijn gramschap woeden!
 
Want yverende min wil t' allerquaadst vermoeden,556
 
Dies wees in all's gerust: want Saturnin de Vorst
 
Die leidt my op de tong; maar Aran in de borst.
 
Ik zweer u by mijn min! zijn hartâar af te stooten,559
560
Eer hy op 't bruilofsbedt zijn lusten heeft genooten:
 
Indien 't mijn lief slechts lust.
Aran.
 
Zijn dootslagh lust my wel;
 
Maar hier eist wysheidt eer men dit in 't werrik stel.562
Thamera.
 
Doe zoo 't u best geval.
Aran.
 
Wie zonder overwegen
 
Yet zorgelijx bestaat, vindt zich bywijl verleegen.564
565
Een die voorzichtigh is, is langzaam in zijn raân;565
 
Maar vaardig in het doen.
Thamera.
 
Wat kan ons teegen staan?
 
De kracht van uwen arm zal u een raadsman strekken.
Aran.
 
Een groote schelmery eischt tijdt om te voltrekken.568
Thamera.
 
Gebreekt het aan u macht?569
[p. 142]
Aran.
 
De manslag is gering,
570
Al waar 't in 't vlakke veldt, met een gestroopte kling;
 
Maar wat de leeuwenhuidt niet voegzaam kan bekleeden571-574
 
Zal 't vossenvel bekleên. hier dienen listigheeden.
 
Dit schelmstuk is niet rijp. den angel van 't verraadt
 
Bekleedt men door de tijdt, met een beveinst gelaat.
575
Uw' voorslag is te ruw'; men moet het eerst bedisselen.575
 
De beitel kan een blok wel in een beeldt verwisselen;576
 
Maar 't heeft zijn tijdt van doen. de tijdt die doet een spruit
 
Opwassen tot een boom; dies stelt de neêrslagh uit578
 
Van het Romeinsche hoofdt, de uur is niet gebooren
580
Van Saturninus doodt. Ik heb den val beschooren580
 
Van Titus huisgezin, en 't is alree zoo var
 
Dat dit in arbeidt gaat; eer Phoebus zijne kar582
 
In d'Oceaan bedelft, zal Thamera bemerken
 
Wat haar gehoonde lief aan Titus stam zal werken.584
Thamera.
585
Wat heeft u brein gedicht?585
Aran.
 
Ik heb uw' zoons zoo veer
 
Door myn beleit gebrocht, dat Rozelijnas eer
 
Van daag verwelken zal, en Bassianus sneuvelen:587
 
Klaudil en Gradamard zal ik van deeze heuvelen
 
Doen smooren in deez' put.589
Thamera.
 
Hoe zal 't dan voorder gaan
590
Met hunne jongste broêrs, Pollander en Melaan?
Aran.
 
Mevrouw weest maar gerust, ik weet het zoo te brouwen,
 
Dat elk de jongste zoons voor broederbeuls zal houwen.
 
Dies heb ik by dees put, dat hun de doodt zal doen,593
 
Een hellemet met goudt begraven onder 't groen:594
595
Daar toe heeft mijn vernuft, om 't schelmstuk op te tooien,
[p. 143]
 
Een zekre brief gedicht, die ik in 't bosch zal strooien;596
 
Die van 't begraaven goudt, en van de broedermoordt
 
Zal melden. Ai! schep moed, zoo krijgt de wraak een poort.
Thamera.
 
Hoedanig is de zin?599
Aran.
 
Mevrouw' die kanze leezen.
600
Wat dunkt u van 't bedrog?
Thamera.
 
Hier is in 't minst geen vreezen:
 
Het schellemstuk heeft schijn; maar elk is een soldaat;601
 
Dies wacht u voor de broêrs.
Aran.
 
Nooit lukt het quaadt zoo quaadt
 
Als d'achterdocht wel ducht: hoe stouter, hoe verwoeder,603
 
Hoe braaver uitgevoert; de stoutheidt is de moeder604
605
Van bloeiend' achtbaarheit; de achtbaarheidt van macht;605
 
En macht van overhandt, daar elk zijn heil uit wacht.606
 
Wie naar de goudmijn steekt, moet zich den arbeidt troosten.607
 
Wie naar de paarel duikt, in 't paarelrijke oosten,
 
Ontziet zich geen gevaar; zoo doet de Gotsche Moor,
610
Die zich geprikkelt vindt van een wraakgierge spoor.610
 
Ik zal tot op den troon van Saturninus klaaveren,611
 
Van waar myn wil, gelyk een strenge wet, zal daaveren,
 
Tot daar het zonlicht ryst; maar 't heeft zijn tijd van doen;
 
Wie dat hier teegens streeft, zal 't met zijn hals vergoên.614
Thamera.
615
O oorzaak van mijn min!
Aran.
 
O oorzaak van mijn lusten!
Bassianus. Rozelijna. Thamera. Aran.
Bassianus.
 
Hoe Thamra by de Moor?
[p. 144]
Rozelijna.
 
Ik zag dat zy hem kusten.
Bassianus.
 
Ik zag, en zie het noch. is, dit de Gotsche telg?617
 
Wat houd my, dat ik haar niet daadelijk verdelg?
Rozelijna.
 
Ai! Bassianus sta.
Thamera.
 
Gins zie ik iemant koomen.
Aran.
620
Vaar wel met deze kus.
Thamera.
 
Verschuil u by de boomen.
Aran.
 
Vaar wel Vorstin, vaar wel.
Thamera.
 
Wie raadt uw' liên zoo stout,621
 
Te koomen by de bron, daar Thamra zich onthout?622
Bassianus.
 
Wie raadt de Gotsche Vrouw de Gotsche Moor t'ontvangen?
 
Dien zy, gelijk een klis, aan zijnen mondt bleef hangen.
Thamera.
625
Ik zweer de laffe Prins!625
Bassianus.
 
Ik zweer de geile snol!
Thamera.
 
Ik zweer u andermaal!
Bassianus.
 
Zweer by uw' zwarte Pol.
Rozelijna.
 
Laat gy uw eerbaarheidt om zulk een schrikdier slippen!627
 
Om zulk een varkensmuil, met omgekrulde lippen!
 
Wat heeft u dus bekoort, zijn oogen vol van vier?629
630
Zijn krulde Satyrsbaard? zijn bakkes, als een stier?
 
Of 't hair, als lamre wol? of lompe ledematen?
 
Of is 't zijn platte neus, met opgespalkte gaten?
 
Ik schrik voor 't schriklijk beest, besmeert met schoorsteenroet.
[p. 145]
Thamera.
 
Hadt ik Dianas macht, mijn lust was al geboet634
635
Aan uw' vermetelheit.
Bassianus.
 
Uw' macht zal nimmer haperen,
 
Om Saturninus hoofd met hoorens te bekaperen,636
 
Als of 't Acteon waar.637
Thamera.
 
't Sa Bengel, ga van hier,
 
Met uw' albaste pop, voort dartle Venusdier,638
 
Ga flux uit ons gezicht. verlaat deez' groene bosschen:
640
Uw' kindsheidt is de roê noch naauwelijx ontwosschen.640
 
Hoe lang is 't wel verleên, zeg opgesmokte beeldt,641
 
Dat gy in 't kindrehof met poppen hebt gespeelt?642
Rozelijna.
 
Hoe lang is 't wel verleên, dat gy de Gotten hoonde,
 
Toen gy uw' Egemaal het hoofd met hoorens kroonde?
Thamera.
645
Hoe lang is 't wel verleên, dat gy met Bassiaan,
 
Hier in het eenzaam bosch, uw' minslust hebt voldaan?
Rozelijna.
 
Hoe lang is 't wel verleên, dat gy uw' helsche lusten,
 
In d'uitgestrekten arm van uwen broeder blusten?
Thamera.
 
't Was op de zelfden tijdt, dat Rozelijnas moêr
650
Haar bedt ontwijen liet van een Toskaansche boer.650
Rozelijna.
 
't Was toen uw' Vaader hem by zijne Moeder voegde,651
 
Die zijn vervloekte lust op 't bedt haars mans vernoegde.652
Thamera.
 
Zwijg Rozelijna, zwijg, uw' huis dat is berucht.
[p. 146]
Rozelijna.
 
Zeg alles wat gy wilt; maar zwijg niet van de vrucht654
655
Die gy by Aran hebt.
Thamera.
 
Wat was uw' eerste Vaader?655
 
Een speelkindt van godt Mars, een schellem, een verraader,656
 
Een moorder van zijn broêr, een die 't Sabijns geslacht,657
 
In 't midden van het spel, baldadig heeft verkracht.658
Bassianus.
 
Help Vaader Romulus!
Thamera.
 
Help Quiro! help uw' moeder!
Quiro. Thamera. Rozelijna. Demetrius. Bassianus.
Quiro.
660
Wat eischt mijn moeders schreeuw'?660
Thamera.
 
Doorstoot des Kaizers broeder;
 
Hy lastert onze stam: en boet uw' lust met haar.
Rozelijna.
 
O schelms wat is uw' doen?
Demetrius.
 
Dat wordt gy hier gewaar.
Thamera.
 
Stopt Rozelijnas mondt, hang 't lijk aan deeze struiken.
 
Verschuilt met Rozelijn, om haare roos te pluiken.664
Klaudillus. Thamera. Gradamard. Aran.
Klaudillus.
665
Waar is het ongediert?
Thamera.
 
Gins borst het uit een horn,665
 
En 't yld' eerst op ons aan, maar 't raakt in deeze born.666
[p. 147]
Gradamard.
 
Zoo is 't in ons gewelt.667
Klaudillus.
 
Zoo zal 't ons niet ontworstelen.
Gradamard.
 
Zacht, zacht, my dunkt ik hoor het ramlen van zijn borstelen.
Thamera.
 
Voort Aran, nu is 't tijdt.
Aran.
 
Leght daar vervloekt geslacht:669
670
Zoo zal 't uw' Vaader gaan, die my ten offer bracht.
Thamera.
 
Zoo moet men Titus stam tot aan de wortel snoeien;
 
Op datz', in eeuwigheidt, niet weeder komt te groeien.
Aran.
 
Ik heb den brief gestrooit: 't is tijdt dat yder vlucht.
Klaudillus.
 
Help, Vaader, help, help, help.
Markus. Gradamard. Saturninus. Lucius. Titus. Klaudillus.
Markus.
 
My dunkt ik hoor gerucht.
Gradamard.
675
Help, help, ik smoor.
Klaudillus.
 
Help, help.
Saturninus.
 
Het schijnt by deeze linden.
Titus.
 
Het is in deeze put.
Saturninus.
 
Men zal 't geheim wel vinden.
 
Voorts haal ons fakkellicht, om deur de duisternis
 
In aller yl te zien, wat hier verborgen is.
Lucius.
 
Hou standt, wie datge zijt; of melt u door het spreeken.679
[p. 148]
Markus.
680
Het is de Vorst zijn broêr.
Lucius.
 
Hy hangt en is doorsteeken.
Titus.
 
O heilloos schellemstuk! ô wreede dubble moordt!681
 
De eene door het zwaardt, en ander door de koordt.
Saturninus.
 
O broeder Bassiaan! ik zweer u doodt te wreeken,
 
Al zou het Roomsch gewest verzuipen in de beeken684
685
Van 't afgetapte bloedt.
Titus.
 
Al was 't mijn eigen zaadt,685
 
Zoo wil ik dat de wraak de handen aan hem slaat.
Markus.
 
O wakker jongeling, de donder moet hem pletten,
 
Die op uw' dappre borst de wreede kling durfd' wetten.
Lucius.
 
O driemaal wreede handt, die tot zoo boos een feit,689
690
Daar 's hemels heir voor schrikt, de stroppen hebt gedreit.690
Saturninus.
 
Moet ik mijn bruiloftswijn met bloedt en traanen mengen?
 
O doodelijke drank! de blixem moet hen zengen.692
 
Indien ik my niet wreek, zoo is mijn macht onnut.
Titus.
 
Kom herwaarts met de toorts, op dat men in de put,
695
Daar 't moordgeschreeuw' uit klonk, tot aan de gront kan kijken.
Markus.
 
Ik zie iets schemeren.
Titus.
 
My dunkt ik zie twee lyken.
Lucius.
 
Indien 't mijn vaader wil, zoo daal ik met 'er vaart697
 
In d'uitgedrooghde put; want hier bevindt men d'aard,
 
Ten grondt toe, uitgespat; zoo datm' 'er als langs trappen,699
700
Met toortslicht in de vuist tot op de grond kan stappen.
[p. 149]
Titus.
 
Ga voor, wy volgen u.
Saturninus.
 
O aller steeden stadt!
 
Die tweemaal twalef mijl, met uwe muur, omvat,702
 
Roem geen meer op 't getal van vierdalf hondert tempelen,703
 
Noch zevenhondert toorns: deez', die de hondert drempelen704
705
Van 't hooge Kapitool, als jongste Raadt, beklom,705
 
Eischt een verslagen hart. Och! vroeghgeplukte blom.
Titus.
 
O ramp! o groote ramp! o schrikkelijk vertoonen!707
 
Klaudil, en Gradamard, mijn levens waarde zoonen,708
 
Wie heeft u dus verdelght?709
Lucius.
 
Klaudillus herssenvat
710
Is t'eenemaal gescheurt, hier leit het brein gespat;710
 
En Gradamard, o schrik! is 't aanzicht heel aan mortelen.
Titus.
 
Op, op bloetgierge wraak, schiet uw' verwoede wortelen712
 
In Titus ingewand. ach Markus! ach! ach! ach!
Markus.
 
Men beurt de lijken op, en draagtze voor den dagh.714
Titus.
715
Ik haat, ik vloek den dagh, ja Titus schuwt zich zelven.715
 
Gy zult Andronikus in dezen put bedelven.
Markus.
 
Klim Broeder, klim, ai! klim.
Titus.
 
Deez' onderaardsche Mijn',717
 
Zal uwe broeders lijk tot eene grafsteê zijn.
[p. 150]
Lucius.
 
Zoo gy hier blijven wilt, wie zal de wraak aanschenden?719
Saturninus.
720
O Bassianus dood! O bronaâr van ellenden!
Titus.
 
Vervloekt', afgrijsselijk' en onverzoenbre daad,
 
Die God, op zijne troon, voor 't eeuwigh voorhoofdt slaat!722
 
Och! kan d'alziende zon aan 's hemels welfssel prijken,
 
Nu zy haar oogen slaat op deez' bebloede lijken?
725
O wee, ô barens nood! ô bitter ongeval!
 
Dat all' de Romers treft, maar Titus boven all'.
Saturninus.
 
Wraak hemel, hemel wraak.
Titus.
 
O schrik der dwingelande'!727
 
Die uwe donderkloot, en blixem t'zamen spande,728
 
En wurpze met uw' vuist op Typhons storremkat,729
730
Och! wreek u van dit bloed, dat u in 't aanzicht spat.
Markus.
 
't Is noodigh dat gy voort deez' zielelooze lijken,731
 
Op 't midden van de markt, aan yder een laat kijken:
 
Zoo worden de gemoên van 't burgerlijk geslacht,733
 
Naar eisch van burgerëedt, tot zulk een wraak gebracht,
735
Die d'overschelle Faam zoo yslijk uit zal blaazen,735
 
Dat zy met haar trompet het aardtrijk zal verbaazen.736
Titus.
 
Hier leit een brief gestrooit.
Markus.
 
Men geefze 't Roomsch Gezag,737
 
Op dat hy, zoo 't hem lust, den inhoud lezen magh.738
Saturninus.
 
Hier schuilt de schelmery.
[p. 151]
Titus.
 
Wie heeft het ons beschoren?739
Saturninus.
740
Verraadt, (helaas!) verraadt.
Titus.
 
Ik bidt u laat ons hooren.
Saturninus.
 
Pollander en Melaan: de wraak die heeft haar lust,741
 
Met Bassianus bloedt, alreê ten deel geblust:
 
Uw' broeders zijn verdelgt daar ik d'ontfangen gaaven
 
(Het loon van deeze moord) zorghvuldig heb begraaven,
745
Voor 't melden van de Faam. Het hof van Saturnijn'745
 
Heb ik ten dienst van u belooft aan Prozerpijn;746
 
Want die zijn hartenleet door leetdoen poogt te wreeken,
 
Moet nooit een schellemstuk ten halven laaten steeken.
 
Hoe Titus' uwe Zoons staan die naar onzen val?
750
Men zoek hier naar het goudt. wat braakt de nijdt al gal!
Titus.
 
Dit schelmstuk is gedicht.751
Saturninus.
 
Wie kan dat oordeel strijken?
Titus.
 
De tijdt, die 't al ontdekt, die zal 't de Vorst doen blijken.
Saturninus.
 
Wy wachten op geen tijdt, de blijken zijn te klaar.753
 
Uw zoonen zijn beticht. ons leven loopt gevaar,
755
Ten zy men uwe zoons zoo datelijk doet grijpen,
 
Om d'oorzaak van de moordt uit haare tong te nijpen.756
Thamera. Saturninus. Aran. Titus. Markus. Lucius. Quintus.
Thamera.
 
O waarde Bruidegom! hoe is uw' Bruidt gesleurt?
 
Het aangezicht doorkrabt, en 't lijfsieraadt gescheurt.758
[p. 152]
Saturninus.
 
Wie durfde zulx bestaan?759
Thamera.
 
Twee godtvergeeten schelmen;
760
Maar 't aangezicht vermomt met glinsterende helmen.
Saturninus.
 
Verhaal het stout bestaan.761
Thamera.
 
Ik schuilde by een bron,
 
In schaduw' van 't geboomt, voor 't braden van de zon;762
 
Daar ik, met enen schelp, een weinigh water schepte;763
 
En eer dat uwe bruit de frissche koeldrank lepte,764
765
Zoo greepme d'een by 't hair, en wurpme voort ter aardt,765
 
En sprak: o Kaizers hoer! men zal u, door het zwaardt,
 
Doen dalen naar het rijk der woede razernijen.767
 
Wat zwom ik in een zee van al te groot een lijen!
 
Ik schreeuwde dat het klonk. op 't ysselijk gerucht
770
Verscheen de Gotsche Moor. zy tegen op de vlucht;770
 
Maar Aran is als dol de schenders na gevloogen,
 
En zonder zijn ontzet, ik had mijn ziel gespoogen.772
Saturninus.
 
Op Ridders, Ridders op, wy zijn althans verraân!773
 
Bezet in aller yl de monden van de paân.774
Aran.
775
O wijtberoemde Vorst! uw' grontvest is aan 't spatten,775
 
Ten zy men Titus zoons zoo datelijk doe vatten,
 
En strafze met de doot. de wraak moet zijn voldaan.
Titus.
 
Wat oorzaak heeft de wraak naar Titus zoons te staan?778
Aran.
 
Zoo haast als 't woede zwijn mij zwijnspriet was ontkomen,779
780
Heb ik in 't nare bosch een naar geschreeuw' vernomen;780
 
Ik ging op 't schreeuwen aan, en vond Mevrouw' gevat;
 
Dies ik, getergt tot wraak, vol gramschap, derwaarts trad;
 
De schelmen aarzelden; maar ik, geheel verbolgen,
[p. 153]
 
Bestondt de vluchters met het naakte staal te volgen;784
785
Zy schuilden achter 't loof, en deên hun helmen af.
 
Toen kon ik Titus zoons, de schenners van uw' staf,786
 
Pollander en Melaan.
Saturninus.
 
Leef lang o eer der helden!
 
Die Saturninus bruidt in haare vryheidt stelden.
Aran.
 
Dit lemmer is den een ontvallen.789
Saturninus.
 
Dit geweer?
790
Hoe! 't is Pollanders kling; nu twijflen wy niet meer
 
Of Titus huisgezin heeft onze val geschapen.791
 
Ik ken 't vergult gevest; dit is den schelm zijn wapen.
Thamera.
 
Wat leggen hier voor doôn?
Saturninus.
 
De letters van dit bladt
 
Die hebben Titus zoons, met deze moordt, bekladt.794
Thamera.
795
Hun broeders, en uw' broêr zoo jammerlijk doen sterven!
Saturninus.
 
'k Wil dat men Titus zoons van lit tot lit doe kerven.
 
Elk geef zich boschwaart in, en zoek waar datze zijn,
 
En sleepze streng geboeit voor 't Recht van Saturnijn.798
Markus.
 
De Vorst die zie wel toe; 't zijn reedelooze dingen,799
800
Zoo onbewust een stuk d'onnooslen op te dringen.800
Quintus.
 
Hier is het heiloos goudt.
Saturninus.
 
Wat zeit de Vader nu?
Titus.
 
Ik zeg gelijk als 't is, dat ik voor 't schelmstuk gruw',
 
En zweer 't vervloekte feit op 't alderwreedst te loonen,803
[p. 154]
 
Tot zoen van uwen broêr, en mijn vermoorde zonen;
805
Maar waar het schelmstuk schuilt is duister om te raân.805
Saturninus.
 
Het duister is ontdekt; Pollander, en Melaan.
 
Zijn Titus eigen zoons.
Titus.
 
Wie heeft den brief geschreven?
Saturninus.
 
Die voor 't genoten goudt deez' moorden heeft bedreven.
Titus.
 
Een die de goude lof van mijne zoons benijdt,809
810
Die zy, in 't Gotsch gewest, verdienden in den strijdt.
 
Schoon 't waar, gelijk gy zegt: zoo porren mijne daaden,811
 
Die ik voor Romen deêdt, uw' wreedheidt tot genaaden.
 
Goedt roemens ben ik niet, o Roomsche Burgervoocht!
 
Maar wie kan 't heldenstuk (daar yder mond van boogt,814
815
Ja daar de Faam meê stoft) van Titus tong verzwijgen?815
 
Gedenkt u wel den tijdt van onze burgerkrijgen?
 
Wat was 't aaloude Room een yslijk moordtooneel!
 
Het Raadhuis vol verraadt; de Tempels vol krakkeel.818
 
Elk huisgezin gesplitst, het krielden in de straaten
820
Van felle plonderaars. de moord was uitgelaaten,820
 
En holden door de stadt. och! met hoe snelle schreên
 
Quam d'onverwachte doodt het Kapitool betreên.
 
Hier zagmen, tot veel leeds, het sloopen der gebouwen.
 
Daar 't woeden van de mans. gins 't kermen van de vrouwen.
825
Hier 't slepen van de doôn, die men van overal
 
Ten vensteren uitwurp. de markt was, met een wal
 
Van lijken, afgesneên, daar d'aangehitste gilden,827
 
Na 't schoppen van de Raadt, haar razerny op spilden.828
 
De Ridderschap bezweek. het graauw' was t'zaam gerot.
830
Elk vlamden op de buit, die zijnen erfgenot830
 
In twijffel hadt gebrocht, om hem te overleven,831
 
Wierdt van zijn erfgenot een mes in 't hart gedreven;
 
Zoo sloeg hier d'eigenbaat de handen aan zijn vrund.
 
D'een ging zijn schuldenaars betaalen, met de punt
[p. 155]
835
Van een vervloekte kling; een ander verft zijn handen,
 
Door een verjaarde wrok, in 't bloedt der bloedverwanden;
 
Een wreder blusten 't vuur van zijnen erfkrakkeel,837
 
In 't uitgespatte brein van 's broeders bekkeneel;
 
Zulk een durft 't felle staal in 's amptmans boezem wringen,839
840
Op hoope van zich zelf in 't oopen ampt te dringen.
 
Die zijne boelschap had bezwangert, door de tijdt,841
 
Die maakte zich, dat pas, de zwangre boelschap quijt.842
 
De balling, die zich vondt van 't burgerschap versteeken,843
 
Quam zich, met euvlen moedt, van 't heilig vierschaar wreeken.844
845
Geen schennis zoo vervloekt, noch gruwel zoo vol schrix,845
 
Noch wreedheidt zoo gehaat, en borst'er ooit uit Styx,846
 
Of 't ging 'er toen in zwang. de witbesneeuwde hairen
 
Verschoonden d'oude niet; noch d'onvolwasse jaaren848
 
De bloem des jongelings; noch d'achtbaarheidt de mans,849-850
850
Daar Roomen roem op droeg, in d'oorloog met den Frans;
 
Noch 't weenen kon de schaar der werelooze vrouwen
 
De breidelooze lust des schenders niet onthouwen;852
 
D'onnozelheid quam 't kindt in 't woeden niet te baat;853
 
Noch 't godgewijde kleedt den Priesterlijken staat.854
855
Het heiligdom was heel met gloejendt puin bedolven.
 
Men zag een zee van bloedt, in kerk en Raadhuis golven.
 
De Staatzucht greep uw' staf, en stak naar uwe kroon.857
 
Die dag quam Room te staan op dertigduizent doôn.
 
Wie kon de razerny, daar 't wijdberoemde Romen
860
Dat pas van zwanger ging, dan Titus tong, betoomen?860
 
Ik deêdtz' in reden staan; schoon dat de razery861
 
Na geene reeden hoort, zoo deêdtze 't toen naar my.862
 
Is dit mijn loon, dat ik uw' haardsteen, en outaaren
[p. 156]
 
Tot noch toe heb bewaakt, voor 't woeden der Barbaaren?
865
Dit 's uw' besolding dan, ô overoude Stam!865
 
Weeg al het goedt en 't quaadt dat ooit zijn oorsprong nam
 
Van Titus huisgezin, ik zweer u dat mijn deegen
 
Veel zwaarder dan de fout van mijne zoons zal weegen.
Saturninus.
 
Is 't billijk dat men deugdt met ware deugd bekroont?869
870
't Is billijk dat men 't quaadt met euvle wraak beloont.870
Titus.
 
Die zich uit euvel wreekt, die wreekt zich niet uit oordeel.871
Saturninus.
 
De wreeklust van de Vorst, die neemt zijn macht tot voordeel.872
Titus.
 
Die zich tyrannig wreekt, die schandvlekt zijne troon;
 
En maakt zijn onderdaan ten dienst van 's vyands kroon.874
Saturninus.
875
Door 't wreeken kan de Vorst de krijts zijns Rijx vergrooten.875
Titus.
 
Door 't wreeken werd de Vorst van zijne troon gestooten.
 
De Vorst die wreekt zich wijs, die door vergeeten wreekt;
 
Zoo maakt hy dat zijn faam tot door de wolken breekt.
Saturninus.
 
Daar 't quaadtdoen, door de straf, in teugel wordt gehouwen,879
880
Daar kan de Vorst zijn troon tot aan de starren bouwen.
Titus.
 
De wreedheidt, en de straf zijn ongelijk van waardt.
 
De streng bepaalde straf bestaat in 't wettig zwaardt:882
 
De wreedtheidt in het hart der wreede dwingelanden.
Saturninus.
 
De Vorst wreekt naar het leet de wraak een vierschaar spanden.884
Titus.
885
O Vorst! een reedlijk Vorst gebruikt in 't wreeken maat.
Saturninus.
 
Maar niet aan die zich heeft bezoedelt met verraadt.
[p. 157]
Titus.
 
Is 't zoo? de fout is groot, zoo groot dat ik moet yzen:887
 
Maar grooter de genaâ die gy ons kunt bewijzen.
Saturninus.
 
Die zelf geen schelm wil zijn, die moet de schelmery,
890
Tot zoen van 't heilig recht, bestraffen na waardy;890
 
Ook is 't onmogelijk, dat een oprecht geweeten,891
 
Tot nadeel van het Rijk, het quaadtdoen kan vergeeten.
Titus.
 
De hemel is te goedt, gelijkwe daaglijx zien,
 
Om iets onmogelijx aan 't sterflijk te gebiên;894
895
Indien het anders waar, zoo zijn 'er geen tyrannen,895
 
Die teegens 't aardsgeslacht zoo wreedt zijn ingespannen896
 
Als d'onbepaalde God, de geever alles goedts:897
 
Die, 't geen te bitter is, doormengelt met veel zoets.898
 
De Vorst die 't quaadt vergeeft, die wordt van alle tongen,
900
Schoon hem de doodt verslindt, een leevend lof gezongen.
 
De blijdschap van de wraak die duurt slechts voor een poos;
 
Maar van barmhertigheit, die is gantsch endeloos.
Saturninus.
 
De Vorst die zijn gemeent als straffeloos laat dwaalen,903
 
Die laat zijn mogentheidt van zijn gemeent' bepaalen.904
905
Hun wraaklust heeft te schelms in onze doodt gewrocht.905
Titus.
 
Uw' doodt scheen hunne wil; maar die is niet volbrocht.906
Saturninus.
 
Een onvolbrochte wil, geneigt tot schelmerije',907
 
Die straft men als volbrocht.
Markus.
 
O Voocht der heerschappije!908
 
Vergrijp u niet, ziet toe, men twijfelt aan de fout.909
Saturninus.
910
Wie twijfelt aan 't verraadt? hier is de brief, daar 't goudt.
[p. 158]
Markus.
 
Wierdt Palemedes niet, dien Phenix, die de Grieken911
 
Bestraalde met de glans van zijn vergulde wieken,
 
Door zoo vervloekt een brief, met landverraad beticht?
 
Dit 's een Ulysses vondt. de Vorst die is verplicht914
915
Tot nauwer onderzoek, eer hy dit stuk kan straffen.915
Saturninus.
 
Wy wreeken zoo 't ons lust: wie dart'er tegen blaffen?916
Titus.
 
Heel anders blonk oud' Room, toen d'elpebene staf917
 
Van 't Burgermeesterschap zich op het landt begaf,918
 
En huwden aan de spa, in schaduw van de elzen;
920
Toen 't Raadhuis en de ploeg elkander quam omhelzen920
 
Met onderlinge trouw; toen hier in 's Veltheers kas
 
Geen nodigh huwlijxgoed voor zoon noch dochter was;922
 
Noch dat men uit den boêl zoo veel by een kon haalen,923
 
Om 't lijkvuur van zijn heer, en doodbus te betaalen;924
925
Maar sedert dat de pruik, verlekkerd op sieraân,925
 
Met Kaizerlijke pracht van paarlen wierd belaân,
 
En dat de zijde keurs van goudt en zilver kraakte,927
 
En met een koningrijk, van helle stenen, blaakte;
 
Is all' haar glans bezwalkt. De staatzucht gaat in zwang.
930
Het Raadhuis wort gevreest, als een getergde slang.
 
Elk Rechter is een beul. de vierschaar wordt gespannen
 
Van holle woekeraars. de gouddorst maakt tyrannen.932
 
De Rechter weet het recht te buigen als een was:933
 
Of, zoo 't zijn boosheidt wil, te brijzelen als glas.
Saturninus.
935
't Ontbreekt uw' lippen niet ons achtbaarheidt te schelden935
 
Maar ons ontbreekt noch min uw' lastren te vergelden;
[p. 159]
 
Dies houd de wraak geen standt, voor dat zy haare lust937
 
Met uw' moordaadge zoons, tot walgens, heeft geblust.
 
Het oordeel is gevelt. Zy zullen 't niet ontkoomen.939
940
Voort, neemt de lijken op, en voertze binnen Roomen.
Markus.
 
Ik bidt voor broeders zoons, o aller vorsten Vorst!
 
Eer gy uw' groote deugt met menschenbloedt bemorst.
Titus.
 
Van godt gevloekte stadt, waar zijn uw' roembaar' eeuwen?943
 
Verduiveld wolvennest, en moordkuil vol van leeuwen!
945
Ik zie uw' val te moet; uw' oorloogstroon gesloopt,945
 
Het heilig recht onthult; de tabberd uitgestroopt,946
 
't Ontwijde Kapitool vol woede razernijen;947
 
Vol Sphynxen van bedrog, vol Hydren, en Herpijen;948
 
De handvest voor het graauw'; het kerkkelijk gebouw'949
950
De nachtuil tot een nest, de spin tot weefgetouw';
 
De huisgoôn in het vuur; de huizen heel verlaaten
 
Van Roomlus burgery; de kronkelende straaten
 
Bezwalpt van burgerbloedt; de Kollatijnsche poort953
 
Met lijken toegestopt, de Tyber roodt van moordt;
955
De markten ruig begroeit; en d'outaarkleên beschimmelen;955
 
Het eeuwig vuur geblust; vrouw' Vestas haardsteên grimmelen956
 
Van brullendt ongediert; de deugden zonder heul;
 
Alreê zie ik den slaaf zijn eigen meesters beul;
 
De zusters krans geschent van haar schenzieke broeder;959
[p. 160]
960
De dochter geeft vergift aan d'afgeleefde moeder;
 
De vader door de zoon, de zoon, door 's vaders staal,
 
Van 's levens grens geschopt; de vrouw haar egemaal,
 
De man zijn bedgenoot op 't bedt de ziel doet braaken;963
 
De voedster voedt het kindt met doodlijk spog van draaken,964
965
En schaft het tengre lam, aan 's moeders spit geroost,965
 
Op 's moeders eigen disch, die haar gebraaden kroost
 
Voor lekker wiltbraadt kauwt; hoe zal de Dondraar lijen,967
 
Als hy genaaken ziet zoo goddelooze tijen?
 
O Zon die 't al beziet! ondek de schelmery,
970
Daar ik, met mijne zoons, zoo onverhoeds, in gly.970
Rei van Roomsche en Andronisenzer Iofferen.
Zang.
 
Yder voeg zich om te toojen.971
 
Vlij de hagelwitte keurs.972
 
Sluit de tabberd rijk van ploojen,973
 
Met een gordel van veel kleurs;
975
Doet de paarlemoere pruike,975
 
Niet alleen naar balsem ruike;
 
Maar naar 't geurige himet:977
 
Streel de hairen, vlei de roozen,978
 
Hecht de sluijer aan 't toppet,979
980
Strikt de strikken op de broozen,980
 
Siert de borst met diamant,
 
Spaar noch oor- noch arremringen,
 
Tooi de poezelige handt
 
Met getal van vingerlingen,
985
Ingeleit met esmaralt,985
 
Daar het geurig' Oost meê bralt;986
 
Wat is Venus zonder gordel?987
 
Schoonheidt neemt sieraadt te vordel.988
[p. 161]
Tegen-zang.
 
Wegh met steenen, wegh met paarelen,
990
Hier eischt steen noch paarelsnoer;990
 
Want de traanen die hier dwaarelen,991
 
Stremmen nu tot perlemoer.
 
Krab het aanzicht, klop de borsten,
 
Smeek het hoofd der Roomsche Vorsten;
995
Al waar 't hart als diamant,
 
Zoo is 't tot medoog te smeeden,
 
Met de hamer van 't verstant,
 
Op het aanbeeldt van de reeden.
 
Waar de Minnemoer versierdt,999
1000
Toen Adonis was gebeeten,1000
 
Van het woedend' ongediert?1001
 
Venus heeft haar pruik gereeten,1002
 
Ja haar geurge roozenhoedt.1003
 
Val de Roomsche Vorst te voet.
1005
't Wapen van de Maagde reyen,
 
Dat bestaat alleen in schreyen.
Toe-zang.
 
Huw de klank der schelle luiten
 
Aan het spel der dertle fluiten,
 
Leid de Bruid met zulk een' galm,
1010
Met de sleep van haar gespeelen,1010
 
Langs een vloer van maagdepalm,
 
Naar de Roomsche wreektooneelen,
 
By haer lieve Bruidegom,
 
Die op d'oever van zijn leven,
1015
't Laatste kusje wenscht te geven,
 
Aan zijn kuische Maagdeblom.1016
[p. 162]

Het derde bedryf.

Markus. Rozelijna.
Markus.
 
Rampzaalge Rozelijn! vloekwaardig zijn de stonden
 
Van uw' geboortendag. wie heeft u dus geschonden,
 
In 't quikste van uw' lent? O lijdelooze spijt!1019
1020
't Schijnt dat de woede wraak my 't ingewand deurbijt.1020
Titus. Saturninus. Pollander. Melanus. Lucius. Roomsche rechters. Markus. Rozelijna.
Titus.
 
Kan ik de Roomsche Vorst niet meuken met de tranen,1021
 
Die, als een zoute zee, langs 't rimplend aanzicht banen?1022
 
Ik bidt u om de eer van uw' doorluchte stam;
 
Ik bidt u om de uur dat gy ter werreldt quam;
1025
Ik bidt u om de borst die uwe kindsheidt voede,
 
Dat gy u niet vergrijpt, door al te hevig woede.
 
Genaade groote Vorst, genaad, och! en geen recht;
 
Erbarm, erbarm u toch met uw' gebogen knecht.1028
 
Heeft Roomlus kindsgeschrei de wolven niet bewogen?1029
1030
Bestraal, bestraal uw' slaaf met straalen van medoogen;
 
Of is u hert verhart in yzer, daar de tijdt1031
 
Van mijn demoedigheidt haar tanden op verslijt?1032
 
Ik geef mijn hartebloedt, om't quaadt mijns zoons te boeten.
Markus.
 
Andronikus sta op.
Titus.
 
Ik kus de Vorst zijn voeten.
Markus.
1035
Rijs broeder, broeder rijs.
Titus.
 
Ik laat de Vorst niet gaan
 
Voor dat ik voor mijn zoons genaade heb ontfaân.
Markus.
 
Andronikus sta op, de Rechters zijn vertrokken.
[p. 163]
Titus.
 
Wat woel ik in een zee van duizent ongelokken!1038
Markus.
 
Och! broeder zie uw' kindt.
Titus.
 
Mijn uitverkooren roos!
1040
Hoe zijtge dus bebloedt?
Markus.
 
Z'is handt, en tongeloos.
Titus.
 
Hoe! handt, en tongeloos?
Markus.
 
Gelijk gy zelf kunt speuren.
Titus.
 
Hoe! handt en tongeloos?
Markus.
 
't Is nu geen tijdt van treuren.
Titus.
 
Hoe! handt, en tongeloos?
Markus.
 
Dit schellemstuk eischt wraak.
 
Hoe broeder! wel hoe dus! is broeder zonder spraak?1044
1045
Hoe is 't Andronikus? hoe zijtge dus verslaagen?
Titus.
 
Ik vindme veel te zwak om zoo veel ramps te draagen.
 
Hoe! handt, en tongeloos? is 't droom of spokery?
Markus.
 
Och! dat het spook mocht zijn.1048
Titus.
 
Mijn lieve honighby!
 
Wat voor een beulsche klaauw heeft zich aan u vergreepen?
1050
Voorzeker heeft de schelm zijn oogen toegeneepen
 
Toen hy dit schelmstuk wrocht; 't is wonder dat het zwaardt,
 
Toen 't uwe schoonheidt zag, zich zelf niet heeft geschaardt,1052
 
En aan de moordenaar de wreede sneê geweigert.
 
O gruwel die de Faam vol schrix in d'ooren steigert!1054
[p. 164]
Markus.
1055
Betoom uw' ongeval.1055
Titus.
 
Wie heeft zoo vinn'gen handt,
 
Die teegens Titus zaadt zoo wrevlig is gekant?1056
 
Geen halfgebraaden Moor, in 's werrelds andre deelen;1057
 
Noch woedend Arabier, op zijne moordtoonneelen;1058
 
Waar heeft de wrede Parth, in 't Kaspiaans gewest,1059
1060
Of d'ongastvrije Schyt, die 't hongrig aardrijk mest
 
Met dierbaar menschen bloedt, zich ooit zoo schelms vergreepen,1061
 
Dat hy op zulk een lam zijn slachtmes heeft gesleepen?
 
De felste Heniog ontslipten zijne dag,1063
 
In 't heetste van het woên, zoo hy 't afbeeldsel zag1064
1065
Van Rozelijnas beeldt, en zwoer by Taurus toppen1065
 
Zich zelfs verheert te zijn; verhangen in de stroppen1066
 
Van haar gekrulde pruik. O paarel van Euroop!
 
Hoe vloeit uw' mondt van bloedt, die vaak van nektar droop.
 
Zag Diomeed te rug, die zijne paarden voeden1069
1070
Met leevendt menschen vlees, hy deisde voor het woeden1070
 
Van Romulus geslacht: Prokrustes en Buzier,1071
 
Die eertijds zijt gevloekt, het alverteerend vier
 
Van uw' schenzieke handt is nu te Room' ontsteeken.1073
Markus.
 
Spreek Rozelijn, ai spreek! doe ons toch enig teeken
1075
Van 't goddeloos bedrijf. (helaas!) het is om niet.1075
 
Wie zal ons kundschap doen hoe 't schelmstuk is geschiet;
 
En wie de schenners zijn van 't puik der Roomsche maagde',
 
Die Saturninus broêr tot ene bruidt behaagde?1078
Titus.
 
Indien Apelles handt, met een bebloedt penseel,1079
[p. 165]
1080
Dit schelmstuk had gemaalt, wie zou het tafereel
 
Beschouwen, die het hart niet t'enemaal zou barste,
 
Eer zich een droppel nats uit zijnen oogen parste?
 
Of zoo de Poëzy, dat overduurzaam zout,
 
Dat aller eeuwen boek voor rotting onderhoudt,1084
1085
Aan 't ongeboren volk, deez' gruwlen komt te melden;
 
Wat zal men 't Roomsch geslacht voor tigeraardig schelden!
 
Mijn lieve Maagdelief! waar is de goude tong
 
Die Vaders goude lof met goude vaarzen zong?
 
Waar zijn de handen, die wel eer de dappre daaden
1090
In 's Vaders wapenrok, met zijd' en goude draaden,
 
Borduurden als Minerv'? de rammelende veêl,1091
 
De syter, en simbaal, gehuwt aan uwe keel,
 
Zijn nu als gadeloos.1093
Lucius. Titus. Markus. Rozelijna.
Lucius.
 
O overgrijze Vaader!
 
Wat staatme nu te doen? men scheldme voor verraader;
1095
Voor derde moordenaar; het Rijk is my ontzeidt,
 
Om dat ik met dit staal mijn broeders recht bepleit.
Titus.
 
Zie Lucius, ai zie! heeft uw' gezicht ook kennis1097
 
Aan dit mishandelt beeldt?1098
Lucius.
 
O gruwelijke schennis!
 
Mijn zuster Rozelijn.
Markus.
 
Haar tong is uitgesneên,
1100
Haar handen afgekapt.
Lucius.
 
Is 's menschen hart van steen!
 
Wie heeft mijn Vaders huis dit ongeval beschoren?
 
Heeft hemel, hel, en aardt ons vyandschap gezworen!
Titus.
 
Ik raas van ongedult, ik vloek, en weet niet wien.1103
 
Wie heeft 'er ooit op aardt zoo wreedt een stuk gezien?
[p. 166]
Aran. Titus. Markus. Lucius. Rozelijna.
Aran.
1105
Zeeghaftig oorloogsheldt, ik kom u tijding brengen,
 
Hoe dat men 't bloedt uw's zoons, door 't wettig zwaardt, zal plengen.
Titus.
 
Waar zal de slachtbank zijn?
Aran.
 
Dicht aan des Tibers boordt,
 
In 't aanzien van de stat; wiens marriktruime poort1108
 
Byna te barsten schijnt door d' aangedronge schaaren:
1110
De huizen loopen leêg; de vrouwen naar d'outaaren;
 
De mannen naar 't gerecht; het Kapitool is doodts;
 
En 't hof van Saturnijn gelijkt een ydle loots;1112
 
De waterkant die leeft: het grimmelt op de daken:1113
 
Al 't heir is op de been: de popelboomen kraken
1115
Van 't opgeklomme graauw'; de Tiber is bevloert
 
Van schuiten, vol van volk, van overal gevoert;
 
Een weereldt van gedrang begeeft zich in 't bosschaadie.
 
Zoo dra als uwe kroost de Roomsche wreekstellaadie,1118
 
Al sidderend, beklom, omheiningt met een stoet
1120
Van Saturninus wacht, elke stietze met de voet:1120
 
Wat mart het heilig Recht, begon 'er een te schreeuwen?1121
 
Men werpze voor den muil der hongerige leeuwen,
 
Of hang hun in de lucht aan een beschorste stam,
 
En sleep hen voort langs d'aard, en braadt hen in de vlam,
1125
En dompel hen in zee, in 't aanzien van hun tenten;1125
 
Zoo wordt de woede wraak der twe paar elementen1126
 
Naar haaren eisch voldaan, een ander riep: vaar voort,
 
En straft de moordenaars voor hunne broedermoordt,
 
Wy zullen 't laauwe bloedt de wraak ten offer brengen,
1130
En met de weifflend' asch van hun gebeente mengen,1130
 
En zuipen het, tot zoen van 't vinnig moordkrakkeel,1131
 
Uit d'uitgezogen schonk, en 't breinloos bekkeneel;1132
 
Zoo zal de wraak haar vuur ten deele konnen blussen.
 
Een ander riep: zie toe, de Vader zit op 't kussen,1134
1135
En voert het Roomsche heir; indien gy uw' vergrijpt,
 
Dat gy het moordgeweer, op Titus zonen, slijpt,1136
 
Zoo naakt de Roomsche val, die, als een pest, zal loopen1137
[p. 167]
 
Door 't ingewandt des Rijx, tot dat wy zijn verzopen1138
 
In 't afgetapte bloed; ja dat de vremdeling,1139
1140
Wanneer hy herwaarts reist, met groot verwondering
 
Zal zeggen: dit was Room; en met de vinger wijzen,
 
Hier zag men 't Kapitool, tot aan de sterren, rijzen;
 
Daar was godt Janus kerk wel eertijds opgerecht,1143
 
Maar nu een moordoutaar, door onderling gevecht;
1145
Van deez' gesloopte trans heeft Neroos oog gekeeken,
 
Toen zijn vervloekte lust de stadt aan brand deê steeken;
 
Op dat hy zou bezien, van d'opgesteegen muur,1147
 
Hoe Trooien branden door de gloedt van 't Griekse vuur.
 
Het graauw' hier door getergt, heeft op hem aangedrongen,1149
1150
En d'al te losse tong uit zijne mond gewrongen,
 
En trappeld hem op 't hart dat hy zijn ziel uitspoog,1151
 
En slurpten 't reutlend bloed zoo 't uit zijn aders vloog,1152
 
En scheurde 't ingewandt, en knaagd aan hun gebeente.1153
 
Zoodanig was het woên van Romulus gemeente.1154
Titus.
1155
O woekerende wraak! o reedenloos geslacht!1155
 
Gy zijt van 't ongediert op Taurus voortgebracht.1156
Aran.
 
De Roomsche val scheen toen te staan in haar geboorte;
 
Haar overstrijdbre muur, en driemaal twalef poorte',1158
 
En Tempels hemelhoog ontzetten zich van schrik;
1160
Men slibberden in 't bloedt in eenen oogenblik;
 
Men vocht met stok en steen; want wie zich poogt te wreeken,
 
Zal zelden wapentuig, in tijdt van noodt, gebreeken.
 
In 't midden van het woên genaakt' ons eene maagdt,
 
Als of 't vrouw Venus waar, daar Paphos roem op draagt;1164
1165
Ten kuiten toe gehoost, met purperverfde broozen;1165
 
Bemijtert met een krans van uitgepikte roozen;1166
[p. 168]
 
Gedost met wormgespin, dat glimprijk neêrwaarts plooit,1167
 
Van Pallas geborduurt, met diamant bestrooit;1168
 
Omgordelt met een riem by Venus riem geleken;1169
1170
De Zon die zou zijn toorts aan haar paruik ontsteken;1170
 
Haar tabbert kraakt van goudt, het hair hangt onvertuidt,1171
 
En golleft langs de rug, als 't hair van eene Bruidt.
 
Zoo klomz' op 't wreektoonneel, met neêrgeslagen oogen,
 
En heeft, tot driemaal toe, voor 't heilig Recht gebogen.1174
1175
Een yder was versaagt, en leide 't moordgeweer,
 
Met een verslagen moedt, voor haare voeten neêr.1176
 
O zegenrijke Vorst! (zoo sprak zy in het midden
 
Van 't grimmelende volk) ik kom uw' hoogheidt bidden
 
Om Titus jongste zoon, mijn lieven Bruidegom!1179
1180
De Vorst bleef sprakeloos, hoe! zeidze, zijt gy stom?
 
Gy zijt aan my verplicht, mijn eisch bestaat in reeden.1181
 
Gedenkt u wel de tijdt, dat Roomen wierdt bestreeden
 
Van 't Afrikaans geweldt? wie heeft het heir geschut?
 
De kassen waren leêg; de steeden uitgeput;
1185
Men riep om oorloogsvolk, maar 't roepen mogt niet baaten.
 
Daar geen bezolding is, daar zijn ook geen soldaaten.
 
Uw' Grootvaâr vol gevaar, verwachten, alle uur,1187
 
Het overzeesche heir voor d'onbemande muur.
 
Dat speet mijn moeders Moey; dies zy, met d'eer der Jofferen,1189
1190
Op 't hooge Kapitool eerbiedelijk quam offeren
 
Haar borst en halssieraat; de pruiken vol gesteent;
 
De gordels daar de zon haar schittering van leent;
 
De sluijers stijf van goudt; de keurssen vol simbaalen;1193
 
De ketens, zwaar van wicht; de goud' en zilvre schaalen,
1195
Met paarlen overzaait, die 't volk op Bacchus feest,
 
Ter kimmen toe vol wijns, met zorgelozen geest,1196
 
In schaauw' van wijngaardblaân elkander plach te bringen:1197
 
Zy gaaven, tot de krijg, hun oor en arremringen.
 
Zoo wierdt 't verlegen Rijk, door moeders moey', geredt.1199
[p. 169]
1200
De bulderende trom, en dreunende trompet
 
Die kreeg terstondt gehoor. der bondgenote steeden
 
Die stelden zich te werk, om wapentuig te smeeden;
 
Men gespte 't harnas aan, en gorde 't schittrend zwaardt,
 
En steeg, met speer, en schild, vol moeds, op 't moedigh paardt.
1205
De ploeg moest in de schuur; de zeissens wierden daggen;1205
 
De sluijers van 't toppet veranderden in vlaggen;1206
 
Men sloopten huis en hof, wel eer tot praal gebouwt,
 
En bezigden, uit nood, de balken, roodt van goudt,
 
En gulde wellefsels tot schepen en galaijen;
1210
De vrouwen schooren 't hair, om kabels van te draijen;
 
Men sloeg in aller yl, al wat tot windvang past,
 
Als wandt, en vloertapijt, voor zailen aan de mast.1212
 
O oude goude tijd! waar zijt gy nu gevloogen;
 
Zoo sprak de doodsche maagd, met traanen in haar oogen.1214
1215
Wy weten 't, zeidt de Vorst, al wat gy hebt gezeidt;
 
Dies zijnw' aan u verplicht; maar in de reedlijkheidt:
 
Dat 's aan uw' eigen stam; maar niet aan Titus kinderen:1217
 
Indienge 't Roomsche recht haar kracht niet wilt verminderen,
 
Zoo poog geen moordenaar te vrijen voor 't geweer.1219
1220
Die woorden quetsten haar, als een gescherpte speer.
 
Zy vloekte 't heilig recht, en 't hoofd der Roomsche Vorsten.
 
Zy krabden 't aangezicht, en klopte voor haar borsten,
 
En scheurde 't blanke vel met haare naagels op;
 
Zy wrong haar tuiten zaam, gelijk een beul zyn strop,
1225
En gordenz' om haar hals, met sidderende handen;1225
 
Zy kauden hare tong, en knersten op haar tanden;
 
Zy liep als een Bacchant; haar docht zy zag de Maan1227
 
De paarden van de zon in haar gareelen slaan.
 
Orest, de moederbeul, vertoont zich nooit verwoeder1229
1230
Op 't Grieksche treurtoonneel, als zijn vermoorde moeder,
 
Met toortslicht in de vuist, quam spooken om zijn koets,1231
 
En toonde haare borst, beklontert van veel bloeds.
 
De Vorst stond als een eik, die al zijn telgen kraaken,1233
 
Wanneer de dolle windt met wijtgespalkte kaaken,
1235
Komt buldren op zijn kruin. hy wist niet hoe hy zouw';1235
 
Nu dacht hy aan de moordt, dan dacht hy, zal de Vrouw'
 
Den jongsten van de twee, als Bruidegom verwerven?
 
Zoo is 't onbillijk dat ik d'outste hier doe sterven.
[p. 170]
 
Hy nam een kort besluit, en eischt' uwe rechte hand
1240
Tot zoen van uwe zoons; maar 't recht toond zich gekant,1240
 
En wil dat zy uw' zoons de sneê van 't zwaart doe voelen;
 
Op datze, met hun bloedt, het vuur des wraax verkoelen:
 
Dies zeg hoe datge wilt; de Rechtbank staat na straf.1243
 
Daar is de Vorst zijn eisch.
Titus.
 
Ik houwze daadlijk af.
Markus.
1245
Hoe broeder uwe handt! wie zal de sabel zwaaien,
 
Zoo gy de Roomsche Vorst met uwe handt wilt paaien?1246
 
Mijn handt is krachteloos; zy dient tot kling noch speer.
 
Hier Broeder, hier 's de mijn, kap af met uw' geweer.
Titus.
 
De mijn is afgeleeft: hoe kanze beeter strijen,
1250
Dan als zy, afgekapt, mijn zonen zal bevrijen?
Markus.
 
Dat sta ik nimmer toe.
Lucius.
 
Noch ik gedoog het niet,
 
Dat my zoo groot een' hoon door vaaders wil geschied.
Titus.
 
De mijne wordt geëischt voor uwe broeders leeven.
Lucius.
 
Schoon d'uwe wordt geëischt ik wil de mijne geeven.
Markus.
1255
Zacht Lucius, houw stant, hier Aran, hier 's de mijn.1255
Lucius.
 
Ik zweer u by mijn eer, het zal de mijne zijn.
Titus.
 
Dit worstlen is onnut, het moet de mijne weezen.
Lucius.
 
Och Vader! uwe handt, die yder een deedt vreezen?
Aran.
 
Noch gaat het naar mijn zin; maar noch moet 't anders gaan,1259
1260
Eer Saturninus kroon op Arans hooft zal staan.
 
't Huis van Andronikus heb ik alreê aan 't gijpen,1261
[p. 171]
 
Het wacht de jongste steek. het mes is weêr te slijpen,
 
Om Saturninus zelf te stieren naar het graf;
 
Zoo vlam ik op de kroon, en goude scepterstaf.1264
Titus.
1265
Hier is de goude handt, die handt, die met den deegen,1265
 
Ten dienst van 't algemeen, Granaden met een reegen1266
 
Van menschenbloedt begoot; die handt, die 't Duitsche volk1267
 
In d'Alpes heeft verheert; die handt, die Pontus kolk1268
 
Met lijken heeft bevloert; die handt, die d'Epirotten1269
1270
Deêdt sneuvlen in 't gebergt; die hand die 't heir der Gotten
 
Tot tweemaal heeft verdelgt; die handt, die Argos muur
 
Ten puinhoop heeft gebeukt; die handt, die 't oorlogsvuur
 
Zeeghaftig heeft geblust: die handt, die goude wetten1273
 
Voor Roomlus burgers schreef, moet die mijn zoons ontzetten?
1275
Daar Aran, daar's de handt; ga geeftze nu de Vorst,
 
En eischt zijn gramschap meer? zoo zal ik deeze borst
 
Ontsluiten met de kling, en 't kiemend bloedt aftappen;1277
 
Of wil hy Titus hart? zoo kom weêr herwaarts stappen,
 
En scheur het middelrif ten bangen boezem uit;
1280
Dan zult gy, 't hof ten dienst, mijn overtaije huidt,
 
Ten spieren afgestroopt, op 't bekkeneel gaan spannen;
 
Want zulk een keteltrom zal 't hoofdt der aards tyrannen1282
 
Noch kittlen, als hy zich, van brein en bloedt bespat,1283
 
Op zijne zeegenkoets laat rijen door de stadt.
Aran.
1285
Ik zal de strijdbre handt, tot zoen van uwe zoonen,
 
In 't midden van 't gedrang, aan Saturnijn vertoonen.
Titus.
 
Kom hier mijn Rozelijn, al lang genoeg verschuilt,
 
Wat is'er dat u deert? hoe zijt gy dus behuilt?
 
Is 't om uw' Vaders handt, dat bey uw' oogen leeken?
1290
Zy knikt, o God zy knikt! hoe gaaren zouze spreeken!
 
Schep moedt mijn kindt, schep moedt, ik wis uw' traanen af.
[p. 172]
 
Nooit heeft uw' Vaaders handt voor Saturninus staf1292
 
Zoo ridderlijk gestreên, by 't klinken der trompette',
 
Als nu in deeze strijdt, daar zy uw' broêrs ontzette.
Lucius.
1295
Wie heeft dit wreede stuk aan Rozelijn gewrocht?
Markus.
 
Ik vondze gints in 't bosch, en hebze voorts gebrocht,1296
 
Door dit gewaadt vermomt, daar ik het bloên deê stempen.1297
Lucius.
 
Kon ik het vuur mijns wraax in 't bloedt des schenders dempen,1298
 
Ik stelde my te werk.
Quintus. Titus. Markus. Lucius. Rozelijna.
Quintus.
 
O Roem van 't Vaderlandt!
1300
Ik breng (gelijk gy ziet) uw' afgekapte handt.
Titus.
 
Waar blijven mijne zoons, die Aran my beloofden?
Quintus.
 
Uw' zonen zijn onthalst, hier ziet gy bei de hoofden.
Titus.
 
Dat u de donder sla.
Quintus.
 
Dat ik de hoofden breng,
 
Is niet dan Arans last.
Markus.
 
Dat u de blixem zeng.
Lucius.
1305
Vlie flux uit ons gezicht.
Markus.
 
Mijn wraak is niet te temmen,
 
Voor dat ik in het bloedt des Roomsche Raads zal zwemmen.
Lucius.
 
Och Vaader! Vaader och! wat lijdt uw' huis al hoons!1307
 
Hoe wordt uw' stam gesnoeit, door 't slachten van uw' zoons!
 
Is Vaader sprakeloos? wie teugelt uwe lippen,
1310
Dat gy geen moordgeschreeuw uit uwe mondt laat slippen?
[p. 173]
Markus.
 
Hy is gantsch roereloos, en staat gelijk de geen,
 
Die door Meduzas pruik veranderden in steen.1312
 
'k Bezweer Andronikus, by mijn getergde tooren,1313
 
Dat hy zijn hartewee aan mijn gehoor laat hooren;
1315
'k Bezweer uw' stramme tong, by uw' mishandeld kindt;
 
By 't bloedt van uwe zoons; indienge zijt gezint,
 
Dit heilloos schellemstuk op 't allerwreedst te wreeken,
 
Dat gy uw' mondt ontsluit, en dwingt uw' tong tot spreeken.
Lucius.
 
Zoo gy een Vaaders hart in uwe boezem draagt,
1320
Zoo zeg ons, of de wraak u 't ingewant doorknaagt.
 
Spreek Vaader, spreek, ai spreek!
Markus.
 
De Hemel wil ons helpen;1322
 
De droefheidt bint zijn tong. wat ramp komt ons bestelpen!
Titus.
 
O wee! o wee! o wee!
Lucius.
 
Och Vaader! wat zal 't zijn?
Titus.
 
O wee! o wee! o wee!
Lucius.
 
Hoe pijnigt ons uw' pijn!
Titus.
1325
O wee! o wee! o wee!
Markus.
 
Waar zijn mijn broeders zinnen?1325
Titus.
 
Wraak Hemel, hemel wraak.
Markus.
 
Laat reeden u verwinnen.1326
Titus.
 
Wraak Hemel, hemel wraak.
Lucius.
 
Ik bidt u, weest toch stil.
[p. 174]
Titus.
 
Wraak Hemel, hemel wraak.
Markus.
 
Een die zich wreeken wil,
 
Ontveinst zijn ongeval.1329
Titus.
 
Wat zal mijn veinsplaats strekken?
1330
De werreld is te kleen om Titus leet te dekken.
Markus.
 
Het ongeluk is groot; ja overgroot, ik ken 't1331
 
Dat gy bevochten wordt met allerlei ellend;
 
Maar alles heeft zijn tijdt.
Titus.
 
Al waaren al de vlaagen
 
Van 't bulderende noord, en dolle donderslaagen,
1335
Tot een metaale stem, in Titus mondt, gesmeedt;1335
 
Zoo waarze krachteloos, om d'oorzaak van dit leet
 
Te melden na den eisch.
Markus.
 
Wy zullen ons noch wreeken,
 
Van die dit schellemstuk zoo schellems heeft besteeken,1338
 
Tot schennis van uw' huis; dies roep den Hemel aan;
1340
Want zonder 's Hemels hulp wordt hier niet groots bestaan,1340
 
Veel minder uitgevoert.
Titus.
 
De hemel stopt zijn ooren,
 
En wil my in het bloedt van mijne kindren smooren.
 
Ik roep de hel tot hulp: komt felle razery,
 
Komt dochters van de wraak, en voegt uw aan myn zy:
1345
Komt onderaards gespook, wy moeten ons noch baaden1345
 
In 't reutelende bloedt van vijfmaal honderd Raaden.1346
Lucius.
 
Hoe zijtge dus ontzint?1347
Titus.
 
Ik ben gelijk een schip,
 
Dat zich aan splinters stoot, op een onzichtbre klip.
[p. 175]
Markus.
 
Ik bidt, dat gy uw' tong, voor deez' tijdt, wilt betoomen:
1350
Uw' klachten zijn vergeefs, gy klaagt het aan de boomen.
Titus.
 
Wiens lot betreur ik eerst, tot teeken van veel smarts?
 
Pollanders, of Melaans? Klaudils, of Gradamards?
 
Of mijn bebloede handt, die 't slagzwaardt plach te draagen?
 
Of zal ik Lucius, in ballingschap, beklaagen?
1355
Of Rozelijnas ramp, die kuische maagdeblom?
 
Of Saturninus broêr, haar lieve bruidegom?
Lucius.
 
Verkrop uw' harte wee.
Titus.
 
O vinnige tyrannen!
 
Och Lucius! och! och! zijt gy altans verbannen?1358
 
Moet gy in ballingschap, naar 't koude Pontus, gaan?1359
1360
Heillooze ravenäas! dat u de moordt moet slaan.1360
 
O smart! o pijn! o doodt! hoe is mijn hoop verdweenen!
 
Hoe zal ik Lucius, hoe zal ik u beweenen?
Markus.
 
Andronikus schep moedt; ik zal u helpzaam zijn.
Titus.
 
Mijn kuische tortelduif, mijn lieve Rozelijn,
1365
De traanen, diege weent, zal ik met goudt doorbooren,
 
En hangen die, tot pronk, voor paarlen aan mijn ooren;
 
De drupplen van dit bloedt, vermengt met kristalijn,1367
 
Die zal ik voor koraal, voor flonkerendt robijn,1368
 
En zuiver amathisth, tot halssieraadt gebruiken;
1370
Met deze sprenkelen, als roozen op hun struiken,1370
 
Zal ik mijn lauwerier, en goude stevenkroon,1371
 
Op 't herelijxt, bekleên; zie! elk is een Adoon.1372
 
Stoft Tirus op de kuip van 't Vorstelijk scharlaaken?1373
 
De wakkre dageraadt op 't purper van haar kaaken?
1375
De zomerzieke May, die wenscht haar roozenhoedt1375
[p. 176]
 
Te verwen in de bron van dit geplengde bloedt.
 
O meer dan Philomel door Thereus mes geschonden!1377
 
Wat voelt mijn bange borst al doodelijke wonden!
 
Ik ben in lijfs gevaar.1379
Lucius.
 
Mijn vaader roept te luidt:
1380
Indien gy klagen wilt, zoo schudt uw' krop eens uit,1380
 
In 't binnenst van uw' tent.
Titus.
 
O overwaarde hoofden!1381
 
Vloekwaardig zijn de geen die u van 't licht beroofden;
 
Pollander, en Melaan, is dit voor al de deugdt,1383
 
Die gy voor Romen deê? de bloemen van uw' jeugdt
1385
Zijn t'eenemaal verdort in 't bloeienst van haar lenten.1385
 
O dubble hartewee! zijn al de elementen
 
Op Titus aangehitst? ik wreek my, eer de zon1387-1388
 
Haar heete straalen blust in aller vloeden bron.
 
Vervloekte Saturnijn! hoe zal ik uwe darmen,
1390
Uit d'opgescheurde buik, noch hasplen op mijn armen!
Markus.
 
Is Titus zinneloos?
Titus.
 
Klaudil, en Gradamard,
 
Die 't zaaligh zielenveldt, in 't leeven zonder smart,1392
 
Met uwe broêrs betreedt, in schaduw' van de boomen,
 
Zult gy geen kondschap doen, door wienge zijt gekoomen
1395
Aan zoo rampzaalge dood, op dat men 't schelmstuk straf?
 
Want ik zal uwen asch niet leevren aan het graf,
 
Of ik heb wraak gepleegt, aan die uw' leevens smoorden;
 
Schoon 't recht uw' broêrs beticht, die Saturnijn deê moorden.1398
Lucius.
 
Heeft vaader uitgeklaagt?
Titus.
 
O Bassianus ziel!
1400
Doe kondschap aan uw' broêr, wie dat uw 's leevens kiel,
 
Op d'oever van de doodt, zoo jammerlyk deêdt stranden.
Markus.
 
Hou op, 't is lang genoeg.
[p. 177]
Titus.
 
O roem van alle handen!
 
O handt! o dappre handt! daar 's vyands macht voor boog:
 
De zenuw' van de stadt, en d'appel van haar oog;
1405
Gy zijt door 's Kaizers eisch van deezen arm gehouwen.
 
O schellem! o tyran! ik zal 't vergift noch brouwen
 
Daar gy aan barsten zult. ween Markus, ween, ai ween!
 
En klop voor uwe borst met eene keizelsteen;1408
 
Gy moet uw' broeders zaadt, gelijk uw' broêr, beschreyen.1409
1410
Laat uwe dappre handt uw' hooft met asch bespreyen,
 
En krab uw' aangezicht.
Markus.
 
O Roomsche maagdenschaar!
 
Beweent mijn broeders zaadt, met ongevlochten haar;1412
 
En maak u aangezicht, door 't rollen van de traanen,
 
Gelijk mijn broeder doet, tot zoore pekelbaanen;1414
1415
Ik ben om broeders zaadt, tot in mijn ziel, ontstelt;
 
Zoo dat mijn bange hart byna aan traanen smelt.
Titus.
 
Hou op, elk heeft zijn deel, een yder voelt zijn lyen:
 
Maar al wat yder voelt, komt my alleen bestryen:1418
 
Beween uw' broeders ramp. hoe zijtge zoo versteent,
1420
Dat gy uw' broeders zaadt, en broeder niet beweent?
 
Voort spalk uw' groove keel, en val zoo naar aan 't huilen,1421
 
Dat bosch en berriggoôn zich voor 't geschreeuw verschuilen
 
In Kakus moordspelonk; 't is nu de rechte tijdt,1423
 
Dat elk, om Titus ramp, zich zelf aan traanen slijt.1424
1425
Ween Rozelijn, ween, ween, ontsluit de zuivre kraanen1425
 
Van uw' benaauwde borst, en stort de brakke traanen
 
In deeze watering, omheint van groeizaam lis,1427
 
Tot dat de varsche beek zoo zout als pekel is.
 
Zoo Lucius, zoo, zoo, laat zoo veel traanen druipen,
1430
Dat Roomen, in een zee van traanen, kan verzuipen,1430
 
Zoo Markus, dat gaat wel. stil Rozelijn, stil, stil,
 
't Schijnt dat het gantsche bosch met Titus treuren wil.
Markus.
 
O roem van 't Roomsche Rijk! gy zijt van daag gedraagen
 
Gelijk een Scipio, op Cezars zegenwaagen;
[p. 178]
1435
Betulband met lauwrier; begroet met handgeklap;1435
 
Omheiningt door 't gedrang van Roomlus Ridderschap;1436
 
Bemantelt met de praal van Saturnijns gewaaden;1437
 
De Borgermeesteren, en al de Roomsche Raaden1438
 
Geleiden uwe koets, in 't aanzien van de Nijdt.1439
Titus.
1440
Ha, ha, ha, ha.
Markus.
 
Wel hoe! 't is nu geen lacchens tijdt.
Titus.
 
Ha, ha, ha, ha, ha, ha; hoe zoud'ik konnen weenen?
 
Mijn boezem is verdrooght; mijn traanen zijn verdweenen;
 
Mijn hart is leeg geput; mijn ingewandt dat kookt;
 
Zoo heeft de wraak haar vuur in deeze borst gestookt;
1445
Een vuur als AEtnas vuur, een vuur als 't vuur van Trooien.
 
Ik brandt, (helaas) ik brandt, hoe kan ik traanen strooien?1446
Markus.
 
Betoon nu wie gy zijt, en wie gy eertijds waart,
 
Toen gy het Gotsche heir deêdt sneuvlen door het zwaardt.
Titus.
 
Van daar, noch eens van daar. weg weg, 't zijn beuzelingen.
1450
Zacht Markus, zacht, ai zacht! waarom zal Titus zingen?
 
Wat zeidt de domme loer? hoe yslijk gilt het zwijn!1451
 
Het gantsche bosch dat dreunt. hoe zegt gy Rozelijn?
 
Zwijg, zwijg, wy weeten 't wel. hoor! hoor! hoe kanze smeeken!1453
 
O hemel wat een vreugdt! mijn Rozelijn kan spreeken.
Markus.
1455
O zinnelooze held! dit woeden duurt te lang.1455
Titus.
 
Wie daar, is 't Titus? ja 't, ik ken hem aan zijn gang.
 
Sta Gradamard, sta, sta, gy zult my niet ontsnappen.
 
Voort, voort, Klaudillus voort, ik moet naa Styx toestappen.
 
Laat los Melaan, laat los, het is Pollanders Bruidt,1459
1460
Hier Aran, hier, kom hier, en krijt uw' oogen uit:
 
Hoe huilt de rekel dus? wat klimmen hier al spooken!1461
 
De zon bezwijmt van angst, de hel schijnt uitgebroken.
[p. 179]
Lucius.
 
O Vaader zie uw' zoon!
Titus.
 
Ik bidt u blijf niet staan:
 
Gy moet, met Vaader thans, naar 't Roomsche Raadhuis gaan.
1465
De Vorst heeft my ontboôn, en bouwt'er zelf zoo wakker
 
Aan 't huis te weezenbloedt, op aller weeuwen akker;1466-1476
 
In 't midden van de zaal, die overgoten is
 
Van weeuw' en weezenbloedt, zult gy de Vorst een disch,1468
 
Van weeuw', en weezenbeen, in aller yl, gaan stellen;1469
1470
Die alsins is bespreet met weeuw' en weezenvellen;1470
 
Hy heeft zijn wreede muil en tanden al gewet,
 
Om zijn vervloekte balg, op 't dierber moordbanket,1472
 
Van weeuw' en weezenvlees, tot walgens vol te vreeten,
 
Terwijl hy in 't geraamt der weeuwen is gezeeten,
1475
En zuipt het lauwe bloedt by 't holle harssenvat1475
 
Van een onnoosle wees.1476
Lucius.
 
Is vaaders brein bespat
 
Van Lethus domme stroom?1477
Titus.
 
Weg weg, de Vorst is dronken.
 
Hier komt de Kaizer zelf, en knaagt noch aan de schonken
 
Van mijn vermoorde zoons; 't bloedt loopt hem uit den bek.
Markus.
1480
Is broeder hersseloos?
Titus.
 
Wie staat daar achter 't hek?
 
Och 't is de Roomsche Raadt! o dood waar zal ik loopen?
 
De Beul staat al gereedt om Titus op te knoopen;
 
De ladder is gerecht; de stroppen al gedreit:
 
Genâ, genâ, genâ; wort my genaad' ontzeid?1484
1485
Wel hoe! waar blijft de dagh? my dunkt ik hoor iet fluisteren:1485
 
Zwijg Thamra, zwijg, ey zwijg! ik moet een luttel luisteren:
 
Ik hoor, maar 'k weet niet wat.
[p. 180]
Markus.
 
Verzet uw' ongeval:1487
 
Hier namaals komt de tijdt, die 't quaatdoen wreeken zal.
 
Gy zijt wel eer geweest der raadeloozen raader;
1490
De weeduwen tot voogdt; der vaaderloozen vaader;
 
Den burger tot een burg: een Kokles daar men stormt;1491
 
Een Kato in den Raadt: maar nu zijt gy vervormt.1492
Titus.
 
Onlijdlijk schellemstuk! ik zal de doodt verrassen.1493
Lucius.
 
Houw' vaaders handt toch vast.
Titus.
 
Ik wil de pekelplassen,
1495
Die Rozelijna weent, doormengen met mijn bloedt.
Markus.
 
Leg af het wreedt geweer: hoe zijtge dus verwoedt?1496
Titus.
 
Een gadelooze ramp is qualik te verzette;1497
 
Dies zal ik, vol van wraak, mijn brein en sabel wette:
 
De weêrwraak is getergt.1499
Markus.
 
Uw' wraaklust is te groot.
Titus.
1500
Een moedelooze ziel vreest altijdt voor de doodt.1500
Markus.
 
Een die voorzichtig is, die zoekt gebaande weegen.
Titus.
 
Geen weg is ongebaant, voor die zijn lust wil pleegen.1502
Markus.
 
Daar 't recht is, daar is Godt: vertrouw slechts op zijn macht.
[p. 181]
Titus.
 
De wraak is op de been: Godt heeft te lang gewacht.
Markus.
1505
Die 't woeden van de zee van d'oever kan beschouwen,
 
En stiert zijn kiel van landt, wordt redeloos gehouwen.
 
De zaak is vol gevaar.
Titus.
 
Het is geen eedel hart,
 
Dat, door de achterdocht, tot vrees gedreeven werdt.1508
 
Ulysses, en Achill' heb ik in een geschapen.1509
1510
Vernuft, en strijdbaarheidt, is 't allersterkste wapen.1510
Lucius.
 
Gy zijt, door broederschap, aan Vaaders huis verplicht.1511
Markus.
 
Ik vrees voor weederwraak.
Lucius.
 
Het leger dat hier ligt,
 
Dat is tot Vaaders dienst: het kan niet quaalijk vallen,1513
 
En zoo het quaalijk valt, zoo zal ik deeze wallen
1515
Bestormen met gewelt: wie zal ons weêrstand biên?
 
De vrouwen van haar mans? dat wil die liefd niet zien.1516
Markus.
 
Ik buig my naar uw' wil.
Titus schrijft met zijn vinger in d'aard.
Titus.
 
Geen grooter bergen leggen,
 
In d'ommering van d'aard, dan tusschen doen en zeggen;1518
 
Dies zweere wy elkaâr, hoe datmen 't Roomsche hof,
1520
Tot aan de grondvest toe, zal morsselen tot stof.
Markus.
 
Wat doet gy?
Lucius.
 
Vaader schrijft.
Titus.
 
Ik heb den eedt geschreeven.
[p. 182]
Markus.
 
Den eedt gevalt my wel.
Titus.
 
Het geldt den Vorst zijn leeven,
 
En al het hofgezin.1523
Markus.
 
De wraak verschoont geen vrundt,
 
Schoon dat het halzen kost.
Titus.
 
Men zweer nu op de punt
1525
Van 't wreekgeweer.1525
Markus.
 
Ik ben gereedt. leg aan.
Titus, Markus, Lucius.
 
Wy zweeren.
De geesten van Klaudil, en Gradamard.
Geesten.
 
Wy zweeren.
Titus.
 
Wel hoe! zouw' d'Echo wel de klank te rug doen keeren?
 
Men treê wat aan d'een zy.
Titus, Markus, Lucius.
 
Wy zweer.
Geesten.
 
Wy zweer.
Titus.
 
Wie baut ons na?
Markus.
 
'k Zie mensch, noch mensch gelijk.
Titus
 
't Is best men derwaarts ga.
Titus, Markus, Lucius.
 
Wy zweeren.
[p. 183]
Geesten.
 
Wy zweeren.
Lucius.
 
Wie mach 't zyn; wat wil ons hier vertoonen?1529
Titus.
1530
Och! 't is de naare galm van mijn vermoorde zonen.
 
Klaudil en Gradamard, ik ken u aan de spraak;
 
Wat wilt gy? spreekt, ai! spreekt.
Geesten.
 
Wy willen niet dan wraak.1532
Titus.
 
De wraak is al bestemt; meldt ons uw' moordenaaren.1533
 
Spreekt, spreekt, ai zonen! spreekt, hoe rijzen my de hairen!
Markus.
1535
Komt voegt u tot den eedt.
Titus, Markus, Lucius.
 
Wy zweeren 't Roomsche hof,
 
Tot aan de grondvest toe, te morselen tot stof:
 
Dat ons de donder sla, dat ons de aardt moet zwelgen,1537
 
Indien wy 't heilloos hof niet tot den grondt verdelgen.
Titus.
 
Nu vindt ik my gehardt, geharnast om de Vorst1539
1540
Het schitterende staal te wringen in zyn borst.
Markus.
 
Wat staat ons nu te doen?
Titus.
 
Wie dat zich poogt te wreeken,
 
(Zoo schrander is de wraak) zal zelden raadt ontbreeken.1542
 
Wy ylen naar de stat, blijf gy in uwe tent,1543
 
En stier voor d'avondstondt uw's broeders regement1544
1545
Tot ons verzekering, met vier van uw' Kornellen;1545
 
Wy zullen hun de wraak van ver eens voor gaan stellen;1546
 
En stemmen zy de moordt, zoo wordt u weet gedaan,1547
 
Door een geheimen brief.
[p. 184]
Lucius.
 
'k Laat alles op u staan.1548
 
Gelukt ons deeze daadt, zoo is 'er niet te vreezen:1549
1550
Zoo zal myn Vaader Vorst, en ik zijn nazaat weezen.1550
Lucius. Vier Kornellen.
 
Manhaftige Kornels, 't is nu de rechte tijdt,1551
 
Dat gy naar 't regiment van mijnen broeder rijdt,
 
En voert het steêwaarts in, de Veldheer zal u wachte.
Aran. Lucius. Quiro. Demetrius. Vier Kornellen.
Aran.
 
Hoe droeg haar Rozelijn, toen gy haar eer verkrachte?1554
Lucius.
1555
Men treê wat aan d'een zij, zoo krijgt men best gehoor.1555
Aran.
 
Hoe is Demetrius stom?
Lucius.
 
Het is de Gotsche Moor.
Demetrius.
 
Ik ben de eerst geweest, die 't maagderoosjen plukte.
Quiro.
 
Ik ben de eerst geweest, die haar de tong ontrukte.
Demetrius.
 
Ik sneêdt haar handen af, en tratze met de voet.
Quiro.
1560
Ik verfde 't aangezicht met 't uitgespatte bloedt.
Aran.
 
Is 't errenst dat gy zegt?
Quiro.
 
Gy moogt'er op betrouwen.
Aran.
 
Indien ik d'ondergang van Titus huis kan brouwen,
 
Zult gy my bystant doen?
[p. 185]
Quiro.
 
Die vraagt, het geen hy weet,
 
Die is geen antwoordt waard.
Demetrius.
 
Hoe zich Demetrius queet,
1565
In 't schenden van de maagd, dat kan mijn broeder tuigen;
 
Dies zal 'k my, na de wil van uwe wille buigen,1566
 
Indien het strekken zal tot Titus ondergang.
Lucius.
 
Op Roomsche Ridderschap: 't gedult duurt veel te lang.1568
 
Men loopt voort op hun aan.1569
Aran.
 
Wie komt ons hier bespringen?
Lucius.
1570
Die het gestroopte staal tot in uw' hart zal wringen.
Aran.
 
Eelaardig zaad, schep moed; elk weert zijn eigen lijf.1571
Lucius.
 
Leg af, leg af 't geweer.
Aran.
 
Daar is mijn tijdverdrijf,1572
 
Daar d'onverzade wraak haar kracht in heeft bezwooren.1573
Lucius.
 
Heillooze moordenaar! tot ons verderf gebooren,1574
1575
Meld ons uw' schelmery.
Aran.
 
'k Zal u myns leevens boek
 
Eens lezen, zoo 't u lust.
Lucius.
 
Uw' daeden die ik vloek?
Aran.
 
Ik groei in menschen moordt: 't was Aran, die de Nonnen,1577
 
In 't godgewijde koor, haar kuisheit heeft geschonnen;1578
 
't Was Aran, die by wyl, met zijn gelaarsde voet,
[p. 186]
1580
't Heilheiligheiligdom, bespat van menschenbloedt,1580
 
Dorst trappelen in 't puin der neêrgestorte daaken;
 
't Was Aran, die zich queet, in 't stroopen, moorden, blaaken;1582
 
't Was Aran, die zich heeft met moedermoordt beklat,
 
Toen hy haar buik op sneedt, en zag waar dat hy zat,
1585
Eer hy geboren was; 't was Aran, die de beenen
 
Der zuigelingen greep, en kneusdenz' op de steenen;
 
't Was Aran, die, in 't noordt, zijn geile minnelust,
 
Met eenen offerstier, voor 't outaar, heeft geblust;
 
't Was Aran, die, wel eer, zijn jongste broeder slachten;
1590
Wiens egemaal dat hy, op 't lijk haars mans, verkrachten;
 
Die hy door 't zelfde mes, dat haare man verriedt,1591
 
Noch roodt van 't bloedt haars mans, de blanke borst doorstiet;
 
't Was Aran, die de vrucht uit 's moeders buik quam rijten,1593
 
En ging 't mishandelt kindt in 's moeders aanzicht smijten,
1595
En dwong de vaader zelf te knaagen aan zijn zaadt;1595
 
't Was Aran, die zijn beeldt, dat noch in 't noorden staat,
 
Daar 't aangebeeden wordt, een marmrekerk deêdt bouwen;1597
 
En liet in 't hoogoutaar deez' goude vaarzen houwen:
 
Vaart voort boosaardig zaadt, hier na is straf noch heul.1599
1600
De doodt verstrekt de ziel als 't lichaam tot een beul.1600
 
Al wat uw' Vaaders huis van daag is overkoomen,
 
Dat is door my gewrocht.
Lucius.
 
Hoe zal ik my betoomen!
 
Wat houdt my, dat ik u niet datelijk doorstoot?
 
Vervloekte moordenaar, uw' wreedheidt is te groot.
Aran.
1605
De Wraak bewoont mijn hart: de Moordlust stiert mijn handen:
 
De Schenzucht stookt het vuur, dat my de lust doet branden;1606
 
De dertel' Overdaadt, de felle Dwinglandy,
 
De heete Stokebrandt, en d'arge Schelmery
 
Heb ik tot edelliên.
Lucius.
 
O goddelooze stukken!
1610
'k Zal u de wreede tong uit uwe mondt doen rukken,
 
En scheuren 't ingewant uit uw' verwoede borst.
 
O duivelaardig zaadt! dat staâg na wreedtheidt dorst.1612
[p. 187]
Aran.
 
Indien het Duivels zijn, die my tot wreedheidt porden,
 
Zoo zal ik, na mijn doodt, zoo wreeden Duivel worden,
1615
Als zich ooit heeft vertoont in het Romeinsch gewest,1615
 
En doen de menschen vliên, als voor de heete pest.
Lucius.
 
Voort, zet de moordenaar in een beslote waagen;
 
En doet hem, streng geboeit, naar Vaaders woning draagen.
Rey van Andronezenzer en Roomsche Iofferen.
Zang.
 
O godvergeete wolvenest,
1620
En zeteltroon der Aards Tyrannen!1620
 
Te vreezen als de doodsche pest,1621
 
Ghy hebt de roem der Roomsche mannen,
 
In 't bloeienst van hun jeugt geknot:
 
Hoe kon 't oneerlijke schavot1624
1625
Het eerelijke bloedt verzwelgen?1625
 
Al zuipt de wraak het bloedt voor wijn,1626
 
Zoo is 't te dier van zulke telgen.1627
 
Och! och! te wreede Saturnijn,1628
 
Indien, gelijk 't wel waar te wenschen,
1630
Het quaat geen herreberrig kreeg
 
In 't ruime hart der aardsche menschen,
 
Zoo bleeven al de kerkers leeg;
 
Men wist in 't Rijk van geen verbannen,
 
De bijl des Rechts waar voor de roest;
1635
Men hoefd de vierschaar niet te spannen;1635
 
Het heilig Raadhuis bleef verwoest,1636
 
En zou van Amptenaars verminderen;1637
 
De Vorsten waren voor 't gemeen,
 
Gelijk de poppen voor de kinderen,
1640
En niet om troonen te bekleên,
 
Daar yder voor 't gezicht moet yzen.1641
 
In 't Landt daar 't volk in straf vervalt,1642
 
Daar kan de Vorst zijn deugdt bewijzen;1643
[p. 188]
 
Maar Saturninus is vergalt:1644
1645
't Is waar, zy leefden om te sterven;
 
Maar niet dat hun de beulsche kling1646
 
De draadt des leevens zou doorkerven;
 
Hoe sturf de jongste jongeling?
Tegen-zang.
 
Hy sprak op 't hooge wreektoonneel:
1650
Hoe dus als uitgelaate wolven?1650
 
Indien de bron van 't moordkrakkeel,1651
 
Die 't borgerbloedt langs d'aard doet golven,
 
Te stoppen zy door onze doodt,
 
Zoo sla vry toe, de nek is bloot.
1655
Maar denkt niet datwe zullen sneuvelen,1655
 
Als broederbeuls, zoo voer hy voort,
 
Al staan wy hier op deeze heuvelen,1657
 
Beticht met zoo vervloekt een' moordt;
 
Hoe zal de Wraak haar slachtmes slijpen!
1660
Indien de wijdberoemde Vorst,
 
Zich zelf aan ons zoo komt vergrijpen,
 
Dat hy zijn handt met bloedt bemorst.1662
 
Het woên des Wraax is quaadt te toomen,1663
 
Daar een getrouwe bloedtverwandt,
1665
Het bloedt van zijne vrundt ziet stroomen.1665
 
Maar godt hoedt u en 't Vaaderlandt.
 
Toen sloot de Bruidegom zijn lippen,
 
En knielde voor 't meineedig zwaardt,1668
 
Dat hem de ziel uit 't lijf deê slippen,
1670
Het hoofd dat rolde voort langs d'aardt;
 
En scheen in 't lauwe bloedt te baanen;1671
 
De Bruidt die kroonde 't met haar krans,1672
 
En ziltent met een zee van traanen,
 
En zweem voort op het lijk haars mans.1674
[p. 189]
Toe-zang.
1675
Men vangt het bloedt in goude koppen,1675
 
Deurmengt met paarlemoere droppen,
 
Dat overkostelijke bloedt!1677
 
Men vangt het bloedt van zulke bronnen,
 
De drupplen zijn alreê geronnen,
1680
Tot roozen aan haar roozenhoedt;1680
 
Wat groeien hier al roozeboomen,
 
Langs d'oever der korale stroomen!1682
 
O leevendige purperbeek!
 
Gy leevert ons uit uwe mijnen,1684
1685
Een schat van gloeiende Robijnen;
 
Vergun dat ik mijn hulsel steek1686
 
In uw' Tiriersche verruwkuipen,1687
 
Die nu van dierzaam purper druipen;1688
 
Vergun my daar ik u om smeek:1689
1690
Zoo zullen al de goude doppen1690
 
Veranderen in roozeknoppen.

Het vierde bedryf.

Titus. De hoofden van Pollander, en Melanus.
De Geesten van Klaudillus, en Gradamard.
Klaudillus.
 
Andronikus.1692
Titus.
 
Ai my!
Gradamard.
 
Andronikus.
[p. 190]
Titus.
 
Ai my!
Klaudillus.
 
Op, op, Andronikus, volvoer de wraak, die gy
 
Zoo dier gezwooren hebt.
Titus.
 
Wie komt zich hier vertoonen?
Gradamard.
1695
Klaudil en Gradamard.
Titus.
 
Waar heen, waar heen mijn zoonen?
 
Het hair rijst my te berg! wat is 'er dat gy deist?1696
 
Hoedanig is de wraak, die gy van vaader eischt?
Pollanders hooft.
 
Een zoenelooze wraak.
Titus.
 
Aan wie zal ikme wreeken?
Melanus hooft.
 
Aan die onz' Vaaders val zoo schendig heeft besteeken.1699
Titus.
1700
Wie wrocht uw's Vaders val?
Pollanders hooft.
 
Gy zijt ten val gedoemt,
 
Van Gotlands wapengodt; of die zich zelf zoo noemt.1701
Titus.
 
O goddelooze Moor! gy zult voor 't schelmstuk boeten.
 
Hoe zal ik met de kling, in uwe boezem, wroeten.
Markus. Askanius. Titus.
Markus.
 
Hoe staat mijn broeder dus? wat is 't dat broeder peinst?
1705
Het is geen broeders hart, dat voor zijn broeder veinst.
Askanius.
 
Help, help, Grootvaader help.
Titus.
 
Wat doet mijn neefje krijten?1706
[p. 191]
Askanius.
 
Mijn moey, Grootvaaderlief, wil my dit boek ontrijten.
 
Daar komt zy uit de zaal, zy schijnt op my versteurt!1708
 
Ai lieve houtze vast! eer zy de blaaden scheurt.
Titus.
1710
Askaan mijn waarde neef, gy moet voor moey niet vreezen.
 
Wat wijst mijn lieve lam? wat is 't? moet vaader leezen?
 
Wat wiltge dat ik lees? is 't hier of daar gemunt?1712
 
Is 't hier rampzalig kindt?
Markus.
 
Zy wijst op d'eerste punt.1713
Titus leest.
Ovid 6 Boek der verschep.
 
Na dat hy in zijn landt, met Philomela, quam,1714-1722
1715
Brocht hy die schoone maagdt, om zijn onkuische vlam
 
Te blusschen, in een huis, omheint van oude boomen;
 
Daar zy, door vrees geparst, terwijl datz' in de stroomen
 
Van haare traanen zwom, om haare zuster riep:
 
Maar Thereus was als doof, zijn wondt was veel te diep:
1720
Hoe datz' haar zuster, en haar overoude Vaader,
 
En boven al de Goôn, tot hulp zocht, de verraader
 
Erbarmde niet, maar heeft de jonge maaght verkracht, &c.1722
Rozel. slaat Titus 't boek uit de hand.
Titus.
 
Is Rozelijn verkracht? is Rozelijn geschonden?
 
Haar eerelijke bandt zo eereloos ontbonden?1724
Markus.
1725
Zy knikt, o godt, zy knikt! (helaas) zy is verkracht.
 
Wie heeft deez' gruwelen, aan Rozelijn, gewracht?
Titus.
 
Verkracht! verkracht! verkracht! rampzaligst aller vrouwen!
 
Uw' zuiverheidt bemorst? uw' handen afgehouwen?1728
 
Uw' gallemrijke tong, uit uwe mond, gescheurt?
1730
O gruwelijk bedrijf! daar Godt en mensch om treurt.1730
 
Verkracht? verkracht? op wraak.1731
[p. 192]
Markus.
 
Zoudt gy den schelm wel kennen,
 
Indienge spreeken kond, die u zoo schelms dorst schennen?1732
 
Kom hier mijn lieve nicht, zijn u de handen af,
 
Zoo leer van uwen Oom, hoe dat hy met zijn staf
1735
Zal schrijven in het zandt. daar staat mijn naam geschreeven.
 
Zoo gy de wreede beul, die 't schelmstuk heeft bedreeven,1736-1737
 
Zijn naam, gelijk uws Ooms, kont schrijven in het zandt,1737
 
Zoo is hy leevenloos.1738
Titus.
 
Zoo zal ik, door deez' handt,
 
Het overgeile bloedt voort uit zijn aadren pompen.
Markus.
1740
Vat eerst met uwe mondt; stier nu met bei de stompen.
 
Schrijf niet te dicht in een.
Titus leest.
Door Thamra, Arans hoer,1741
 
Is Rozelijn verkracht, van Quiro, en zijn broêr1742
Demetrius.
 
O spijt! o godvergete lusten,1743
 
Die uw' vervloekte brandt, met zulk een schepsel, blusten!1744
Markus.
1745
Nu is ons 't stuk bekent.1745
Titus.
Door Thamra, Arans hoer,
 
Is Rozelijn verkracht, van Quiro, en zijn broêr
Demetrius.
 
O spijt! o godvergete lusten,
 
Die uw' vervloekte brandt, met zulk een schepsel, blusten!
Markus.
 
Nu dient ons niet dan wraak.1749
Titus.
Door Thamra, Arans hoer,
1750
Is Rozelijn verkracht, van Quiro, en zijn broer
Demetrius,
 
O spijt! o godvergete lusten,
 
Die uw' vervloekte brandt, met zulk een schepsel, blusten.
[p. 193]
Askanius.
 
Wat deert Grootvaader lief? is u 't verstant ontrooft?
 
Ik zal de moorderen hun oogen uit het hoofd,
1755
Ja zeker Grootvaâr lief! met deze handen scheuren.
Titus.
 
Uw' kindsheidt is te zwak.1756
Askanius.
 
Gy zult wel anders speuren.
 
Ai! denk niet dat Askaan voor zulke schelmen gruwt;1757
 
Heeft Herkles, in zijn wieg, twee slangen doodgeduwt?1758
 
Hoe veel te meer zou ik? ik ben de wieg ontwossen,1759
1760
Ik slaap al zonder Min, ik draag al vederbossen.1760
Titus.
 
Mijn neefjen is te jong, het stuk is u te zwaar.1761
Askanius.
 
Ik ga, Grootvaader lief, al in mijn tiende jaar.1762
 
Mijn Vaader heeft gezeidt, als ik zoo mooy kan leezen,
 
Als Alexander neef, dan zal 'k een Ridder weezen,
1765
En draagen een rapier, en rijen op een paardt
 
Met een vergulde zaâl. ai! geefme maar een zwaardt,
 
Ik zal de schenners strax de wreede buik op snijen.1767
Titus.
 
O roem van Titus stam! de moedt zou u ontglijen
 
Dat gy de schenners zaagt.1769
Askanius.
 
Meent Grootvaâr dat ik schrik?
1770
Ik durf wel alle daag, ja yder oogenblik,
 
Als ik voor 't outaar sta, met onze huisgoôn spreeken.
Titus.
 
Het zal u niet aan moedt, maar aan de macht ontbreken.1772
 
O zoon van Titus zoon! die in de dageraadt
 
Van uwe lenten zijt; manmoedige soldaat!
1775
Gy zult de Kaizers staf als Cezars nazaat zwieren;1775
 
De paarelrijke kroon zal u de kruin versieren.
Markus.
 
Ik ga naar 't buitenhof, en pas op 't regement.1777
[p. 194]
Titus.
 
Ik schrijf aan Lucius, zoo wordt hem 't stuk bekent.
Thamera. Titus. Quiro. Demetrius.
Thamera.
 
Andronikus.
Titus.
 
Wie daar?
Thamera.
 
Ik kom door 't aardrijk breeken,
1780
Om met mijn Speelgenoots uw' ongeval te wreeken.
Titus.
 
Wie zijt gy?
Thamera.
 
Wie ik ben? ik ben de Wraakzucht zelf,
 
Geboren uit de schoot van 't onderaards gewelf.1782
Titus.
 
't Is Thamra met haar zoons, hier dienen veinzerijen:1783-1784a
 
De spraak heeft haar verraân. kom wreexter van mijn lijen!
1785
Kom langverwachte Wraak! zijt driemaal wellekom!
 
Mijn overschoone Bruidt! hier is uw' Bruidegom.
 
Ik bidt u om een kus, want zulke roode kaaken
 
Doen Titus ingewandt in uwe liefde blaaken.
Thamera.
 
Andronikus sta af, mijn aanzicht ziet te naar.1789
Titus.
1790
Die uwe schoonheidt ziet, die komt in groot gevaar;
 
Want mint hy, door het zien, uw' aanzicht vol van glooren,1791
 
Zoo toont hy zich verwaant; blyft hy gelijk bevrooren,1792
 
Zoo is hy zonder brein: maar wie is zoo verstaalt,1793
 
Die uwe schoonheidt ziet, en niet in min verdwaalt?1794
1795
Dies houw dan niet voor vremt, in 't raadhuis van uw' zinnen,1795
 
Dat ik (nu ik u zie) uw' schoonheidt moet beminnen.
Thamera.
 
Heeft liefde zulk een' kracht?
[p. 195]
Titus.
 
O tergster van mijn Min!1797
 
In liefd bestaat het al. de liefd is het begin,
 
Het midden, en het eindt van menschelijke dingen.
1800
De liefde kan het hart, al was 't van staal, doordringen.
Thamera.
 
Uw' liefd' die is gedaan, uw' leeven loopt ten endt.
Titus.
 
Ik ben een jongeling in 't jeugdigst van mijn lent!
 
O suikerzoete Vrouw'! o poesle ledematen!
 
Uw' ving'ren zijn versiert met paarlemoereplaten;1804
1805
Uw' mond met mildt robijn, spijt Ganymedes kelk;1805
 
Uw' kaak met roozebloedt, op spierwit lelimelk;
 
Uw' zacht albaste borst met purpre kerssebronnen;
 
Uw' hals met leenigelp; uw' oogen met twee zonnen;1808
 
Uw' tanden met yvoor; uw' pruik met schittrendt goudt;
1810
Uw' toverende lach met zedigheidt gezout.1810
 
Gelijk de goude zon de zilvre maan doet wijken,
 
Zoo doet gy Venus zelfs haar schoonheids wimpel strijken.
Thamera.
 
Is 't errenst datge zegt?1813
Titus.
 
Mijn zuchten zijn verliefd,
 
Zoo heeft uw' schoone glans mijn stale borst doorgrieft,1814
1815
D'een nestelt onder 't dak van uw' vergulde hairen,1815
 
Die 't Minnegootjen haalt om zijne boog te snaren;1816
 
Een ander, bluscht zijn brandt in d'aassem van uw' mondt;
 
Een ander kust uw' kaak; een ander, maakt zijn wondt
 
Een gasthuis van uw' krop; een ander, noch wat grager,1819
1820
Kruipt by uw' boezem in, en daalt te met wat lager1820
 
Naar Venus lustpriëel, in 't dartle roozendal,
 
En plukt de weelge blaân.
[p. 196]
Thamera.
 
Andronikus houw' stal;1822
 
Uw' vrijen loopt te hoog.1823
Titus.
 
Te laag wil wraakzucht zeggen.
 
Kom gaanwy hier in 't bosch, en vryen langs deez' heggen.
Quiro.
1825
Zijn harssens zijn ontstelt.1825
Demetrius.
 
Hy ziet gelijk een stier.
Titus.
 
Mijn hart dat wordt gebrandt door een wraakgierig vier.1826
Thamera.
 
Zoo gy uw' hartewee door wreeken wilt betoonen,
 
Zoo zet de wraak te werk aan d'outste van uw' zonen;
 
Want wat'er is gewrocht, dat is door hem gedaan;
1830
Hy was 't die 't goudt begroef; door hem is Bassiaan
 
Zoo deerelijk vermoordt: nu heeft hy 't mes te wetten,1831
 
Om zich, door menschenmoordt, op 's Kaizers troon te zetten.
Titus.
 
Geveinsde moorderes, ik merk uw' schelmery.1833-1834a
Thamera.
 
De Vaader staat verbaast.1834
Titus.
 
Kom voeg u aan mijn zij.
1835
Mijn Dido! mijn Heleen! komt hier mijn trekkebekken,1835
 
Die 't goddeloos verraadt aan Titus komt ontdekken.
 
Poogt hy de Roomsche Vorst te stieren naar zijn graf,
 
Om zoo, door 's Kaizers doodt, te raaken aan de staf?1838
 
Dat sta ik nimmer toe: al had ik duizend leevens,
1840
Zoo zijnze voor de Vorst: ik zal mijn wraaklust t'eevens1840
 
Betoonen aan die schelm, die wreeden Broederbeul.
[p. 197]
Thamera.
 
De doodt van Bassiaan, die zal den Vaader heul1842
 
Doen krijgen by de Vorst, om 't schelmstuk fel te wreeken.
Titus.
 
Ik zal den moordenaar de wreede strot afsteeken.
Thamera.
1845
Dat is dat Thamra zoekt.1845b-1846
Titus.
 
Gy staat naar Titus val;
 
Maar 't staal is al gewet, dat u doorstooten zal.
 
Ik zal de Roomsche Vorst met zijne bruidt ontbieden,
 
En melden 't gantsche stuk.
Thamera.
 
Laat ons maar derwaarts vlieden;1848
 
Ik zal de boodschap doen.
Titus.
 
Neen geurge balsem spruit:
1850
Dat Saturnijn u zag, hy liet zijn schoone bruidt,1850
 
En viel voor u te voet, om 't zoet uws monds te leppen.1851
Thamera.
 
Ik zal my in den schijn van uwe boô herscheppen.1852
 
Heb ikme vaak verkeert in leeuw, in beer, in zwijn?1853
 
Die goddelijke macht zal niet verandert zijn;
1855
Wy vormen ons bywijl in bergen, en in boomen,1855
 
In lucht, in aardt, in vuur, in winden, en in stroomen,
 
In bloemen vol vergift, dat dieze naaulijx ruikt,1857-1858
 
Eer hy zich ommekeert, de doodt zijn oogen luikt.
Titus.
 
Ga wraakzucht, ga, ja vlieg, en zeg het hoofdt van Roomen,
1860
Dat hy met zijne Bruidt zoo daad'lijk hier moet komen,
 
Om zaaken van belang: de tijdt lijd geen verzuim;1861
 
En groet hem uit mijn naam.
Thamera.
 
Wy vliên gelijk een pluim.1862
Titus.
 
Hoe gaat gy alle dry? uw' speelnoots moeten blijven,1863
[p. 198]
 
Zoo zullen zy mijn hart noch meer tot wraaklust drijven:
1865
Ik bidt u ga alleen.1865b-1866
Thamera.
 
Nu zal ik Titus huis,
 
Tot nootweer van de Moor, verpletteren tot gruis.1866
Titus.
 
Ga heen vervloekte hoer: nu zal de tijdt genaaken,
 
Dat ik van uwe buik het graf uws zoons zal maaken.
 
Hou Markus, Tacitus, Philippus en Kamil,1869
1870
Kom herwaarts met uw' stoet.1870
Quiro.
 
Ai! Titus, zwijg toch stil.
Titus.
 
Waar blijft de kamerwacht? waar zyn de dienstbre slaaven?
 
Mijn lijftrauwanten hou! kom al t'zaam herwaarts draaven.1872
 
Hoe is 'er geen gehoor?
Markus. Titus. Quiro. Demetrius. Tacitus. Philippus. Kamillus.
Markus.
 
Andronikus, wat is 't?
Titus.
 
Wie meentge, dat hier staat?
Markus.
 
't Zijn Thamras zoons.
Titus.
 
Gy mist.1874
Markus.
1875
Ik zweer 't zijn Thamras zoons.
Titus.
 
Uw' oogen zijn beneevelt.
Markus.
 
'k Heb al haar doen gezien.1876
Titus.
 
Zwijg Markus, zwijg, gy reevelt:
 
't Zijn speelnoots van de Wraak.
[p. 199]
Markus.
 
Ik heb de broeders zelf,
 
Verzelschapt met hun moêr, zien stappen naar 't gewelf.1878
 
Het veinzen heeft nu uit.weg met de pruik van slangen:
1880
Weg met de duivels kleên, gy zijt althans gevangen.1880
Titus.
 
Wel Broeders, wel hoe dus? vervormt u nu in vier,
 
Of in een waterstroom, of in een wilde stier;
 
Kont gy u zelleven verwisselen in winden,
 
En laat gy u althans van menschen handen binden?
Demetrius.
1885
Wy bidden lijfs genâ.
Titus.
 
Toen Rozelijna badt,
 
Wie heeft met Rozelijn medogenheidt gehadt?
 
Dies zal ik u de neus flux uit uw' aanzicht bijten,1887
 
En al wat manlijk is van uwe lichaam rijten,
 
En stroopen u de huidt, al leevendig van 't lijf,1889
1890
En steeken u aan 't spit; en schaffen 't helsche wijf,
 
Uw' godvergete moêr, de gaargebraaden schinken:1891
 
En geeven haar uw' bloedt, met wijn doormengt, te drinken.
Quiro.
 
Wy zijn, door Arans raadt, tot deze fout gebrocht.1893
Titus.
 
't Was uw vervloekte lust, die 't schelmstuk heeft gewrocht.
Markus.
1895
Nu broeder vaar maar voort, de tijdt lijdt nu geen rekken:1895
 
Of treedt gy aarzeling?1896
Titus.
 
Komt herwaarts met een bekken.
 
Hier Rozelijn, kom hier, wreek u van 't schellemstuk,
 
Terwijl ik met dit mes de wreede borst opruk.1898
 
Hoe staatge dus? wat is 't? ontbreekt het u aan handen?
1900
Scheur Quiro 't middelrif, met uw' bebloede tanden,
 
Uit de'opgesnede borst, uw' ramp heeft u verplicht.1901
 
Daar, spuw 't moordadig hart in 's moorders aangezicht.
 
Voort, voort Demetrius, men zal u als uw' broeder,
 
Door Titus mes geslacht, doen schaffen voor uw' Moeder.1904
[p. 200]
1905
Daar leit het ingewandt, bedooven in het bloedt,1905
 
Dat tegens Titus huis zoo schendig heeft gewoedt.1906
Bode. Titus. Markus.
Bode.
 
De Vaader zy getroost, de Moor is nu gevangen.1907
Titus.
 
Door wien?
Bode.
 
Door Lucius.
Titus.
 
'k Zal hem zijn straf doen langen.1908
 
Waar is hy? in wiens tent?
Bode.
 
Hy is al binnen wals,
1910
In een besloten koets.
Titus.
 
Zoo is de schelm om hals:1910
 
En al die Titus huis zoo wreedelijk bestormen.1911
 
Hoe zal ik 't Roomsche hof van deeze nacht vervormen!1912
Markus.
 
Al wat mijn broêr bestaat, dat zal ik meê bestaan.1913
Titus.
 
Het moet'er nu meê door, 't zy hoe 't ook mach vergaan.
Rey van Andronezenzer Iofferen.
Zang.
1915
Is Rozelijnas roos geplukt?
 
Haar poesle handen afgesneeden;
 
De tong uit haare mondt gerukt,
 
Die 't allerhardste hart kon kneeden?
 
De glans van uw' volmaakte leest,
1920
Heeft u dit ongeluk beschooren;
 
Veel zaalger waar 't mismaakt geweest,1921
 
Dan handt en tong en eer verlooren.
 
Te duldeloos is uwe smart.
 
Gy draagt de roozen op uw' koonen;
[p. 201]
1925
Maar (laas!) de doorenen in 't hart.1925
 
Wie zal deez' gruwelen beloonen?
Tegen-zang.
 
De vaader heeft de schelms geslacht,
 
En d' overgoddelooze leeden,
 
Tot loon van zulk een maagdekracht,1929
1930
Al vloekende van een gesneeden;
 
En om zijn wraaklust te verzaân,
 
Half levendig aan 't spit gesteeken;
 
De vlammen weigren 't vleesch te braân,
 
Al poogt haar meester zich te wreeken.1934
1935
De spieren lillen aan het spit;
 
Men hoortze somwijl deerlijk karmen,
 
Maar hy die 't hart vol gramschap zit,
 
Die weet in 't minst van geen erbarmen.
Toe-zang.
 
Hy dekt den disch op zulk een' wijs,
1940
Gelijk als Atreus voor zijn broeder;1940
 
Nooit schafte Roome vuiler spijs,1941
 
Dan 't vleesch der kindren voor de moeder.
 
De galdery is al gereet1943
 
Om Aran aan het vuur te geeven,
1945
O oorzaak van ons harteleet!
 
Gy naakt de grenspaal van uw' leeven.

Het vyfde bedryf.

Saturninus. Thamera. Titus. Markus. Lucius in schijn van zijn Kamerling.
Saturninus.
 
Was 't Lucius, die 't hart van Bassiaan doorboorde?
 
Was hy 't, die zijne broêrs zoo jammerlijk vermoorde?
 
Was hy 't, die 't goudt begroef? heeft hy den brief gedicht,
1950
Die zijn onnoosle broêrs met broedermoordt bericht?1950
 
En poogt hy nu zijn lust aan Saturnijn te toonen,
 
Om zoo gevoegelijk te raaken aan de kroonen1952
 
Van 't machtigh Roomsche Rijk? dat wil de hemel hoên!1953
 
Het zy dan, wie het zy, hy zal voor 't schelmstuk bloên.
[p. 202]
Thamera.
1955
Ik bidt voor Titus zoon.
Titus.
 
Gy bidt hier voor zijn leeven,
 
En poogt nochtans mijn zoon den steek des doods te geeven:
 
O afgerechte hoer!1957
Thamera.
 
Hoe zeidt de vaader daar?
Titus.
 
Dat ik my wreeken zal, dat ik den moordenaar,
 
Die 't wreede stuk bestondt, van lit tot lit zal snijen.
Lucius.
1960
Lang leef de Roomsche Vorst in zijne heerschappijen:
 
Lang leef de schoone bruidt: lang leef de strijdbre heldt.
Titus.
 
Wat tijding van mijn zoon?
Lucius.
 
Ik heb uw' zoon gevelt,
 
In 't midden van zijn lust.
Saturninus.
 
Is Lucius verslagen?
Lucius.
 
Hier is 't bebloede hoofd, dat uwe kroon wou draagen.
Saturninus.
1965
Hoedanig was zijn doodt?
Lucius.
 
'k Heb hem, door Titus last,
 
In d'armen van zijn boel, met deeze kling verrast;1966
 
Mits ik, zijn kamerling, de kamerwacht verstierde.1967
Saturninus.
 
Was Roomen vol van vreugdt, toen 't hof de uitvaart vierde
 
Van Nero? nu is 't tijdt dat elk het zelfde doe.
Thamera.
1970
Nu moet de Vaêr van kant, de wraak is noch niet moê,1970-1971a
 
Daar na de Roomsche Vorst.
[p. 203]
Titus.
 
O schelm! die zoo vermetel
 
Het kussen wou bekleên van Saturninus zetel!
 
Heilloozeradebout! meineedige tyran!1973
 
Bloeddronken moordenaar! die in uw' harssenpan
1975
De val van 't Kapitool, zoo schendig, hadt beschooren;1975
 
O helhondt! die u broêrs, zoo gruwlijk, deedt versmooren;
 
Is dit de wreede muil, die 't bloedt van Saturnijn,
 
Uit vaaders bekkeneel, wouw' slurrepen voor wijn?1978
Markus.
 
Weg, met dit raavenâas, de wraak heeft haar vernoegen.
1980
Indien 't de Vorst geliefdt, hy kan zich dischwaart voegen.1980
Titus.
 
Kom wreeker van ons leet, gy doet de Vorst veel hoons,
 
Zoo gy niet dischwaart komt.
Saturninus.
 
Waar zyn Vrouw Thamras zoons?
Titus.
 
Die overdeugdelijk, en hooggebooren broeders,1983
 
Die zullen daadlijk zijn in d'ommering haars moeders;1984
1985
Mevrouw, geen handt zalz'u onthouden, zijt getroost,1985
 
Gy zult uw' lust verzaân, in 't byzijn van uw' kroost:
 
Ik zal uw' dienaar zijn, waar zijn de mommerijen?1987
 
Daar zich de tong vernoegt, moet 't oog geen honger lijen.
Saturninus.
 
De dans bevalt ons oog, gelijk de tong 't banket.1989
Titus.
1990
Ontsachelijke Bruidt, ontfang, naar Bacchus wet,1990
 
Deez' overgoude kop, ter kim vol wijn geschonken,1991
 
Daar Titus gemaalin wel eer heeft uit gedronken.1992
De Geesten van Quiro, en Demetrius.
Thamera.
 
'k Ontfang de waarde gift, op d'uitvaart van uw' zoon.
[p. 204]
 
Men pleng den wijn eerst toe de Vaaderlijke goôn,
1995
En drink dan voort. wat 's dit? mijn handt begint te zinken;1995
 
De kop bedriegt mijn mondt in 't midden van het drinken:1996
 
De wijn springt zelf te rug, en zijpelt langs mijn kin.1997
 
De tafel springt van d'aardt.
Saturninus.
 
Wat deert onz' kaizerin?
Thamera.
 
Het toortslicht wordt gebluscht. hoor! hoor! de hemel dondert.
2000
Wat of ons naaken zal?2000
Titus.
 
Vorstin zijt niet verwondert:
 
De hemel lacht ons toe. de tafel danst van vreugdt,
 
Nu 't schelmstuk is gestraft. o spiegel van de deugdt!
 
O goddelijke vrouw! 't is nu een tijdt van dartelen.
Thamera.
 
Ik voel iet leevendigs in deeze boezem spartelen.2004
2005
Ik wallig van 't banket. ik ben in doods gevaar;
 
Men roep mijn zoonen hier. wel hoe! wien hoor ik daar?
 
Mijn bange boezem steent; maar niet van 't eigen steenen.
 
Waar of mijn zoonen zijn? o ramp! ik hoorze weenen.
 
Komt hier, komt hier mijn zoons. van waar hoor' ikze weêr.
2010
Och! och! mijn kinderen.
Markus.
 
Men zet Mevrouw' wat neêr.2010
Thamera.
 
Voort haalt mijn zoonen hier.
Titus.
 
Mijn dochter Rozelijne,
 
Die zal hier datelijk, met uwe zoons, verschijne'.
Markus.
 
Daar komt de droeve maagdt.
Saturninus.
 
Met glans versierde spruit,2013
 
Waar zijn Mevrouw haar zoons? hoe! geeftge geen geluidt?
2015
Wat draagtge, dus bedekt? hoe Rozelijn? geen reeden?2015
[p. 205]
Titus.
 
Hoe kanze spraakzaam zijn? haar tong is uitgesneeden;2016
 
Gelijk gy zelf kond zien.2017
Saturninus.
 
Wie heeft dit werk bestaan?
Titus.
 
Die d'eevenrijpe maagdt haar maagdom heeft misdaan.2018
Saturninus.
 
Is Rozelijn verkracht?
Titus.
 
Haar maagdelijke banden,2019
2020
Haar minnelijke tong, en poezelige handen,
 
Zijn haar, op eene tijdt, dus gruwelijk, ontrokt.
Saturninus.
 
't Is wonder dat hier d'aard de schelmen niet inslokt!
Titus.
 
Neen, Saturninus, neen, het aardrijk zou 't zich belgen,2023
 
Dat het die vuilen brok door d'open keel moest zwelgen.
Saturninus.
2025
Hoe kan Andronikus 't mishandeld schepsel zien?
Titus.
 
Ik zal de moordenaars de punt van 't lemmer biên:
 
En op dat Rozelijn niet vaaderloos zal leeven,
 
Zoo ik te sneuvlen kom, zal 'k haar den doodsteek geeven.2028
 
Houw' daar mijn Rozelijn, en trouw' met Bassiaan:2029
2030
Vergeeft my wat ik doe, 't wordt u ten dienst gedaan.
Saturninus.
 
Wat raazerny is dit?
Titus.
 
Mijn doen bestaat uit reeden:2031
 
Uw' broêr, haar bruidegom, die zal haar teegens treeden,2032
 
En leyen haar langs myrth, in 't Elyzeesche veldt.
Saturninus.
 
Wie heeft uw' kindt geschent?
[p. 206]
Titus.
 
O wijdbefaamde heldt!
2035
Die, die 't doorluchtig tal van Titus huis verminderen.2035
Saturninus.
 
Wie, Lucius?
Titus.
 
O neen, 't zijn Thamera haar kinderen;
 
Demetrius, en zijn broêr.
Saturninus.
 
Men haalt hun hier.2037
Titus.
 
Houd stal.
 
De moordenaars, daar gy om stuurt, die zijn hier al.
Saturninus.
 
Waar zijnze? wijstze ons.
Titus.
 
Hoe! heeft de Vorst geen oogen?
Saturninus.
2040
Ik zieze hier, noch daar.
Titus.
 
't Gezicht heeft u bedroogen.2040
 
Hier zijn de moordenaars, deez' hebben 't quaad bestaan.
 
Bezietze wel te deeg.
Thamera.
 
O ramp, wy zijn verraân!
Titus.
 
Kent gy de hoofden wel? dit zijn de wreede hoofden,
 
Die Rozelijn haar eer, door uwe raadt, ontroofden.
Thamera.
2045
Hoe kon zy kondschap doen, zy had noch tong, noch handt.
Titus.
 
Zy heeft het met een staf geschreeven in het zand.
Thamera.
 
Waar is het overschot van mijn vermoorde zoonen?
Titus.
 
Al wat'er over is, dat zal ik u vertoonen:
 
En wat'er geen meer is, dat hebt gy nu al weg:2049
2050
Hier is het overschot.
[p. 207]
Thamera.
 
Is 't errenst?
Titus.
 
't Geen ik zeg
 
Is waar: g'hebt zelf uw' zoons, gy hongerige raaven!
 
Door d'ingang van uw' keel, in uwe buik begraaven.
Thamera.
 
Hoe! zijn de kinderen in 's moeders ingewandt?
Titus.
 
Gy hebt aan uwe zoons terstondt gelekkertandt.2054
2055
Gekerft, geknaagt, gescheurt, met uw' scheurzieke koonen.2055
 
Geen tiger is zo wreedt, of hy zal 't jong verschoonen;
 
Maar gy maakt uwe balg uw' zoonen tot een graf.
Saturninus.
 
Voort, vat den moordenaar, 'k zal hem voor dagh zijn straf2058
 
Doen voelen, naar verdienst.
Titus.
 
Doorluchtige kornellen!2059
2060
Schiet toe, en knelt de Vorst, die Titus zoekt te knellen.2060
Thamera.
 
Wee my onzalig wijf! wat quaadt is hier berokt?
 
Heb ik mijn eigen zoons zoo gierig ingeslokt?2062
 
Hoor Titus! Titus hoor! hoor Thamras zoonen karmen!
 
Zy bijten in mijn hart, en scheuren mijne darmen,
2065
En krabben aan mijn borst, om door een enge baan,
 
Als eer uit 's moeders schoot, in 's werelds schoot te gaan.2066
 
Kom Titus, laat uw' zwaardt een oopen venster maaken
 
In mijn vervloekte buik, ik zal de leeden braaken
 
Van mijn vermoorde zoons. sta felle moordenaar,
2070
Eer ik uw' gorgel grijp, en wurgze met mijn hair;2070
 
Verschoon de geesten die in 's moeders lichaam spooken.2071
 
Hoe zal ik mijne zoons 't behoorlijk lijkvuur stooken?
 
Ik ben gantsch raadeloos, ten zy de blixem zelf,
 
Ten slinger uitgegooit, komt daalen van 't gewelf,
2075
En zengt mijn wreede borst met al haar ingewanden:
 
Want zoo ik mijne zoons tot assche wil verbranden,
 
Zoo moet ik zelver ook verberrenen tot asch.
[p. 208]
 
Kom helsch, en hemelsch vuur. och dat de Moor hier was!
 
Help Aran! Aran help.2079a
Aran. Thamera. Saturninus. Titus. Markus. Lucius.
Aran.
 
Wie hoor ik Aran melde?2079b
Thamera.
2080
Och! Aran zijtge daar? zoo gy u zelf ooit stelde2080
 
Voor Saturninus Bruidt, zoo komt haar nu te baat;2081
 
Want Titus stelt my hier als oorzaak van al 't quaadt,2082
 
Dat zijn geschonne kindt, in 't bosch, heeft overrompelt;
 
Hy heeft zijn zwaardt, in 't bloed van mijne zoons, gedompelt,
2085
En 't versche vleesch, gebraân, de moeder voorgestelt:2085
 
De Vorst, die 't keren wou, die keert hy door gewelt.
Aran.
 
Al wat'er is gedaan, is hem door my gebrouwen;2087-2091
 
Door my hebt gy de handt van uwen arm gehouwen;
 
Door my is Rozelijn zoo deerelyk verkracht;
2090
Door my zijn uwe zoons moordaadig omgebracht;
 
Door my is Bassiaan zijn hartaâr afgesteeken.
Saturninus.
 
Hoe zal ik Broeders doodt, hoe zal ik 't schelmstuk wreeken?
 
Wie zal my bystandt doen?
Titus.
 
Ik zal u hulpzaam zijn.2093b
Aran.
 
O ysselijke val! o doodelijke pijn!
2095
Help Titus! Titus help! ik zal uw gramschap kussen.2095
Titus.
 
De wraak keert u de nek.
Aran.
 
Wie zal deez' vlammen blussen?
[p. *7]



illustratie

VII


[p. *8]



illustratie

VIII


[p. 209]
Titus.
 
De traanen van uw' hoer.
Aran.
 
Genâ! genâ! genâ!
Titus.
 
Als 't quaaddoen wordt gestraft, dan komt 't berouw te spâ.
Aran.
 
O Titus! geef genâ.
Titus.
 
De wraaklust heeft geen ooren.
Aran.
2100
Bepaal de woede wraak van uw' getergde tooren.2100
Titus.
 
Hadt gy u wreede handt, in al uw' doen, bepaalt,2101
 
De weerwraak was zoo fel niet op uw' hooft gedaalt.
 
Hier leit hy in zijn graf die ons in 't graf wou wikkelen.2103
Aran.
 
O overheete vlam! o al te scherpe prikkelen!2104
2105
Kom Titus, Titus kom, en kerf mijn leevens draân.
Titus.
 
Eerst moet het rauwe vleesch tot op het been toe braân.
Aran.
 
Help spooken! spooken help! ik ben om hulp verlegen.
 
Stort dolle donderaar, stort nu een dichte regen,
 
Met uw' vergramde vuist, van blixems op my neêr;
2110
Op dat ik, in der yl, tot assche toe, verteer.
 
O wee! o wee! o wee!
Titus.
 
De schelm is al gezonken;2111
 
Hy leit, als in de gloedt van AEtnas bergspelonken.2112
Saturninus.
 
Nu is mijn wraak vernoegt: mijn broeders geest gepait;2113
 
Ik zwem in ene zee van alle dartelheidt:2114
2115
Het hart springt my van vreugdt.
[p. 210]
Titus.
 
Ik zal de vreugdt betoomen.
 
Daar moorehoer, hou daar; gy zult uw' pol bekoomen2116
 
In 't onderaardsche Rijk.
Saturninus.
 
Hou daar vervloekte guit,
 
En volg de bloedge schreên van Saturninus bruidt.
Lucius.
 
Is vaader doodt? o doodt! door Saturninus handen?
2120
Tyran daar is uw' loon.
Markus.
 
Uw' Kaizerlijke banden2120
 
Zijn nu voor Lucius, en wat aan 't Rijk behoort.
 
Nu zal het noodig zijn, dat gy des Tybers poort,
 
En 't ruime marriktveldt, omheinigt met uw' troepen,2123
 
Dan zalmen 's Vorsten doodt, en u voor Vorst, uitroepen;2124
2125
En wie'er teegens streeft, alwaar 't de Ridderschap,2125
 
Zal voort naar Pontus Meir, in eeuwge ballingschap.2126
 
 
 
UIT.